id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.112 Rolnummer: A. 237390/X-18253 Zaak: Arrest 255112 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 25/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-28 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-13 15:31 Fiche Arrest nr 255.112 van 25 november 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 255.112 van 25 november 2022 in de zaak A. 237.390/X-18.253 In zake:
- Christian VANWIJNSBERGHE
- Nathalie SAMAIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Desrumaux, Benjamin Demuynck en Kim Poelman kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE ZWEVEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Vanden Berghe en Arne Devriese kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de VZW NATUURPUNT BEHEER, VERENIGING VOOR NATUURBEHEER EN LANDSCHAPSZORG IN VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Robin Verbeke kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 november 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem van 2 augustus 2022 waarbij aan de vzw Natuurpunt Beheer vergunning wordt gegeven om percelen de Zandbeekstraat en de Bucqstraat te X-18.253-1/14 bebossen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 22 november 2022 heeft de vzw Natuurpunt Beheer gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november 2022, om 11.30 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin Demuynck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Frank Vandenberghe, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robin Verbeke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom Dewaele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, toont een parkgebied in het binnengebied tussen de Zandbeekstraat, de Bucqstraat en de Beerbosstraat van de gemeente Zwevegem (Sint-Denijs). Dit parkgebied is omringd door landschappelijk waardevol agrarisch X-18.253-2/14 gebied.
- Op 7 juli 2022 dient de vzw Natuurpunt Beheer bij de verwerende partij een vergunningsaanvraag in voor het bebossen van zeven in het voornoemde agrarische gebied gelegen percelen langs de Zandbeekstraat en de Bucqstraat (hierna: de betrokken percelen). 5.
- Op 15 juli 2022 beantwoordt het departement Landbouw en Visserij van het Vlaamse Gewest (hierna: het departement Landbouw) de adviesaanvraag van de verwerende partij vooreerst als volgt: “Het departement Landbouw […] heeft uw in het onderwerp vermelde adviesvraag niet inhoudelijk onderzocht. De vergunningverlenende overheid wordt wel gevraagd om bij de besluitvorming rekening te houden met onderstaande elementen. De gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn gedeeltelijk gelegen in HAG, nl. in Landbouwgebied van het zandlemig interfluvium West. De vergunningverlenende overheid dient na te gaan of de aanvrager de Vlaamse overheid is. Volgens de beslissing van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en de omzendbrief RO/2010/01 van de Vlaamse Regering van 7 mei 2010 over het beleid binnen de herbevestigde agrarische gebieden en bij uitbreiding binnen de agrarische gebieden van een RUP, geldt immers de volgende bewarende maatregel: er wordt door de Vlaamse overheid geen bosuitbreiding gerealiseerd, tenzij: - anders bepaald in de beslissing van de Vlaamse regering; - binnen de overdruk bosuitbreidingsgebied, of binnen de perimeter van een bosuitbreidingsgebied opgenomen in een goedgekeurd landinrichtings- of ruilverkavelingsplan. De gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, worden gekenmerkt door matig natte leembodem zonder profiel (Adp) (27,79%), matig natte leembodem met textuur B horizont (Ada) (72,21%) en worden niet als marginale landbouwgronden beschouwd. De gronden zijn aangeduid als bijzondere strook (0,25%), laag (11,17%), hoog (56,06%), medium (31,55%) erosiegevoelig.” X-18.253-3/14 5.
- Vervolgens antwoordt het departement Landbouw: “Er wordt geen noemenswaardige schade verwacht aan de agrarische structuur bij de bebossingen die voldoen aan één van de onderstaande situaties: - de gronden liggen ingesloten en 75% van de omtrek sluit aan bij een bestaand bos dat een minimumoppervlakte van 1 ha heeft en conform artikel 3, §1, van het Bosdecreet is; - de gronden sluiten aan bij een bestaand bos dat een minimumoppervlakte van 1 ha heeft en conform artikel 3, §1, van het Bosdecreet onder de toepassing van dat decreet valt, én ze worden als marginale landbouwgronden beschouwd; - de gronden sluiten aan bij een bestaand bos dat een minimumoppervlakte van 1 ha heeft en conform artikel 3, §1, van het Bosdecreet onder de toepassing van dat decreet valt, én ze hebben een zeer hoge bodemerosiegevoeligheid; - de gronden worden in kader van een structuurplan van een ruilverkaveling, een natuurrichtplan, een landinrichtings- of een natuurinrichtingsproject geheel of gedeeltelijk aangewezen voor bebossing of de betreffende bebossing waarvoor het advies wordt gevraagd werd in het ruilverkavelingscomité overlegd, goedgekeurd en als dusdanig genotuleerd.”
- Op 20 juli 2022 brengt de dienst Groen & Wegen van de verwerende partij (hierna: de gemeentelijke dienst) gunstig advies uit.
- Op 2 augustus 2022 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem de gevraagde vergunning om over te gaan tot het bebossen. Dit is het als volgt luidende bestreden besluit: “[…] Motivering De aanvraag is gesteund op het Veldwetboek, meer bepaald op Artikel 35 § 5 en het Bosdecreet en heeft betrekking op een oppervlakte van 51.532 m of 5 ha 15 a 32 ca. Het betreft de percelen gelegen te Zwevegem, deelgemeente Sint-Denijs en er gekadastreerd of het geweest zijnde sectie E311, E313, E314, E316B, E322E, E274 en sectie F524, De percelen werden aangekocht door Natuurpunt Beheer VZW in
- Het aangekochte gebied zal in beheer genomen worden door de lokale afdeling van Natuurpunt Zwevegem. De gronden zijn volgens de aanvrager vrij van gebruik en pacht sedert november 2021 en de percelen zijn gelegen in — wat de aanvrager noemt — ‘ons nieuw natuurgebied Beerbos’. Zoals de aanvrager terecht stelt is de huidige biologische waardering van de percelen ‘minder waardevol’ als akkerland, vermits het akker betreft op zwaar lemige bodem (volgens de kartering van de Biologische Waarderingskaart). Het is de bedoeling met de X-18.253-4/14 bebossing de biologische waarde van de betrokken percelen gevoelig te verhogen. Uit de bij de aanvraag gevoegde informatieve project-MER screeningsnota blijkt dat - rekening houdend met zijn kenmerking, de omgeving en de uitgevoerde analyse - de mogelijke milieu-effecten van het bebossingsproject niet aanzienlijk zijn en dat derhalve de opmaak van een milieu-effectenrapport niet noodzakelijk is. De percelen zijn, volgens het Gewestplan Kortrijk, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Volgens artikel 11 zijn de agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin, maar is de overschakeling naar bosgebied toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek. Bebossen in agrarische gebieden is derhalve niet uitgesloten. De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen (artikel 15 van het Koninklijk Besluit betreffende de inrichting van de gewestplannen - inrichtingsbesluit). In deze gebieden mogen de uitgevoerde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen. Volgens het gemeentelijk structuurplan Zwevegem behoren de betrokken percelen tot het gebied van de kamlijn van het Interfluvium Leie-Schelde. De percelen liggen feitelijk tussen enerzijds Bellegembos en anderzijds het Beerbos van de deelgemeente Sint-Denijs. De kamlijn van het Interfluvium is het belangrijkste structurerend element van West naar Oost. Deze reliëfcomponent is drager van bossen, beken, valleien en kleine landschapselementen. De kamlijn is een essentiële landschappelijke drager die het gebied ook een recreatieve aantrekkingskracht geeft. Het gemeentelijk structuurplan stelt dat het beleid gericht is op het behouden en het versterken van de visuele kwaliteit en herkenbaarheid van de kamlijn als landschappelijk waardevol en toeristisch/recreatief aantrekkingselement. Het is duidelijk dat, mede gelet op voormelde ligging, de aangevraagde bebossing de landschappelijke waarde van het gebied zal versterken. De aanvrager heeft een duidelijk en concreet inrichtingsplan uiteengezet, waarin ook concrete aandacht besteed werd aan de nabijheid van bebouwing en landbouwgrond. Door de vaststelling dat de randen van het toekomstige bos zullen aangeplant worden met een mantel-zoomvegetatie, zal het toekomstige bos inderdaad visueel aantrekkelijker zijn en minder impact hebben op de nabijgelegen gronden en woningen. Bovendien zal - conform het Veldwetboek - de wettelijke afstand tot de perceelsgrenzen bewaakt worden, zijnde 6 m voor hoogstammige bomen en 2 m voor struiken. Ten aanzien van eventuele aanpalende landbouwpercelen, gebruikt als akkerland, is een afstand van eerder 8 meter aangewezen. Het bos, voorwerp van de aanvraag, zal (volgens informatie in ons bezit) aansluiten op het reeds vergunde bos ten belope van 1.5 ha op het aanpalend perceel gekadastreerd te Zwevegem-Sint-Denijs, sectie E, nr.
- De dienst merkt op dat de voorliggende aanvraag past in de uitvoering van het lokaal klimaatplan Zwevegem en bijdraagt tot de gewenste beleidsmatige ontwikkeling van de bosuitbreiding op het grondgebied van Zwevegem. Standpunt van het college van burgemeester en schepenen Het college van burgemeester en schepenen heeft kennis genomen van de aanvraag tot bebossingsvergunning met bijlagen, gedagtekend op 7 juli X-18.253-5/14 2022, alsook van de adviezen van het Departement Landbouw […] enerzijds en van de [gemeentelijke] dienst […] anderzijds. Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij het advies van de [gemeentelijke] dienst […] op grond van de overwegingen die erin vervat zijn. Rekening houdend met de vaststelling dat de percelen inderdaad gelegen zijn op de kamlijn van het Interfluvium, de landschappelijke waarde versterken, de relatieve nabijheid van andere boselementen, de bijdrage tot de uitvoering van het lokaal klimaatplan en het gedetailleerde inrichtingsplan van de percelen zoals vervat in de aanvraag, kan de bebossingsvergunning/toelating verleend worden overeenkomstig het advies van de dienst publieke ruimte. Wat het advies van het Departement Landbouw […] betreft: gezien de aanvraag niet uitgaat noch van de Vlaamse Overheid, noch van enige andere Provinciale of lokale overheid, is de verwijzing naar de beslissing van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en de omzendbrief RO/2010/01 van de Vlaamse Regering van 7 mei 2010 van ondergeschikt belang. Een omzendbrief is essentieel bedoeld ais richtlijn voor de administratie van de overheid die de omzendbrief uitschrijft. In die zin heeft de omzendbrief RO/2010/01 geen verordenende kracht. Het is louter een beleidsdocument waarin de Vlaamse Regering haar beleidsvisie over planningsinitiatieven in de betrokken gebieden uiteenzet. Dit heeft tot gevolg dat het lokaal bestuur met voormelde omzendbrief geen rekening moet houden en dat de eventuele schending niet tot de onwettigheid van de beslissing van het lokaal bestuur kan leiden. Anderzijds moet ook vastgesteld worden uit de bepaling van artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ont- werp-gewestplannen en gewestplannen, dat een bos niet zonevreemd is in een agrarisch gebied van het Gewestplan (Raad van State Arrest 253.270 van 18 maart 2022). De aanvraag is tenslotte ook verenigbaar met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied, vermits de beoogde bebossing, gelet op de concrete gegevens van het geval, de landschappelijke waarde van het gebied zelfs versterkt.” IV. Verzoek tot tussenkomst
- De vzw Natuurpunt Beheer – houder van de bestreden vergunning – verzoekt om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dit verzoek in te willigen. X-18.253-6/14 V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. VI. Voorwaarde van een ernstig middel Het aangevoerde enige middel 10.
- Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, evenals van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 10.2.
- In het eerste middelonderdeel “de bodemproblematiek” bekritiseren verzoekers volgende overwegingen van het bestreden besluit: “Zoals de aanvrager terecht stelt, is de huidige biologische waardering van de percelen ‘minder waardevol’ als akkerland, vermits het akker[s] betreft op zwaar lemige bodem (volgens de kartering van de Biologische Waarderingskaart). Het is de bedoeling met de bebossing de biologische waarde van de betrokken percelen gevoelig te verhogen.” 10.2.
- Volgens verzoekers blijkt uit de hiervoor aangehaalde overwegingen dat de verwerende partij – net zoals de aanvrager – naar de biologische waarderingskaart verwijst om de betrokken percelen te kwalificeren als “minder waardevol als akkerland, vermits het akker betreft op zwaar lemige bodem”. Dit is geenszins correct. De betrokken percelen zijn weliswaar “biologisch” minder waardevol, maar het zijn wel degelijk akkerlanden. De X-18.253-7/14 biologische waarderingskaart geeft geen duidelijk beeld weer of voert geen verder onderzoek naar de bodem van de percelen, zoals bodemerosiegevoeligheid. Te dezen worden de betrokken percelen slechts gekenmerkt door een matig natte leembodem. Het is dus niet uitgesloten dat deze akkergronden te gebruiken zijn voor nuttige agrarische doeleinden, al dan niet voor het verbouwen van bepaalde gewassen. Daarenboven is de helft van de betrokken percelen slechts laag-medium erosiegevoelig en is er nergens sprake van zeer hoge erosiegevoeligheid. Het lijkt dus dat de vergunningverlenende overheid zich ertoe beperkt enkel de voor haar gunstige informatie mee te delen teneinde een gunstige beslissing te kunnen verlenen, maar de andere relevante objectieve gegevens achterwege laat, minstens niet motiveert. 10.3.
- Volgens het tweede middelonderdeel brengt het bestreden besluit de schoonheidswaarde van het landschap in het gedrang. 10.3.
- Verzoekers benadrukken dat de betrokken percelen gelegen zijn in herbevestigd agrarisch gebied (HAG). Zij wijzen er op dat uit de omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010 blijkt dat bestemmingswijzigingen in HAG terughoudend moeten worden beoordeeld. 10.3.
- Verzoekers stellen dat geen rekening is gehouden met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Zwevegem (GRS). Zij wijzen er op dat in het informatieve en richtinggevende gedeelte van het GRS het volgende wordt gesteld: “Waardevol open landschap Er komt een glooiend landschap voor. Dit landschap heeft ook een belangrijk toeristische aantrekkingskracht. De kamlijn van het interfluvium staat borg voor mooie panorama’s. Grondgebonden landbouw Dit gebied is grotendeels ingenomen door de grondgebonden landbouw. Hierdoor is het open karakter ontstaan. In de toekomst kan dit open karakter verzekerd worden als er voldoende mogelijkheden geboden worden aan de grondgebonden landbouw. […] De landbouw is de drager van de open ruimte. De landbouw krijgt de nodige ontwikkelingskansen. X-18.253-8/14 […] Vanop de kamlijn zijn er belangrijke panoramische zichten op de weidsheid van het landschap.” Bovendien wordt in een bindende bepaling van het GRS gesteld dat de betrokkenheid van de agrarische sector bij het opstellen van een landschapsontwerp voor het lokaal gaaf gebied en de kamlijn van het interfluvium gewenst is. 10.3.
- Verzoekers wijzen er op dat voor de betrokken percelen de essentiële voorwaarde van het gewestplan geldt dat de uitgevoerde werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gedrang mogen brengen. In het bestreden besluit beperkt de verwerende partij zich ertoe in algemene bewoordingen en in stijlformules te stellen dat de bebossing de landschappelijke waarde van het gebied zal versterken, doch gaat zij niet in op de concrete elementen die dit aantonen. In casu maken de betrokken percelen deel uit van een groter geheel van een aaneengesloten open landschap. De bebossing zou aldus afbreuk doen aan de schoonheidswaarde van de omgeving en is niet passend, gelet op de aansluiting van de grote open vlaktes die men wel behoudt. De bebossing zou een compleet onbezonnen onttrekking van de landbouwgronden aan hun bestemming uitmaken, daar zij perfect kunnen worden gebruikt voor agrarische doeleinden. Volgens verzoekers is het lokale klimaatplan – waarop het bestreden besluit zich beroept – een ondergeschikt beleidsplan dat in eerste instantie geenszins afbreuk zou mogen doen aan hetgeen is bepaald in het GRS en ruimtelijke uitvoeringsplannen. 10.
- In het derde middelonderdeel stellen verzoekers dat er geen duidelijk en concreet inrichtingsplan voorhanden is zodat de bewering in het bestreden besluit dat “concrete aandacht werd besteed aan de nabijheid van bebouwing en landbouwgrond” op geen enkele manier wordt gestaafd. 10.5.
- In het vierde middelonderdeel stellen verzoekers dat er geen rekening is gehouden met de verleende adviezen. X-18.253-9/14 10.5.
- Volgens verzoekers geeft de verwerende partij in het bestreden besluit geen eigen motivering, maar volgt zij blindelings het voorwaardelijk gunstig advies van de gemeentelijke dienst. Dit betreft een intern advies dat niet werd meegedeeld aan verzoekers. “Ten overvloede” merken verzoekers op dat de verwerende partij vergeten lijkt te zijn dat dit advies als voorwaarde heeft gesteld dat er geen hoogstammige bomen geplant zouden worden op minder dan acht meter van de grens met aanpalende landbouwterreinen. 10.5.
- Verzoekers benadrukken dat het departement Landbouw in haar advies van 15 juli 2022 uitdrukkelijk gevraagd heeft om er mee rekening te houden dat er geen noemenswaardige schade aan de landbouwstructuur is als men zich in één van de in het advies uitdrukkelijk genoemde situaties bevindt. In casu doet geen enkele van die situaties zich voor. De verwerende partij heeft niet correct gemotiveerd waarom zij geen rekening heeft gehouden met het advies van het departement Landbouw en hier aldus meent te kunnen van afwijken. 10.
- Verzoekers voegen nog toe dat de verwerende partij hun recht van verdediging heeft geschonden daar zij op geen enkel vlak werden geraadpleegd. Beoordeling
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat het terecht is dat in het bestreden besluit gesteld wordt dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat een bos niet zonevreemd is in een agrarisch gebied van het gewestplan. Voorshands dient te worden aangenomen dat het bestreden besluit een individuele vergunning verleent voor een zone-eigen handeling, zodat dit besluit – anders dan verzoekers lijken te veronderstellen – niet gelijk kan worden gesteld met een wijziging van de agrarische bestemming. Het lijkt dan ook terecht dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opmerken dat de omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010 – die louter betrekking heeft op planningsinitiatieven – te dezen hoe dan ook niet X-18.253-10/14 toepasselijk is. Overigens bezit deze omzendbrief – zoals onder meer in herinnering wordt gebracht in ’s Raads arrest nr. 253.270 van 18 maart 2022 – geen verordenende kracht.
- Voorts gaan verzoekers er prima facie aan voorbij dat het GRS uitdrukkelijk stelt dat het “glooiend landschap” en de “mooie panorama’s” ter plaatse niet alleen bestaan uit grondgebonden landbouw, maar ook uit “bossen” en “kleine landschapselementen”. Daarnaast vormen de ruimtelijke structuurplannen – zoals eveneens in herinnering is gebracht in het laatstgenoemde arrest – geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen. Het blijkt overigens niet – en verzoekers beweren ook niet – dat het bestreden besluit een “landschapsontwerp voor het lokaal gaaf gebied en de kamlijn van het interfluvium” in de zin van het GRS zou zijn.
- In het bestreden besluit sluit de verwerende partij zich uitdrukkelijk aan bij de – in dit besluit in extenso geciteerde – overwegingen uit het advies van de gemeentelijke dienst. In deze redengeving wordt omstandig gemotiveerd waarom de bebossing van de betrokken percelen de landschappelijke waarde van het gebied zal versterken. Essentieel daarbij is dat de schoonheidswaarde van dit landschap mede bepaald wordt door de aanwezigheid van de – onder meer in het binnengebied tussen de Zandbeekstraat, de Bucqstraat en de Beerbosstraat gelegen – bestaande bossen. Op het eerste gezicht negeren verzoekers dat essentiële element van de dragende motivering van het bestreden besluit, zodat zij er niet van overtuigen dat het onterecht zou zijn dat de verwerende partij aangenomen heeft dat de door dit besluit vergunde bosuitbreiding de schoonheidswaarde van het landschap niet aantast.
- Voorts is het prima facie terecht dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opmerken dat uit de stukken van het administratief dossier wel degelijk blijkt hoe de betrokken percelen concreet zullen worden ingericht. In deze stukken wordt uitdrukkelijk beschreven dat de randen langs aanpalende bebouwing en landbouwgrond aangeplant zullen worden met een mantel-zoomvegetatie die als volgt wordt toegelicht: X-18.253-11/14 “Dit is een opgaande struikengordel die laag aan de perceelsgrens begint en hoger opgaat naar het interne bosgedeelte. Hierdoor is er geen harde overgang, maar eerder een geleidelijke tussen de omliggende percelen en het toekomstig bos. Dit heeft niet enkel een positief effect op de biodiversiteit, maar geeft een visueel veel aantrekkelijker bos met minder impact op de nabijgelegen gronden.” Voorshands wordt aangenomen dat uit de meergenoemde stukken en de tekst van het bestreden besluit dient te worden opgemaakt dat er geen hoogstammige bomen geplant zullen worden op minder dan acht meter van de grens met aanpalende landbouwterreinen. In het licht van het voorgaande kunnen verzoekers er prima facie niet van overtuigen dat het onterecht zou zijn dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat “concrete aandacht werd besteed aan de nabijheid van bebouwing en landbouwgrond”.
- De tussenkomende partij legt als stuk 14 een op 23 november 2012 door het departement Landbouw opgemaakte nota “Beoordelingskader van de afdeling duurzame landbouwontwikkeling in functie van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen in de agrarische gebieden” neer. De passage van het advies van het departement Landbouw van 15 juli 2022 waarin situaties worden opgesomd waarin bij bebossing “geen noemenswaardige schade [wordt] verwacht aan de agrarische structuur”, (randnr. 5.2) blijkt een parafrasering te zijn van de in deze nota opgesomde situaties waarin “een advies automatisch gunstig wordt beoordeeld”. Op het eerste gezicht verhindert niets het departement Landbouw om bebossingen ook in andere situaties gunstig te beoordelen. Bovendien lijkt de meergenoemde nota zich niet te richten tot lokale besturen, zoals de verwerende partij er een is. In die omstandigheden lijken verzoekers er niet van te overtuigen dat de verwerende partij geen toereikend antwoord zou hebben gegeven op het advies van het departement Landbouw van 15 juli 2022, dat overigens niet als ongunstig kan worden aangemerkt.
- Voorts lijkt uit de omstandigheid dat de verwerende partij in het X-18.253-12/14 bestreden besluit verwijst naar haar lokaal klimaatplan geen onwettigheid voort te vloeien.
- Verzoekers maken op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de in het tuchtrecht geldende “rechten van verdediging” ook in onderhavige zaak toepasselijk zouden zijn.
- Tot slot moet nog worden opgemerkt dat de in 10.2.1 aangehaalde overwegingen zich – anders dan verzoekers blijkbaar menen – niet uitspreken over de agrarische waarde van de betrokken percelen, maar louter over de biologische waarde ervan. Uit de omstandigheid dat het bestreden besluit niet vermeldt dat – naar verzoekers beweren – de betrokken percelen slechts een matig natte leembodem hebben, slechts beperkt erosiegevoelig zijn en gebruikt kunnen worden voor agrarische doeleinden, volgt op het eerste gezicht evenmin enige onwettigheid.
- De conclusie is dat verzoekers prima facie geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemelijk maken.
- Het enige middel is niet ernstig. VII. Conclusie
- Ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State waaraan cumulatief moet zijn voldaan opdat een vordering tot schorsing kan worden toegewezen, is niet vervuld. X-18.253-13/14 BESLISSING
- Het verzoek van de vzw Natuurpunt Beheer tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jan Clement X-18.253-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.112 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div