← België

Arrest 255184 - ION - Aanwerving en loopbaan - 05/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.184 Rolnummer: A. 237758/IX-10162 Zaak: Arrest 255184 - ION - Aanwerving en loopbaan - 05/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 07:57 Fiche Arrest nr 255.184 van 5 december 2022 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 255.184 van 5 december 2022 in de zaak A. 237.758/IX-10.162 In zake: Cynthia SWINNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AZ JAN PALFIJN GENT, autonome verzorgingsinstelling bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens vertegenwoordigd door advocaat Pieter Sichien kantoor houdend 9000 Gent Kortijksesteenweg 1007 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 november 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de bestuurder-directeur van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent van 28 oktober 2022 waarbij hij Cynthia Swinnen bij hoogdringende ordemaatregel met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling verleent voor een periode van twee maanden, alsook van de beslissing van diezelfde bestuurder-directeur van 23 november 2022 waarbij hij zijn voormelde beslissing van 28 oktober 2022 bekrachtigt. IX-10.162-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2022 om 12.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koen Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is als statutair hoofdapotheker in dienst van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent (hierna: het AZ Jan Palfijn Gent). 3.2. Op 26 oktober 2022 ontvangen de raad van bestuur en de bestuurder-directeur van het AZ Jan Palfijn Gent een “collectieve brief van het personeel van de ziekenhuisapotheek” waarin aandacht wordt gevraagd voor “de moeilijke werkomstandigheden in de apotheek”: “Concreet gaat dit over een ondoelmatige en gebrekkige organisatie van de taken door het niet stellen van correcte prioriteiten, de afwezigheid van formeel IX-10.162-2/13 en informeel overleg en een ongelijke behandeling van werknemers. Daarenboven blijft ondanks eerdere verzoeken de huidige taakverdeling onduidelijk waardoor onvoldoende transparantie bestaat binnen verantwoordelijkheden. Dit alles leidt reeds geruime tijd tot een zeer hoge werkdruk en een aanzienlijk verloop van personeel. Daarbij is er weinig aandacht voor de invulling van openstaande vacatures en opleiding van nieuwe medewerkers.” De elf personeelsleden die de brief onderschrijven vragen om “actie te ondernemen om de kwaliteit van [de] dienstverlening in de apotheek te kunnen blijven garanderen, de motivatie van de medewerkers en het geloof in de toekomst van de apotheek te herstellen”. 3.3. Op 27 oktober 2022 heeft de bestuurder-directeur een gesprek met de aanwezige personeelsleden van de ziekenhuisapotheek, die aanvullende schriftelijke verklaringen afleggen. Door sommigen wordt gewag gemaakt van een mogelijk (collectief) ontslag omwille van de situatie in de ziekenhuisapotheek. 3.4. Op 28 oktober 2022 beslist de bestuurder-directeur om verzoekster bij hoogdringende ordemaatregel met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling te verlenen voor een periode van twee maanden. Deze beslissing vermeldt voorts: “De vrijstelling van dienst betekent dat mevrouw Cynthia Swinnen met behoud van loon niet meer aanwezig mag zijn op de dienst apotheek en haar taken tijdelijk door een ander personeelslid worden waargenomen. Om de sereniteit op de dienst apotheek te bewaren, moeten daarbij de volgende afspraken worden nageleefd gedurende de periode van dienstvrijstelling:  De dienst apotheek niet meer fysiek te betreden.  Geen contact […] opnemen met medewerkers tewerkgesteld binnen de apotheek.  Geen opdrachten of taken uit te oefenen uit naam van AZ Jan Palfijn.  Geen e-mails te versturen vanuit het e-mailadres van AZ Jan Palfijn. De dienst IT zal een out of office instellen met een neutrale boodschap ter kennisgeving van uw aanwezigheid en met de vraag de e-mails door te sturen naar een generiek e-mailadres.” IX-10.162-3/13 Dit is de eerste bestreden beslissing. Ze steunt onder meer op de volgende overwegingen: “Uit de collectieve brief van 26 oktober 2022 en de schriftelijke verklaringen van 27 oktober 2022 blijkt dat los van enige schuldvraag mevrouw Cynthia Swinnen, hoofdapotheker, tijdelijk uit de dienst apotheek moet worden verwijderd. Een dergelijke verwijdering dringt zich enkel op in het belang van de dienst. De tijdelijke verwijdering bij wijze van ordemaatregel laat toe om de sereniteit te laten terugkeren en de continuïteit van de dienstverlening te garanderen. Een overplaatsing van mevrouw Cynthia Swinnen bij wijze van ordemaatregel is niet mogelijk binnen AZ Jan Palfijn omwille van de specifieke aard van de functie en de specifieke situatie op de dienst apotheek. Een ordemaatregel van vrijstelling met behoud van salaris raakt niet aan de administratieve en geldelijke toestand van mevrouw Cynthia Swinnen. Deze ordemaatregel is een maatregel die in redelijkheid een oplossing biedt voor een acute situatie zonder dat over enige schuldvraag uitspraak wordt gedaan en zonder onevenredige nadelen te veroorzaken.” De bestuurder-directeur nodigt verzoekster ten slotte uit om “te worden gehoord in het kader van het al dan niet bekrachtigen van de ordemaatregel bij hoogdringendheid op […] 03 november 2022”. 3.5. Op vraag van verzoekster wordt het verhoor twee keer uitgesteld. Het heeft uiteindelijk plaats op 17 november 2022. 3.6. Op 23 november 2022 beslist de bestuurder-directeur de ordemaatregel van 28 oktober 2022 te bekrachtigen. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat IX-10.162-4/13 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting 5. Verzoekster zet in haar inleidend verzoekschrift als volgt “de feiten” uiteen die volgens haar de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering rechtvaardigen: “[…] 18. Art. 8 van de gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen d.d. 10 mei 2015[…] bepaalt: ‘Iedere apotheek wordt onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere apothekers-titularissen geplaatst. Wanneer er meerdere apothekers-titularissen zijn, wordt één van hen aangeduid als verantwoordelijke voor het vervullen van de administratieve formaliteiten vereist in het kader van de registratieprocedure bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 3. Iedere apotheker-titularis is strafrechtelijk, burgerrechtelijk en tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor de farmaceutische handelingen, voor het beheer van de apotheek voor zover dit rechtstreeks invloed heeft op de farmaceutische handelingen en voor het toepassen van de wetgeving, waaronder de bepalingen inzake goede farmaceutische praktijken in de apotheek. Wanneer er meerdere apothekers-titularissen zijn, zijn allen solidair verantwoordelijk voor de hierboven bedoelde verantwoordelijkheden alsof zij die handelingen in eigen naam en voor eigen rekening zouden stellen.’ De verantwoordelijkheid van verzoekster blijft wel bestaan, ondanks de ordemaatregel dat zij de ziekenhuisapotheek niet meer mag betreden, ergo geen contact meer mag opnemen met het personeel van de ziekenhuisapotheek. Dit kan zijn weerslag hebben op de erkenning van verzoekster als ziekenhuisapotheker in de zin van een mogelijk negatief advies van de erkenningscommissie (zie KB 22 oktober 2012) of zelfs een procedure intrekking van de erkenning (zie Besl.Vl.reg. 18 maart 2016). Verzoekster heeft reeds een moeizaam traject moeten afleggen ten aanzien van verweerster om vast benoemd te worden als ziekenhuisapot[h]eker-titularis, zeg maar diensthoofd (cf. RvS (14e k.) nr. 216.378, 21 november 2011, Swinnen, CDPK 2013 (samenvatting), afl. 1, 92: toen uw Raad reeds het bijzonder vernederend karakter van de houding van verweerster in aanmerking heeft genomen). IX-10.162-5/13 19. Lastens verzoekster werd een ordemaatregel opgelegd waarbij dienstvrijstelling werd verleend. Dit impliceert dat verzoekster in de administratieve stand van ‘dienstactiviteit’ blijft. 20. Gezien verzoekster in dienstactiviteit blijft, is zij thans dus nog steeds verantwoordelijk voor wat er in de ziekenhuisapotheek gebeurt. Echter, uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster zich niet meer in de ziekenhuisapotheek mag begeven, noch dat zij enig contact mag hebben met de medewerkers van de ziekenhuisapotheek, zelfs niet buiten de apotheek, en dat haar taken worden waargenomen ‘door een ander personeelslid’ (niet nader gespecificeerd). Verder mag verzoekster geen opdrachten of taken meer uitoefenen uit naam van AZ Jan Palfijn Gent. 21. Uit voorgaande kan worden afgeleid dat verzoekster thans volledig in de onmogelijkheid verkeert om ook maar enige controle uit te oefenen desondanks zij wel verantwoordelijk blijft voor wat er thans in en rond de ziekenhuisapotheek gebeurt. 22. De uiterst dringende noodzakelijkheid terzake staat dan ook vast, nu de verantwoordelijkheid van verzoekster in het gedrang komt, mocht er in de periode van de opgelegde ordemaatregel iets gebeuren in of rond de apotheek. Daarbij wordt opgemerkt dat verzoekster de enige ziekenhuisapotheker-titularis, die aan de voorwaarden voldoet, is binnen het AZ Jan Palfijn Gent, wat maakt dat haar verantwoordelijkheden (en taken) niet kunnen worden overgedragen aan iemand anders. Het is dan ook van uitermate groot belang dat verzoekster controle kan uitoefenen in en rond de apotheek gelet op de verantwoordelijkheden waaraan zij zich blootstelt. 23. Verder werd een ordemaatregel opgelegd van dienstvrijstelling voor een periode van 2 maanden. De eer en de professionele reputatie van verzoekster dreigt evenwel in het gedrang te komen bij gebrek aan een schorsingsarrest dat op zeer korte termijn en in ieder geval binnen enkele maanden wordt geveld[…]. Verzoekster is de leidinggevende – apotheker-titularis – met bijzondere verantwoordelijkheden. Verwerende partij gaat in de bestreden beslissing(

  1. en)haar leidinggevende functie intrekken, gepaard gaande met een contactverbod met de andere apothekers van het ziekenhuis. Alle personen die normaal in contact komen met verzoekster hebben al begrepen dat ten aanzien van haar een ordemaatregel werd uitgevaardigd, waardoor een verdenking van ernstige feiten wordt versterkt die de herhaling van een dergelijke maatregel zouden rechtvaardigen. In een dergelijke context zouden de eer en de professionele reputatie van verzoek[st]er in het gedrang komen bij gebrek aan een schorsingsarrest dat op zeer korte termijn geveld wordt. De uiterst dringende noodzakelijkheid om in rechte op te treden is dus bewezen[…]. In de beslissing wordt duidelijk gemaakt dat men hier de kaart trekt van de minste weerstand; verzoekster wordt opgeofferd omdat de dienst moeizaam functioneert en het personeel ontevreden is. Eerder dan de nodige middelen en mensen vrij te maken, kiest verwerende partij ervoor om het ongenoegen van het personeel te kanaliseren in de richting van het diensthoofd, zonder enige reden. Dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de eer en reputatie van verzoekster IX-10.162-6/13 is evident, omdat verzoekster hiermee wordt weggezet als de oorzaak van alle ellende in de ziekenhuisapotheek. Aldus ontstaat minstens de perceptie ten aanzien van de collega’s dat verzoekster fouten en onregelmatigheden heeft begaan waardoor zij verplicht thuis dient te blijven. Dat daarenboven de personeelskrapte enkel wordt versterkt in plaats van opgelost is een bijkomend argument om de beslissing onmiddellijk te schorsen. 24. Bovendien, bestaat de ordemaatregel niet enkel uit een ‘dienstvrijstelling’, maar mag verzoekster ook de dienst apotheek niet meer fysiek betreden en geen contact opnemen met medewerkers tewer[k]gesteld binnen de apotheek, kortom een contactverbod! Ook mag verzoekster geen e-mails meer versturen vanuit het e-mailadres van AZ Jan Palfijn Gent, waarbij de dienst IT een ‘out off office’ zal instellen met een neutrale boodschap ter kennisgeving van haar afwezigheid en met de vraag de e-mails door te sturen naar een generiek e-mailadres. Vastgesteld moet worden dat er helemaal geen ‘neutrale’ ‘out off office’ ter kennisgeving van haar afwezigheid werd ingesteld; integendeel werd het e[-]mailadres van verzoekster eenvoudigweg geblokkeerd. Wanneer een e-mail wordt verstuurd aan het e-mailadres van verzoekster, krijgt men onderstaande melding: ‘[…] The following message […] was undeliverable. The reason for the problem: […] blocked.’ 25. Dit alles laat uitschijnen dat zij niet bekwaam zou zijn en dit niet alleen binnen haar eigen dienst, maar binnen het gehele ziekenhuis AZ Jan Palfijn Gent en zelfs in de sector van de ziekhuisapotheken, hetgeen door verzoekster bijzonder vernederend wordt ervaren. 26. Temeer nu op 1 december 2022 een nieuwe bestuurder-directeur wordt aangesteld ter vervanging van de steller van de bestreden beslissing, […] en verzoekster op 1 december 2022 niet aanwezig zal zijn, wat reeds argwaan zal wekken bij de nieuwe bestuurder-directeur en de reputatieschade van verzoekster zich zal verder zetten bij de nieuwe bestuurder-directeur, zonder dat verzoekster in de mogelijkheid is om ook maar enige vorm van uitleg hieromtrent te geven. Het (negatieve) beeld van de nieuwe directeur over verzoekster zal dan ook reeds gevormd zijn bij terugkomst van verzoekster. 27. Verzoekster werd verplicht thuis te blijven vanaf 28 oktober 2022. Zij was toen nog niet gehoord, maar er werd haar aangeboden wel gehoord te worden op 3 november 2022. Op dat ogenblik was zij evenwel nog niet klaar met haar verdediging, laat staan dat zij in haar vakantieweek de mogelijkheid had gehad de stukken van het dossier in te kijken. Een nieuwe datum voor de hoorzitting werd uiteindelijk vastgesteld op donderdag 17 november 2022. (Pas) op woensdagavond 23 november 2022 kon verzoekster kennis nemen van de beslissing tot bekrachtiging. De zaak is absoluut hoogdringend, daar het een ordemaatregel van verplichte afwezigheid betreft. Zij is thans verstoken van de organisatie van de dienst, zij kan geen opleidingen volgen. IX-10.162-7/13 De ordemaatregel is ook beperkt in de tijd tot 2 maanden; de kans is dan ook reëel dat een gewone schorsing, laat staan een vernietiging veel te laat zal komen. De [uiterst] dringende noodzakelijkheid en spoedeisendheid is dan ook aangetoond.” Beoordeling 6. De Raad van State heeft in zijn rechtspraak al eerder eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. IX-10.162-8/13 Niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is bovendien vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op het gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 7. In dit geval voert verzoekster ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering vooreerst aan dat zij als ziekenhuisapotheker-titularis, krachtens artikel 8 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ‘betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen’, ook tijdens de duur van de opgelegde ordemaatregel verantwoordelijk blijft voor “wat er thans in en rond de ziekenhuisapotheek gebeurt”, niettegenstaande zij de ziekenhuisapotheek niet mag betreden en geen contact mag opnemen met de medewerkers ervan. Die verantwoordelijkheid, zo stelt zij, kan desgevallend een weerslag hebben op haar erkenning en zelfs leiden tot de intrekking ervan. Verzoekster maakt evenwel niet concreet aannemelijk dat haar verantwoordelijkheid als ziekenhuisapotheker daadwerkelijk in het gedrang zou kunnen komen, terwijl zij door de bestreden ordemaatregel verplicht wordt om op de dienst afwezig te blijven. Ingevolge deze ordemaatregel, die haar wordt opgelegd door de verwerende partij, is verzoekster de facto niet meer werkzaam in de ziekenhuisapotheek. Beide bestreden beslissingen vermelden uitdrukkelijk dat “[haar] taken tijdelijk door een ander personeelslid worden waargenomen”. Verzoekster overtuigt er niet van dat haar gedwongen stilzitten in die situatie alsnog tot haar verantwoordelijkheid als ziekenhuisapotheker zou kunnen leiden. De omstandigheid dat zij zich tijdens de duur van de ordemaatregel nog in de administratieve stand ‘dienstactiviteit’ bevindt, toont dat alvast niet aan. Dienvolgens is ook verzoeksters vrees voor een weerslag op haar erkenning of voor zelfs de intrekking daarvan, thans op niets gesteund en louter hypothetisch. IX-10.162-9/13 8. Voorts betoogt verzoekster dat haar eer en professionele reputatie in het gedrang komen door de bestreden maatregel die “een verdenking van ernstige feiten” oproept. Zij wordt door de maatregel immers “weggezet als de oorzaak van alle ellende in de ziekenhuisapotheek”. De bijkomende voorwaarden dat zij de ziekenhuisapotheek niet meer mag betreden en geen contact meer mag opnemen met de medewerkers en de omstandigheid dat haar e-mailadres werd geblokkeerd, doen volgens verzoekster uitschijnen dat zij niet bekwaam zou zijn, niet alleen binnen haar eigen dienst, maar ook binnen het gehele ziekenhuis en in de sector van de ziekenhuisapotheken. Zij ervaart dit alles als “bijzonder vernederend”. De omstandigheid dat zij niet aanwezig zal zijn bij de aanstelling van de nieuwe bestuurder-directeur op 1 december 2022 zal haar reputatieschade nog verergeren. Verzoekster beroept zich met de beweerde aantasting van haar eer en reputatie op een moreel nadeel. Volgens ’s Raads vaste rechtspraak kan een moreel nadeel in beginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die wordt verleend door een eventueel vernietigingsarrest. Het valt een verzoekende partij voor de Raad van State toe om, in voorkomend geval, bijzondere omstandigheden aan te voeren die ervan overtuigen dat het in haar geval anders is en dat er redenen zijn om bij spoedeisendheid of, zoals in dit geval, zelfs uiterst dringende noodzakelijkheid, het aangevoerde morele nadeel een halt toe te roepen. In beide bestreden beslissingen wordt uitdrukkelijk gesteld dat de opgelegde ordemaatregel een oplossing beoogt te bieden voor een acute situatie “zonder dat over enige schuldvraag uitspraak wordt gedaan”. Verzoekster onderkent er dan ook ten onrechte “een verdenking van ernstige feiten” in. De bijkomende voorwaarden dat verzoekster de ziekenhuisapotheek tijdens de duur van de maatregel niet mag betreden en geen contact mag opnemen met de medewerkers en de omstandigheid dat haar e-mailadres werd geblokkeerd, moeten IX-10.162-10/13 worden begrepen in het kader van de voormelde ordemaatregel die de goede werking van de ziekenhuisapotheek en derhalve ook van het ziekenhuis in zijn geheel beoogt, zonder schuldigen aan te wijzen. Verzoekster leidt er voor haarzelf al te voortvarend een stempel van onbekwaamheid uit af. Haar subjectieve ervaring van de beslissing die ten aanzien van haar is genomen als “bijzonder vernederend”, vindt geen objectieve grondslag in de bestreden beslissing, noch in de stukken van het dossier. De omstandigheid dat verzoekster niet aanwezig kan zijn bij de aanvang van de werkzaamheden van de nieuw aangestelde bestuurder-directeur, kan evenmin overtuigen van de urgentie van de voorliggende vordering, temeer daar er geen reden blijkt om aan te nemen dat die bestuurder-directeur niet op de hoogte zou zijn van de maatregel en van de juiste context waarin alsook de bedoeling waarmee hij is genomen, namelijk ter vrijwaring van de goede werking van de ziekenhuisapotheek en dienvolgens van het ziekenhuis in zijn geheel, “los van enige schuldvraag”. Verzoekster toont derhalve geen bijzondere omstandigheden aan die, om haar te vrijwaren van een onherroepelijk moreel nadeel, tot een onverwijld ingrijpen nopen en derhalve ook ervan overtuigen dat zij niet kan wachten op de uitspraak over een eventueel beroep tot nietigverklaring. 9. Het “bijkomend argument” van verzoekster dat de opgelegde ordemaatregel “de personeelskrapte enkel [versterkt] in plaats van [oplost]”, betreft geen persoonlijk nadeel dat verzoekster ten gevolge van de bestreden beslissingen overkomt en kan bijgevolg niet worden aangenomen. 10. Ten slotte is volgens verzoekster de zaak absoluut hoogdringend, aangezien zij verstoken blijft van de organisatie van de dienst en zij geen opleidingen kan volgen. De bestreden maatregel is bovendien beperkt in de tijd, zodat een gewone schorsing en zeker een vernietiging veel te laat zouden komen. IX-10.162-11/13 Verzoekster laat evenwel in het ongewisse welk persoonlijk nadeel haar overkomt doordat zij gedurende twee maanden, waarvan er overigens reeds één was verstreken op het ogenblik dat zij haar vordering bij de Raad van State heeft ingesteld, niet kan instaan voor de organisatie van de ziekenhuisapotheek. Ook bewaart zij het stilzwijgen over de opleidingen die zij beweerdelijk zou mislopen. De uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verder gelegen toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoekster niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Zoals gezien, brengt verzoekster geen dergelijke gegevens aan. 11. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering niet aantoont. 12. Er is derhalve niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.162-12/13 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-10.162-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.184 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.