id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.171 Rolnummer: A. 229080/VII-40632 Zaak: Arrest 255171 - Natuurbehoud - Vergunningen - 05/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 07:57 Fiche Arrest nr 255.171 van 5 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.171 van 5 december 2022 in de zaak A. 229.080/VII-40.632 In zake : de BVBA TALO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 juni 2019 dat: - de bestuurlijke beroepen van Frans, Dorine en Carine Vanneste tegen het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 9 november 2016 waarbij de OVAM het beschrijvend bodemonderzoek met als titel “Aanvullingen op het beschrijvend bodemonderzoek; TALO BVBA, Zuidkaai 4, 8870 Izegem” conform verklaart aan de bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet) en tegen het besluit van de OVAM van dezelfde datum waarbij de OVAM het eindevaluatieonderzoek met als titel “Eindevaluatieonderzoek: TALO BVBA, Zuidkaai 4, 8870 Izegem” conform verklaart aan de bepalingen van het bodemdecreet, gegrond verklaart; en - voormelde besluiten van de OVAM opheft. VII-40.632-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 3 februari 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laetitia Louis, die loco advocaat Elias Gits verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.632-2/25 III. Feiten 3.
- Er wordt in eerste instantie verwezen naar de feiten uiteengezet in arrest nr. 234.004 van 3 maart
- 3.
- Bij voormeld arrest verwerpt de Raad van State de beroepen van de verzoekende partij tegen - het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 14 januari 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de OVAM van 28 mei 2013, houdende conformverklaring van het “Beschrijvend bodemonderzoek TALO BVBA, Zuidkaai 4 te 8870 Izegem en aanvulling op het beschrijvend bodemonderzoek”, aan de bepalingen van het bodemdecreet, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; - het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 17 februari 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de OVAM van 9 september 2013, waarbij deze beslist dat de bvba Talo niet aantoont dat zij conform de bepalingen van artikel 12, § 1, van het bodemdecreet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; - de beslissing van de OVAM van 21 maart 2014, waarbij zij de bvba Talo eraan herinnert dat deze een bodemsaneringsproject dient te laten opstellen en in te dienen vóór 15 mei
- 3.
- De verzoekende partij heeft de bodemsaneringswerken uitgevoerd. 3.
- Zij laat naar aanleiding van het bodemsaneringsproject nog een aanvullend beschrijvend bodemonderzoek uitvoeren. In het verslag van dat aanvullend beschrijvend bodemonderzoek, opgemaakt op 3 november 2016, worden de oorsprong en historiciteit van de aangetroffen verontreiniging als volgt geëvalueerd: VII-40.632-3/25 “In het oorspronkelijk Beschrijvend bodemonderzoek is er opgenomen dat de verontreiniging als nieuw beschouwd wordt omdat wordt aangenomen dat zij veroorzaakt is door het schadegeval tijdens het vullen van de bovengrondse stookolietanks in
- Op basis van onderstaande argumenten blijkt het niet aannemelijk te zijn dat de aanwezige verontreiniging met minerale olie enkel door de calamiteit in 1998 veroorzaakt werd. • Ondanks het feit dat er analytisch geen verontreiniging werd aangetroffen, wijzen de organoleptische waarnemingen erop dat er tijdens het onderzoek in 1996 reeds een dieselverontreiniging aanwezig was. • Er werd op het terrein een brandstoffenhandel uitgebaat sinds
- Tot 1998 waren er geen bodembeschermende maatregelen, zoals een verharding, aanwezig. De site werd pas geasfalteerd na de calamiteit in
- • In het onderzoek van ERM dd. 1996 is er opgenomen dat overvullingen in de periode van 1960 tot 1970 als een mogelijke verontreinigingsbron dienen beschouwd te worden. • Uit de TPH-analyse tijdens het BBO blijkt dat het een stookolie/dieselverontreiniging betreft. Gezien op het terrein sinds 1961 dieseltanks aanwezig waren, kan er op basis van de TPH-analyse niet besloten worden dat de aanwezige verontreiniging enkel veroorzaakt is door de calamiteit. • De hoeveelheid stookolie die tijdens de calamiteit op de bodem terecht gekomen is, is ons inziens te beperkt om een dergelijke verontreinigingsvlek te veroorzaken. Bovendien is de brandweer vlug ter plaatse gekomen om een verspreiding van de minerale olie tegen te gaan en werd er een ontgraving uitgevoerd. • Tijdens de saneringswerken werden de hoogste concentraties aan minerale olie aangetroffen ter hoogte van de pijpleiding, die in 1971 éénmalig gebruikt werd bij het laden/lossen van stookolie. • Er werd een hoge concentratie aan minerale olie aangetroffen in de leiding naar de KWS. Ook in de bodem rondom deze leiding werden hoge concentraties aangetroffen. De verontreiniging aan minerale olie is ons inziens veroorzaakt door de combinatie van verschillende calamiteiten die plaatsvonden gedurende de volledige exploitatieperiode van de brandstoffenhandel van 1961 tot aan het verwijderen van de tanks in
- Hierdoor is de verontreiniging gemengd overwegend historisch van aard. Op basis van de tijdsverdeling kan geoordeeld worden dat het aandeel gemengd-historisch 63 procent bedraagt. Het aandeel gemengd-nieuw bedraagt dan 37 procent. Het overwegend deel van de verontreiniging is dus historisch van aard. Volgens artikel 27 §2 van het bodemdecreet zijn voor deze bodemverontreiniging de bepalingen van toepassing voor het grootste deel van de verontreiniging, zijnde een historische verontreiniging”. VII-40.632-4/25 3.
- Met twee beslissingen van 9 november 2016, verklaart de OVAM het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek en het bijhorende eindevaluatierapport conform aan de bepalingen van het bodemdecreet. Tegen deze beslissingen stellen de eigenaars van het betrokken terrein een bestuurlijk beroep in. 3.
- Bij beslissing van 26 juni 2019 verklaart de minister de bestuurlijke beroepen gegrond en heft hij de beslissingen van de OVAM van 9 november 2016 op. Dit is het bestreden besluit: “Overwegende dat: - het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek d.d. november 2016 enkel tot doel had om de historiciteit van de verontreiniging met minerale olie opnieuw te definiëren; dat het rapport puur administratief is en geen nieuwe analytische gegevens bevat; dat in dat rapport gesteld wordt dat de verontreiniging ter hoogte van zone 6 (brandstoffen-opslag) niet enkel door de calamiteit in 1998 werd veroorzaakt, maar door verschillende calamiteiten tijdens de exploitatie van de brandstoffenhandel, tot aan het verwijderen van de tanks (periode 1961-2015); dat hierdoor men de historiciteit van de verontreiniging met minerale olie in het vaste deel van de aarde en met minerale olie en BTEX (benzeen) in het grondwater aanpast naar gemengd overwegend historisch (63%); dat de berekening te herleiden is als volgt: 1961-1995: 34 jaar (historisch deel) 34/54 = 63% en 1995-2015: 20 jaar (nieuwe deel) 20/54 = 37%; dat bij een nieuwe verontreiniging er moet gesaneerd worden tot de bodemsaneringsnormen; dat OVAM eiste in de conformverklaring van het bodemsaneringsproject dat er zou gesaneerd worden tot de richtwaarde in plaats van de bodemsaneringsnorm; dat de motivatie dat de verontreiniging hoofdzakelijk historisch van aard is, maakt dat er gesaneerd mag worden tot BATNEEC (beste beschikbare techniek zonder excessieve kosten); dat er dus wat restverontreiniging mag blijven zitten (pagina 6 Nota inzake gemengd overwegend nieuwe aard van de verontreiniging, ‘Zuidkaai 4, te Izegem’, OVAM-nummer: 30586, d.d. 2 februari 2017 opgesteld door A+E CONSULT BVBA (hierna ‘Nota d.d. 2 februari 2017’)); - de verslagen van ABO NV dus stellen dat de pijpleiding die in 1971 gebruikt werd een grote oorzaak van de vervuiling is; dat volgens A+E CONSULT BVBA deze conclusie onjuist is en deze het volgende stelt: • ‘de persleiding op ongeveer 60 cm-maaiveld gesitueerd is; dat als de persleiding al lek was, de verontreiniging pas vanaf 60 cm-mv ontstaan kan VII-40.632-5/25 zijn; dat de persleiding dus niet de oorzaak kan zijn van deze hoge concentraties in de eerste halve meter; • de suggestie dat de pijpleiding verantwoordelijk zou zijn voor een groot deel van de verontreiniging ook niet correct is; dat dit kan worden aangetoond: de persleiding heeft volgens het plan een maximale lengte van 60 m; dat dit een leiding was van buitendiameter 63 mm, waarvan de binnendiameter gebruikelijk 50 mm is; dat het volume product dat er maximaal kon achtergebleven zijn in de persleiding dan als volgt kan berekend worden: 0,025 m x 0,025 m x 3,14 x 60 m = 0.11775 m³ of 117 liter; dat het onwaarschijnlijk is dat de persleiding na eenmalig gebruik nog vol zal geweest zijn, wat betekent dat de restanten olie in de pijpleiding de 117 liter zelfs in de verste verte niet zullen benaderen; dat dergelijke leiding na gebruik in principe ook uitgeblazen wordt; dat als de pijpleiding restanten zou bevat hebben, dit eerder in de grootteorde van 10-50 l geweest zal zijn; • een vuilvracht van minstens 647 liter aan de basis ligt van de vervuiling die gemeten werd in de gemeten karteerboringen, terwijl een eventuele lekkende pijpleiding slechts een vuilvracht van 1-50 l kan gerealiseerd hebben; dat bijgevolg de persleiding niet aan de basis kan liggen van de zware verontreiniging die in deze zone aangepakt moest worden; dat er met zekerheid kan gesteld worden dat de verontreiniging hoofdzakelijk niet door de persleiding veroorzaakt geweest is’ (pagina 8 en 9 Nota d.d. 2 februari 2017); - de inkuiping rond de bovengrondse T1, behalve de vierkante plateau net rondom de tank, tot en met de dag van de sanering onverhard is gebleven; dat pas na de calamiteit van 1997 het terrein verhard is geworden, behalve het perkje rondom tank T1; dat bij de calamiteit in 1997 een ongekende hoeveelheid stookolie verloren is gegaan; dat de bewering van ABO NV dat de hoeveelheid stookolie ‘beperkt’ zou geweest zijn, dus niet gestaafd wordt; dat de hoogste verontreiniging wordt gevonden bij de boorpunten 61, 62 en 906; dat zowel buiten als binnen de inkuiping hoge gelijkaardige concentraties worden aangetroffen; dat gezien het terrein sterk puinhoudend is en de ondergrond dus veel preferentiële wegen bezit en gezien op het moment van de calamiteit het terrein nog onverhard was, de verontreiniging zich snel en gemakkelijk over een grotere oppervlakte heeft kunnen verspreiden; dat anderzijds het product dat in de inkuiping terechtkwam, zich heeft kunnen verzamelen ter hoogte van P61 en B906; dat de inkuiping onverhard was, behalve de betonnen sokkel van de tank; dat doordat hier geen ontgraving gebeurd is en er tot de sanering in deze zone geen verharding aanwezig was, de verontreiniging verder heeft kunnen indringen in de bodem en zich heeft kunnen verspreiden tot onder de hangaar voor kolenopslag; dat dit de hoge concentraties verklaart in de oppervlakkige stalen onder de verharding van de kolenopslag en het feit dat op die zone het diepst moest ontgraven worden; dat de bewering dat de hoeveelheid geloste stookolie ‘beperkt’ zou geweest zijn, ook niet erg waarschijnlijk is, rekening houdende met het debiet waarmee grote tankwagens vullen; dat tank T1 een grote tank betreft, die gevuld werd door een zeer grote tankwagen; dat grote tankwagens al vaak lossen met een debiet van 1000 à 1200 liter per minuut; dat afhankelijk van hoe dicht de chauffeur zich op moment van het afschieten van de darm bevond, het VII-40.632-6/25 meerdere minuten geduurd kan hebben vooraleer hij de kraan kon dichtdraaien; dat stel dat de kraan na 10 minuten werd dichtgedraaid, het dus een hoeveelheid van minstens 10.000 liter betreft; dat stel dat, in het beste geval, de kraan na 2 minuten kon dichtgedraaid worden, het dus een hoeveelheid betreft van 2000 à 2400 liter; dat deze zaken aantonen dat er tijdens de calamiteit van 2007 toch een substantiële hoeveelheid product verloren gegaan is (pagina 9 en 10 Nota d.d. 2 februari 2017); - in het tussentijds verslag van 2016 op pagina 15 het volgende staat: ‘Tijdens het verder ontgraven van W11 en 12, werd een afvoerbuis in PVC aangetroffen die richting de straat loopt. Dit betreft waarschijnlijk een afvoerleiding die naar de KWS vooraan het terrein loopt. In deze buis was zwart slib aanwezig dat naar brandstof rook. De inhoud van deze afvoer werd bemonsterd en bleek 17.000 mg/kg ds aan minerale olie te bevatten.’; dat in het beschrijvend bodemonderzoek van 2016 op pagina 28 het volgende wordt vermeld: ‘Er werd een hoge concentratie aan minerale olie aangetroffen in de leiding naar de KWS. Ook in de bodem rondom deze leiding werden hoge concentraties aangetroffen.’; dat na de calamiteit het terrein door NV TALO gedeeltelijk werd verhard; dat er dan ook een PVC-afvoerbuis voorzien werd, die naar de voorkant geleid werd naar de filterput; dat deze buis enkel door NV TALO gebruikt en geplaatst is na 1997; dat verontreiniging ten gevolge van deze afvoerbuis dus nieuw van aard is (pagina 11 Nota d.d. 2 februari 2017); - niet alleen er een substantiële hoeveelheid product ingesijpeld is bij de calamiteit van 1997; dat bovendien er ook nieuwe verontreiniging ten gevolge van de afvoerbuis is; dat tot slot door de luchtfoto’s wordt aangetoond dat er nadien naar alle waarschijnlijkheid nog diverse andere calamiteiten gebeurd zijn; dat uit bovenstaande motivatie kan besloten worden dat de verontreiniging gemengd overwegend nieuw van aard is en als nieuwe verontreiniging moet behandeld worden (pagina 12 Nota d.d. 2 februari 2017); Overwegende dat de deskundige ABO NV in het beschrijvend bodemonderzoek van 2016 aangeeft dat in de ontgravingszone de pijpleiding werd aangetroffen die richting het kanaal loopt en dat er duidelijk water lekt uit deze leiding; dat de deskundige op basis van de analyseresultaten van 2 karteerboringen stelt dat deze pijpleiding verantwoordelijk is voor de minerale olieverontreiniging; dat echter de hoogste concentraties verontreiniging worden waargenomen in de bovenste halve meter; dat uit het administratief dossier blijkt dat de effectieve diepte waarop de leiding voorkomt ongeveer 60 cm onder het maaiveld gesitueerd is; dat de persleiding dus niet de oorzaak kan zijn van de hoge concentraties verontreiniging; Overwegende dat in het BBO van 2012 de verontreiniging als nieuw gekwalificeerd werd naar aanleiding van de calamiteit in 1997; dat de stelling van de deskundige ABO NV in het BBO van 2016 dat de hoeveelheid stookolie die tijdens deze calamiteit op de bodem terecht gekomen is, ‘te beperkt’ is om een dergelijke verontreinigingsvlek te veroorzaken, onvoldoende gemotiveerd werd; dat de stelling dat de hoeveelheid stookolie die is vrijgekomen, volgens ABO NV circa 200 liter bedroeg, niet is aangetoond; dat het feit dat de brandweer ter plaatse is moeten komen, erop wijst dat er een aanzienlijke hoeveelheid product VII-40.632-7/25 gemorst geweest zal zijn; dat de beroepers ook verwijzen naar het feit dat grote tankwagens al vaak lossen met een debiet van 1000 à 1200 liter, per minuut; dat afhankelijk van hoe dicht de chauffeur zich op het moment van het afschieten van de darm bevond, het meerdere minuten geduurd kan hebben vooraleer hij de kraan kon dichtdraaien; dat zelfs na 2 minuten er al een hoeveelheid van 2000 liter kan gemorst zijn; dat dus kan aangenomen worden dat de deskundige ABO NV met een hoeveelheid van circa 200 liter, de vrijgekomen hoeveelheid stookolie waarschijnlijk onderschat; dat het beperkt zijn van de impact van de calamiteit in 1997 op zijn minst niet werd aangetoond; Overwegende dat daarentegen de deskundige ABO NV wel aanneemt dat de pijpleiding die slechts éénmalig werd gebruikt in 1971, een mogelijke oorzaak is van de aangetroffen verontreiniging; dat het echter duidelijk is dat de stookolie niet gedurende jaren is kunnen vrijkomen ten gevolge van lekken van deze leiding; dat de leiding niet lek was in 1971; dat bijgevolg enkel een beperkte hoeveelheid olie die is achtergebleven in de pijpleiding, mogelijk is kunnen vrijkomen; Overwegende dat ten tijde van de calamiteit in 1997 het terrein nog niet verhard was en het niet duidelijk is tot waar de stookolie zich heeft kunnen verspreiden; dat de karteerboringen KB3 en KB4 voorkomen in de nabijheid van de boringen waar in het BBO van 2012 de hoogste concentraties in de bodem werden aangetroffen; dat deze boringen volgens GEOSAN in het perk lagen waar de grote stookolietank T1 gelegen is; dat ook de karteerboringen KB3 en KB4 in deze zone gelegen zijn; dat na de calamiteit enkel de gronden ‘buiten’ het perk opgekuist werden tot aan de spoorweg en niet de grond in het perk zelf; dat dit kan verklaren waarom de hoogste concentraties in het perk werden aangetroffen; Overwegende dat kan geconcludeerd worden dat uit het beschrijvend bodemonderzoek van 12 oktober 2012 blijkt dat de bodemsaneringsdeskundige de verontreiniging met minerale olie in het vaste deel van de aarde en met minerale olie en benzeen in het grondwater ter hoogte van zone 6 als nieuw kwalificeert; dat de bodemsaneringsdeskundige in 2012 de verontreiniging met minerale olie relateerde aan een schadegeval ter hoogte van tank T1 in 1997; dat tank T1 gelegen is in zone 6, de zone van de brandstoffenhandel; dat bij het vullen van de stookolietank T1 de darm van de loswagen zou zijn afgeschoten en er stookolie in de grond is terecht gekomen; dat het op basis van de voorliggende gegevens nog altijd aannemelijk is dat dit schadegeval de hoofdoorzaak is van de verontreiniging met minerale olie ter hoogte van zone 6; dat vóór de calamiteit in 1997 geen concentraties werden opgemeten die aanleiding gaven tot een saneringsnoodzaak; dat er aanwijzingen zijn dat de verontreiniging die tot stand is gekomen vóór 1997, eerder van beperkte omvang is en zonder saneringsnoodzaak, terwijl de concentraties vastgesteld na de calamiteit wel aanleiding geven tot sanering en van een totaal andere grootteorde zijn; Overwegende dat de verdeling 63% historisch - 37% nieuw die de deskundige aanhaalt en die louter gebaseerd is op het reeds aanwezig zijn van activiteiten vanaf 1960, bijgevolg onvoldoende onderbouwd werd door de deskundige en onvoldoende gemotiveerd werd door de OVAM in haar bestreden beslissingen; dat uit de onderzoeken blijkt dat voornamelijk nog VII-40.632-8/25 altijd de calamiteit in 1997, dit is na 1995 en dus nieuwe verontreiniging, te linken is aan omvangrijke verontreiniging met minerale olie; dat er onvoldoende nieuwe argumenten in het dossier aanwezig zijn om de aard van de verontreiniging te wijzigen als gemengd overwegend historische verontreiniging; dat het wijzigen van de aard in de bestreden beslissingen naar gemengd overwegend historische verontreiniging dan ook kennelijk onredelijk is; Overwegende dat immers de impact van de calamiteit wordt geminimaliseerd en een verdeling gebeurd is op basis van het aantal jaren exploitatie, terwijl er toch mag van uitgegaan worden dat er niet ieder jaar een calamiteit plaatsvond en dus de impact en het ontstaan van verontreiniging in 1997, veel groter zal zijn dan de alle voorgaande exploitatiejaren waarin er geen aanwijsbare calamiteit gebeurd is; dat de argumenten die in het beschrijvend bodemonderzoek in 2016 worden aangehaald over de aard van de verontreiniging, onvoldoende onderbouwd zijn om de conclusie betreffende de aard van de verontreiniging, na uitvoering van de bodemsaneringswerken, te wijzigen naar een gemengd overwegend historische verontreiniging; dat aangezien door de OVAM in beide bestreden beslissingen werd gesteld dat de aard van de verontreiniging gemengd overwegend historische verontreiniging is en deze beslissingen op dit punt onvoldoende werden gemotiveerd, beide bestreden beslissingen kennelijk onredelijk zijn”. 3.
- Op 29 augustus 2019 neemt de OVAM een nieuwe beslissing over de aard en de ernst van de bodemverontreiniging en kwalificeert zij de bodemverontreiniging als een gemengde, overwegend nieuwe bodemverontreiniging. Tegen deze beslissing heeft de verzoekende partij bestuurlijk beroep ingesteld bij de minister. Dit beroep is momenteel hangende. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- De verwerende partij werpt op dat de laatste memorie met het verzoek tot voortzetting laattijdig werd ingediend door de verzoekende partij. De verzoekende partij stelt dat zij op 15 februari 2022 kennis heeft gekregen van het auditoraatsverslag zodat de termijn om een laatste memorie met een verzoek tot voortzetting in te dienen, op 17 maart 2022 verstreek. De laatste memorie met het verzoek tot voortzetting is gedateerd op 18 maart 2022 en werd door de Raad van State ontvangen op 21 maart
- Bijgevolg moet de afstand van het geding door de verzoekende partij worden vastgesteld. VII-40.632-9/25 4.
- De verwerende partij verzoekt ter terechtzitting dat het met de laatste memorie neergelegde bijkomend stuk van de verzoekende partij wegens laattijdigheid uit het debat wordt geweerd. Beoordeling 4.
- De verzoekende partij heeft het auditoraatsverslag ontvangen op 17 februari
- De op 18 maart 2022 ingediende laatste memorie met verzoek tot voortzetting is tijdig. De exceptie wordt verworpen. 4.
- Wat het met de laatste memorie neergelegde nieuw stuk nr. 20 betreft, moet worden opgemerkt dat stukken ter staving van het standpunt van de verzoekende partij die reeds bij het verzoekschrift hadden kunnen worden gevoegd, zonder de rechten van de verdediging in het gedrang te brengen, niet op ontvankelijke wijze naar aanleiding van het indienen van de memorie van wederantwoord, laat staan van een laatste memorie, kunnen worden ingediend. Er valt niet in te zien waarom de verzoekende partij het betreffende stuk te dezen niet reeds bij haar verzoekschrift had kunnen voegen. Het stuk nr. 20 van de verzoekende partij wordt uit het debat geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 5.
- De verwerende partij werpt op dat het annulatieberoep onontvankelijk is omdat het verzoekschrift laattijdig is neergelegd. De verzoekende partij geeft zelf aan het bestreden besluit te hebben ontvangen op 5 juli
- De termijn voor het indienen van het verzoekschrift nam derhalve een aanvang op 6 juli 2019, om te eindigen op 3 september
- Het verzoekschrift VII-40.632-10/25 werd op 9 september 2019, dus laattijdig, ingediend. Zelfs abstractie makend van de bewering van de verzoekende partij dat zij het bestreden besluit op 5 juli 2019 heeft ontvangen, is het verzoekschrift in elk geval laattijdig. De bestreden beslissing werd immers met een aangetekend schrijven verstuurd op 4 juli
- De eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift is dan in elk geval de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief. De termijn begon in die hypothese dus te lopen op maandag 8 juli en verstreek op 6 september
- 5.
- De verwerende partij stelt in de laatste memorie zich te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling 5.
- Uit het dossier blijkt dat het verzoekschrift eerst werd ingediend op 3 september 2019 en vervolgens tijdig werd geregulariseerd op 9 september
- Overeenkomstig artikel 3bis, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het verzoekschrift dan geacht te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending ervan. De verwerende partij vertrekt voor de berekening van de termijn ten onrechte van de datum waarop het regulariserend verzoekschrift aan de Raad van State werd toegezonden. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. VII-40.632-11/25 Het beschrijvend bodemonderzoek van 2012 is gebaseerd op foute aannames en onderzoeken. Dit werd vastgesteld in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van
- In navolgende briefwisseling met de OVAM, heeft de bodemsaneringsdeskundige dit standpunt verder toegelicht. De OVAM ging akkoord met het tussentijds rapport van de bodemsaneringsdeskundige en bevestigt daarmee minstens impliciet het erin aangenomen standpunt. Ook de navolgende conformverklaringen houden een aanvaarding in, door de OVAM, van het standpunt van de verzoekende partij. Een en ander vindt tevens bevestiging in de verweernota van de OVAM, waarin zij stelt dat op basis van nieuwe gegevens en bijkomende inzichten een herevaluatie kan gebeuren. Meerdere elementen schragen volgens de verzoekende partij het standpunt dat de verontreiniging niet louter te wijten kan zijn aan het schadegeval in
- In dat verband wijst zij erop dat in 1996 al - op organoleptische wijze - vervuiling kon worden waargenomen, dat er gedurende meer dan 36 jaar voor het schadegeval in 1997 een brandstoffenhandel werd uitgebaat, dat in de periode 1960-1970 overvullingen plaatsvonden die ook de oorzaak van verontreiniging kunnen vormen, dat de ouderdomsbepaling van de verontreiniging in het beschrijvend bodemonderzoek van 2012 foutief is gebeurd, dat het schadegeval in 1997 slechts een kleine hoeveelheid stookolie betrof, dat de hoogste concentraties stookolie werden aangetroffen ter hoogte van de reeds veel langer geplaatste pijpleiding en, tot slot, dat de verhuurder binnen de 14 dagen na afloop van de huur alle tanks en leidingen van de site heeft verwijderd. De verwerende partij was verplicht al deze elementen mee in rekening te nemen en diende deze nieuwe gegevens gedegen te onderzoeken, wat zij evenwel heeft nagelaten, minstens blijkt zulks niet uit de bestreden beslissing. Zij beperkt zich immers tot een louter werktuiglijke opsomming van de aangebrachte argumentatie, maar gaat er niet op in en blijft zich verschuilen achter het beschrijvend bodemonderzoek van
- Zij neemt bovendien de argumenten van de beroepende partijen al te makkelijk aan, zonder rekening te houden met de andersluidende beslissing en verweernota van de OVAM. VII-40.632-12/25 De stelling dat de persleiding niet de oorzaak van verontreiniging kan zijn, kan niet worden gevolgd. Het feit dat de grootste verontreiniging in de bovenste 50 cm onder het maaiveld voorkomt, zorgt er geenszins voor dat de pijpleiding niet een medeoorzaak van verontreiniging kan zijn. Gezien het feit dat stookolie lichter is dan water, is het logisch dat de hoogste concentraties aan minerale olie zich ter hoogte van de grondwatertafel bevinden. Ook in de laag van 0,5 tot 1,0 m-mv werden nog hoge concentraties aangetroffen. De pijpleiding op ongeveer 0,6 m-mv kan aldus op basis van de diepte van de vaststellingen niet uitgesloten worden als mogelijke bron van verontreiniging. Wat betreft het schadegeval in 1997 stelt de verwerende partij dat de verzoekende partij niets kan bewijzen, maar de verwerende partij doet dat ook niet en beperkt zich tot het “aannemen” van een aantal zaken. Nochtans werd omstandig geprobeerd om aan te tonen dat het om een oude tankwagen ging die slechts een debiet van 800 liter per minuut kende, dat de zaakvoerder zich vlak naast de tankwagen bevond en dat het verlies aan lading niet op de balans werd aangegeven als een ‘verlies’ of ‘waardevermindering’. Verder houdt een interventie van de brandweer niet zonder meer in dat het om een groot verlies aan lading gaat. De zaakvoerder heeft daarentegen zelf alle schadelijke gevolgen willen vermijden door de brandweer te contacteren. Ook de stelling dat het terrein ten tijde van het schadegeval nog niet verhard was, zorgt niet voor het bewijs dat de verontreiniging enkel als gevolg van het schadegeval is kunnen optreden. Ook in de periode van 1961 tot aan het schadegeval was het terrein immers niet verhard. De beslissing is al te eenzijdig opgesteld, focust op oude, gedateerde en inmiddels weerlegde of minstens aangetaste gegevens en gaat geheel voorbij aan de door de verzoekende partij aangebrachte argumentatie. In alle redelijkheid kan onmogelijk worden ontkend dat in een periode van meer dan 30 jaar exploitatie nooit enige vervuiling zou zijn opgetreden, maar dat dit door het loutere verlies van 200 liter stookolie in 1997 plots wel het geval zou zijn. Een dergelijke aanname is onredelijk en manifest verkeerd. VII-40.632-13/25
- De verwerende partij antwoordt door de overwegingen van de bestreden beslissing aan te halen waarin wordt uiteengezet waarom de argumenten in het beschrijvend bodemonderzoek van 2016 omtrent de aard van de verontreiniging volgens haar onvoldoende onderbouwd zijn om deze, na uitvoering van de bodemsaneringswerken, te wijzigen naar een gemengd overwegend historische verontreiniging en waarom de beroepen beslissingen van OVAM derhalve kennelijk onredelijk zijn. Zij vervolgt dat het in de regel niet mogelijk is om zowel de formele als de materiële motivering te betwisten. Bovendien is de verzoekende partij overduidelijk in staat om kritiek uit te oefenen op de motieven die haar ter kennis werden gebracht en die de thans bestreden beslissing staven. Uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt dat er onvoldoende nieuwe argumenten in het dossier aanwezig zijn om de aard van de verontreinigingen te wijzigen. De verzoekende partij slaagt er niet in het tegendeel aan te tonen. De verwerende partij benadrukt de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State, die enkel kan nagaan of de bestreden beslissing redelijk is en wijst op de discretionaire beslissingsbevoegdheid van de minister. De verzoekende partij meent dat voldoende is aangetoond dat de calamiteit van 1997 niet de enige oorzaak van de vervuiling is, maar verliest daarbij uit het oog dat hieromtrent reeds uitvoerig onderzoek is gevoerd. De verwerende partij heeft steeds de tijd genomen om de zaak grondig te bestuderen. De verzoekende partij kan er blijkens haar verzoekschrift niet bij dat er onvoldoende nieuwe argumenten in het dossier aanwezig zijn om de aard van de verontreiniging te wijzigen. Nochtans wordt zeer omstandig gemotiveerd waarom het beperkt zijn van de impact van de calamiteit in 1997 op zijn minst niet werd aangetoond. De verwerende partij stelt dat zij zorgvuldig en in alle redelijkheid te werk gegaan is bij de voorbereiding van de beslissing. Alle feitelijke en juridische aspecten van het dossier werden deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd. Alle ter zake relevante gegevens werden bij de beslissing betrokken en er werd uiteengezet waarom de beroepen gegrond zijn. VII-40.632-14/25
- De verzoekende partij wederantwoordt dat op geen enkel moment uit de bestreden beslissing valt af te leiden dat met de bijkomende argumenten rekening is gehouden. Het is gemakkelijk en foutief om de verantwoordelijkheid door te geven aan de OVAM, stellende dat het aan de OVAM was om voldoende argumenten aan te leveren. Dit strookt niet met het feit dat de verwerende partij volgens het principe van de devolutieve werking een geheel nieuwe beoordeling moet doorvoeren, wat evenwel niet is gebeurd. Louter stellen dat het aanvullende onderzoek onvoldoende gemotiveerd werd of dat de hoeveelheid vrijgekomen stookolie niet is aangetoond, getuigt niet van een zorgvuldig onderzoek en inhoudelijke motivering. Er zonder meer vanuit gaan dat een tussenkomst van de brandweer gelijk te stellen is aan een grote hoeveelheid gespild product al evenmin. Dit geldt des te meer nu werd aangetoond dat de aannames van de verwerende partij foutief waren. De verzoekende partij werpt op dat zij gerede twijfel heeft kunnen doen ontstaan over de aard van de vervuiling. Het eenvoudigweg van de hand doen van haar argumenten als niet aangetoond of niet bewezen, en het daarentegen zonder meer aannemen van de argumenten van de beroepsindieners, volstaat geenszins om te spreken van een voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden beslissing steunt evenmin op werkelijk bestaande en concrete feiten, zodat ook een gebrek aan de motiveringsverplichting voorligt. De verwerende partij beperkt zich in de memorie van antwoord tot een theoretische weerlegging van de in het verzoekschrift uiteengezette argumenten, maar toont niet aan dat zij wel rekening heeft gehouden met de nieuw aangevoerde elementen of dat zij niet louter blind de eerdere onderzoeken en argumenten van de beroepsindieners heeft gevolgd.
- De verzoekende partij zet in de laatste memorie uiteen dat zij in haar verzoekschrift aannemelijk maakt dat de OVAM terecht tot haar beslissing is kunnen komen en dat de argumenten in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek de wijziging van de aard van de bodemverontreiniging zonder meer kunnen onderbouwen. De verzoekende partij moet niet aantonen dat er vóór 1997 andere calamiteiten zijn gebeurd. Een en ander blijkt zonder meer duidelijk uit het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016: de vaststellingen daarin tonen zonder meer aan dat er op de site sprake is van een historische VII-40.632-15/25 verontreiniging, minstens dat de verontreiniging op de site verder terug gaat dan de calamiteit uit
- De verzoekende partij stelt het gratuite negeren van deze vaststellingen aan de kaak. Zij moet niet nog meer bewijs daarvan leveren. De verzoekende partij heeft heel wat elementen opgeworpen die minstens aantonen dat het niet kennelijk onredelijk was van de OVAM om haar eerder, op een foutief bodemonderzoek van 2012 (GeoSan) gebaseerde standpunt, te herzien. Het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 had tot doel om na te gaan binnen welk tijdsverloop de vervuiling heeft plaatsgevonden. De vaststellingen in dat laatste bodemonderzoek zijn zonder meer voldoende om de aannemelijkheid van de historische verontreiniging te kunnen vaststellen. Het is voor de verzoekende partij geheel onmogelijk om dergelijke incidenten te gaan achterhalen en te bewijzen. Door het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek is gerede twijfel gerezen omtrent het karakter van de verontreiniging. Indien de in dat laatste bodemonderzoek aangevoerde elementen misschien onvoldoende aannemelijk maken dat de calamiteit uit 1997 niet het startpunt van de verontreiniging was, dan zijn ze samengenomen wel degelijk voldoende om te besluiten dat de calamiteit uit 1997 niet de enige oorzaak was. De door de verzoekende partij aangevoerde elementen maken aannemelijk dat er geen grote hoeveelheid gelekt kan zijn naar aanleiding van de calamiteit uit 1997 die zeker niet de volledige omvang van de verontreiniging op de site kan verantwoorden.
- De verwerende partij verwijst in de laatste memorie naar arrest nr. 234.004 van 3 maart 2016 waaruit zij afleidt dat de wijziging door de OVAM van de aard van de verontreiniging naar een gemengd overwegend historische verontreiniging kennelijk onredelijk was. De OVAM heeft op 29 augustus 2019 een nieuwe beslissing genomen over de aard en de ernst van de bodemverontreiniging. Zij heeft de bodemverontreiniging gekwalificeerd als een gemengde, overwegend nieuwe bodemverontreiniging. Beoordeling
- In het enige middel betoogt de verzoekende partij enerzijds dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat met haar bijkomende argumentatie rekening is gehouden en, anderzijds, dat de overwegingen in de bestreden VII-40.632-16/25 beslissing omtrent de verontreiniging afkomstig van de pijpleiding en de hoeveelheid olie die is gemorst bij de calamiteit in 1997, niet correct zijn. Aldus kunnen in het middel, anders dan de verwerende partij dit ziet, de aangevoerde schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht naast elkaar bestaan. In de mate dat de opmerking van de verwerende partij in dit verband al als een exceptie moet worden begrepen, wordt deze verworpen.
- Vooraf merkt de Raad van State op dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, de minister zich niet zonder meer heeft ‘verscholen’ achter het beschrijvend bodemonderzoek van 2012, maar dat hij zich heeft gesteund op de bevindingen in de nota van bodemsaneringsdeskundige A+E Consult bvba van 2 februari
- Daarnaast wijst de Raad van State erop dat het beschrijvend bodemonderzoek van 2012 werd uitgevoerd in opdracht van de verzoekende partij, door een door haarzelf aangesteld bodemsaneringsdeskundige, en dat het haar destijds vrijstond om dit bodemonderzoek, waarvan zij meent dat het is gebaseerd op foute aannames en onderzoeken, niet aan de OVAM te bezorgen. De Raad van State heeft in zijn arrest 234.004 van 3 maart 2016 een annulatieberoep tegen de beslissing om het beschrijvend bodemonderzoek van 2012 conform te verklaren, verworpen.
- Overeenkomstig artikel 155, § 1, tweede lid, van het bodemdecreet, moet de Vlaamse regering oordelen over de “kennelijke onredelijkheid” van de beslissingen die de OVAM als bodemsaneringsdeskundige neemt. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. De Raad van State heeft hierin een marginale toetsingsbevoegdheid. Dat wil zeggen dat hij niet in de beoordeling van de feiten zelf treedt. Het komt de Raad van State aldus niet toe het feitenonderzoek over te doen en, wat de appreciatie van de gegevens van de zaak betreft, zich in de plaats te stellen van het bestuur. Wel kan hij nagaan of de administratieve overheid op basis van de haar voorliggende gegevens naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Bij het onderzoek van de materiële motiveringsverplichting gaat de Raad van State na of het bestuur, in acht genomen de gegevens van het dossier, op deugdelijke gronden tot het bestreden besluit is kunnen komen en, in het verlengde daarvan, of het bij de uitoefening van zijn VII-40.632-17/25 discretionaire beoordelingsbevoegdheid geen kennelijk onredelijke beslissing genomen heeft.
- Wanneer de Vlaamse regering in beroep uitspraak doet inzake bodemsaneringen, treedt zij niet op als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden was de argumenten van de verzoekende partij rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden, temeer de verzoekende partij niet de indiener was van het desbetreffende bestuurlijk beroep, doch in de procedure is tussengekomen als belanghebbende partij. Het volstaat in het licht van de motiveringsverplichting te dezen dan ook dat de verwerende partij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke redenen zij is verantwoord, wat hier, zoals uit de beoordeling van het middel zal blijken, het geval is.
- De beroepen beslissingen van de OVAM worden door de minister kennelijk onredelijk bevonden omdat de OVAM de wijziging van de aard van de verontreiniging naar een gemengd overwegend historische verontreiniging naar zijn oordeel niet afdoende heeft gemotiveerd. De impact van de calamiteit in 1997 wordt immers geminimaliseerd en de verdeling is gebeurd louter op basis van het aantal jaren exploitatie, terwijl er geen aanwijsbare calamiteiten hebben plaatsgevonden vóór
- De argumenten in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 zijn volgens de minister onvoldoende onderbouwd om de conclusie over de aard van de verontreiniging te wijzigen.
- Het komt aan de verzoekende partij toe, die de wettigheid van de bestreden beslissing betwist, om aan te tonen, minstens aannemelijk te maken, dat de overwegingen van de bestreden beslissing onjuist of kennelijk onredelijk zijn, dan wel dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Bijgevolg komt het haar toe om aan te tonen, minstens aannemelijk te maken, dat de impact van de calamiteit in 1997 niet geminimaliseerd werd, dat er aanwijsbare calamiteiten hebben plaatsgevonden vóór 1997 en dat de argumenten in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek de wijziging van de aard van de verontreiniging afdoende onderbouwen. VII-40.632-18/25
- In het bestreden besluit wordt overwogen - en door de verzoekende partij niet betwist - dat het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 “enkel tot doel had om de historiciteit van de verontreiniging met minerale olie opnieuw te definiëren; dat het rapport puur administratief is en geen nieuwe analytische gegevens bevat”.
- In het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 wordt besloten “dat het niet aannemelijk [lijkt] dat de aanwezige verontreiniging met minerale olie enkel door de calamiteit in 1997 veroorzaakt werd”, op basis van de volgende argumenten: • Ondanks het feit dat er analytisch geen verontreiniging werd aangetroffen, wijzen de organoleptische waarnemingen erop dat er tijdens het onderzoek in 1996 reeds een dieselverontreiniging aanwezig was. • Er werd op het terrein een brandstoffenhandel uitgebaat sinds
- Tot 1998 waren er geen bodembeschermende maatregelen, zoals een verharding, aanwezig. De site werd pas geasfalteerd na de calamiteit in
- • In het onderzoek van ERM dd. 1996 is er opgenomen dat overvullingen in de periode van 1960 tot 1970 als een mogelijke verontreinigingsbron dienen beschouwd te worden. • Uit de TPH-analyse tijdens het BBO blijkt dat het een stookolie/dieselverontreiniging betreft. Gezien op het terrein sinds 1961 dieseltanks aanwezig waren, kan er op basis van de TPH-analyse niet besloten worden dat de aanwezige verontreiniging enkel veroorzaakt is door de calamiteit. • De hoeveelheid stookolie die tijdens de calamiteit op de bodem terecht gekomen is, is ons inziens te beperkt om een dergelijke verontreinigingsvlek te veroorzaken. Bovendien is de brandweer vlug ter plaatse gekomen om een verspreiding van de minerale olie tegen te gaan en werd er een ontgraving uitgevoerd. • Tijdens de saneringswerken werden de hoogste concentraties aan minerale olie aangetroffen ter hoogte van de pijpleiding, die in 1971 éénmalig gebruikt werd bij het laden/lossen van stookolie. • Er werd een hoge concentratie aan minerale olie aangetroffen in de leiding naar de KWS. Ook in de bodem rondom deze leiding werden hoge concentraties aangetroffen. VII-40.632-19/25
- De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat er vóór 1997 calamiteiten hebben plaatsgevonden. Zij verwijst daarvoor in wezen naar de hiervoor weergegeven argumenten in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van
- Op basis daarvan kan echter geen calamiteit worden vastgesteld die vóór 1997 heeft plaatsgevonden. Noch een organoleptische waarneming waarbij geen analytische verontreiniging wordt vastgesteld, noch het gegeven dat reeds sinds 1961 op het terrein een brandstoffenhandel wordt uitgebaat en er tot 1998 geen bodembeschermende maatregelen getroffen waren, noch het feit dat overvullingen in de periode van 1960 tot 1970 als een mogelijke verontreinigingsbron beschouwd moeten worden, noch het feit dat al sinds 1961 dieseltanks aanwezig zijn, tonen concreet aan dat vóór 1997 een verontreinigende gebeurtenis heeft plaatsgevonden waardoor een saneringsnoodzaak ontstond. Ook het feit dat de ouderdomsbepaling niet correct zou zijn gebeurd, toont dat niet aan, net zomin als het gegeven dat in 1997 slechts een beperkte hoeveelheid olie zou zijn vrijgekomen. Dat tijdens de saneringswerken de hoogste concentraties aan minerale olie werden aangetroffen ter hoogte van de pijpleiding die in 1971 eenmalig gebruikt werd bij het laden en lossen van stookolie en er hoge concentraties aan minerale olie werden aangetroffen in en rondom de leiding naar de KWS, biedt op zich evenmin concreet een antwoord op de vraag of er vóór 1997 een calamiteit heeft plaatsgevonden.
- Bijgevolg kon de minister op deugdelijke wijze tot het besluit komen dat er “geen aanwijsbare calamiteit gebeurd is” in de voorgaande exploitatiejaren. Het enkele gegeven dat er reeds 36 jaar een brandstoffenhandel ter plaatse werd geëxploiteerd, volstaat op zich hoe dan ook niet om te besluiten dat er wel een verontreiniging moet zijn opgetreden gedurende de voorafgaande exploitatie, die dan nog van een grotere omvang zou zijn geweest dan de verontreiniging na de calamiteit in
- De verzoekende partij maakt niet concreet aannemelijk dat er zich gedurende de periode van 1961 tot 1997 een of meerdere calamiteiten hebben voorgedaan die hebben geleid tot een dergelijke verontreiniging. Dat de site niet verhard was in die tijdspanne, doet niet anders besluiten. VII-40.632-20/25
- Wat betreft de calamiteit in 1997, wordt in het bestreden besluit overwogen dat de stelling dat de vrijgekomen hoeveelheid stookolie te beperkt is om de betrokken verontreinigingsvlek te veroorzaken, onvoldoende gemotiveerd werd, omdat niet is aangetoond dat het om 200 liter ging. Het feit dat de brandweer ter plaatse is moeten komen, wijst er volgens de minister veeleer op dat een aanzienlijke hoeveelheid product is gemorst en ook het debiet van grote tankwagens doet zulks aannemen. De minister besluit dat de vrijgekomen hoeveelheid olie in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 waarschijnlijk wordt onderschat en minstens het beperkt zijn van de impact van de calamiteit in 1997 niet is aangetoond.
- De verzoekende partij slaagt er niet in de onjuistheid of onredelijkheid van die overwegingen aannemelijk te maken. De stelling dat de gemorste hoeveelheid in 1997 slechts 200 liter zou bedragen, blijkt op niets meer te zijn gesteund dan een raming van de zaakvoerder van de verzoekende partij. De foto’s die zij bijbrengt, zeggen in dit verband niets. De bewering dat bij de calamiteit in 1997 een ander type tankwagen betrokken was met een maximaal debiet van 800 liter per minuut, kan niet worden gestaafd met een foto van een ander, nieuwer type tankwagen met een maximaal debiet van 1000 liter. Uit de foto’s kan immers niet worden afgeleid dat het gebruikte type tankwagen een lager debiet kende dan het type op de foto. Het enkele, niet-gestaafde gegeven dat het in 1997 gebruikte type tankwagen ouder was, volstaat daartoe evenmin. De omstandigheid dat het verlies aan lading boekhoudkundig niet werd aangegeven als een verlies of waardevermindering, is op zich ook niet van aard aan te tonen dat het verlies beperkt is gebleven tot slechts een 200-tal liter. De bewering dat een interventie van de brandweer niet zonder meer met zich meebrengt dat het om een groot verlies aan lading ging, betreft verder een louter tegenspreken van de desbetreffende overweging in het bestreden besluit. De verwijzing naar de wettelijke bepaling voor de chauffeur om dicht bij het voertuig te blijven tijdens het lossen van brandstoffen, is voorts niet pertinent. Het loutere bestaan van die maatregel toont op zich immers niet de onjuistheid of onredelijkheid aan van het tijdsverloop dat door de verwerende partij werd geschetst voor het dichtkraaien van de kraan. VII-40.632-21/25
- Omtrent de vervuiling in het perkje rondom tank 1, wordt in de bestreden beslissing verder overwogen dat ten tijde van de calamiteit in 1997 het terrein nog niet verhard was, dat na de calamiteit enkel de gronden buiten het perk opgekuist werden tot aan de spoorweg en niet de grond in het perk zelf en dat dit kan verklaren waarom de hoogste concentraties in het perk werden aangetroffen. Samen met de vaststelling dat het terrein sterk puinhoudend was en de ondergrond dus veel preferentiële wegen bezit, waardoor de verontreiniging zich snel en gemakkelijk over een grotere oppervlakte heeft kunnen verspreiden, kon de verwerende partij in redelijkheid de vervuiling binnen het perkje toeschrijven aan de calamiteit in
- De verzoekende partij overtuigt niet van het tegendeel.
- Bij gebrek aan aanwijsbare, voorafgaande calamiteiten en nieuwe analytische gegevens in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 en mede gelet op de omvang van de verontreiniging zoals die blijkt uit de gegevens van het dossier en op de overwegingen in de bestreden beslissing dat “vóór de calamiteit in 1997 geen concentraties werden opgemeten die aanleiding gaven tot een saneringsnoodzaak”, terwijl er wel “aanwijzingen zijn dat de verontreiniging die tot stand is gekomen vóór 1997, eerder van beperkte omvang is en zonder saneringsnoodzaak” en “de concentraties vastgesteld na de calamiteit wel aanleiding geven tot sanering en van een totaal andere grootteorde zijn”, kon de minister, alles in acht genomen, op deugdelijke gronden besluiten dat de gemorste hoeveelheid olie in 1997 van een grotere omvang dan 200 liter moet zijn geweest en de OVAM kennelijk onredelijk heeft gehandeld door de impact van de calamiteit te minimaliseren en de omvang ervan te beperken tot 200 liter. Minstens maakt de verzoekende partij het tegendeel niet aannemelijk.
- De verzoekende partij betwist ook de correctheid van de stelling in de bestreden beslissing dat de persleiding niet de oorzaak van de verontreiniging kan zijn. Ze wijst er in dat verband in essentie op dat olie lichter is dan water, zodat het logisch is dat de grootste verontreiniging voorkomt ter hoogte van de grondwatertafel en dat ook dieper dan de leiding nog hoge concentraties aan minerale olie voorkomen. Ze besluit daaruit dat de pijpleiding niet kan worden uitgesloten als een bron van verontreiniging. VII-40.632-22/25 Aldus gaat de verzoekende partij evenwel voorbij aan de overwegingen in het bestreden besluit dat het “duidelijk is dat de stookolie niet gedurende jaren is kunnen vrijkomen ten gevolge van lekken van deze leiding; dat de leiding niet lek was in 1971; dat bijgevolg enkel een beperkte hoeveelheid olie die is achtergebleven in de pijpleiding, mogelijk is kunnen vrijkomen”. In de bestreden beslissing wordt in dit verband overigens ook nog overwogen dat de conclusie in het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 dat de pijpleiding die in 1971 gebruikt werd een grote oorzaak van de vervuiling is (volgens de nota van 2 februari 2017) onjuist is, om de reden dat “een vuilvracht van minstens 647 liter” aan de basis ligt van de aldaar gemeten verontreiniging, “terwijl een eventuele lekkende pijpleiding slechts een vuilvracht van 1-50 l kan gerealiseerd hebben” en de persleiding bijgevolg “niet aan de basis kan liggen van de zware verontreiniging die in deze zone aangepakt moest worden”. Al aangenomen dat een gebeurlijke verontreiniging afkomstig van de pijpleiding zich kon verplaatsen tot boven deze leiding, liggen de concentraties minerale olie in de betrokken zone volgens de minister, met andere woorden hoe dan ook dermate hoog dat zij niet van de pijpleiding afkomstig kunnen zijn. Deze overwegingen worden door de verzoekende partij niet betwist. Zij maakt dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partij in het bestreden besluit op een onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze tot het besluit is gekomen dat de pijpleiding niet de oorzaak kan zijn van de verontreiniging.
- Voorts merkt de Raad van State op dat de verzoekende partij de overweging negeert, dat “door de luchtfoto’s wordt aangetoond dat er [na 1997] naar alle waarschijnlijkheid nog diverse andere calamiteiten gebeurd zijn”.
- De verzoekende partij slaagt er niet in aannemelijk te maken dat het morsverlies bij de calamiteit in 1997 beperkt was tot 200 liter. Evenmin toont zij concreet aan dat vóór 1997 aanwijsbare calamiteiten hebben plaatsgevonden, laat staan dat die calamiteiten in omvang meer verontreiniging zouden hebben veroorzaakt dan de calamiteit(en) in 1997 (en later) en aldus de door de OVAM aangenomen verdeelsleutel (63% historische verontreiniging - 37% nieuwe VII-40.632-23/25 verontreiniging) zouden kunnen verantwoorden. Zij maakt derhalve niet aannemelijk dat de verwerende partij op een onjuiste, onzorgvuldige of kennelijk onredelijk wijze tot het besluit is gekomen dat er onvoldoende nieuwe argumenten in het dossier aanwezig zijn om de aard van de verontreiniging te wijzigen naar gemengd overwegend historische verontreiniging en de OVAM, die zich op het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek van 2016 heeft gesteund, haar beslissingen op dit punt niet afdoende heeft onderbouwd en dus op kennelijk onredelijke wijze de aard van de verontreiniging heeft gewijzigd.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter VII-40.632-24/25 Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.632-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div