← België

Arrest 255191 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 06/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.191 Rolnummer: A. 236899/X-18206 Zaak: Arrest 255191 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 06/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-13 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 07:58 Fiche Arrest nr 255.191 van 6 december 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 255.191 van 6 december 2022 in de zaak A. 236.899/X-18.206 In zake: Tom HARDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alexander Maes en Edward Carlier kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 87 bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 juli 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lubbeek d.d. 14 april 2022 waarbij als ordemaatregel aan verzoekende partij een verbod wordt opgelegd tot het uitoefenen van een nevenwerkzaamheid bij TicketGang en waarbij verzoekende partij wordt verplicht over te gaan tot de opzeg van zijn handelsagentuurovereenkomst met TicketGang, waarvan ten laatste zes maanden na datum van voormeld besluit het bewijs dient te worden aangeleverd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. X-18.206-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelien Bruyninckx, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor verzoeker, en advocaat Alexander Maes, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is statutair in dienst van de verwerende partij als sportfunctionaris. Hij is sinds 2012 in bijberoep ook commercieel vertegenwoordiger van TicketGang, dat onder meer een online-inschrijvingsplatform aanbiedt voor vrijetijdsactiviteiten. In 2014 schrijft de verwerende partij een overheidsopdracht uit met het oog op het invoeren van een online-inschrijvingssysteem. TicketGang neemt er aan deel, maar krijgt de opdracht niet. 3.
  6. Omdat de begunstigde van de overheidsopdracht zijn activiteit staakt, wordt in 2018 een nieuwe overheidsopdracht uitgeschreven. De opdracht wordt op 22 oktober 2018 gegund aan TicketGang. X-18.206-2/15 Op 22 november 2018 wordt verzoeker door zijn diensthoofd gevraagd zijn “banden met de betrokken firma” toe te lichten. Verzoeker geeft daar dezelfde dag nog gevolg aan. Om advies gevraagd, deelt het agentschap Binnenlands Bestuur op 14 december 2018 aan de verwerende partij onder meer mee dat concreet moet worden beoordeeld of er in hoofde van de medewerker een belangenconflict kan bestaan en of er een indruk van een belangenconflict kan bestaan. Het punt van de intrekking van de overheidsopdracht aan TicketGang wordt op de agenda van het college van burgemeester en schepenen van 7 januari 2019 gezet, maar er onbehandeld weer van gehaald. 3.
  7. De coronacrisis brengt mee dat in de schoot van de verwerende partij wordt gedacht aan een aanpassing en de uitbreiding – met een zaalreservatiemodule – van het bestaande online-inschrijvingssysteem, of zelfs aan het uitschrijven van een nieuwe gunningsprocedure. Op 16 februari 2022 worden de besprekingen on hold geplaatst en met een brief van 8 maart 2022 wordt verzoeker opgeroepen om te worden gehoord over het voornemen van het college van burgemeester en schepenen om hem te verbieden zijn nevenwerkzaamheden bij TicketGang voort te zetten. De hoorzitting heeft plaats op 11 april
  8. Op 14 april 2022 beslist het college van burgemeester en schepenen dat verzoeker zijn handelsagentuurovereenkomst bij TicketGang dient op te zeggen en dat de verdere uitoefening van om het even welke nevenwerkzaamheid bij TicketGang verboden wordt. In afwijking hiervan wordt aanvaard dat hij tijdens een overgangsperiode van maximaal zes maanden zijn nevenwerkzaamheid verderzet. Hij mag gedurende die tijd op geen enkele manier betrokken zijn bij, of kennis nemen van, zaken die de belangen van TicketGang of van eventuele concurrenten rechtstreeks of onrechtstreeks aangaan. Verzoeker X-18.206-3/15 moet binnen zes maanden het bewijs bijbrengen van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst. IV. Ontvankelijkheid
  9. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheidsexcepties zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. VI. Voorwaarde van een ernstig middel A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker leidt een tweede middel af “uit een schending van artikel 28bis en bijlage 7 van het Arbeidsreglement van verwerende partij vastgesteld door het gemeenteraadsbesluit van 30 november 2021 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, de hoorplicht en de materiële motiveringsplicht, alsook de formele motiveringsplicht, X-18.206-4/15 zoals neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. Volgens een eerste middelonderdeel maakt de bestreden beslissing een verkapte tuchtstraf uit en gaat ze verder dan wat noodzakelijk is voor het goed functioneren van de openbare dienst. Verzoeker betoogt dat er in zijnen hoofde geen sprake is van een belangenconflict. De verwerende partij heeft voor het opleggen van de maatregel steun gezocht in artikel 28bis van het arbeidsreglement, dat zelf een toepassing is van artikel 191, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: het decreet lokaal bestuur). Er is niet voldaan aan één van de criteria in dat artikel. Evenmin toont de verwijzing naar de deontologische code voor personeelsleden aan dat er een onverenigbaarheid in hoofde van verzoeker bestaat. De objectiviteit van zijn ambtsuitvoering is nooit in het gedrang gekomen. Verzoeker heeft al in 2012 zijn toenmalig diensthoofd en de personeelsdienst ingelicht van zijn nevenwerkzaamheden en, in de jaren nadien, onder anderen de toenmalige algemeen directeur, zijn huidig diensthoofd, de IT-dienst, en een schepen. Ook de verwijzing naar artikel 6, § 1, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ is niet relevant. De bepaling is niet geschonden “aangezien er geen sprake is van een aantasting van de objectiviteit en onpartijdigheid in hoofde van verzoekende partij”. Verzoeker is nooit zelf tot het plaatsen of gunnen van een overheidsopdracht met TicketGang overgegaan, het gunningsverslag is ook niet door hem opgesteld, noch heeft hij eraan meegewerkt. De voorgaande procedures zijn steeds correct en conform de overheidsopdrachtenreglementering verlopen. Verzoeker heeft bij de verwerende partij, in de uitvoering van de opdracht, geen enkele handeling gesteld namens TicketGang. De verwerende partij bewijst niet dat verzoekers nevenwerkzaamheden de goede werking van haar dienstverlening en de interne werking van haar diensten schaadt. Het wordt ten sterkste betwist dat de X-18.206-5/15 nevenwerkzaamheden de goede verstandhouding tussen de collega’s in het gedrang brengen. Overigens voorziet artikel 28bis van het arbeidsreglement louter in de mogelijkheid om de uitoefening van bepaalde nevenwerkzaamheden te verbieden. Het is geen verplichting. Steeds moet in concreto worden nagegaan “of het verbod in verhouding staat tot en redelijk is met de gevolgen ervan”. In casu is de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel “waarbij verwerende partij enkel tot doelstelling heeft om verzoekende partij te bestraffen aangezien er geen enkel bewijs van een schending van de goede werking van de dienst voorligt”. Het opgelegde verbod staat manifest in wanverhouding tot het doel ervan. Het verplicht opzeggen van zijn handelsagentuurovereenkomst met TicketGang zal voor hem zware en onherstelbare ongunstige gevolgen meebrengen. Nagelaten is om alle mogelijke alternatieven te onderzoeken. Het is nochtans perfect mogelijk voor verzoeker om zich afzijdig te houden zodat elke mogelijke schijn van belangenconflict wordt uitgesloten. In een tweede middelonderdeel bekritiseert verzoeker dat hem plots een maatregel wordt opgelegd terwijl de bestaande toestand voordien gedurende jaren werd gedoogd. Er is nooit sprake geweest van een schijn van belangenconflict, minstens is geen enkele maatregel ertegen genomen. Verzoeker mocht er aldus op vertrouwen dat hij zijn nevenactiviteiten bij TicketGang verder mocht uitoefenen. Beoordeling
  12. In 2014 liep bij de verwerende partij een gunningsprocedure voor een online-inschrijvingssysteem dat zou gebruikt worden door onder meer de sportdienst. TicketGang was een van de inschrijvers, maar de opdracht ging uiteindelijk naar Accompan.E. Toen die firma in 2018 haar bedrijvigheid in de sector staakte, startte de verwerende partij een nieuwe gunningsprocedure. Weer was TicketGang X-18.206-6/15 kandidaat. Op 22 oktober 2018 werd TicketGang ook effectief aangesteld voor het online-inschrijvingssysteem voor onder meer de sportdienst. Corona en veelvuldige annuleringen van reserveringen van sportzalen, brengen mee dat de verwerende partij vanaf februari 2021 gaat denken aan aanpassing en uitbreiding van de bestaande applicaties, inzonderheid aan een zaalreservatiemodule, en er zich toe genoopt ziet opnieuw te onderhandelen met TicketGang of een nieuwe gunningsprocedure uit te schrijven.
  13. Verzoeker is sinds 1 mei 2008 in dienst van de verwerende partij als sportfunctionaris. Sedert 15 april 2012 is hij met TicketGang verbonden via een handelsagentuurovereenkomst. Hij staat op de website van TicketGang als enige account manager. Als handelsagent van TicketGang moet verzoeker de belangen van TicketGang behartigen en staat hij onder meer in voor “zowel de bemiddeling als de afsluiting van de zaken”, waartoe onder andere online-zaalreservatiesystemen behoren. Zijn vergoeding bestaat onder meer uit een vast bedrag per contract van een aangebrachte klant en een commissieloon op wat aan de aangebrachte klant gefactureerd wordt voor de ontwikkeling van software of voor de levering van hardware, en op de reservatiekost van een ticket.
  14. Volgens de bestreden beslissing is het primaire doel ervan om de goede werking van de dienst te garanderen. Verschillende collega’s hebben volgens de verwerende partij aangegeven “het lastig te vinden” om betrokken te zijn bij de overheidsopdracht van de gemeente aan TicketGang. Over de samenwerking van de gemeente met TicketGang hangt een waas van belangenvermenging, waardoor de overheidsopdracht volgens hen “niet in een sfeer van vertrouwen [kan] worden uitgevoerd, hetgeen de uitoefening van hun dienst aanzienlijk verzwaart”. Verzoekers nevenwerkzaamheid, aldus nog de bestreden beslissing, leidt bij collega’s tot wantrouwen en spanningen “telkens zij moeten oordelen over de (verdere) samenwerking van de gemeente met de betreffende firma” en zij een beslissing moeten nemen “die de (in)directe belangen van één onder hen kán schaden”. X-18.206-7/15 Voorts is de bestreden beslissing hierdoor ingegeven “dat de gemeente elke schijn van belangenvermenging moet vermijden”. “Dat is des te meer van belang in het licht van eventuele toekomstige beslissingen over de opdracht van TicketGang of haar concurrenten.” De bestreden beslissing zorgt ervoor “dat elke schijn van belangenvermenging kan worden weggenomen voor de burger in het algemeen en voor eventuele andere deelnemers aan aanbestedingen in het bijzonder”.
  15. Volgens verzoeker deugen deze beweegredenen niet. Hij wordt daar vooralsnog niet in gevolgd door de Raad van State.
  16. Op het eerste gezicht terecht, argumenteert de verwerende partij in de bestreden beslissing dat het “[o]p basis van artikelen 191 Decreet Lokaal Bestuur samen gelezen met artikel 28bis en bijlage 7 bij het Arbeidsreglement van de gemeente Lubbeek” duidelijk is dat bepaalde nevenactiviteiten onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van ambtenaar. In lijn met artikel 191, § 1, van het decreet lokaal bestuur, zo lijkt, schrijft artikel 28bis van het arbeidsreglement van de verwerende partij voor dat de hoedanigheid van personeelslid van de gemeente onverenigbaar is met elke nevenwerkzaamheid die “verhindert dat [de personeelsleden] hun ambtsplichten vervullen of die de waardigheid van het ambt of de eigen onafhankelijkheid in het gedrang brengt”. Bijlage 7 bij het arbeidsreglement behelst de deontologische code voor personeelsleden. Wat punt 4 ‘Objectiviteit’ betreft, wordt onder andere bepaald: “U probeert zo veel mogelijk te voorkomen dat privébelangen de objectiviteit van uw taakuitoefening kunnen beïnvloeden. Dat is bijvoorbeeld het geval als u zelf of via een tussenpersoon belangen hebt in bedrijven of organisaties die u in uw functie moet beoordelen bij een administratieve procedure.” X-18.206-8/15 Ten minste in de huidige stand van zaken ziet de Raad van State geen reden om het oordeel van de verwerende partij te betwijfelen dat er, gelet op het voorgaande, “minstens een schijn van belangenvermenging bestaat in hoofde van Tom Harding”. Als diensthoofd Sport, en enige verantwoordelijke voor die dienst, maakt hij rechtstreeks gebruik van de diensten van TicketGang en is hij betrokken, of moet hij gezien zijn functie normaal betrokken zijn, bij de uitvoering van de opdracht aan TicketGang en bij de nieuwe opdrachten die in dit verband in de toekomst te begeven zijn. Tegelijk is hij een handelsagent van deze dienstverlener/kandidaat bij gunningsprocedures, en wordt hij er door betaald. Dit lijkt van aard zijn onafhankelijkheid en objectiviteit als gemeentelijke sportfunctionaris te compromitteren.
  17. Evenmin lijkt het voor ernstige betwisting vatbaar dat de betrokkenheid van verzoeker bij TicketGang tevens problematisch is in het licht van artikel 6 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’. Luidens dit artikel moet immers de aanbesteder de nodige maatregelen treffen om tijdens de plaatsing en de uitvoering belangenconflicten doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Het begrip belangenconflict beoogt, aldus het artikel, ten minste iedere situatie waarin een bij de plaatsing of de uitvoering betrokken ambtenaar direct of indirect, financiële, economische of andere persoonlijke belangen heeft die geacht kunnen worden hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de plaatsing of de uitvoering in het gedrang te brengen.
  18. Mede gelet op de verklaringen in stuk 18 van het administratief dossier, is het in de huidige stand van zaken ook aannemelijk dat het zogenaamde “waas van belangenvermenging” niet zonder gevolgen is voor verzoekers collega’s, in die zin dat het het voor hen moeilijker maakt om tot een onbevangen oordeel te komen, nu een beslissing van invloed is of kan zijn op verzoekers (financiële) belangen.
  19. Anders dan verzoeker is de Raad van State eveneens van mening dat de bestreden beslissing en haar gevolgen niet zonder redelijk verband van X-18.206-9/15 evenredigheid zijn met het beoogde doel, namelijk de ogenschijnlijk reële zweem van belangenvermenging wegnemen en (daardoor) de goede werking van de diensten dienen en verbeteren. Wat, eendeels, de afwezigheid van een doenbaar alternatief betreft, wordt in de bestreden beslissing geargumenteerd dat verzoeker, rekening houdend met zijn takenpakket als sportfunctionaris, zijn profiel en de vacante plaatsen, momenteel niet kan worden overgeplaatst naar een functie of dienst waarin hij niet wordt geconfronteerd met TicketGang, terwijl het onwerkzaam is om hem in zijn huidige functie elk contact met TicketGang te verbieden. Concrete afspraken die waarborgen dat verzoeker op geen enkele manier betrokken is bij of kennis neemt van zaken die de belangen van TicketGang of concurrenten aangaan, kunnen geen definitieve oplossing uitmaken aangezien een belangrijk deel van zijn takenpakket hem nu eenmaal direct of indirect met de belangen van TicketGang in aanraking brengt. Zulke afspraken heten hoogstens dienstig te kunnen zijn om een overgangsperiode naar de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst te overbruggen. Met betrekking tot, anderdeels, de nadelige gevolgen voor verzoeker, wordt in de bestreden beslissing overwogen dat het argument van zijn financiële verlies in overweging werd genomen, maar dat de financiële gevolgen “ook niet overdreven [mogen] worden”: “Er wordt immers vastgesteld dat tegelijkertijd gevraagd wordt om over te gaan van een voltijdse naar een halftijdse opdracht bij de gemeente Lubbeek. Het lijk de gemeente daardoor niet zo dat de financiële toestand van Tom Harding van die aard is dat het stopzetten van de bijverdienste bij TicketGang kan leiden tot de onmogelijkheid om een lening af te betalen, terwijl het halveren van de arbeidsprestaties bij de gemeente klaarblijkelijk niet tot financiële problemen zou leiden.” Op het eerste gezicht kan zowel het een als het ander de Raad van State voldoende overtuigen.
  20. Uit wat voorafgaat, volgt dat er voor de bestreden beslissing motieven voorhanden zijn die alleszins voorlopig doen aannemen dat er wezenlijk mee wordt beoogd het belang en de werking van de gemeentelijke diensten veilig X-18.206-10/15 te stellen. Voorts blijkt vooralsnog niet dat de beslissing “verder gaat dan wat noodzakelijk is voor het goed functioneren van de openbare dienst”. Ten minste in de huidige stand van de procedure wordt niet bijgevallen dat de beslissing een verkapte tuchtstraf zou uitmaken en dat de verwerende partij verzoeker in werkelijkheid heeft willen straffen voor schuldig gedrag. In zoverre is het eerste middeldeel niet ernstig.
  21. Voor zoveel verzoeker in het eerste middelonderdeel en in het tweede middelonderdeel argumenten ontleent aan het feit dat hij altijd transparant is geweest over zijn nevenwerkzaamheden bij TicketGang en dat de verwerende partij die nevenwerkzaamheden gedurende járen heeft gedoogd, vallen de middelonderdelen samen met het eerste middel dat hierna aan bod komt. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  22. Een eerste middel wordt afgeleid “uit een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de redelijke termijneis, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, de hoorplicht en de materiële motiveringsplicht, alsook de formele motiveringsplicht, zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. Toegelicht wordt dat de verwerende partij al van 2012 op de hoogte was van de nevenwerkzaamheden van verzoeker bij TicketGang en gedurende al de jaren sindsdien deze nevenwerkzaamheden heeft gedoogd. Minstens heeft zij er weet van sinds 2014 en in ieder geval vanaf
  23. De verwerende partij heeft ten minste vier jaar stilgezeten en gewacht alvorens de bestreden maatregel op te leggen. Gelet op de belangen van verzoeker die op het spel stonden, diende de verwerende partij binnen een redelijke termijn te beslissen. Nu is verzoeker jaren in de waan gelaten dat hij zich kon bekwamen in zijn X-18.206-11/15 activiteit in bijberoep, zodat niet van hem verwacht kan worden dat hij de opgebouwde ervaring en neveninkomsten opeens laat varen “omdat verwerende partij plots, zonder aanleiding en zonder verantwoording, een andere koers wil gaan varen”. De stelling in de bestreden beslissing dat er “nieuwe feiten” zijn, is onjuist. De zogezegde nieuwe feiten zijn louter een herhaling van voorgaande feiten, meer bepaald een beslissing over de samenwerking met TicketGang en het eventueel uitbreiden van de reeds gegunde overheidsopdracht. Bovendien wordt niet aangetoond dat er reeds voorbereidende handelingen zijn genomen voor het uitbreiden van de opdracht en het in de markt zetten van een nieuwe overheidsopdracht. Zelfs als TicketGang zou worden uitgenodigd bij het starten van een nieuwe prijsvraag is het nog allesbehalve zeker dat de overheidsopdracht aan haar wordt gegund, zodat de bestreden beslissing “erg voorbarig” is. De manifeste schending van de redelijke termijn heeft bevoegdheidsverlies tot gevolg. Ook het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel werden geschonden. Verzoeker mocht er, gelet op het jarenlange stilzwijgen van de verwerende partij, in goed vertrouwen van uitgaan dat zijn nevenwerkzaamheden bij TicketGang geen enkel probleem deden rijzen. Beoordeling
  24. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij al van in 2012 of 2014 en alleszins sedert 2018 weet van zijn nevenwerkzaamheden bij Ticketgang, zonder dat zij daar vóór de bestreden beslissing iets tegen ondernomen heeft. Dit wordt door de verwerende partij maar deels betwist. Er zou geen overtuigend bewijs zijn van het feit dat zij al van 2012 of 2014 kennis had van de nevenactiviteiten, maar erkend wordt dat de gemeente er wél reeds sinds eind 2018 van op de hoogte is. Weliswaar heeft verzoeker er het college van burgemeester en schepenen niet zelf correct formeel van ingelicht en is een medewerker er slechts “toevallig” achter gekomen, via de website van TicketGang. X-18.206-12/15 Omdat op dat moment de gunningsbeslissing aan TicketGang van 22 oktober 2018 toch al genomen was, is die informatie uiteindelijk zonder gevolg gelaten: geen van de afgewezen kandidaten uitte een vermoeden van onregelmatigheid en de zaak werd als niet prioritair beschouwd.
  25. “Dat veranderde”, aldus de bestreden beslissing, toen wegens de coronaprocedure de opdracht van TicketGang moest worden uitgebreid met een zaalreservatiemodule. Dit zou, volgens de uitleg in de nota, een aanzienlijke meerkost kunnen betekenen die eventueel ook noodzakelijk zou maken dat een nieuwe gunningsprocedure wordt gestart, waarbij dan evident TicketGang betrokken zou worden. Het zijn die nieuwe feiten die, naar de – ogenschijnlijk terechte – mening van de verwerende partij, de kwestie van een mogelijk ernstig belangenconflict begin 2022 (weer) op de voorgrond, in de schijnwerper, plaatsten en haar deden besluiten dat, zonder oplossing ervoor, de gunningsprocedure voor de zaalreservatiemodule niet kan worden gestart.
  26. De vraag die het besproken middel opwerpt, is of door het tijdsverloop van meerdere jaren de verwerende partij zonder meer onbevoegd is geworden om nog verzoekers nevenactiviteiten te verbieden, dan wel of minstens verzoeker uit dit tijdsverloop de zekerheid mag putten dat de verwerende partij er zich ook in de toekomst van zal onthouden de uitoefening van zijn nevenactiviteiten te verbieden. Naar het voorlopig oordeel van de Raad van State moet het antwoord twee keer negatief zijn. Dat de verwerende partij met betrekking tot verzoekers nevenactiviteit minstens vanaf eind 2018 jarenlang heeft laten betijen, lijkt niet per se uit te sluiten dat zij bij een nieuwe afweging van de verschillende belangen – namelijk van het bestuur, van derden, inzonderheid de concurrenten van TicketGang, en van verzoeker – rechtmatig tot de bevinding kan komen dat er bijzondere redenen zijn om haar vroegere houding van passiviteit bij te stellen. X-18.206-13/15
  27. Als gezien, heeft de noodzaak van een nieuw zaalreservatiesysteem een nieuwe afweging van belangen acuut gemaakt (stuk 17C van het administratief dossier). Een dergelijke nieuwe afweging haakt overigens op het eerste gezicht in op de bepaling in artikel 28bis van het arbeidsreglement dat het college “de verdere uitoefening” van bepaalde nevenwerkzaamheden kan verbieden. Deze nieuwe afweging bracht de verwerende partij ertoe de voortzetting van verzoekers betrokkenheid bij TicketGang prohibitief te achten. De redenen daarvoor zijn bij een eerste beoordeling van het eerste middelonderdeel van het tweede middel niet zonder grond gebleken: de betrokkenheid zorgt voor (ten minste) een schijn van belangenvermenging en ze bezwaart de goede werking van de gemeentelijke diensten. In de gegeven omstandigheden wordt, alvast in de huidige stand van de procedure, niet bijgevallen dat de verwerende partij verplicht was om te volharden in het gedogen van verzoekers nevenactiviteiten.
  28. Er lijkt des te minder sprake van een ongeoorloofde schending van gewekte verwachtingen nu de verwerende partij, zoals zij in de nota benadrukt, er zorg voor heeft gedragen “om enige impact van de maatregel van inwendige orde zoveel als mogelijk te beperken”: precies daarom werd in een overgangsperiode van zes maanden voorzien, wat verzoeker moet toelaten zijn handelsagentuurovereenkomst zonder kosten te beëindigen en hem in de gelegenheid stelt om desgevallend een andere, verenigbare, bijverdienste te vinden om het inkomstenverlies op te vangen.
  29. Het eerste middel is niet ernstig. C. Conclusie
  30. Aangezien geen ernstige middelen worden aangevoerd, is in ieder geval aan één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen. X-18.206-14/15 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.206-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.191 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.