id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.172 Rolnummer: A. 230685/VII-40819 Zaak: Arrest 255172 - Natuurbehoud - Vergunningen - 05/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 07:57 Fiche Arrest nr 255.172 van 5 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.172 van 5 december 2022 in de zaak A. 230.685/VII-40.819 In zake : Robert MATTHYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 26 februari 2020 tot weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing met betrekking tot een perceel gelegen te Brasschaat, kadastraal bekend onder 1ste afdeling, sectie B, nr. 19/D/
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 7 december 2021 een verslag opgesteld. VII-40.819-1/10 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Vermeiren, die loco advocaat Ria Hens verschijnt voor verzoeker en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van een perceel gelegen te Brasschaat, kadastraal bekend onder 1ste afdeling, sectie B, nr. 19/D/2, dat overeenkomstig het gewestplan Antwerpen gelegen is in een zone voor verblijfsrecreatie en overeenkomstig het bij ministerieel besluit van 25 november 1982 vastgestelde BPA nr. 26 ‘Grote Heide’ bestemd is tot een ‘zone voor weekendverblijven’. 3.
- Op 21 juni 2019 ontvangt het Agentschap voor Natuur en Bos een aanvraag van verzoeker voor het ontbossen van 500 m2 van het betrokken perceel om het bouwen van een weekendverblijf mogelijk te maken. 3.
- Het Agentschap voor Natuur en Bos brengt op 17 december 2019 een ongunstig advies uit over de aanvraag. VII-40.819-2/10 3.
- Op 26 februari 2020 weigert de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde ontheffing van het verbod op ontbossing met opgave van de volgende redenen: “- Het te ontbossen perceel is gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. De ontbossing voor het bouwen van een vakantiewoning is verenigbaar met de ruimtelijke bestemming. - Het perceel is niet gelegen in VEN, beschermd landschap of een zoekzone voor bosuitbreiding. - Het Agentschap voor Natuur en Bos concludeert op basis van een screening dat het project geen aanzienlijke milieueffecten op een bijzonder beschermd gebied kan hebben en dat er bijgevolg geen MER moet worden opgemaakt. - Het betreft een bestand met in de hoofdetage voornamelijk Amerikaanse eik met in de onderetage voornamelijk rhododendron. - De ecologische en landschappelijke waarde is niet gering. - De biologische waarderingskaart bevestigt dit door een kartering van het bos als biologisch zeer waardevol eiken-berkenbos en is opgenomen als habitatwaardig bos gekarteerd als boshabitattype 9190 ‘oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur’. - Het bos is ontstaan voor 1850, wat aangeeft dat er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bestaande bosvegetatie. - Het betrokken perce[el] is gelegen in een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en als bos behouden kan worden. - Het perceel is gelegen tussen het Groot- en Klein Schietveld, die beiden als habitatrichtlijngebied werden geselecteerd. Het perceel vervult een functie als zone voor faunapassage en rustplaats voor fauna. - Als instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone Groot- en Klein Schietveld (code BE2100016-1), bij besluit goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 23 april 2014, zijn als prioriteit opgenomen om de bestaande natuurverbindingen tussen de bestaande populaties te behouden en waar nodig bijkomend te creëren. - De waarde en potenties van het bos als onderdeel van een natuurnetwerk in het INBO-document ‘Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en mogelijke inrichting (rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007, INBO.R.2007.14)’, werden bevestigd. - De geplande ontbossing voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten zal aanleiding geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied. Dit moet vermeden worden zodat de natuurwaarde kan gewaarborgd blijven. - De bijkomende versnippering en bosdegradatie binnen het gebied heeft een negatief effect op de in het Groot- en Klein Schietveld aanwezige populaties van vleermuizen en vogelsoorten. Hierbij zal op lange termijn de isolatie van de leefgebieden en de beperkte genetische uitwisseling die dat met zich meebrengt, de kans op het lokaal uitsterven van de populatie VII-40.819-3/10 toenemen welke de instandhouding van verschillende dier- en plantensoorten hypothekeert. - Het niet toekennen van een ontheffing van het verbod op ontbossing van het perceel, bij het kadaster gekend als Brasschaat, 1° afdeling, sectie B, nr. 19/D/2, zal verdere degradatie van het boscomplex en versnippering voorkomen. - De te ontbossen oppervlakte bedraagt 5,00 are”. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van verzoeker
- In een enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), van het evenredigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Verzoeker zet uiteen dat de bestreden weigering tot ontheffing van het verbod tot ontbossing op onevenredige wijze afbreuk doet aan zijn recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Het bestreden besluit hypothekeert de bouwmogelijkheden van zijn eigendom en maakt het betrokken perceel zo goed als waardeloos. Een eigendomsbeperkende maatregel die bestaat in een bouwverbod op percelen die voorheen voor bebouwing in aanmerking kwamen, raakt de eigenaar ervan fundamenteel in zijn eigendomsrecht. Wanneer in een dergelijk geval geen vergoeding wordt toegekend, dient zulks te worden verantwoord waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de vroegere gedragingen van de eigenaar of de redelijke verwachting dat een dergelijke eigendomsbeperkende maatregel zou worden opgelegd. VII-40.819-4/10 Verzoeker licht toe dat hij het betrokken perceel, gelegen in een zone voor weekendverblijven, samen met zijn broer heeft geërfd. Thans heeft hij het volledige perceel in eigendom. Hij koesterde de gewettigde verwachting dat het betrokken perceel in aanmerking kwam voor de realisatie van een weekendwoning. Het perceel ligt volgens het gewestplan immers in een zone voor “verblijfsrecreatie” en volgens het BPA nr. 26 “Grote Heide” in een zone voor “weekendverblijven”. In artikel 2 van de BPA-voorschriften wordt bepaald dat bebouwing slechts kan worden toegelaten nadat de straten gratis aan de gemeenten zijn afgestaan en nadat de wegenuitrustingswerken in de straten zijn uitgevoerd. Volgens verzoeker werden de wegenuitrustingswerken intussen uitgevoerd. Na de verharding van de wegen werden aan de eigenaars van omliggende percelen vergunningen toegekend tot het oprichten van weekendverblijven. Bijgevolg mocht ook hij verwachten dat op het betrokken perceel een weekendwoning gerealiseerd kan worden. Door de uitsluiting van elke mogelijke ontwikkeling van het perceel en de afwezigheid van elke vergoeding, is in voorliggend geval het evenwicht tussen het algemeen belang en het individueel belang verbroken. Het bestreden besluit tot weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod tot ontbossing legt volgens verzoeker een ernstige gebruiksbeperking op waardoor hem het recht op een ongestoord genot van zijn eigendom wordt ontzegd. Tot slot stelt verzoeker dat hij uit het verlenen van tal van vergunningen voor het oprichten van weekendwoningen in de onmiddellijke omgeving een bepaalde beleidsregel mocht afleiden en dat hij op grond daarvan mocht verwachten dat een vraag tot ontbossing voor de oprichting van een weekendverblijf ook op zijn perceel zou worden gehonoreerd. In de bestreden beslissing wordt een gewijzigde houding op geen enkele wijze verantwoord.
- In zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie beklemtoont verzoeker dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat elk bouwproject op het perceel wordt uitgesloten. VII-40.819-5/10 Beoordeling
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Artikel 16 van de Grondwet heeft enkel betrekking op de daadwerkelijke onteigening, dit is de gedwongen overdracht van eigendom met eigendomsverlies tot gevolg en dus een werkelijke ontzetting van het bezit, minstens een blijvende verlamming van de drie bestanddelen van het eigendomsrecht, wat te dezen niet het geval is. De weigering van de ontheffing van het verbod op ontbossing heeft immers niet tot gevolg dat verzoeker uit zijn eigendomsrechten wordt ontzet, noch dat hij ertoe wordt verplicht om tot eigendomsoverdracht over te gaan.
- Beperkingen van het eigendomsrecht die geen overdracht van de eigendom met zich meebrengen, vallen wel onder de waarborgen van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, ondertekend te Parijs op 20 maart
- Artikel 1 van het eerste protocol bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren”. Die bepaling biedt niet alleen bescherming tegen een daadwerkelijke onteigening of eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin, artikel 1, eerste protocol), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de VII-40.819-6/10 eigendom (eerste alinea, eerste zin, artikel 1, eerste protocol) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea, artikel 1, eerste protocol). Bovendien beschermt artikel 1 van het eerste protocol niet alleen het klassieke eigendomsrecht in de zakenrechtelijke betekenis maar ook de vermogensrechten. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Een beperking van “het ongestoord genot” van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”.
- Het bosdecreet voert een principieel ontbossingsverbod in met het oog op het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu. Een door dat doel ingegeven weigering tot ontheffing van het decretale ontbossingsverbod kan worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol. Er moet tevens een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Wanneer het gaat om een maatregel van reglementering van gebruik van eigendom, is het gebrek aan vergoeding een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of het billijk evenwicht geëerbiedigd werd, maar kan dat gebrek aan vergoeding op zichzelf nooit een schending van het voormelde artikel 1 opleveren. VII-40.819-7/10
- In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat de beoogde ontbossing betrekking heeft op een “biologisch zeer waardevol eiken- berkenbos”, dat “er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bestaande bosvegetatie” en dat het betrokken perceel is gelegen “in een aangesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en als bos behouden kan worden”. Voorts wordt gesteld dat “[d]e geplande ontbossing voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten […] aanleiding [zal] geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied”. De in de bestreden beslissing opgegeven weigeringsmotieven kunnen ingepast worden in de bescherming van het algemeen belang in de zin van artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol.
- Verzoeker toont niet aan dat ingevolge de bestreden beslissing, waarmee zijn verzoek tot ontheffing van het ontbossingsverbod wordt geweigerd, geen constructies van welke aard dan ook meer zullen kunnen worden opgericht. De bestreden beslissing spreekt zich immers enkel uit over de concreet ingediende aanvraag en houdt rekening met “[d]e geplande ontbossing voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten”. Uit niets blijkt dat ieder ander project op het betrokken perceel uitgesloten is, laat staan dat de bestreden beslissing ertoe strekt een volledig bouwverbod in te stellen. Evenmin maakt hij aannemelijk dat zijn eigendom een waardevermindering ondergaat doordat de ontheffing van het ontbossingsverbod wordt geweigerd en het bos, vooralsnog, integraal behouden dient te blijven.
- Uit het gegeven dat het perceel gelegen is in een zone voor weekendverblijven, kan verzoeker niet de gerechtvaardigde verwachting putten dat het bestuur ertoe gehouden zou zijn een toelating te verlenen voor eender welk project dat strekt tot het realiseren van een weekendverblijf op het betrokken terrein. VII-40.819-8/10 Voorts gaat verzoeker eraan voorbij dat bindende en verordenende stedenbouwkundige voorschriften niet beletten dat sectorale wetgeving, zoals in dit geval het bosdecreet, een impact kan hebben op de realiseerbaarheid van deze voorschriften. In bepaalde gevallen kan sectorale wetgeving ertoe leiden dat de bestemming vastgelegd bij toepassing van wetgeving op de ruimtelijke ordening niet kan worden gerealiseerd. Het bestreden besluit stelt overigens vast dat de ontbossing van verzoekers perceel voor het bouwen van een vakantiewoning “verenigbaar [is] met de ruimtelijke bestemming”.
- In zoverre verzoeker opwerpt dat er in de onmiddellijke omgeving reeds meerdere vergunningen werden afgeleverd voor het oprichten van weekendverblijven, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat niet wordt aangetoond dat die projecten gepaard gingen met een ontbossing. Verzoeker kan alleszins geen gerechtvaardigde verwachtingen putten uit vergunningen die werden afgeleverd voor niet-vergelijkbare projecten. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het Agentschap voor Natuur en Bos bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag overeenkomstig artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt en dat bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moet worden gehouden met alle beschikbare feitelijke elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De dossiergerichte beoordeling van ontheffingsaanvragen brengt mee dat het verlenen van een individuele ontheffing van het verbod op ontbossing in een bepaald geval niet bij elkeen de gerechtvaardigde verwachting kan wekken dat ook zijn aanvraag dezelfde gewenste uitkomst zal kennen.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 VII-40.819-9/10 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.819-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div