id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.150 Rolnummer: A. 232440/VII-40976 Zaak: Arrest 255150 - Milieuvergunningen - 01/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-12 09:57 Fiche Arrest nr 255.150 van 1 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.150 van 1 december 2022 in de zaak A. 232.440/VII-40.976 In zake : de STAD NIEUWPOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Peeters en Matthias Lierman kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 593 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, belast met Noordzee bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais, Ruud De Houwer en Jonas Deckers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV CODEVCO V, thans de BV ZEEBOERDERIJ WESTDIEP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Chellingsworth en Delphine Holemans kantoor houdend te 1040 Brussel Tervurenlaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Noordzee van 30 september 2020 waarbij aan de bv Codevco V (thans: de bv Zeeboerderij Westdiep) een gebruiksvergunning wordt verleend voor zone C in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. VII-40.976-1/105 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Codevco V heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 februari 2021. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 9 december 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Peeters, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Ruud De Houwer en Jonas Deckers, die verschijnen voor de verwerende partij en advocaten Thomas Chellingsworth en Delphine Holemans, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.976-2/105 III. Juridisch kader en feiten Juridisch kader 3.1. Artikel 5bis van de wet van 20 januari 1999 ‘ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België’ (hierna: wet van 20 januari 1999) bepaalt: “Art. 5bis. § 1. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een procedure vast voor de aanneming van een marien ruimtelijk plan voor de Belgische zeegebieden, overeenkomstig de Europese en internationale regelgeving, en inzonderheid met betrekking tot het overleg met de betrokken sectoren en instanties. Deze procedure omvat minstens: 1° een planningsproces; 2° een openbaar onderzoek; 3° het opstellen van een strategisch milieueffectenrapport; 4° de procedure tot wijziging. § 2. Het marien ruimtelijk plan is bindend. Het wordt door de Koning vastgesteld, bij een besluit na overleg in de Ministerraad. Het marien ruimtelijk plan wordt zesjaarlijks geëvalueerd en gewijzigd waar nodig. De Koning kan ook een tussentijdse wijzigingsprocedure regelen. § 3. De Koning stelt een raadgevende commissie in om in het kader van de procedure vermeld in paragraaf 1 een niet-bindend advies te formuleren. § 4. Het marien ruimtelijk plan wordt opgesteld volgens de volgende structuur: 1° een ruimtelijke analyse van de Belgische zeegebieden; 2° een langetermijnvisie betreffende het ruimtelijk gebruik van de Belgische zeegebieden; 3° duidelijke economische, sociale, milieu- en veiligheidsdoelstellingen, die ten minste de volgende onderdelen omvatten:
- a)de effectieve doelstellingen;
- b)de indicatoren die een betrouwbare aanwijzing vormen voor het bereiken van de gewenste doelstelling of van een gewenste gedragswijziging; 4° de maatregelen, instrumenten en acties tot uitvoering van het marien ruimtelijk plan”. In verband met de noodzakelijke vergunningen en machtigingen en het milieueffectenrapport bepaalt de wet van 20 januari 1999: “HOOFDSTUK VI. - Vergunningen en machtigingen. VII-40.976-3/105 Art. 25. § 1. In de zeegebieden zijn de hiernavermelde activiteiten onderworpen aan een voorafgaande vergunning of machtiging verleend door de minister : (
- i)de burgerlijke bouwkunde; (
- ii)het graven van sleuven en het ophogen van de zeebodem; (iii) het gebruik van explosieven en akoestische toestellen met een groot vermogen; (
- iv)het achterlaten en het vernietigen van wrakken en gezonken scheepsladingen; (
- v)industriële activiteiten; (
- vi)de activiteiten van publicitaire en commerciële ondernemingen. § 2. De Koning kan, met het oog op de bescherming van het mariene milieu, andere activiteiten in de zeegebieden dan deze vermeld in § 1 en in § 3 hieronder onderwerpen aan een voorafgaande vergunning of machtiging. § 3. De volgende activiteiten zijn niet onderworpen aan de in dit artikel bedoelde vergunning of machtiging : (
- i)de beroepsvisserij; (
- ii)het wetenschappelijk zee-onderzoek; (iii) de scheepvaart, uitgezonderd de in § 1, punt (iv), bedoelde activiteiten; (
- iv)de activiteiten bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België; (
- v)de niet-winstgevende individuele activiteiten; (
- vi)de activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Art. 26. De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning, de opschorting, de opheffing en de intrekking van de in artikel 25 bedoelde vergunningen of machtigingen. Hij kan ook nadere regels vaststellen inzake het toezicht waaraan deze activiteiten zijn onderworpen […] HOOFDSTUK VII. - Milieueffectenrapport en milieueffectenbeoordeling Art. 28. § 1. Elke activiteit in de zeegebieden die, hetzij krachtens deze wet en de besluiten genomen ter uitvoering ervan, hetzij krachtens andere geldende wettelijke of reglementaire bepalingen, onderworpen is aan een vergunning of een machtiging, behoudens de vergunningen verleend op grond van de visserijwetgeving en de concessies verleend op grond van de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België, maakt het voorwerp uit van een milieueffectenbeoordeling door de hiertoe door de minister aangeduide bevoegde overheid zowel voor het verlenen van de vergunning of de machtiging, als achteraf. De milieueffectenbeoordeling moet de evaluatie van de effecten van deze activiteiten op het mariene milieu mogelijk maken. § 2. Degene die een in § 1 bedoelde activiteit wenst te ondernemen, moet een milieueffectenrapport voegen bij zijn vergunnings- of machtigingsaanvraag. Dit rapport wordt opgesteld op initiatief en op kosten van de aanvrager volgens de door de Koning bepaalde regels. VII-40.976-4/105 § 3. De overheid die bevoegd is om de vergunningen of machtigingen bedoeld in § 1 te verlenen, houdt rekening met de resultaten van de milieueffectenbeoordeling. In de motivering van haar beslissingen wordt naar die resultaten verwezen. § 4. Voor verschillende activiteiten van dezelfde aard die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen of machtigingen, kan de bevoegde overheid overgaan tot één enkele geïntegreerde milieueffectenbeoordeling. In dit geval houdt ze bij haar beoordeling rekening met de globale gevolgen voor het milieu van de beoogde activiteiten en de vastgestelde interacties. § 5. Wanneer verschillende activiteiten van dezelfde aard het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen of machtigingen, kan de bevoegde overheid de aanvrager de toelating verlenen één geïntegreerd milieueffectenrapport te laten opstellen. […]”. 3.2. In uitvoering van de wet werd het koninklijk besluit van 27 oktober 2016 ‘betreffende de procedure tot aanduiding en beheer van de mariene beschermde gebieden’ aangenomen (hierna: koninklijk besluit van 27 oktober 2016). Wat de Natura 2000-toelating betreft, bepaalt dit koninklijk besluit onder meer: “HOOFDSTUK VI. - Passende beoordeling van plannen en projecten - Natura 2000-toelating Art. 14. […] § 2. Een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met een plan of andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is onderworpen aan een Natura 2000-toelating”. 3.3. Bij koninklijk besluit van 22 mei 2019 ‘tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden’ (hierna: koninklijk besluit van 22 mei 2019) wordt het marien ruimtelijk plan (hierna: MRP) voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden vastgesteld. Wat betreft de Natura 2000-toelating, bepaalt dit besluit: “Afdeling 2. - Natuurbeschermingsgebieden - kaart 1 van bijlage 4 Art. 7. § 1. De speciale zone voor natuurbehoud ‘Vlaamse Banken’ (Europese code BEMNZ0001), is afgebakend door de basislijn en een lijn die de volgende coördinaten verbindt: VII-40.976-5/105 […] Wanneer een van de uiterste lijnstukken van de hierboven gedefinieerde lijn, geen intersectie met de basislijn aantoont, dan zal dit lijnstuk, volgens artikel 5 van het Zeerechtverdrag en in zijn richting, tot aan de basislijn verlengd worden. § 2. Het in paragraaf 1 afgebakende gebied is bestemd voor de bescherming van de habitattypes ‘permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken’ en ‘riffen’ en is belangrijk voor de speciën van volgende soorten: 1° 1364 Halichoerus grypus 2° 1365 Phoca vitulina 3° 1351 Phocoena phocoena In het gebied kunnen activiteiten plaatsvinden die: - 1° een Natura 2000-toelating hebben bekomen, voor zover ze aan deze procedure onderworpen zijn; - 2° niet op enigerlei andere wijze verboden of beperkt worden. […] § 6. In de speciale beschermingszones zijn de volgende activiteiten slechts toegelaten mits het bekomen van een Natura 2000-toelating, voor zover ze aan deze procedure onderworpen zijn: 1° activiteiten van burgerlijke bouwkunde; 2° industriële en commerciële activiteiten. […]”. Volgens artikel 20, § 1, van het besluit zijn recreatieve activiteiten overal toegelaten, “behoudens andersluidende bepalingen”. Artikel 23, § 1, van hetzelfde besluit bakent vijf zones (A, B, C, D en E) af voor het uitvoeren van commerciële en industriële activiteiten, waarvan de coördinaten in die bepaling worden vastgelegd. Specifiek met betrekking tot zone C wordt nog vermeld dat de bodemverstoring binnen deze zone door een commerciële of industriële activiteit niet meer dan 0,1 % van de totale oppervlakte van deze zone mag bedragen. Daarnaast wordt nog het volgende bepaald: “§ 2. Bij het ontwikkelen van commerciële en industriële activiteiten binnen deze zones dienen volgende voorwaarden in acht genomen te worden: 1° Commerciële en industriële activiteiten met een potentiële impact op de natuurbeschermingsgebieden, zoals bepaald in artikel 7, kunnen slechts toegelaten worden mits het bekomen van een Natura 2000-toelating; 2° Commerciële en industriële activiteiten met een potentiële impact op militaire activiteiten kunnen enkel toegelaten worden voor zover zij verzoenbaar zijn met de militaire activiteiten; VII-40.976-6/105 3° Commerciële en industriële activiteiten, die gelijkaardig zijn aan andere activiteiten die plaatsvinden, dienen minstens dezelfde voorwaarden te respecteren. § 3. Binnen de zones afgebakend in paragraaf 1 wordt er voorrang gegeven aan commerciële en industriële activiteiten. Andere door dit besluit toegestane activiteiten kunnen plaatsvinden, voor zover die de ingebruikname van de zones niet in het gedrang brengen”. 3.4. Een koninklijk besluit van 7 september 2003 legt de procedure vast tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Met een koninklijk besluit van 22 juli 2019 wordt de procedure vastgesteld voor het verkrijgen van een gebruiksvergunning voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Dit koninklijk besluit van 22 juli 2019 legt onder meer de selectie- en toekenningscriteria vast voor het aanvragen van een gebruiksvergunning. De toekenningscriteria zijn volgens artikel 3 van het besluit: “1° de meerwaarde op economisch en maatschappelijk vlak; 2° de mate van meervoudig ruimtegebruik; 3° de mogelijke gevolgen voor de natuur; 4° de mogelijke gevolgen voor de veiligheid in de zeegebieden; 5° de mogelijke impact op zeezicht; 6° de kwaliteit van het plan op technisch en economisch gebied, inzonderheid door de toepassing van de best beschikbare technologieën; 7° de kwaliteit van het voorgelegde plan inzake exploitatie en onderhoud; 8° de sterkte van het consortium op technisch, economisch en maatschappelijk vlak”. Voorts bepaalt dit koninklijk besluit op procedureel vlak: “HOOFDSTUK 4. - Behandeling van de aanvragen Art. 6. § 1. Binnen tien dagen na de aangetekende zending zoals beschreven in artikel 4, § 1, gaat DG Leefmilieu na of de aanvraag alle in artikel 4, § 2, vermelde documenten bevat. § 2. Indien de aanvraag volledig is, wordt ze door DG Leefmilieu aan de Minister bezorgd en wordt de aanvrager hiervan in kennis gesteld door de Minister bij aangetekende zending. § 3. In geval van onvolledigheid van de aanvraag, meldt DG Leefmilieu bij aangetekende zending aan de aanvrager welke informatie of welke documenten ontbreken en krijgt de aanvrager tien dagen, ingaand op de dag VII-40.976-7/105 volgend op de datum van de verzending van het verzoek tot informatie, om de aanvraag te vervolledigen. § 4. Na ontvangst van de ontbrekende informatie of documenten onderzoekt DG Leefmilieu of de aanvraag nu volledig is en brengt de Minister hiervan op de hoogte. Indien de aanvraag onvolledig blijft, dan brengt de Minister bij aangetekende zending de aanvrager op de hoogte van zijn beslissing van onontvankelijkheid wegens herhaalde onvolledigheid. Art. 7. Binnen tien dagen na de kennisgeving aan de aanvrager zoals beschreven in artikel 6, § 2 maakt DG Leefmilieu de aanvraag bekend door een uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Dit bericht bevat minstens de exacte locatie van de aanvraag en vermeldt tevens waar het dossier met alle nuttige inlichtingen beschikbaar is. Art. 8. Een aanvraag tot mededinging betreffende de gebruiksvergunning voor dezelfde of een overlappende locatie kan ingediend worden binnen negentig dagen volgend op het uittreksel in het Belgisch Staatsblad, zoals vermeld in artikel 7. De aanvraag tot mededinging wordt ingediend overeenkomstig artikel 4 en wordt onderworpen aan het onderzoek overeenkomstig artikel 6. Zij maakt echter niet het voorwerp uit van de bekendmaking, zoals vermeld in artikel 7, en wordt onmiddellijk behandeld. Art. 9. § 1. Indien er geen aanvragen tot mededinging werden ingediend, bezorgt DG Leefmilieu de aanvraag binnen honderd dagen volgend op het uittreksel in het Belgisch Staatsblad, zoals vermeld in artikel 7, aan de Raadgevende Commissie. § 2 Indien, in afwijking van paragraaf 1, er een aanvraag tot mededinging is, dan wordt deze aanvraag binnen tien dagen na de kennisgeving aan de aanvrager, zoals beschreven in artikel 6, § 2, door DG Leefmilieu aan de Raadgevende Commissie bezorgd. § 3. Op verzoek van de Raadgevende Commissie, kan DG Leefmilieu bijkomende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Deze inlichtingen dienen binnen tien dagen aangeleverd te worden. In dit geval wordt de termijn voorgeschreven in artikel 10 verlengd met een duur gelijk aan de termijn waarbinnen de aanvrager antwoordt. Art. 10. De Raadgevende Commissie brengt een niet-bindend advies uit binnen de termijn bepaald door artikel 7/1, § 2 van het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden. Art. 11. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het advies, zoals beschreven in artikel 10, of, bij het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 7/1, § 2 van het koninklijk besluit van 13 november 2012 betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden, brengt DG Leefmilieu de volgende documenten over aan de Minister: 1° het gemotiveerd voorstel tot toekenning of weigering van gebruiksvergunning; 2° het dossier bedoeld in artikel 4; 3° het advies bedoeld in artikel 10. VII-40.976-8/105 Art. 12. § 1. De Minister beslist over de toekenning van een gebruiksvergunning binnen een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van het gemotiveerd voorstel van DG Leefmilieu. In geval van een positieve beslissing wordt deze bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en bij aangetekende zending ter kennis gebracht aan de aanvrager. In geval van een negatieve beslissing wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld bij aangetekende zending. § 2. Dit besluit vermeldt de bijdrage die jaarlijks aan de middelenbegroting betaald dient te worden voor het gebruik van de zone. De Minister bepaalt de modaliteiten voor de betaling van deze jaarlijkse bijdrage en desgevallend de bijzondere voorwaarden van toekenning. Art. 13. De betekende gebruiksvergunning blijft geschorst totdat iedere vereiste bijkomende vergunning of machtiging, waaronder deze op basis van het koninklijk besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, is verleend en kennisgeving hiervan, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, is gebeurd. Indien een van de bijkomend vereiste vergunningen of machtigingen definitief is geweigerd, vervalt de betekende gebruiksvergunning op de dag van de kennisgeving van deze weigering. Art. 14. De gebruiksvergunning wordt verleend voor bepaalde duur, die beperkt is tot ten hoogste vijftig jaar. Deze kan verlengd worden, zonder een totale duur van vijfenzeventig jaar te overschrijden”. Feiten 4. Op 9 april 2020 dient de tussenkomende partij bij het Directoraat-generaal (hierna: DG) Leefmilieu een aanvraag in om een gebruiksvergunning te verkrijgen voor de zone C voor commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. De tussenkomende partij wenst de gehele oppervlakte van de betrokken zone voor commerciële en industriële activiteiten (hierna: zone C) aan te wenden om er een zeeboerderij te installeren en te exploiteren. Het betreft een zogenaamd “nearshore” aquacultuurproject voor de commerciële gecombineerde kweek van mosselen, oesters en zeewier. 5. De aanvraag wordt door de minister op 16 april 2020 volledig verklaard. VII-40.976-9/105 6. Op 29 april 2020 wordt de aanvraag in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, teneinde mededinging mogelijk te maken. De mededeling geeft geen aanleiding tot een concurrerende aanvraag voor de desbetreffende zone. 7. Op 6 september 2020 brengt de Raadgevende Commissie advies uit. Dit advies wordt samen met een gemotiveerd voorstel tot toekenning van het DG Leefmilieu van 21 september 2020 overgemaakt aan de bevoegde minister. 8. Bij ministerieel besluit van 30 september 2020 verleent de minister van Noordzee de gevraagde gebruiksvergunning. Dit is het bestreden besluit. 9. Bij ministerieel besluit van 9 december 2020 verleent de minister aan de tussenkomende partij eveneens de machtiging voor de bouw, een vergunning voor de exploitatie, en een Natura 2000-toelating voor het desbetreffende aquacultuurproject in zone C. IV. Rechtspleging - vertrouwelijke stukken 10. De verwerende partij heeft op grond van artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) de volgende stukken van het administratief dossier als vertrouwelijk ingediend: - Aanvraag Gebruiksvergunning Codevco V met bijlagen - Eindrapport Value@Sea (bijlage 5 Aanvraag Gebruiksvergunning) - Financieel plan (bijlage 6 Aanvraag Gebruiksvergunning). Zij wijst erop dat de uitgebreide versie van de aanvraag onder meer een technische beschrijving van de gebruikte materialen en van de uitvoering van het project omvat, een onderzoeksrapport van Value@Sea en een financieel plan. Zij stelt nog dat inzage en afschrift van deze documenten afbreuk zou doen aan de door de tussenkomende partij opgebouwde knowhow en implicaties zou VII-40.976-10/105 hebben op de tussenkomende partij wanneer deze documenten in handen zouden komen van concurrerende bedrijven. 11. De verzoekende partij verzet zich tegen de vertrouwelijkheid van de uitgebreide versie van de aanvraag, omdat er geen concurrerende aanvragen werden ingediend en zij als lokale overheid evenmin als concurrent kan worden beschouwd aan wie de als vertrouwelijk bestempelde gegevens niet kunnen worden ontsloten, aangezien er geen enkel gevaar bestaat dat die bedrijfsgevoelige gegevens zouden worden miskend. 12. In haar laatste memorie voegt zij nog toe dat bij diverse middelen als exceptie werd opgeworpen dat de verzoekende partij niet concreet zou aanduiden waarin de schending van de zorgvuldigheidsplicht zich situeert, en dat het beschikken over het juiste document van de aanvraag dit deels zou kunnen ondervangen. Beoordeling 13. Luidens artikel 87, § 4, van het algemeen procedurereglement mogen de overige partijen van de als vertrouwelijk neergelegde stukken slechts kennis nemen als het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt afgewezen. De betrokken documenten kunnen hooguit een rol spelen bij de beoordeling van het zesde onderdeel bij het achtste middel en slechts in de mate dat zij betrekking hebben op de financiële draagkracht van de aandeelhouders. In het desbetreffende middelonderdeel hekelt de verzoekende partij op dat vlak in wezen dat de inbreng in de vennootschap beperkt is tot 61.500 euro, wat zij “zorgwekkend laag” acht in verhouding tot de omvang van het project. In het gemotiveerd voorstel van het DG Leefmilieu wordt in dat verband immers aangegeven dat het financieel risico werd berekend op 13 miljoen euro. Verder wordt in dat voorstel gesteld dat mede uit de jaarrekening van de beide VII-40.976-11/105 aandeelhouders blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken en dat er prijsafspraken zijn gemaakt met onderaannemers waarbij de prijzen worden vastgeklikt aan de productievolumes, alsook afspraken rond de afzet van de mosselen gedurende de eerste jaren. Aldus beschikt de verzoekende partij over de nodige informatie om zich tegen de bestreden beslissing te kunnen verweren. De verzoekende partij argumenteert in dat middelonderdeel ook nog dat de juridische realiteit is dat aandeelhouders niet automatisch instaan voor de schulden van de vennootschap. Het is niet meteen duidelijk welk bijkomend voordeel de lichting van de vertrouwelijke stukken zou kunnen bieden bij dit argument, dat niet wezenlijk op cijfergegevens is betrokken, maar veeleer op de juridische verplichtingen van aandeelhouders. Hoewel zij in haar memorie van wederantwoord vraagt om het vertrouwelijk karakter van de uitgebreide aanvraag te lichten, zet de verzoekende partij niet concreet uiteen hoe de inzage daarvan haar tot nut kan strekken bij het aanbrengen van grieven en rechtsmiddelen tegen de bestreden beslissing. De verzoekende partij voert slechts in haar laatste memorie, en dus laattijdig, aan dat het niet ter inzage zijn van de uitgebreide aanvraag haar recht op een eerlijk proces miskent. De verzoekende partij brengt aldus geen overtuigende argumenten naar voren waarom inzage van de vertrouwelijke stukken voor haar bijkomend noodzakelijk is. Er is dan ook geen aanleiding om de gevraagde vertrouwelijkheid van de vermelde stukken af te wijzen. Het vertrouwelijk karakter van de betrokken stukken belet in elk geval niet dat de Raad van State daarop acht slaat en deze bij zijn beoordeling kan betrekken. V. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties 14. De verzoekende partij zet in het verzoekschrift omtrent haar belang bij het beroep onder meer uiteen: VII-40.976-12/105 “De toekenning van de gebruiksvergunning impacteert rechtstreeks het wezen van de verzoekende partij, in haar belangrijke sectoren als toerisme, recreatie, visserij, jachthaven. De zone C (met veiligheidsperimeter van 500 meter) ligt te midden van de kustwateren voor Nieuwpoort en overlapt met de belangrijkste scheepvaartroutes van en naar de jachthaven, die de op één na grootste jachthaven van Noord-Europa is. De drukst bevaren routes worden door het bestreden besluit verboden gebied. De hinder voor de jachthaven is navenant. De gevolgen voor de verzoekende partij evenzeer. De uitstraling van de stad Nieuwpoort als belangrijkste jachthaven van Noord-Europa gaat op die wijze teloor. Daarmee gaan ook inkomsten verloren die voortkomen uit de activiteiten van de jachthaven, toerisme, recreatie, visserij, en dergelijke meer. Het bestreden besluit heeft ook een enorme invloed op de fauna en flora, zo onder meer de migratie van de vissen, wat opnieuw een impact heeft op de visserij en dus ook de verzoekende partij. […] Wat er zich in het Belgisch deel van de Noordzee afspeelt is dan ook van rechtstreeks belang voor de verzoekende partij zodat de verzoekende partij er de nodige aandacht aan besteedt. De verzoekende partij heeft bezwaar ingediend, zowel tegen de aanvraag voor een milieuvergunning gebaseerd op het KB van 7 september 2003 als tegen de aanvraag voor een gebruiksvergunning gebaseerd op het KB van 22 juli 2019”. 15. De verwerende partij betwist het persoonlijk belang van de verzoekende partij, omdat zij op geen enkele wijze zou aantonen op welke wijze haar gemeentelijke belangen worden geschaad. De stad beschikt niet over het vereiste belang en de hoedanigheid om eventuele nadelen voor de scheepvaart- of visserijsector zelf te dragen. Hetzelfde geldt voor de jachthaven, die overigens integraal voor de kust van Koksijde, en dus niet voor de ingang van de jachthaven in Nieuwpoort, is gelegen. Daarnaast meent de verwerende partij dat de bestreden beslissing niet griefhoudend is voor de verzoekende partij. De stelling dat afbreuk wordt gedaan aan haar uitstraling betreft een louter blote bewering die zonder enig concreet element aannemelijk wordt gemaakt. Ze wijst erop dat uit de bij de aanvraag gevoegde studie blijkt dat er geen impact op het zeezicht is en dat de activiteiten voornamelijk onder water plaatsvinden, zodat de aantrekkelijkheid van de stad er niet door in het gedrang wordt gebracht. Ook het vermeend financieel nadeel wordt niet met concrete elementen aangetoond. Voorts kan de verzoekende VII-40.976-13/105 partij geen voordeel halen uit de bestreden beslissing, aangezien de zones voor commerciële en industriële activiteiten worden afgebakend in het koninklijk besluit van 22 mei 2019. Ook in het geval van een gebeurlijke vernietiging van de thans bestreden beslissing zal het mogelijk blijven om in zone C gelijkaardige activiteiten uit te oefenen die al dan niet de impact kunnen hebben waarvan de verzoekende partij beweert dat zij tot stand zal komen. Tot slot is het belang van de verzoekende partij niet rechtstreeks in zoverre zij wijst op de veiligheidsperimeter, aangezien die perimeter niet het voorwerp uitmaakt van het thans bestreden besluit, maar vastgesteld moet worden bij een afzonderlijk ministerieel besluit. 16. De tussenkomende partij sluit zich aan bij deze exceptie en voegt daaraan nog toe dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede, vierde, vijfde en zesde middel, waarin zij vraagt om het koninklijk besluit van 22 juli 2019, dan wel het koninklijk besluit van 22 mei 2019 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. De toepassing van de exceptie van onwettigheid op die besluiten zou er immers toe leiden dat zij geen gebruiksvergunning nodig heeft om de zeeboerderij te realiseren. Beoordeling 17. Een gemeente heeft een persoonlijk belang bij een beroep tot nietigverklaring inzake een aangelegenheid die het gemeentelijk belang raakt. De verzoekende partij is een kustgemeente. De bestreden beslissing betreft een gebruiksvergunning voor het exploiteren van een zeeboerderij in zone C in het Belgisch deel van de Noordzee (hierna: BNZ), gelegen op ongeveer 4 km van het strand en de ingang naar de jachthaven in deze gemeente. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat zone C overlapt met enkele scheepvaartroutes, terwijl in de zone een doorvaartverbod wordt ingesteld, alsook dat er “een economische impact [zal] zijn op de kustvisserij, met een rechtstreeks inkomstenverlies van gemiddeld 1,5%” en een “mogelijke impact op de pleziervaart” . Verder blijkt dat “het effect van dit gebied verder gaat dan het verlies aan visgrond. Daarnaast zijn er ook bijkomende veiligheidsrisico’s door gewijzigde scheepvaartroutes, het potentieel van VII-40.976-14/105 losgeslagen infrastructuur en zwerfvuil en het ontstaan van rifgemeenschappen”. Aldus blijkt van de bestreden beslissing een invloed uit te gaan op de pleziervaart en het daarmee verbonden toerisme in de stad Nieuwpoort. De verzoekende partij maakt in de gegeven, concrete omstandigheden afdoende aannemelijk dat de bestreden beslissing haar gemeentelijke belangen op persoonlijke en rechtstreekse wijze raakt. Indien de thans bestreden beslissing wordt vernietigd, zal de verwerende partij zich opnieuw moeten beraden over de aangevraagde gebruiksvergunning en kan de tussenkomende partij haar activiteiten vooralsnog niet uitoefenen. Dit is wat de verzoekende partij met het ingediende beroep tot nietigverklaring nastreeft, zodat het haar wel degelijk tot voordeel strekt. Waar de tussenkomende partij nog opwerpt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede, vierde, vijfde en zesde middel, gaat zij voorbij aan het onderscheid tussen, enerzijds, het belang bij het beroep en, anderzijds, het belang bij de aangevoerde middelen. De excepties zijn niet gegrond. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 18. In haar eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de statuten van de tussenkomende partij en artikel 5:73 van het wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV) (eerste onderdeel), van artikel III.18, 7°, van het wetboek economisch recht (hierna: WER) (tweede onderdeel) en van artikel 2:8, § 2, 11°, WVV (derde onderdeel), en van het zorgvuldigheidsbeginsel (drie onderdelen). VII-40.976-15/105 De verzoekende partij meent om drie verschillende redenen dat de aanvraag tot gebruiksvergunning van de tussenkomende partij onregelmatig is en dat die onregelmatigheid de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft. In het eerste onderdeel wijst zij erop dat de aanvraag van de tussenkomende partij werd ondertekend door Stefaan Vandamme en Jef Colruyt. Deze laatste is in de statuten evenwel niet opgenomen als zaakvoerder. Wel is Jozef Colruyt in de statuten van de tussenkomende partij als zaakvoerder opgenomen. Hoewel het mogelijk om dezelfde persoon gaat, kan en mag de overheid daar volgens de verzoekende partij niet van uitgaan. Het administratief dossier bevat geen document waaruit blijkt dat het om dezelfde persoon gaat. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de aanvraag niet is ondertekend door twee zaakvoerders van de tussenkomende partij. Volgens het tweede onderdeel is de tussenkomende partij niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen (hierna: KBO) ingeschreven voor de in de aanvraag beschreven, voorgenomen activiteiten. Die hebben immers betrekking op ‘mariene aquacultuur’, wat onder nacebel-code 03.210 valt, terwijl de tussenkomende partij enkel een inschrijving heeft voor nacebel-code 47.114, die betrekking heeft op detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotmiddelen overheersen. In het derde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de voorgenomen activiteiten die betrekking hebben op mariene aquacultuur niet onder het maatschappelijk doel van de tussenkomende partij vallen. In geen enkel stuk wordt melding gemaakt van activiteiten van aquacultuur of het oprichten van een zeeboerderij. De beweringen en argumenten ter staving van de aanvraag tot gebruiksvergunning stroken derhalve niet met de werkelijkheid en kunnen dus geen grond vormen voor een wettige beslissing. 19. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft werpt de verwerende partij als exceptie op dat bij geen van de drie onderdelen wordt aangetoond welk nadeel de verzoekende partij ondervindt, zodat het middel VII-40.976-16/105 onontvankelijk is. Ook volgens de tussenkomende partij toont de verzoekende partij niet aan hoe zij door de aangevoerde schendingen in haar belangen wordt geschaad. 20. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij wat het eerste onderdeel betreft nog toe dat het aan de vergunningverlenende overheid toekomt om aan te tonen dat Jozef Colruyt en Jef Colruyt dezelfde persoon is. Het geval waarbij degene die ondertekent daartoe niet bevoegd is, moet worden gelijkgesteld met een algeheel gebrek aan ondertekening. Voorts is het niet omdat Jozef Colruyt deel uitmaakt van de raad van bestuur van de tussenkomende partij en de aanvraag ondertekend zal worden door Jef Colruyt, dat impliciet moet of kan worden aanvaard dat het om dezelfde persoon gaat. Uit het gegeven dat andere officiële documenten ook door Jef Colruyt worden ondertekend, blijkt evenmin dat dit dezelfde persoon betreft. Zij verwijst ook nog naar het arrest nr. 230.176 van 12 februari 2015 van de Raad, waarin de beslissing van een aanbestedende overheid werd bevestigd waarin een inschrijver werd afgewezen omdat hij niet op een correcte manier en onder de juiste naam een offerte had ingediend. Wat het tweede onderdeel betreft stelt de verzoekende partij dat eveneens moet worden verwezen naar het koninklijk besluit van 22 juni 2003 met betrekking tot de inschrijving, in de KBO, waar in artikel 2, § 1, 1°, en artikel 3, 3°, respectievelijk sprake is van “de verschillende voorgenomen handels- of ambachtsactiviteiten” en “de voorgenomen handels- of ambachtswerkzaamheden”. De inschrijving in de KBO moet gebeuren onder de juiste codes, zodat het ondernemingsloket kan nagaan of de onderneming in kwestie voldoet aan de voorwaarden gesteld krachtens bijzondere wetten en reglementen. Door deze wettelijke verplichting af te doen als een loutere formaliteit die naar eigen goeddunken op elk moment kan worden vervuld, miskennen de verwerende partij en de tussenkomende partij de bedoeling van de wetgever en hollen zij de aan de ondernemingsloketten toevertrouwde taak van voorafgaandelijk toezicht uit. Dit klemt des te meer, gelet op het feit dat inbreuken VII-40.976-17/105 op de voormelde regels een misdrijf uitmaken overeenkomstig artikel XV.77 WER. Wat het derde onderdeel betreft houdt volgens de verzoekende partij het feit dat melding wordt gemaakt van een aanpassing van de statuten eenmaal de gebruiksvergunning wordt verleend, in dat de tussenkomende partij zich op het ogenblik van de aanvraag bewust was van het feit dat haar maatschappelijk doel of voorwerp niet afdoende was. In het andere geval zou de noodzaak tot een statutenwijziging zich immers niet stellen. De verzoekende partij herhaalt de verwijzing naar de gehekelde omschrijving van het vennootschapsdoel van de tussenkomende partij in de aanvraag en betoogt hieromtrent nog dat uit de betrokken aanvraag niet blijkt dat het een toekomstige, nog te verwezenlijken en dus niet bestaande, doelomschrijving, betreft. 21. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij wat het eerste onderdeel betreft nog toe dat in het auditoraatsverslag op basis van bijkomende opzoekingen, die geen deel uitmaken van het administratief dossier, wordt geponeerd dat de roepnaam “Jef” gelijk te stellen is met “Jozef”. Zij bekritiseert voorts dat in het auditoraatsverslag wordt verwezen naar een stuk uit het administratief dossier in een andere zaak, die betrekking heeft op de milieuvergunning voor de inrichting van de tussenkomende partij. In het “voorstel tot toekenning” van het DG Leefmilieu wordt wel opgemerkt dat de aanvrager heeft bevestigd dat het bij “Jef” en “Jozef” Colruyt om dezelfde natuurlijke persoon gaat, maar het document daaromtrent bevindt zich niet in het administratief dossier. De vermelding in het bestreden besluit dat het werd genomen “gelet op het gemotiveerde voorstel tot toekenning van DG Leefmilieu” volstaat volgens de verzoekende partij niet afdoende om te voldoen aan de formelemotiveringsplicht zoals volgt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet). De uitdrukking “gelet op …” houdt niet in dat de steller van de tekst ook de inhoud van de vermelde akte of het document tot de zijne heeft gemaakt. VII-40.976-18/105 Wat het tweede onderdeel betreft benadrukt zij dat een onderneming die niet in regel is - zoals een onderneming die voor de voorgenomen activiteiten niet onder de juist nacebel-codes is ingeschreven - niet op een wettelijke manier een aanvraag voor een gebruiksvergunning kan indienen, zonder dat er vereist is dat dit in het koninklijk besluit van 22 juli 2019 is bepaald. Met betrekking tot het derde onderdeel voegt de verzoekende partij toe dat het kweken van mosselen, oesters en zeewier, niet kan worden gelijkgesteld met de fabricatie, omvorming en behandeling van voedingswaren. Een dergelijke analyse staat haaks op de basisclassificatiegegevens in het kader van de NACE-regelgeving. Beoordeling 22. In de drie middelonderdelen betwist de verzoekende partij de regelmatigheid van de aanvraag die heeft geleid tot de thans bestreden vergunning. Indien tot de onregelmatigheid van de betrokken aanvraag moet worden besloten, volgt daaruit dat de bestreden gebruiksvergunning niet kon worden verleend op grond van de voorliggende aanvraag. Dit is het doel dat de verzoekende partij met het ingediende beroep tot nietigverklaring beoogt te bekomen. Zij heeft derhalve een belang bij de onderscheiden onderdelen van het middel. De excepties zijn niet gegrond. Eerste onderdeel 23. In de betrokken aanvraag van de tussenkomende partij wordt aangegeven dat haar raad van bestuur bestaat uit vier natuurlijke personen, waaronder “Jozef Colruyt” en Stefaan Vandamme. Onmiddellijk daarna wordt, wat betreft de bevoegdheid van de ondertekenaars, verwezen naar artikel 12 van haar statuten, waaruit blijkt dat zij zich kan verbinden middels de handtekening van twee bestuurders. Vervolgens wordt vermeld dat de aanvraag zal worden ondertekend door “Jef Colruyt” en Stefaan Vandamme. VII-40.976-19/105 Zoals de verzoekende partij zelf aangeeft werd de discrepantie inzake de gehanteerde voornamen door het bestuur opgemerkt. In het gemotiveerd voorstel van het DG Leefmilieu wordt vermeld dat de aanvrager heeft bevestigd dat het bij “Jef” en “Jozef” Colruyt om éénzelfde natuurlijke persoon gaat. De vergunningverlenende overheid heeft, zoals het een zorgvuldig handelende overheid betaamt, nagegaan of Jef Colruyt en Jozef Colruyt dezelfde persoon zijn. Zij is daar derhalve niet zonder meer van uitgegaan. Het gegeven dat de bevestiging dat het om dezelfde natuurlijke persoon gaat verder niet in het administratief dossier terugkomt, toont geen onzorgvuldigheid in hoofde van de verwerende partij aan, nu de verzoekende partij niet betwist dat de identiteit effectief door het DG Leefmilieu werd nagegaan. De vaststelling dat uit het bestreden besluit zelf niet blijkt of de identiteit van de bestuurder werd nagegaan, staat daaraan niet in de weg. De bestreden beslissing werd immers genomen, “[g]elet op het gemotiveerde voorstel tot toekenning van DG Leefmilieu”. In alle redelijkheid mag wel degelijk worden aangenomen dat de minister zich heeft aangesloten bij het gemotiveerde voorstel tot toekenning van het DG Leefmilieu, zodat de minister moet worden geacht de motieven van dat voorstel te hebben overgenomen. De verzoekende partij toont geen schending van artikel 5:73 WVV of van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. In zoverre de verzoekende partij voor het eerst de schending van de motiveringswet aanvoert in de laatste memorie, werpt zij deze schending laattijdig en dus onontvankelijk op. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. VII-40.976-20/105 Tweede onderdeel 24. Artikel III.18, § 1, 7°, WER luidt: “§ 1. De inschrijving die gebeurt krachtens artikel III.17 omvat de volgende gegevens: […] 7° de door de geregistreerde entiteit uitgeoefende economische activiteiten”. Deze bepaling heeft betrekking op de inschrijving in de KBO van “uitgeoefende” economische activiteiten. Ten tijde van de oprichting van de tussenkomende partij en haar inschrijving in de KBO, was zij er op grond van deze bepaling niet toe verplicht om zich in te schrijven voor activiteiten betreffende mariene aquacultuur die zij niet uitoefende. Wanneer de tussenkomende partij dergelijke activiteiten effectief wenst uit te oefenen, zal zij haar huidige inschrijving weliswaar moeten wijzigen, in die zin dat zij zich (ook) zal moeten inschrijven voor het uitvoeren van activiteiten betreffende mariene aquacultuur. Het koninklijk besluit van 22 juli 2019, noch enige andere bepaling vereist evenwel dat die wijziging van de inschrijving reeds voorafgaand aan de aanvraag tot het verkrijgen van de gebruiksvergunning heeft plaatsgevonden. De verzoekende partij kan voorts niet worden gevolgd waar zij in de memorie van wederantwoord gewag maakt van een misdrijf. Artikel XV.77 WER legt inderdaad een straf op voor inschrijvingsplichtige ondernemingen die activiteiten “uitoefenen” of een vestigingseenheid “uitbaten” die niet in de KBO zijn ingeschreven. De tussenkomende partij oefent evenwel geen activiteiten aangaande mariene aquacultuur uit zonder daarvoor in de KBO ingeschreven te zijn, noch baat zij op die wijze een vestigingseenheid uit. Het aanvragen van een vergunning kan niet worden gelijkgesteld met het wederrechtelijk uitoefenen van een activiteit of uitbaten van een vestigingseenheid. De verzoekende partij toont geen schending aan van artikel III.18, 7°, WER of van het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-40.976-21/105 Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Derde onderdeel 25. Blijkens artikel 3 van haar statuten, heeft de tussenkomende partij als voorwerp onder meer de “fabricatie”, “omvorming” en “behandeling” van “alle voedingswaren” die in aanmerking komen om in haar uitbatingen te worden verkocht. Bovendien kan de vennootschap, volgens diezelfde bepaling, alle commerciële en industriële verrichtingen uitoefenen die “rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk met de een of andere tak van haar doel verband houden of die van aard zouden zijn de verwezenlijking ervan te vergemakkelijken of te ontwikkelen”. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat het kweken (‘fabriceren’) van mosselen, oesters en zeewier (‘voedingswaren’) in een op te richten zeeboerderij niet onder het aldus ruim omschreven maatschappelijk doel van de tussenkomende partij zou vallen. De omstandigheid dat de tussenkomende partij de omschrijving van haar maatschappelijk doel na het verkrijgen van de gebruiksvergunning zou willen specifiëren, leidt op zich niet tot de conclusie dat de omschrijving van het maatschappelijk doel op het moment van de aanvraag niet afdoende was. De verzoekende partij kan niet worden gevolgd waar zij gewag maakt van een ‘leugenachtige’ omschrijving van het maatschappelijk doel in de aanvraag. Bij de aanvraag is de op dat moment geldende, gecoördineerde tekst van de statuten van de tussenkomende partij gevoegd. Waar de aanvrager aangeeft wat haar maatschappelijk doel “zal” zijn, is het duidelijk dat dit een omschrijving betreft van het maatschappelijk doel in de toekomst. Overigens wordt in de aanvraag uitdrukkelijk aangegeven dat in voorkomend geval een statutenwijziging “zal” worden doorgevoerd voor onder meer het verhogen van het kapitaal van de vennootschap, een naamswijziging, en het specifiëren van het doel naar de beoogde ontwikkeling en uitbating van de zeeboerderij. Het feit dat noch in de oprichtingakte noch in de gecoördineerde statuten van de tussenkomende partij melding wordt gemaakt van “activiteiten van VII-40.976-22/105 aquacultuur” belet niet dat deze activiteiten kunnen gerekend worden tot het hoger vermelde ruim omschreven maatschappelijk doel. De verzoekende partij toont geen schending aan van artikel 2:8, § 2, 11°, WVV of van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het derde middelonderdeel is niet gegrond. 26. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 27. Als tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 35 en 105 van de Grondwet, de bevoegdheidsverdelende regelen, de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de grondwettelijke gewoonte betreffende de lopende zaken, en bevoegdheidsoverschrijding. Tevens wordt gevraagd het koninklijk besluit van 22 juli 2019 overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. Eerste onderdeel 28. Volgens de verzoekende partij verlenen de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 aan de Koning enkel de bevoegdheid om de procedure voor de toekenning, opschorting, opheffing en intrekking van de in voormeld artikel 25 bedoelde vergunningen of machtigingen te bepalen. Die vergunningen of machtigingen hebben enkel betrekking op activiteiten. Er is in de voormelde bepalingen geen sprake van een locatie of van een ruimtelijk gebruik van het BNZ. In het koninklijk besluit van 20 juli 2019 wordt niet uitgegaan van een vergunningssysteem dat op welbepaalde activiteiten is gericht, maar van een systeem dat betrekking heeft op het gebruik van zones. Dat koninklijk besluit is VII-40.976-23/105 derhalve tot stand gekomen met miskenning van de bevoegdheid van de Koning en met miskenning van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999, zodat het met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten en het niet als rechtsgrond kan fungeren voor de thans bestreden beslissing, die om die reden moet worden vernietigd. Dat de wetgever met de wet van 20 januari 1999 in de artikelen 25 en 26 enkel bepaalde activiteiten, en geen ruimtelijk gebruik of bepaalde zones voor ogen had, blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding, waarbij de verzoekende partij verwijst naar de memorie van toelichting en het artikelsgewijze commentaar. Tweede onderdeel 29. Zowel het koninklijk besluit van 22 mei 2019 als het koninklijk besluit van 22 juli 2019 zijn uitgevaardigd op een tijdstip dat de federale regering ontslagnemend was. De Koning had het ontslag van de regering aanvaard op 21 december 2018. Vanaf dat ogenblik was de bevoegdheid van de regering derhalve beperkt en mocht zij enkel nog de “lopende zaken” afhandelen. Het MRP, zoals vastgelegd bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019, valt evenwel niet onder het dagelijks beleid, vermits dit een beleidsdocument betreft. Het valt evenmin onder de zaken die de normale voortzetting of beëindiging zijn van een voor het regeringsontslag ingezette procedure. Het werd met name enkele dagen voor de federale verkiezingen van 26 mei 2019 aangenomen, op een ogenblik dat elke parlementaire controle nagenoeg onbestaande was. Ten slotte valt het evenmin onder de “dringende zaken”. Dit dringend karakter wordt immers tegengesproken door de belangrijke en nieuwe beleidskeuzes die het besluit omvat. Het koninklijk besluit van 22 mei 2019 viel bijgevolg niet onder de “lopende zaken” en moet dus met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Ook het koninklijk besluit van 22 juli 2019 kan niet onder één van de categorieën van lopende zaken worden ingedeeld. Zo is het bepalen van de toekenningscriteria voor aanvragen van een gebruiksvergunning, in artikel 3 van dat besluit, het resultaat van een eigen beleid van de regering en vormt het niet de loutere uitvoering van keuzes die door de wetgever werden gemaakt. Het koninklijk besluit van 22 juli 2019 valt om die reden niet onder de categorie van dagelijks beleid. Daarnaast blijkt uit niets dat de behandeling ervan een behoorlijke tijd voor VII-40.976-24/105 de periode van lopende zaken werd ingezet. Bovendien werd het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State gevraagd binnen een termijn van dertig dagen, waardoor de diepgang van dat advies werd beperkt, en bevat het koninklijk besluit belangrijke beleidskeuzes over de criteria waaraan een aanvraag moet voldoen. Het besluit valt derhalve evenmin te beschouwen als een normale voortzetting of beëindiging van een voor het regeringsontslag ingezette procedure. Ten slotte behoort de uitvaardiging van een koninklijk besluit met vaststelling van de voorwaarden en de procedure tot het bekomen van een gebruiksvergunning niet tot de zaken die zonder uitstel moeten worden geregeld om fundamentele belangen te beschermen. Voorts staat de zorgvuldigheid waarmee de overheid de totstandkoming van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 zelf bejegent, in schril contrast met de effectieve totstandkoming ervan in lopende zaken. Het koninklijk besluit van 22 juli 2019 moet derhalve eveneens buiten toepassing gelaten worden op grond van artikel 159 van de Grondwet. Bijgevolg heeft de thans bestreden vergunning geen deugdelijke rechtsgrond en moet zij nietig worden verklaard. 30. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij met betrekking tot het tweede onderdeel toe dat of en in welke mate bepaalde toekenningscriteria reeds in het koninklijk besluit van 22 mei 2019 waren opgenomen, niet relevant is, aangezien daarmee niet is aangetoond dat dit koninklijk besluit valt onder de criteria van de lopende zaken. Beoordeling 31. Zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, licht de verzoekende partij in de uiteenzetting van het tweede middel niet concreet toe op welke wijze de artikelen 35 en 105 van de Grondwet, de bevoegdheidsverdelende regelen, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, geschonden zijn. Het middel is op dit punt niet ontvankelijk. VII-40.976-25/105 Eerste onderdeel 32. In haar advies 66.025/1 van 16 mei 2019 over het ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 22 juli 2019, heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State omtrent de strekking en rechtsgrond van het ontwerp gesteld: “[…] Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe om de criteria te bepalen voor het toekennen van een gebruiksvergunning voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden die zich onder de rechtsbevoegdheid van België bevinden. Tevens wordt in het ontwerp de procedure geregeld voor het aanvragen van de voornoemde vergunning en voor het behandelen van die aanvragen. Daarnaast worden aan de titularis van een gebruiksvergunning bepaalde verplichtingen opgelegd. Het ontwerp bevat ook een regeling inzake de wijziging, de verlenging en de overdracht van de gebruiksvergunning, benevens bepalingen die betrekking hebben op het verval en de intrekking van dergelijke vergunning. De in het ontwerp beoogde zones voor commerciële en industriële activiteiten zijn die welke worden vastgelegd in artikel 23 van het koninklijk besluit ‘tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden’ dat, in ontwerpvorm, het voorwerp heeft uitgemaakt van advies 65.000/1 van 15 januari 2019 van de Raad van State, afdeling Wetgeving. […] In het eerste lid van de aanhef van het ontwerp wordt, als rechtsgrond, verwezen naar de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 ‘ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België’. Die bepalingen luiden: […] […] Uit zowel de tekst van de aangehaalde wetsbepalingen als uit de daarop betrekking hebbende parlementaire voorbereiding valt af te leiden dat die bepalingen werden geconcipieerd als bepalingen die ‘activiteiten’ vermelden waarvoor een voorafgaande vergunning of machtiging kan worden verleend door de bevoegde minister (artikel 25, § 1, van de wet van 20 januari 1999), waarvoor de Koning, bij uitbreiding, in een vergunnings- of machtigingsverplichting kan voorzien (artikel 25, § 2, van de voornoemde wet), of die niet aan een vergunnings- of machtigingsverplichting kunnen worden onderworpen (artikel 25, § 3, van dezelfde wet). Ook in artikel 26 van de wet van 20 januari 1999 wordt uitdrukkelijk gerefereerd aan ‘het toezicht waaraan deze activiteiten zijn onderworpen’. In het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit wordt niet met zoveel woorden uitgegaan van een vergunnings- of machtigingssysteem dat op welbepaalde ‘activiteiten’ is gericht, maar wel van een vergunnings- of machtigingssysteem dat op het ‘gebruik van zones’ betrekking heeft, hetgeen een conceptueel andere benadering lijkt dan die welke destijds ten VII-40.976-26/105 grondslag heeft gelegen aan de aangehaalde artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999. Het gevolg hiervan is dat de vraag kan rijzen of voor de ontworpen regeling wel een voldoende rechtsgrond kan worden gevonden in de voornoemde bepalingen van de wet van 20 januari 1999. Wat dat betreft kan worden aangenomen dat de toepassing van de ontworpen regeling onrechtstreeks maar zeker betrekking zal hebben op activiteiten in de zin van de artikelen 25 en 26 van de meermaals genoemde wet van 20 januari 1999, zodat deze laatste bepalingen wel degelijk kunnen worden geacht rechtsgrond te bieden voor het ontworpen koninklijk besluit. De duidelijkheid in het rechtsverkeer en de rechtszekerheid hebben er evenwel baat bij dat rechtsgrond biedende bepalingen voldoende expliciet zijn en geen aanleiding geven tot speculatie omtrent de rechtsgeldigheid van uitvoeringsbesluiten die daarop zijn gesteund. Daarom zou het aanbeveling verdienen dat de redactie van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 bij de eerste nuttige gelegenheid zou worden aangepast om er duidelijker mee aan te geven dat de erin bedoelde ‘activiteiten’ kunnen worden gesitueerd in ‘zones’ waarvan het gebruik op zich ook het voorwerp kan uitmaken van een nader te regelen vergunning of machtiging. […] Een nadere explicitering van de desbetreffende wetsbepalingen verdient om nog een andere reden sterk aanbeveling. Ter uitvoering van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 werd immers het koninklijk besluit van 7 september 2003 ‘houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België’ tot stand gebracht. Overeenkomstig dat koninklijk besluit is een vergunning vereist voor activiteiten in de zin van artikel 25 van de voornoemde wet. Door in de ontworpen regeling tevens een vergunning voor te schrijven voor het gebruik van de beoogde zones rijst de vraag of op die wijze een bijkomende vergunningsplicht wordt opgelegd die bovenop de vergunningsplicht komt waarin reeds wordt voorzien met toepassing van de regeling die is vervat in het koninklijk besluit van 7 september 2003. Deze vraag werd voorgelegd aan de gemachtigde die antwoordde: ‘Dit betekent inderdaad dat er twee vergunningen vereist zijn bij commerciële en industriële activiteiten die plaatsvinden in de zones voor commerciële en industriële activiteiten (zoals bepaald in het nieuw marien ruimtelijk plan), zijnde een gebruiksvergunning en een milieuvergunning, waarbij de gebruiksvergunning als doel heeft de meest geschikte activiteit te laten plaatsvinden rekening houdend met de criteria vermeld in het voorliggend KB en waarbij de milieuvergunning als doel heeft dat de activiteit enkel binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem kan plaatsvinden.’ Afgezien van de vaststelling dat, in tijden waarin nochtans in toenemende mate wordt gestreefd naar administratieve vereenvoudiging, door de stellers van het ontwerp blijkbaar niet wordt geopteerd voor een systeem van geïntegreerde vergunning, kan in het antwoord van de gemachtigde niet anders dan de bevestiging worden gezien van de praktische noodzaak om de relevante wetsbepalingen te expliciteren in de boven aangegeven zin”. VII-40.976-27/105 Uit het aangehaalde advies blijkt dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State ook oog heeft gehad voor hetzelfde onderscheid tussen “activiteiten” en “gebruik van zones”, waaraan ook de verzoekende partij refereert. In haar advies heeft de afdeling Wetgeving opgemerkt dat “[i]n het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit […] niet met zoveel woorden [wordt] uitgegaan van een vergunnings- of machtigingssysteem dat op welbepaalde ‘activiteiten’ is gericht, maar wel van een vergunnings- of machtigingssysteem dat op het ‘gebruik van zones’ betrekking heeft, hetgeen een conceptueel andere benadering lijkt dan die welke destijds ten grondslag heeft gelegen aan de aangehaalde artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999”. De afdeling Wetgeving besluit evenwel dat, wat betreft de rechtsgrond van het koninklijk besluit van 22 juli 2019, “kan worden aangenomen dat de toepassing van de ontworpen regeling onrechtstreeks maar zeker betrekking zal hebben op activiteiten in de zin van de artikelen 25 en 26 van de meermaals genoemde wet van 20 januari 1999, zodat deze laatste bepalingen wel degelijk kunnen worden geacht rechtsgrond te bieden voor het ontworpen koninklijk besluit”. Dat de gebruiksvergunning onrechtstreeks maar zeker betrekking heeft op “activiteiten”, leidt de afdeling Wetgeving af uit de toekenningscriteria voor de gebruiksvergunning. In het eerste middelonderdeel geeft de verzoekende partij blijk van een tegenovergestelde visie, maar zij slaagt er niet in het beredeneerde standpunt van de afdeling Wetgeving dat de regeling in het koninklijk besluit van 22 juli 2019 “onrechtstreeks maar zeker” betrekking heeft op activiteiten in de zin van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999, onderuit te halen. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel 33. Na het ontslag van drie ministers en twee staatssecretarissen, alsmede een herverdeling van de bevoegdheden van de overblijvende regeringsleden, nam de federale regering op 9 december 2018 een doorstart. Op VII-40.976-28/105 18 december 2018 bood de eerste minister opnieuw het ontslag van zijn (minderheids)regering aan. Op 21 december 2018 aanvaardde de Koning het ontslag. De aanvaarding had voor gevolg dat de federale regering vanaf die datum niet langer over de volheid van haar bevoegdheid beschikte en zich tot de “lopende zaken” moest beperken. Uiteindelijk zou de ontslagnemende regering aanblijven tot 27 oktober 2019. Het leerstuk van de lopende zaken berust op een grondwettelijke gewoonte en houdt in dat wanneer een regering ontslagnemend is, de parlementaire vergadering is ontbonden met het oog op verkiezingen of nog geen nieuwe regering is gevormd na de verkiezingen, zodat de regering in haar bevoegdheden is beperkt omdat de parlementaire controle op die regering is weggevallen of sterk is verminderd. Traditioneel worden drie categorieën van lopende zaken onderscheiden. Een eerste categorie betreft de zaken die behoren tot het dagdagelijkse beleid. Het zijn de zaken waarvan de afhandeling, ook al kan daar de uitoefening van enige discretionaire bevoegdheid mee gepaard gaan, geen beslissing over de oriëntatie van het beleid impliceert, omdat het gaat over de gewone uitvoering of toepassing van de in de wet neergelegde voorschriften. Een tweede categorie betreft de zaken die de normale voorzetting of beëindiging zijn van een vóór het regeringsontslag of de ontbinding van de parlementaire vergadering ingezette procedure. Vereist is dat de behandeling ervan een behoorlijke tijd vόόr de periode van de lopende zaken werd ingezet, de afwikkeling nadien zonder overhaasting gebeurt en dat de uiteindelijke beslissing geen belangrijke of nieuwe beleidskeuze inhoudt. Tot een derde categorie van lopende zaken behoren de zaken die zonder uitstel moeten worden geregeld, teneinde geen fundamentele belangen in gevaar te brengen of ernstig te schaden. De inhoud van wat als lopende zaak beschouwd kan worden, hangt ook af van de omstandigheid die tot een beperking van de regeringsbevoegdheden heeft geleid. Indien het parlement is ontbonden vallen alle controlemogelijkheden op de regering weg en dient de bevoegdheidsbeperking stringent te worden beoordeeld. Heeft het parlement evenwel nog zitting of is het VII-40.976-29/105 na de verkiezingen opnieuw samengesteld, dan blijven de meeste controlemiddelen - zoals de interpellatie - mogelijk en is enkel de ultieme sanctie - het ontslag van de regering - uitgesloten, omdat de regering ontslagnemend is. Het koninklijk besluit ‘tot vaststelling van het marien ruimtelijk plan voor de periode van 2020 tot 2026 in de Belgische zeegebieden’ dagtekent van 22 mei 2019 en het koninklijk besluit ‘tot vaststelling van de procedure tot het bekomen van een gebruiksvergunning voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België’ dagtekent van 22 juli 2019. Op die tijdstippen was de bevoegdheid van de zittende regering, die reeds sinds 21 december 2018 ontslagnemend was, nog steeds beperkt tot de lopende zaken. De lange periode van lopende zaken en de omstandigheid dat bij het nemen van het bestreden besluit de Kamer van Volksvertegenwoordigers over een beperkte controlemogelijkheid op de regering beschikte, zijn omstandigheden die mee in overweging moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de verwerende partij wettig heeft gehandeld door het bestreden besluit uit te vaardigen in een periode van lopende zaken. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de totstandkomingsprocedure van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 een aanvang heeft genomen vóór 14 november 2017, het ogenblik waarop het voorontwerp van koninklijk besluit werd overgemaakt aan de Raadgevende Commissie. De chronologie van het totstandkomingsproces van dit koninklijk besluit wordt in de memorie van antwoord als volgt weergegeven: - 14 november 2017: overmaking voorontwerp aan de Raadgevende Commissie; - 14 december 2017: de Raadgevende Commissie brengt haar advies uit; - januari 2018: Studiebureau Arcadis maakt het ontwerpregister over aan het Adviescomité; - 20 maart 2018: het Adviescomité verleent advies; - 9 april 2018: het definitief register wordt door Arcadis gefinaliseerd en meegedeeld aan het Adviescomité; VII-40.976-30/105 - 20 april 2018: het ontwerp van koninklijk besluit wordt goedgekeurd op de ministerraad; - 25 mei 2018: het Adviescomité verleent advies over het ontwerp van het MRP en het ontwerp van plan-MER; - 29 mei 2018: het definitieve plan-MER wordt vastgesteld; - 29 juni 2018 tot 28 september 2018: een openbaar onderzoek wordt georganiseerd; - 7 september 2018 tot 15 oktober 2018: verscheidene adviezen worden verleend; - 5 november 2018: alle bezwaren en advies worden beantwoord in een ‘compilatiedocument’; - 7 december 2018: het aangepaste ontwerp van koninklijk besluit wordt op de ministerraad (in tweede lezing) goedgekeurd; - 11 december 2018: op de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu verschijnt een toelichting over de wijze waarop het ontwerp werd aangepast aan de bevindingen van het plan-MER; - 15 januari 2019: de afdeling Wetgeving van de Raad van State verleent advies; - 31 januari 2019: er wordt een Natura 2000-goedkeuring verleend; - 22 mei 2019: het koninklijk besluit wordt ondertekend. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat deze chronologie op geen enkele wijze kan worden nagegaan en dat niet is aangetoond dat op de ministerraad van 7 december 2018 het aangepaste ontwerp van MRP is goedgekeurd. Die bewering volstaat evenwel niet om de geschetste tijdslijn te weerleggen. In elk geval kan eenvoudig worden nagegaan én bevestigd dat het aangepaste ontwerp van MRP op 7 december 2018 in de ministerraad in tweede lezing werd goedgekeurd. Aldus blijkt dat de inhoud van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 definitief werd goedgekeurd in de ministerraad op een ogenblik dat de regering nog over haar volledige bevoegdheid beschikte. Het blijkt niet dat erna, op het ogenblik dat de regering ontslagnemend was, nog fundamentele wijzigingen werden aangebracht. De verzoekende partij beweert dit ook niet, laat staan dat zij dit aantoont. In de gegeven omstandigheden moet het koninklijk besluit van 22 mei 2019 dan ook worden beschouwd als het resultaat van de normale VII-40.976-31/105 voortzetting of beëindiging van een vóór het regeringsontslag ingezette procedure en valt het onder de tweede categorie van lopende zaken. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 luidt: “Art. 3. De toekenningscriteria voor het aanvragen van een gebruiksvergunning, zijn de volgende: 1° de meerwaarde op economisch en maatschappelijk vlak; 2° de mate van meervoudig ruimtegebruik; 3° de mogelijke gevolgen voor de natuur; 4° de mogelijke gevolgen voor de veiligheid in de zeegebieden; 5° de mogelijke impact op zeezicht; 6° de kwaliteit van het plan op technisch en economisch gebied, inzonderheid door de toepassing van de best beschikbare technologieën; 7° de kwaliteit van het voorgelegde plan inzake exploitatie en onderhoud; 8° de sterkte van het consortium op technisch, economisch en maatschappelijk vlak”. De verwerende partij en de tussenkomende partij wijzen er terecht op dat de eerste vijf toekenningscriteria reeds waren opgenomen in bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019. De bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019 legt de acties tot uitvoering van het MRP vast en bepaalt onder meer dat de “minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van het mariene milieu behoort” bij koninklijk besluit “een procedure [zal] ontwikkelen voor de toekenning, voorwaarden, duur en gebruik van de zones voor industriële en commerciële activiteiten”, waarbij onder andere rekening zal worden gehouden met “meerwaarde op economisch en maatschappelijk vlak, meervoudig ruimtegebruik, gevolgen voor natuurlijkheid, zeezicht en veiligheid”. De bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019 blijkt bovendien de “[l]angetermijnvisie, doelstellingen en indicatoren, en ruimtelijke beleidskeuzes” inzake het MRP vast te leggen. De beleidskeuzes werden derhalve reeds naar aanleiding van dat koninklijk besluit vastgelegd. Het vastleggen van de procedure tot het verkrijgen van een gebruiksvergunning voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten in VII-40.976-32/105 de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, komt zo dan ook voor als de normale voortzetting en uitvoering van het MRP voor de periode 2020 tot 2026 zoals vastgesteld bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019, waarin reeds was bepaald met welke criteria zeker rekening moest worden gehouden. De verzoekende partij overtuigt niet van het tegendeel. Daarbij komt nog dat de procedure die tot het koninklijk besluit van 22 mei 2019 heeft geleid ruim vóór de kritieke periode van lopende zaken werd aangevat en zij nadien zonder overhaasting werd afgewikkeld. Het gegeven dat het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State werd gevraagd binnen een termijn van dertig dagen, doet niet anders besluiten. De stelling dat de diepgang van het advies ingevolge de keuze voor de adviestermijn van dertig dagen werd beperkt, wordt door de verzoekende partij niet concreet aannemelijk gemaakt. De laatste drie toekenningscriteria uit voormeld artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 vloeien niet voort uit het koninklijk besluit van 22 mei 2019. Zij hebben evenwel betrekking op de kwaliteit van het voorgelegde plan en de sterkte van de indiener ervan op technisch, economisch en maatschappelijk vlak. Dergelijke eisen kunnen bezwaarlijk als fundamentele beleidskeuzes worden beschouwd. De verzoekende partij maakt zulks alleszins niet aannemelijk. Ter ondersteuning van haar betoog dat de zorgvuldigheid waarmee de overheid de totstandkoming van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 zelf bejegent in schril contrast staat met de effectieve totstandkoming ervan in lopende zaken, verwijst de verzoekende partij naar het standpunt van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, die bij de voorbereiding van het MRP uitdrukkelijk had gesteld dat de procedure die ontwikkeld zal worden voor de toewijzing van de zones “evident [...] niet overhaast in elkaar gestoken mag worden”. De verzoekende partij brengt evenwel geen concreet gegeven bij waaruit zou blijken dat bij de totstandkoming van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 niet met de gepaste zorgvuldigheid zou zijn gehandeld. Overigens merkt de tussenkomende partij in haar memorie op dat de formele aannemingsprocedure van dit koninklijk besluit “ten minste 137 dagen” in beslag genomen heeft en dat er gedurende “meer dan drie kwart” van die procedure VII-40.976-33/105 parlementaire controle mogelijk was. De verzoekende partij onderneemt in haar memorie van wederantwoord zelfs geen poging om dit argument tegen te spreken. Op grond van al het voorgaande moet worden besloten dat de verwerende partij niet onwettig heeft gehandeld door de koninklijke besluiten van 22 mei 2019 en 22 juli 2019 aan te nemen in een periode waarin de bevoegdheid van de regering was beperkt tot het afhandelen van de “lopende zaken”. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 34. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende en de tussenkomende partij 35. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 5bis, § 2, van de wet van 20 januari 1999, de bevoegdheidsverdelende regelen, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tevens wordt bevoegdheidsoverschrijding aangevoerd. Volgens de verzoekende partij heeft de wetgever in artikel 5bis, § 2, van de wet van 20 januari 1999 uitdrukkelijk de keuze gemaakt om elke zes jaar een evaluatie te maken van de gemaakte beleidskeuzes en desnoods te wijzigen waar nodig. Een wijzigingsmogelijkheid is dan ook wettelijk verankerd, terwijl de duurtijd van de beleidskeuzes uitdrukkelijk beperkt is tot zes jaar. Dit is het uitgangspunt. Het bestreden besluit verleent evenwel een gebruiksvergunning voor de duur van twintig jaar. Het betreft bovendien een exclusief gebruiksrecht. Aldus verhindert het bestreden besluit zonder meer de wettelijk vastgelegde evaluatieverplichting en holt zij de herzieningsmogelijkheid volledig uit, nu bij een nieuw MRP in 2026 de beleidskeuze om zone C af te schaffen of te verplaatsen onmogelijk wordt gemaakt. Dit schendt het voormelde artikel 5bis, § 2, het VII-40.976-34/105 rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheids-beginsel. Het kwam evenmin aan de minister toe om middels de bestreden beslissing de duurtijd van het MRP te verlengen of aan te passen, aangezien die duurtijd bij wet is vastgelegd. In die zin is er ook sprake van bevoegdheidsoverschrijding. 36. De tussenkomende partij werpt de onontvankelijkheid van het middel op in zoverre de schending wordt aangevoerd van de bevoegdheidsverdelende regels en van het rechtszekerheids-, het vertrouwens-, het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel, omdat niet wordt aangetoond in welk opzicht deze regels en beginselen zouden geschonden zijn. 37. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zone C tijdens de voorbereiding van het MRP delicaat werd genoemd. In het MRP voor de periode 2014-2020 was deze zone niet voorzien, hoewel ook toen over een (middel)lange termijnvisie werd gesproken. Gelet op de controverse rond zone C is het volgens haar niet denkbeeldig dat die zone opnieuw verdwijnt of een andere invulling krijgt. Door de vergunning af te leveren voor een periode van twintig jaar, bepaalt de minister dat het beleid na zes jaar niet kan worden aangepast. Op die manier wordt artikel 5bis, § 2, van de wet van 20 januari 1999 dode letter. 38. In haar laatste memorie voegt zij nog toe dat, indien een beleidswijziging niet onmiddellijk zou doorwerken, zulks des te meer aantoont dat de vergunning voor 20 jaar een gebeurlijke beleidswijziging na zes jaar in de weg staat. Zo de vergunning precair te noemen is, werkt een beleidswijziging volgens haar inderdaad door op de vergunning. Het is echter niet evident om de vergunning precair te noemen in de zin dat zij zonder meer kan worden ingetrokken zonder consequenties. Zij verleent rechten, en het gaat uitdrukkelijk niet om een concessie die van nature een precair karakter heeft. Zij besluit dat ofwel moet worden aangenomen dat het vervallen of het intrekken aan de hand van de in het koninklijk besluit van 22 juli 2019 opgenomen voorwaarden moet gebeuren, ofwel wordt aangenomen dat de vergunning kan vervallen op basis van de in de bijlage 2 van VII-40.976-35/105 het koninklijk besluit van 22 mei 2019 opgenomen voorwaarde dat de in gebruik gegeven ruimte vrijgegeven moet kunnen worden voor andere functies. Daardoor zou het koninklijk besluit van 22 juli 2019 hiermee echter strijdig zijn, aangezien dit niet voorzien is in de daar opgenomen voorwaarden voor verval, wijziging of intrekking van de vergunning. Beoordeling 39. Met de tussenkomende partij kan worden vastgesteld dat in het middel niet concreet wordt uiteengezet op welke wijze de bestreden beslissing de bevoegdheidsverdelende regelen en het evenredigheidsbeginsel zou schenden. De exceptie is in die mate gegrond. 40. Volgens het hoger geciteerde artikel 5bis, § 2, van de wet van 20 januari 1999 is het marien ruimtelijk plan bindend, wordt het door de Koning vastgesteld bij een besluit na overleg in de ministerraad, en wordt het zesjaarlijks geëvalueerd en gewijzigd waar nodig. De Koning kan ook een tussentijdse wijzigingsprocedure regelen. Noch artikel 5bis, § 2, van de wet van 20 januari 1999, noch enige andere bepaling, belet dat een gebruiksvergunning voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België kan worden verleend voor een duur die meer dan zes jaar bedraagt. Integendeel bevestigt artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 dat die vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur, beperkt tot ten hoogste vijftig jaar en verlengbaar, zonder een totale duur van vijfenzeventig jaar te overschrijden. De gebruiksvergunning verhindert, anders dan de verzoekende partij dit ziet, op zich niet de evaluatie of de eventuele wijziging, waar nodig, van het MRP, noch verhindert zij een aanpassing van het gevoerde beleid. De verzoekende partij vertrekt vanuit de premisse dat een beleidswijziging onmiddellijk zou moeten doorwerken op de afgeleverde vergunning, maar maakt dit niet aannemelijk. VII-40.976-36/105 Overigens heeft de bestreden gebruiksvergunning een precair karakter, zoals blijkt uit de voor de federale overheid bindende bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 22 mei 2019, waarin wordt gesteld dat “[o]ok op langere termijn […] de nodige rechtszekerheid [moet] kunnen gegeven worden zonder dat deze toegekende gebruiksrechten als vanzelfsprekend beschouwd worden: wanneer de middelen het maatschappelijk welzijn niet (meer) dienen, moet de in gebruik gegeven ruimte vrijgegeven kunnen worden voor andere functies”. De opmerkingen in de laatste memorie van de verzoekende partij nopen niet tot een ander besluit. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de verzoekende en de tussenkomende partij 41. De verzoekende partij roept in het vierde middel de schending in van de artikelen 35, 39 en 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet, de artikelen 4, 9° en 10°, 6, § 1, II, eerste lid, 1°, 6, § 1, V, eerste lid, 1°, 6, § 1, VI, eerste lid, 9°, en 6, § 1, X, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI), van de bevoegdheidsverdelende regels, van het rechtszekerheids-, het vertrouwens-, het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- en het verticaliteitsbeginsel, en van het beginsel van de federale loyauteit. Tevens wordt bevoegdheidsoverschrijding ingeroepen en wordt de toepassing gevraagd van artikel 159 van de Grondwet. Eerste onderdeel 42. De verzoekende partij geeft in het eerste onderdeel een omstandige, veeleer theoretische uiteenzetting over de bevoegdheidsverdeling in het federale België in het algemeen en met betrekking tot de bevoegdheden in het zeegebied, doorspekt met verwijzingen naar rechtspraak van het Grondwettelijk VII-40.976-37/105 Hof en adviespraktijk van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Zij betoogt dat de federale overheid, wat betreft de territoriale zee, over een residuaire bevoegdheid beschikt, behoudens andersluidende wetsbepalingen. Het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap beschikken krachtens een dergelijke ‘andersluidende bepaling’, met name de artikelen 4 en 6 BWHI ook over bevoegdheden die zich uitstrekken over de territoriale zee. De vaststelling van het MRP behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid, in de mate dat dit plan wordt opgevat als een planmatige regeling van ruimtelijke ordening. Op welbepaalde vlakken, zo stelt ook de afdeling Wetgeving van de Raad van State, is echter ook het Vlaamse Gewest bevoegd om maatregelen te nemen in minstens een deel van de betreffende zeegebieden. Dit maakt dat slechts een coherent en efficiënt beleid gevoerd kan worden wanneer beide niveaus samenwerken. De federale overheid moet er bij de vaststelling van het MRP over waken dat de bevoegdheidssfeer van het Vlaamse Gewest niet wordt betreden. Daarbij moet de federale overheid rekening houden met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. Zij zal niet zonder grond zo verregaande maatregelen mogen treffen dat de andere overheid in de praktische onmogelijkheid zou verkeren om het haar toevertrouwde beleid enige reële inhoud te geven. Het beginsel van de federale loyauteit houdt in dat elke entiteit op een zodanige wijze gebruik moet maken van haar bevoegdheden dat het functioneren van andere entiteiten niet in gevaar komt en er geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van andere entiteiten. Het betreft dus een negatieve verplichting die zich verzet tegen een misbruik van de eigen bevoegdheden. Er is volgens het Grondwettelijk Hof ook sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer een wetgever eenzijdig een aangelegenheid regelt, terwijl de bevoegdheden van de federale overheid en de deelgebieden dermate verweven zijn dat ze niet meer dan in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgeoefend, zelfs wanneer de bijzondere wetgever daaromtrent niet in een verplichte samenwerking heeft voorzien. In een federaal systeem moet de nadruk liggen op samenwerking, veeleer dan op een zuivere scheiding van de uitoefening van bevoegdheden. Samenwerkingsakkoorden zijn bedoeld voor onder meer de gezamenlijke uitoefening van exclusieve bevoegdheden. Volgens de afdeling Wetgeving van de Raad van State is dit het meest geëigende instrument voor de coördinatie van het beleid ter zake. Op grond van de bevoegdheidsverdeling, zoals uiteengezet, had de VII-40.976-38/105 federale regering dan ook een samenwerkingsakkoord, of minstens enige vorm van samenwerking, moeten organiseren inzake het vastleggen van zones waarop een exclusief gebruiksrecht kan worden verleend, met uitsluiting van alle andere activiteiten. Er kan immers niets anders worden vastgesteld dan dat het vastleggen van zones voor bepaalde activiteiten, in het kader van de bevoegdheid van de federale regering om een MRP vast te stellen, dermate verweven is met de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake, onder andere, zeevisserij, loodsdiensten en reddingsdiensten op zee, leefmilieu en toerisme, dan wel bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap inzake sport en recreatie. In het koninklijk besluit van 22 juli 2019 is een niet-bindend advies van de Raadgevende Commissie voorzien. In het licht van het advies van de Raad van State met betrekking tot het vorige MRP, kan dit niet volstaan om te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. Uit dit alles besluit de verzoekende partij dat het koninklijk besluit van 22 mei 2019 het evenredigheidsbeginsel schendt, in die zin dat een samenwerkingsakkoord de enige mogelijke wijze is waarop de zones voor het uitvoeren van commerciële en industriële activiteiten, met al de modaliteiten, konden worden vastgesteld. De “ex post vormen” van samenwerking doen daaraan geen afbreuk. Bijgevolg meent de verzoekende partij dat artikel 23 van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 buiten toepassing moet worden gelaten. Tweede onderdeel 43. De verzoekende partij zet het tweede middelonderdeel als volgt uiteen: “Op grond van dezelfde overwegingen als in het eerste middelonderdeel dient de bestreden beslissing van 30 september 2020 waarbij aan de BV CODEVCO V een gebruiksvergunning wordt toegekend voor de zone C binnen het BNZ nietig verklaard te worden. Door het afleveren van een exclusieve gebruiksvergunning aan één enkele begunstigde voor een specifieke zone in het BNZ, met een verbod aan derden om deze zone te gebruiken voor een duur van 20 jaar, met ook een veiligheidsperimeter van 500 meter, terwijl het exclusief gebruik van de betrokken zone midden in Natura 2000 gebied ligt (met een duidelijk impact op het milieu), midden in de drukst bevaren routes liggen van de VII-40.976-39/105 belangrijkste jachthaven van Noord-Europa, met een duidelijke impact op sport, recreatie en toerisme, alsook op de reddingsdiensten op zee impacteert en de zeevisserij verstoort, belemmert de bestreden beslissing op onredelijke en onevenwichtige wijze de beleidsmogelijkheden van zowel het Vlaamse Gewest als de Vlaamse Gemeenschap”. 44. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel in zoverre de schending wordt aangevoerd van het rechtszekerheids-, het vertrouwens-, het zorgvuldigheids- en het verticaliteitsbeginsel. De verzoekende partij licht niet toe waarom of in welk opzicht die beginselen geschonden zouden zijn. 45. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in een andere aangelegenheid, in een advies bij een voorontwerp van decreet ‘houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende de radio-omroep en televisie’, geoordeeld heeft dat het aanwenden van het procédé van een samenwerkingsakkoord het meest aanbevolen was, gelet op de grote verwevenheid van de bevoegdheden van de betrokken overheden en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot coördinatie. In het advies bij het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 20 maart 1984 met betrekking tot het vorige MRP, heeft de afdeling Wetgeving geoordeeld dat de vertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest in de commissie bezwaarlijk enige stem kan uitbrengen met betrekking tot een aangelegenheid die ressorteert onder de bevoegdheid van dat gewest. Zo ook kan volgens de verzoekende partij te dezen niet worden volstaan met het voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, artikel 143, § 1, van de Grondwet, en het beginsel van de federale loyauteit. Dit is niet evenwaardig aan een volwaardig samenwerkingsakkoord. Beoordeling 46. Met de tussenkomende partij wordt vastgesteld dat de verzoekende partij nalaat om in de uiteenzetting bij het vierde middel concreet toe te lichten hoe het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verticaliteitsbeginsel geschonden zouden zijn. VII-40.976-40/105 De exceptie is gegrond. Eerste onderdeel 47. In haar advies 65.000/1 van 15 januari 2019 over het ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 22 mei 2019, heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State, met betrekking tot de bevoegdheid van de federale overheid, haar eerder standpunt uit advies 54.892/1 hernomen, waarin onder meer werd gesteld: “Uit wat voorafgaat volgt in de eerste plaats dat een internrechtelijke regeling als het marien ruimtelijk plan tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Die regeling dient dan wel te kunnen worden opgevat als een (planmatige) regeling van ruimtelijke ordening, dus als een regeling die er essentieel toe strekt de bestemming en het gebruik van de in artikel 2, 1°, van de wet van 20 januari 1999 vermelde zeegebieden te ordenen door die gebieden in te delen volgens de ervoor geboden bestemmings- en gebruiksmogelijkheden en door daarvoor voorschriften te bepalen. Uit het oogpunt van de vaststelling van de onderscheiden bevoegdheid van de federale en de (Vlaamse) gewestoverheid is het zonder belang dat in het marien ruimtelijk plan ook voorschriften voorkomen die betrekking hebben op andere aangelegenheden dan ruimtelijke ordening maar waarvoor de gewesten evenzeer (territoriaal) onbevoegd moeten worden geacht. De federale overheid dient er bij de uitoefening van de betrokken bevoegdheid wel over te waken dat de bevoegdheidssfeer waarover de (Vlaamse) gewestoverheid met betrekking tot de betreffende zeegebieden beschikt, niet wordt betreden. Voor zover in een aantal algemeen bindende bepalingen van het opgemaakte marien ruimtelijk plan een regeling kan worden gezien van de wijze waarop bepaalde activiteiten moeten worden verricht waarvoor de (Vlaamse) gewestoverheid bevoegd kan worden geacht, lijkt dat laatste wel het geval te zijn. Daarbij kan worden gedacht aan artikel 6, §§ 1 en 3, juncto artikel 10, § 1, 1°, en artikel 15, § 2, eerste streepje, van het ontwerp, in zoverre daarin de aanwending van welbepaalde visserijtechnieken of vaartuigen wordt opgelegd of verboden, en een vergunningsplicht wordt ingesteld voor recreatieve garnaalvisserij. Waar integendeel louter wordt overgegaan tot de afbakening en vaststelling van de bestemming van bepaalde zones in combinatie met ruimtelijke voorschriften over het gebruik dat ervan kan worden gemaakt, kan worden aangenomen dat de federale overheid de haar toekomende ordeningsbevoegdheid uitoefent, zelfs al betreffen de bestemming en het gebruik in kwestie in een aantal gevallen activiteiten waarvan de verrichting als dusdanig ressorteert onder de regelingsbevoegdheid van het Vlaamse Gewest”. VII-40.976-41/105 Artikel 23 van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 bepaalt: “Art. 23. § 1. Er worden zones afgebakend voor het uitvoeren van commerciële en industriële activiteiten, waarvan de coördinaten de volgende zijn: Zone A 5° 1° 51° 13’.160 N 2° 27’.228 O 6° 2° 51° 13’.894 N 2° 25’.968 O 7° 3° 51° 18’.467 N 2° 30’.549 O 8° 4° 51° 17’.é N 2° 33’.358 O Zone B 6° 1° 51° 13’.805 N 2° 32’.042 O 7° 2° 51° 17’.074 N 2° 36’.695 O 8° 3° 51° 16’.667 N 2° 37’.409 O 9° 4° 51° 16’.630 N 2° 37’.355 O 10° 5° 51° 13’.494 N 2° 32’.789 O Zone C 5° 1° 51° 10’445 N 2° 37’.346 O 6° 2° 51° 11’.167 N 2° 39’.983 O 7° 3° 51° 10’.517 N 2° 40’.444 O 8° 4° 51° 09’.760 N 2° 37’.813 O De bodemverstoring binnen deze zone door een commerciële of industriële activiteit, of activiteiten, mag niet meer dan 0.1 % van de totale oppervlakte van deze zone bedragen. Zone D 1° 51° 19’.422 N 2° 55’.343 O 2° 51° 19’.283 N 2° 58’.721 O 3° 51° 18’.266 N 2° 59’.767 O 4° 51° 16’.603 N 2° 55’.091 O 5° 51° 17’.287 N 2° 53’.900 O 6° 51° 18’.756 N 2° 53’.595 O Maximaal 50% van de oppervlakte van deze zone kan benut worden door een commerciële of industriële activiteit, of activiteiten. Zone E 1° 51° 26’.756 N 3° 08’.388 O 2° 51° 28’.249 N 3° 04’.939 O 3° 51° 30’.708 N 3° 08’.794 O 4° 51° 29’.247 N 3° 11’.871 O Maximaal 50% van de oppervlakte van deze zone kan benut worden door een commerciële of industriële activiteit, of activiteiten. § 2. Bij het ontwikkelen van commerciële en industriële activiteiten binnen deze zones dienen volgende voorwaarden in acht genomen te worden: 1° Commerciële en industriële activiteiten met een potentiële impact op de natuurbeschermingsgebieden, zoals bepaald in artikel 7, kunnen slechts toegelaten worden mits het bekomen van een Natura 2000-toelating; 2° Commerciële en industriële activiteiten met een potentiële impact op militaire activiteiten kunnen enkel toegelaten worden voor zover zij verzoenbaar zijn met de militaire activiteiten; VII-40.976-42/105 3° Commerciële en industriële activiteiten, die gelijkaardig zijn aan andere activiteiten die plaatsvinden, dienen minstens dezelfde voorwaarden te respecteren. § 3. Binnen de zones afgebakend in paragraaf 1 wordt er voorrang gegeven aan commerciële en industriële activiteiten. Andere door dit besluit toegestane activiteiten kunnen plaatsvinden, voor zover die de ingebruikname van de zones niet in het gedrang brengen”. Deze bepaling beperkt zich tot de afbakening en vaststelling van de bestemming van zones voor het uitvoeren van commerciële en industriële activiteiten, in combinatie met ruimtelijke voorschriften over het gebruik dat van die zones kan worden gemaakt. Bijgevolg kan, in navolging van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, worden aangenomen dat de federale overheid middels deze bepaling slechts de haar toekomende ordeningsbevoegdheid in de zeegebieden omschreven in artikel 2, 1°, van de wet van 20 januari 1999, uitoefent. Een schending van de bevoegdheidsverdelende regelen ligt niet voor, minstens maakt de verzoekende partij dit niet aannemelijk. Luidens artikel 143, § 1, van de Grondwet, nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, met het oog op het vermijden van belangenconflicten, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden de federale loyauteit in acht. Het beginsel van de federale loyauteit houdt blijkens de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling voor de federale overheid en voor de deelgebieden de verplichting in om, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet te verstoren; het betekent meer dan het uitoefenen van bevoegdheden; het geeft aan in welke geest dit moet geschieden (zie onder meer GwH 30 juni 2014, nr. 97/2014, B.4.4 met verwijzing naar Parl.St. Senaat BZ 1991- 92, nr. 100-29/2°). Zoals het Grondwettelijk Hof heeft gesteld in zijn arrest nr. 97/2014 van 30 juni 2014, (overweging B.4.5), betekent het beginsel van de federale loyauteit, gelezen in samenhang met het evenredigheidsbeginsel, dat elke wetgever ertoe gehouden is, in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid, VII-40.976-43/105 erop toe te zien dat door zijn optreden de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers niet onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt. De omstandigheid dat een regeling een weerslag kan hebben op de bevoegdheid van een andere federale entiteit volstaat in beginsel niet om te besluiten tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. In het hoger aangehaalde advies heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State erop gewezen “dat van de vaststelling van een marien ruimtelijk plan door de federale overheid een belangrijke invloed kan uitgaan op de mogelijkheid voor het Vlaamse Gewest om invulling te geven aan de eigen bevoegdheid die zich uitstrekt tot in de zeegebieden vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 20 januari 1999. De federale overheid heeft daar rekening mee te houden bij haar bevoegdheidsuitoefening, die in overeenstemming moet zijn met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. In dat verband zou het sluiten van een samenwerkingsakkoord kunnen worden overwogen”. Hieruit kan worden afgeleid dat de afdeling Wetgeving het weliswaar opportuun, maar niet noodzakelijk heeft geacht om een samenwerkingsakkoord af te sluiten. Waar de verzoekende partij betoogt dat een samenwerkingsakkoord de “enige mogelijke wijze” is waarop de zones voor de uitoefening van commerciële en industriële activiteiten konden worden vastgesteld, gaat zij uit van een verkeerde lezing van het door haar aangehaalde advies van de Raad van State en geeft zij een al te ver gaande invulling aan het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit. Die beginselen vereisen uit hun aard immers niet noodzakelijk, en telkenmale, het sluiten van een samenwerkingsakkoord. Wel volgt daaruit dat, wanneer de aangelegenheid die een overheid wenst te regelen dermate verweven is met de aangelegenheid die onder de bevoegdheid van een andere overheid valt, de eerstgenoemde overheid haar bevoegdheid pas kan uitoefenen na op zijn minst vooraf de laatstgenoemde overheid daarover te hebben geraadpleegd. VII-40.976-44/105 Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 november 2012 ‘betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden’ legt de minister het voorontwerp van marien ruimtelijk plan voor aan de Raadgevende Commissie. Luidens artikel 1, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, nodigt de voorzitter van deze commissie het Vlaamse Gewest uit om een of meer vertegenwoordigers af te vaardigen, die kunnen deelnemen aan de debatten en dezelfde stem hebben als de federale leden. Het argument van de verzoekende partij dat dit advies niet kan volstaan, wordt niet bijgetreden. De opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State als zou “de vertegenwoordiging van het Vlaamse Gewest in die commissie bezwaarlijk enige stem [kunnen] uitbrengen met betrekking tot een aangelegenheid die ressorteert onder de bevoegdheid van dat gewest”, had immers betrekking op de - uit de finaal aangenomen tekst weggelaten - zinsnede dat elke vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest dezelfde stem had als de federale leden, “elk voor wat zijn bevoegdheden betreft”. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de waarde van die stem niet afdoende zou zijn in het kader van de inspraakmogelijkheden voor het Vlaamse Gewest. Daarnaast legt de minister overeenkomstig artikel 4, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit het ontwerp van marien ruimtelijk plan eveneens voor advies voor aan de gewestregeringen. Uit de aanhef van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 blijkt dat zowel het advies van de Raadgevende Commissie, als het advies van het Vlaamse Gewest zijn gevraagd. De Vlaamse overheid werd derhalve op dubbele wijze effectief geraadpleegd over het MRP. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat geen formeel advies werd uitgebracht, maar dat vanuit verschillende diensten van het Vlaamse Gewest een aantal ambtelijk-technische opmerkingen werden geformuleerd. Die omstandigheid neemt niet weg dat er effectief een raadpleging heeft plaatsgevonden. Een schending van het evenredigheidsbeginsel, wegens een gebrek aan samenwerking, wanneer geen enkele bepaling in een verplichte vorm van samenwerking voorziet, kan pas worden aangenomen wanneer de VII-40.976-45/105 bevoegdheden zo verweven zijn dat ze alleen in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgeoefend. De verzoekende partij beweert weliswaar dat dit hier het geval is, maar slaagt er niet in haar bewering concreet aannemelijk te maken. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel 48. Artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet bepaalt: “Art. 127.§ 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet: 1° de culturele aangelegenheden”. De aangehaalde bepalingen van de BWHI luiden: “Art. 4. De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, 1°, van de Grondwet zijn : […] 9° De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven; 10° De vrijetijdsbesteding” en “Art. 6.§ 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn: […] II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft: 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; […] V. Wat de landbouw betreft : 1° het landbouwbeleid en de zeevisserij; […] VI. Wat de economie betreft : […] 9° Het toerisme. […] X. Wat de openbare werken en het vervoer betreft: 1° de wegen en hun aanhorigheden; […] VII-40.976-46/105 3° de havens en hun aanhorigheden; […] 6° de veerdiensten; […] 9° de loodsdiensten en de bebakeningsdiensten van en naar de havens, evenals de reddings- en sleepdiensten op zee”. Met de bestreden beslissing wordt aan de tussenkomende partij een gebruiksvergunning verleend voor zone C in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Die beslissing heeft als zodanig geen betrekking op een aangelegenheid die door de BWHI uitdrukkelijk aan de deelgebieden is toegewezen. Evenmin kan zij worden beschouwd als zijnde inherent aan zo een aangelegenheid. De betrokken regeling moet derhalve worden geacht te vallen onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. Bijgevolg wordt geen schending aangenomen van de artikelen 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet of de artikelen 4, 9° en 10°, 6, § 1, II, eerste lid, 1°, 6, § 1, V, eerste lid, 1°, 6, § 1, VI, eerste lid, 9°, en 6, § 1, X, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 9°, BWHI of van de bevoegdheidsverdelende regelen. Overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 juli 2019 moet de Raadgevende Commissie een (niet-bindend) advies uitbrengen over de aanvraag tot het verkrijgen van een gebruiksvergunning voor de zones voor de uitoefening van commerciële en industriële activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Overeenkomstig artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 13 november 2012 ‘betreffende de instelling van een raadgevende commissie en de procedure tot aanneming van een marien ruimtelijk plan in de Belgische zeegebieden’, nodigt de voorzitter het Vlaamse Gewest uit om een of meer vertegenwoordigers af te vaardigen voor de Raadgevende Commissie. Het wordt niet betwist dat in het voorliggende dossier het advies door de Raadgevende Commissie werd uitgebracht. In dat advies wordt bevestigd dat “[d]eze Raadgevende Commissie bestaat uit alle federale en Vlaamse administraties met bevoegdheid op zee, zoals bepaald in het KB van 13 november VII-40.976-47/105 2012” en dat het advies “de consensus [weergeeft] van de verschillende leden in de Raadgevende Commissie”. Uit het administratief dossier blijkt dat vertegenwoordigers van Ruimte Vlaanderen, het Departement Mobiliteit en Openbare Werken, het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust en het Agentschap Onroerend Erfgoed deel uitmaken van de Raadgevende Commissie. Het blijkt derhalve dat het Vlaamse Gewest afdoende inspraak heeft gehad in het voorliggende dossier, minstens overtuigt de verzoekende partij niet van het tegendeel, mede gelet op de weerlegging van haar argumentatie omtrent dit advies bij de bespreking van het eerste middelonderdeel. Voorts volstaat de vaststelling dat met de bestreden beslissing een exclusieve gebruiksvergunning wordt verleend voor een specifieke zone in het BNZ niet om te doen besluiten dat de beleidsmogelijkheden van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap op onredelijke en onevenwichtige wijze worden belemmerd. Overigens is de exclusieve aard van de verleende gebruiksvergunning niet relevant voor de beoordeling van de mate waarin de bevoegdheidsuitoefening van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap wordt belemmerd, minstens maakt de verzoekende partij dat niet aannemelijk. Het gegeven dat het gebruik van de zone en een omringende veiligheidsperimeter aan derden wordt verboden voor een duur van 20 jaar, toont op zich evenmin concreet aan dat de uitoefening van de bevoegdheden van de deelgebieden door de bestreden beslissing onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt. De ligging van zone C midden in Natura 2000-gebied met een “duidelijke impact” op het milieu, is in dit geval niet relevant, aangezien het Vlaamse Gewest (territoriaal) niet bevoegd is voor de bescherming van leefmilieu in het betrokken zeegebied. De verzoekende partij beweert ook niet dat de betrokken activiteiten een impact zullen hebben op (de bescherming van) het leefmilieu binnen de Vlaamse gewestgrenzen. Verder wordt de bewering dat zone C te midden van “de drukst bevaren routes […] van de belangrijkste jachthaven van Noord-Europa” is gelegen, evenmin concreet aannemelijk gemaakt. In dit verband kan bovendien worden gewezen op het advies van de Raadgevende Commissie, waarin wordt gesteld: “De zone C en de eventuele veiligheidszone worden ook gebruikt door de pleziervaart, zowel op individuele basis als in groepsverband. Via de vergunningen, vereist op basis van artikel 5.1 van het koninklijk besluit van VII-40.976-48/105 28 juni 2019 betreffende de pleziervaart, wordt vastgesteld dat deze zone voor verschillende grote evenementen een stuk van de aangevraagde zone is. Evenwel stellen we vast dat de aangevraagde zone veelal overeenstemt met de ganse territoriale zee waardoor ook zone C en de eventuele veiligheidszone wordt ingenomen. De zone C kan aldus een obstakel voor de pleziervaart vormen. De grote meerderheid van de pleziervaart die voor onze kust actief is, kan evenwel probleemloos rond de projectzone varen. Ook voor eventuele grote evenementen is er nog meer dan voldoende ruimte beschikbaar in het BNZ”. De verzoekende partij laat tot slot na om de beweerde “duidelijke impact” op sport, recreatie, toerisme, reddingsdiensten en zeevisserij te staven met concrete elementen. Een schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit wordt niet aannemelijk gemaakt. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 49. Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 50. In het vijfde middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 4 en 7 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: Verdrag van Aarhus), Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (hierna: plan-m.e.r.-richtlijn), de wet van 13 februari 2006 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma’s in verband met het milieu’ (hierna: wet van 13 februari 2006), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het rechtszekerheidsbeginsel, het VII-40.976-49/105 vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel. Zij vraagt tevens om de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet toe te passen. Eerste onderdeel 51. De verzoekende partij zet vooreerst uiteen dat het MRP een plan betreft dat aan een milieueffectenbeoordeling moest worden onderworpen en betoogt vervolgens dat het MRP geen volwaardig milieurapport bevat voor wat betreft zone C, nu het niet voldoet aan de minimale vereisten uit bijlage II van de wet van 13 februari 2006. Het eigenlijke onderzoek naar de significante milieueffecten die zone C kan veroorzaken, wordt vooruitgeschoven naar het projectniveau. Nochtans volgt uit zowel de plan-m.e.r.-richtlijn als de wet van 13 februari 2006 en uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat de milieubeoordeling van het MRP tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling ervan moet gebeuren. Dat is ook nodig om het publiek de mogelijkheid te bieden om zich op geïnformeerde wijze uit te spreken over het MRP en aldus te voldoen aan de verplichtingen die op de Staat rusten ingevolge het Verdrag van Aarhus. De verzoekende partij herinnert er daarbij aan dat die mogelijkheid er vroegtijdig moet zijn, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Louter ten overvloede merkt zij nog op dat de afwezigheid van een volledig plan-MER tot gevolg heeft dat diverse milieugaranties niet worden bereikt en dat dit euvel niet kan worden rechtgezet tijdens de projectfase. De verplichting om een milieubeoordeling uit te voeren omvat niet enkel de verplichting om de milieueffecten van het voorgenomen plan te bestuderen, maar ook om de redelijke alternatieven te identificeren, te omschrijven en te evalueren. Uit de toelichting bij de plan-m.e.r.-richtlijn volgt voorts dat voor deze alternatieven de milieueffecten op dezelfde wijze moeten worden beoordeeld als voor het voorgenomen plan, dat dit onderzoek moet gebeuren voor individuele aspecten van het plan, zodat niet alleen moet worden nagedacht over een alternatief voor het plan, maar ook voor de verschillende deelplannen, en dat er sprake is van een alternatief indien dit hetzelfde doel kan bereiken als het voorziene element. In VII-40.976-50/105 het kader van het MRP moest dus een uitgebreid alternatievenonderzoek plaatsvinden voor de diverse individuele aspecten van dat plan en dus met betrekking tot de zones voor commerciële en industriële activiteiten. Aangezien er, in de zin van de plan-m.e.r.-richtlijn, sprake is van een alternatief wanneer dit hetzelfde doel kan bereiken als het element dat in het plan voorzien wordt, moest voor zone C een onderzoek gebeuren naar andere mogelijke locaties en moesten de verschillende alternatieven met elkaar worden vergeleken. De verzoekende partij citeert vervolgens uit het plan-MER en benadrukt in die passages de overwegingen dat de mogelijke gevolgen op het ecosysteem van activiteiten in zone C zeer groot zijn, dat de effectieve impact op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en de goede milieutoestand op heden niet ingeschat kan worden, dat de milderende maatregelen op projectniveau verder verfijnd moeten worden, dat wordt aanbevolen om zone C te schrappen omwille van zijn ligging binnen bodembeschermingszone 1, en dat in beide alternatieven nieuwe windzones worden aangeduid die een beperking van de traditionele visgronden met zich meebrengen. Het is volgens de verzoekende partij dan ook duidelijk dat het plan-MER, wat betreft de zone C, niet voldeed aan de minimale vereisten voor de milieueffectenbeoordeling, zodat het MRP buiten toepassing gelaten moet worden, waardoor er geen rechtsgrond voorhanden is om in de bestreden beslissing een exclusief gebruiksrecht in zone C toe te kennen aan de tussenkomende partij. Tweede onderdeel 52. Op grond van dezelfde overwegingen uit het eerste middelonderdeel, gekoppeld aan een schending van de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht, moet worden aangenomen dat het bestreden besluit nietig verklaard moet worden. Aangezien aan de bestreden beslissing geen openbaar onderzoek met publieke inspraak is voorafgegaan dat beantwoordt aan de supranationale en (grond)wettelijke verplichtingen zoals uiteengezet in het eerste middelonderdeel, heeft de minister niet met volledige kennis van zaken, op grond van een zorgvuldig feitenonderzoek, een beslissing genomen. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn ter zake geschonden. VII-40.976-51/105 53. Zowel de verwerende als de tussenkomende partij werpen als exceptie op dat het middel niet ontvankelijk is waar tegelijkertijd de schending van de materiële- als de formelemotiveringsplicht wordt opgeworpen. Voorts betwist de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het middel in zoverre het is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, omdat de verzoekende partij op geen enkele wijze toelicht hoe of in welk opzicht die bepalingen en beginselen geschonden zouden zijn. Ook zou het middel niet ontvankelijk zijn in zoverre het is genomen uit de schending van de plan-m.e.r.-richtlijn, aangezien die richtlijn in het Belgische recht is omgezet. 54. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij wat het eerste onderdeel betreft toe dat het volstaat om vast te stellen dat het rapport “value@sea” niet aan het publiek werd voorgelegd om aan te geven dat niet voldoende informatie aan het publiek werd ter beschikking gesteld. Zij stelt onder meer: “Een en ander is relevant nu value@sea blijkbaar handelt over een studie van sint-jacobsschelpen, oesters en zeewier, maar niet over mosselen”. De milieu-impact van de mosselkweek - grootste onderdeel van de vergunning - werd volgens haar dan ook niet in het MRP onderzocht. Dit kan niet op basis van de zogenaamde precisiegraad van de plannen worden genegeerd. Ten slotte verwijst de verzoekende partij naar de samenvatting van het plan-MER, waarin onder meer wordt aanbevolen om zone C te schrappen wegens zijn ligging binnen bodembeschermingszone 1. Wat het tweede onderdeel betreft legt de verzoekende partij als bijkomende stukken e-mails van 12 mei en 2 oktober 2000 van haar bevoegde schepen voor waarin het rapport “value@sea” wordt opgevraagd, maar waarop nooit antwoord is gekomen. VII-40.976-52/105 55. Zowel de verwerende als de tussenkomende partij noemen in hun laatste memories de verwijzing naar het ontbreken van het rapport value@sea minstens een nieuwe, onontvankelijke wending van het middel. Beoordeling Ontvankelijkheid 56. Uit de memorie van de tussenkomende partij blijkt dat zij zich tegen het eerste middelonderdeel heeft kunnen verweren, zodat zij niet in haar rechten van verdediging is geschonden. De exceptie “obscuri libelli” is niet gegrond. Anders dan de tussenkomende partij en de verwerende partij het zien, kan in eenzelfde middel de schending van zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht worden aangevoerd. Met de tussenkomende partij wordt evenwel vastgesteld dat de verzoekende partij niet concreet toelicht hoe de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet geschonden zouden zijn. In het tweede middelonderdeel besluit de verzoekende partij dat de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn door het ontbreken van een openbaar onderzoek voorafgaand aan de bestreden beslissing. Aangenomen mag worden dat zij daarmee doelt op de beginselen van behoorlijk bestuur waarop zij zich luidens de aanhef van het middel steunt en die zij daar nader preciseert als zijnde onder meer het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partij beroept zich eveneens op een schending van de plan-m.e.r.-richtlijn. Die richtlijn is in het Belgisch recht omgezet bij de wet van 13 februari 2006. De verzoekende partij betoogt niet dat de omzetting onjuist of onvolledig zou zijn. De tussenkomende partij doet daarom terecht gelden dat de verzoekende partij zich niet langer rechtstreeks op de richtlijnbepalingen kan beroepen. VII-40.976-53/105 De exceptie van de tussenkomende partij is gegrond met betrekking tot de door de verzoekende partij aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en in de mate dat de verzoekende partij zich rechtstreeks beroept op de bepalingen van de plan-m.e.r.-richtlijn. Eerste onderdeel 57. Het middelonderdeel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, is opgedeeld in verschillende (sub)titels. Onder een eerste titel wordt het juridisch kader geschetst. Daarbij wordt eerst specifiek ingegaan op de plan-m.e.r.-richtlijn en vervolgens op het Belgisch recht. De verzoekende partij haalt de relevant geachte bepalingen aan om te besluiten dat het MRP een plan of programma betreft en de opmaak van een plan-MER verplicht was. Een tweede titel luidt dat het MRP geen volwaardig milieurapport bevat. Opnieuw haalt de verzoekende partij relevant geachte bepalingen aan. Zij besluit dat het plan-MER niet “de inhoud” bevat die het op grond van de aangehaalde wetsbepalingen zou moeten bevatten, niet in het minst voor wat betreft zone C. Zij betoogt voorts dat de noodzakelijke milieubeoordeling wordt doorgeschoven naar een later tijdstip. De verzoekende partij haalt wettelijke bepalingen, voorbereidende werkzaamheden en rechtspraak aan maar toont niet concreet aan dat het MRP geen “volwaardig” plan-MER zou bevatten en niet zou voldoen aan de “nationale en internationale vereisten”. Een en ander klemt des te meer nu de verzoekende partij het MRP zelf niet met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft bestreden. Die omstandigheid belet haar weliswaar niet om zich thans op artikel 159 van de Grondwet te beroepen. Een en ander heeft echter wel voor gevolg dat, nu het MRP zelf niet het voorwerp van het beroep uitmaakt, de bewijslast met betrekking tot de onwettigheid van het plan-MER bij het MRP veeleer bij de verzoekende partij gezocht moet worden en het in beginsel aan haar toekomt om aan de hand van afdoende, concrete elementen haar beweringen te staven. Waar de verzoekende partij betoogt dat de milieubeoordeling wordt doorgeschoven naar het projectniveau, stippen de verwerende partij en de tussenkomende partij terecht aan dat de gegevens die in het plan-MER vervat VII-40.976-54/105 moeten liggen, mee afhangen van de precisiegraad van de plannen. De verzoekende partij maakt niet concreet aannemelijk dat de beoordeling van de milieueffecten in het plan-MER niet in een redelijke verhouding zou staan tot de voorschriften van het MRP. Waar de verzoekende partij artikel 7 van het Verdrag van Aarhus geschonden acht, wordt vastgesteld dat er wel degelijk een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden over het MRP van 29 juni 2018 tot 28 september 2018. De resultaten daarvan worden weergegeven op de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, waar wordt gesteld: “Via het onlineformulier op deze website werden er 145 opmerkingen ontvangen. Deze opmerkingen kwamen overwegend van burgers
(133), industrie
(3), belangenverenigingen
(3)en een overheidsinstelling
(3). Vijf indieners hebben niet gespecifieerd namens wie ze reageerden. Schriftelijk werden er 35.830 bijdrages ontvangen, waarvan 28.850 via een petitie georganiseerd door de gemeente Knokke, 4.622 via de template van de actiegroep ‘Stop het Eiland’ en 1.045 via een petitie georganiseerd door de gemeente Koksijde. Per e-mail zijn er meer dan 15.000 bijdrages ontvangen door een campagne opgezet door WWF en 62 bijdrages van instanties en burgers. De opmerkingen hadden vooral betrekking op: - Zeewering en de mogelijkheid tot het bouwen van een testeiland; - De goede milieutoestand en de afkeuring van de visserijmaatregelen door het Europees Parlement; - De zones voor commerciële en industriële activiteiten. Op basis van al deze opmerkingen werd het marien ruimtelijk plan bijgewerkt en gefinaliseerd. Een aantal belangrijke wijzigingen die werden aangebracht aan het MRP zijn: - Het testeiland is niet meer voorzien in het koninklijk besluit; - De zone voor hernieuwbare energie ‘Fairybank’ is vergroot; - De uitbreiding van 3 naar 4.5 zeemijl voor kustvisserij is niet behouden; - Het notatiesysteem van de coördinaten is aangepast; - Doordat zone C van de commerciële en industriële activiteiten in ecologisch waardevol gebied ligt, is er een extra beperking voor het gebruik van deze zone ingevoerd”. Hieruit blijkt dat het publiek in staat is geweest om zich op geïnformeerde wijze uit te spreken over het MRP. Vermits de opmerkingen die naar aanleiding van de openbare raadpleging werden geformuleerd aanleiding hebben gegeven tot het aanbrengen van een “aantal belangrijke wijzigingen” aan VII-40.976-55/105 het plan, staat ook vast dat inspraak mogelijk was op een ogenblik dat alle opties open waren en derhalve dat de inspraak op doeltreffende wijze kon plaatsvinden. De verzoekende partij poneert ook nog dat de afwezigheid van een volledig plan-MER tot gevolg heeft dat “diverse milieugaranties” niet worden bereikt en dat dit euvel niet kan worden rechtgezet tijdens de projectfase. Zij laat evenwel na concreet aan te geven welke ‘milieugaranties’ in dit concrete geval niet bereikt of niet rechtgezet zouden kunnen worden. Waar de verzoekende partij stelt dat een onderzoek moest gebeuren naar andere mogelijke locaties en dat de verschillende alternatieven met elkaar vergeleken moesten worden, geeft zij niet concreet aan welke, redelijkerwijze haalbare, locatie de verwerende partij ten onrechte niet in rekening heeft genomen voor de inplanting van zone C. De verzoekende partij gaat er van uit dat een zone voor commerciële en industriële activiteiten eenvoudigweg kan worden ‘verlegd’ binnen het BNZ. Er mag echter niet worden voorbijgegaan aan de eigenheid van het BNZ (de zeediepte, aanwezige scheepvaartroutes, speciale beschermingszones, militaire zones,…) en de finaliteit van de desbetreffende zones. Die combinatie beperkt de mogelijke locaties om zones voor commerciële en industriële activiteiten in het BNZ in te planten. Bovendien gaat de verzoekende partij voorbij aan het alternatievenonderzoek in het plan-MER, waarin drie alternatieven worden onderzocht, namelijk een nulalternatief, een alternatief gebaseerd op het ontwerp-MRP en een alternatief opgebouwd aan de hand van een selectie van opties en aangeleverde suggesties die niet weerhouden werden in het ontwerp-MRP. Uit het plan-MER blijkt aldus dat verschillende alternatieven werden onderzocht en vergeleken. De verzoekende partij benadrukt ook een passage uit de samenvatting van het plan-MER waarin wordt aanbevolen om zone C te schrappen omwille van zijn ligging binnen bodembeschermingszone 1. De omstandigheid dat zone C, niettegenstaande deze aanbeveling, toch wordt behouden mits oplegging VII-40.976-56/105 van een bijkomende voorwaarde, doet op zich niet besluiten tot de onwettigheid van het MRP. Terecht wijst de tussenkomende partij in dit verband op artikel 16, eerste lid, van de wet van 13 februari 2006, waarin wordt gesteld dat de overheid een verklaring opstelt die samenvat hoe de milieuoverwegingen werden geïntegreerd in het plan of programma en hoe rekening werd gehouden met het milieueffectenrapport en die de redenen vermeldt waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen. Uit de eindverklaring bij het MRP