id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.192 Rolnummer: A. 233815/X-17952 Zaak: Arrest 255192 - Onbewoonbare en ongezonde/onveilige woningen - 06/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-08 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 07:58 Fiche Arrest nr 255.192 van 6 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Onbewoonbare en ongezonde/onveilige woningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.192 van 6 december 2022 in de zaak A. é.815/X-17.952 In zake : Guy BOUSSY HAESAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te 1000 Brussel A. Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- De vordering, ingesteld op 7 juni 2021, strekt tot de toekenning van een schadevergoeding tot herstel “op grond van de onwettigheid vastgesteld door de Raad van State bij arrest nr. 250.297 van 2 april 2021”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en verzoeker hebben een laatste memorie ingediend. X-17.952-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Marijn Serneels, die loco avocaat Walter Muls verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna RvS-wet). III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van een aantal woningen in een pand, gelegen aan de Kapellestraat 76 te Oostende. 3.
- Op 1 februari 2018 stelt de adviseur Woningkwaliteit van Wonen-Vlaanderen een advies inzake ongeschiktheid op met betrekking tot de woningen te Oostende, Kapellestraat 76, bussen 101, 102, 103, 104, 105, 201, 301, 302, 303, 304 en 305, en verklaart hij dat de woningen in aanmerking komen voor ongeschiktverklaring door de burgemeester. 3.
- De adviseur Woningkwaliteit stelt op 21 november 2018 beroep in tegen het stilzitten van de burgemeester. 3.
- Bij besluit van 21 februari 2019 verklaart de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding de woningen gelegen Kapellestraat 76 (bus 101 - bus 103 - bus 104 - bus 105 - bus 201 - bus 301 - bus 302 - bus 304 - bus 305) te Oostende X-17.952-2/12 niet ongeschikt en de woningen gelegen Kapellestraat 76 (bus 102 - bus 303) te Oostende ongeschikt. 3.
- Bij arrest nr. 250.297 van 2 april 2021 vernietigt de Raad van State het voormelde besluit tot ongeschiktverklaring van de woningen te Oostende, Kapellestraat 76, bus 102 en bus
- De Raad van State verklaart het eerste middel gegrond, om reden dat de bevoegde minister het administratief beroep niet (gedeeltelijk) gegrond mocht bevinden en de woningen gelegen te Kapellestraat 76, bussen 102 en 303, ongeschikt verklaren aangezien overeenkomstig artikel 16, § 1, van het toentertijd geldende besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 2013 ‘betreffende kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen’ de gewestelijke ambtenaar bij de minister beroep kan aantekenen tegen het stilzitten van de burgemeester “met een gemotiveerd verzoekschrift”, terwijl in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat de adviseur ook effectief een dergelijk gemotiveerd beroepschrift heeft ingediend. Op basis van deze nietigverklaring vordert verzoeker een schadevergoeding tot herstel. IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen 4.1.
- Verzoeker betoogt dat hij zich, als gevolg van het onwettige beroep van de gewestelijke ambtenaar, tijdens de administratieve beroepsprocedure heeft moeten laten bijstaan door een raadsman, gespecialiseerd in administratief recht. Die raadsman heeft op 18 december 2018 namens hem een verweernota ingediend en heeft nadien ook herinneringsmails verstuurd. Zonder het onwettige beroep van de gewestelijke ambtenaar zou hij zich niet hebben moeten laten bijstaan door een raadsman, zodat er een oorzakelijk verband is tussen dit nadeel en de vastgestelde onwettigheid. X-17.952-3/12 4.1.
- Daarnaast stelt verzoeker dat hij, als gevolg van de onwettige ongeschiktverklaring de betrokken woonentiteiten niet meer mocht verhuren, omdat het verhuren van een ongeschikte woning strafbaar is. Ook hier is er een oorzakelijk verband tussen dit nadeel en de vastgestelde onwettigheid. 4.1.
- Nog deelt verzoeker mee dat, op basis van het vernietigde besluit, de ruimtes in het pand aan de Kapellestraat 76 met bus 102 en bus 303 op datum van 21 februari 2019 opgenomen werden in de Vlaamse inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen. Op dezelfde datum werden de woningen ook opgenomen in de gemeentelijke inventaris “ongeschikt-onbewoonbaar” van de stad Oostende, waarna de stad Oostende de volgende belastingen wegens ongeschiktheid heeft gevestigd: een aanslag van 3.000 euro voor bus 102 voor aanslagjaar 2019, een aanslag van 3.000 euro voor bus 303 voor aanslagjaar 2019 en een aanslag van 12.000 euro voor bus 102 voor aanslagjaar
- Van de betalingsplicht voor 2020 werd verzoeker ontheven. Zonder de onwettige ongeschiktverklaring zouden de woningen niet in de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen zijn opgenomen en zou verzoeker de gemeentelijke belasting niet hebben moeten betalen. Verzoeker betoogt dat hij zich bij het opkomen tegen de onwettige belastingaanslagen heeft moeten laten bijstaan door een raadsman, gespecialiseerd in administratief recht. Zijn raadsman heeft verschillende procedurestukken moeten opmaken, heeft hem vertegenwoordigd op de hoorzitting van de stad Oostende, en heeft brieven geschreven aan de stad Oostende en aan het agentschap Wonen Vlaanderen met een verzoek tot schrapping uit de inventaris. 4.
- Verzoeker begroot de door hem geleden schade in zijn verzoekschrift als volgt: “Administratieve procedure Kosten raadsman voor studie dossier, bespreking dossier, redactie van het schriftelijk standpunt tijdens de administratieve beroepsprocedure en opmaak herinneringsmails (zie stukken 3, 4 en 23): 4u00 x 120 euro/u (+21% btw) = 580,80 euro. [...] X-17.952-4/12 Verlies aan huurinkomsten Als gevolg van de (onwettige) ongeschiktverklaring mocht verzoeker de woonentiteiten aan de Kapellestraat 76 bus 102 en bus 303 niet verhuren. Voor de studio met bus 303 leed verzoeker schade door een verlies aan huurinkomsten. De huurprijs van de studio met bus 303 bedroeg 325 euro/maand. De ongeschiktheid duurde van maart 2019 tot en met april 2021, ofwel 26 maanden. Dat betekent een verlies aan huurinkomsten van 26 x 325 = 8.450 euro. [...] Belastingen stad Oostende Gemeentebelastingen stad Oostende op gebouwen en/of woningen die beschouwd worden als onbewoonbaar en/of ongeschikt aanslagjaar 2019 (zie stukken 7 en 8): 2 x 3.000 = 6.000 euro. [...] Kosten raadsman: Redactie bezwaarschrift (aanslagjaar 2019) (stuk 9) 4u00 Hoorzitting stadhuis Oostende 30 januari 2020 (zie stuk 10) 2u48 Redactie verzoekschrift bij rechtbank van eerste aanleg (fiscale kamer) (stuk 11) 3u00 Instaatstelling procedure rechtbank van eerste aanleg 0u36 Redactie conclusie rechtbank van eerste aanleg (stuk 12) 3u36 Opzoekingen rechtspraak en rechtsleer 1u36 Redactie syntheseconclusie rechtbank van eerste aanleg (stuk 13) 2u48 Briefwisseling div. 0u48 Besprekingen dossier met cliënt 1u30 Redactie bezwaarschrift (aanslagjaar 2020) (stuk 15) 1u48 Opstellen verzoek tot schrapping aan stad Oostende en Wonen Vlaanderen 1u00 Totale prestaties tot op heden: 23u30 x 120 euro/u (+21% btw) = 3.412,20 euro. Het beroep tegen de aanslagbiljetten voor aanslagjaar 2019 wordt op 28 september 2021 behandeld voor de rechtbank van eerste aanleg in Brugge (zie stuk 14). De kostprijs van de vertegenwoordiging ter zitting (incl. voorbereiding en verplaatsing) wordt geschat op 3u x 120 euro/u (+21% btw) = 435,60 euro. [...] Totale schade Administratieve procedure: 580,80 euro Verlies aan huurinkomsten: 8.450 euro Belastingen stad Oostende: 6.000 euro + 3.412,20 euro + 435,60 euro = 9.847,80 euro Totaal: 580,80 euro + 8.450,00 euro + 9.847,80 euro = 18.878,60 euro.” Naast de totale kosten van 18.878,60 euro, vraagt verzoeker om het bedrag van de schadevergoeding te verhogen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 21 december 2018, zijnde de datum van het onwettige beroep van de gewestelijke ambtenaar vanaf wanneer de geleden nadelen en schade een aanvang hebben genomen. X-17.952-5/12 5.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat verzoeker ten onrechte probeert de kosten en honoraria van zijn raadsman met toepassing van artikel 11bis RvS-wet te vorderen. De schadevergoeding tot herstel kan hier principieel niet voor worden toegekend aangezien deze kosten al worden gedekt door de rechtsplegingsvergoeding, zijnde de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat. Wat betreft de kosten voor de “administratieve procedure” en “Belastingen stad Oostende” dient niet alleen rekening te worden gehouden met de rechtsplegingsvergoeding, maar daarenboven zijn deze kosten niet verbonden aan het geschil dat heeft geleid tot ’s Raads arrest nr. 250.297 van 2 april 2021, omdat de belastingen werden geheven door de stad Oostende, zodat verzoeker deze kosten eventueel van de stad Oostende, die dit vermogensvoordeel genoot, moet terugvorderen. De verwerende partij ging niet over tot heffing van de gemeentebelasting en genoot evenmin de betaling ervan, zodat zij niet kan gehouden worden tot de terugbetaling van de belasting “en haar aanhorigheden”. Met betrekking tot de schadevergoeding voor “verlies aan huurinkomsten” antwoordt de verwerende partij dat het vernietigingsarrest zich uitgesproken heeft over de wijze waarop de gewestelijke ambtenaar beroep heeft aangetekend tegen het stilzitten van de stad Oostende, maar er wordt geen uitspraak gedaan over de vraag of de ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring al dan niet onterecht zou zijn. Het niet kunnen verhuren van een of meerdere woningen en het beweerde inkomensverlies hierdoor volgt dus niet uit de besluiten tot ongeschiktverklaring, maar wel uit het feit dat de woningen niet conform zijn en dus niet mogen worden verhuurd. De vordering tot schadevergoeding is dus ongegrond. 5.
- Ondergeschikt wijst de verwerende partij erop dat de Raad van State via de toepassing van artikel 11bis RvS-wet enkel zekere en vaststaande schade kan vergoeden. Het verlies aan huurinkomsten is allerminst een zekere en vaststaande schade. Meer nog, dit is geen verlies aan huurinkomsten maar wel een verlies van de kans om huurinkomsten te genereren. Het is dan ook absoluut niet X-17.952-6/12 zeker dat bij het ontbreken van de nietigverklaarde beslissing het pand doorheen de hele periode van ongeschiktheid (maart 2019 - april 2021) ononderbroken verhuurd zou zijn geweest. De verzoekende partij vermenigvuldigt de maandelijkse huurprijs eenvoudigweg met 26, maar toont niet aan dat de woning bij het ontbreken van de nietigverklaarde beslissing wel degelijk 26 maanden verhuurd zou zijn geweest. Bijkomend benadrukt de verwerende partij dat de Raad van State niet verplicht is om de volledige schade te vergoeden. Uit artikel 11bis blijkt het tegendeel: de schadevergoeding tot herstel dient te worden toegekend “met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang”. Rekening houdend met het feit dat verzoeker slechts de eventuele kans op huurinkomsten heeft verloren, dient de gevorderde schadevergoeding wegens “verlies aan huurinkomsten” dan ook gematigd te worden tot een redelijk bedrag. 6.1.
- Verzoeker stelt in haar memorie van wederantwoord vooreerst dat de kosten van de bijstand tijdens de administratieve procedure niets te maken hebben met de belastingen van de stad Oostende. Verder omvat de rechtsplegingsvergoeding alleen de advocatenkosten in de procedure voor de Raad van State. Ook de rechtsplegingsvergoeding bij de rechtbank van eerste aanleg zit niet in deze post vervat. 6.1.
- Met betrekking tot het verlies aan huurinkomsten stelt verzoeker dat de ongeschiktheid van maart 2019 tot en met april 2021 (26 maanden) heeft geduurd, en dat hij al die tijd de studio met bus 303 niet mocht verhuren. Verder legt hij een brief van het agentschap Wonen Vlaanderen van 28 oktober 2019 voor, waaruit moet blijken dat deze studio minstens vanaf 30 september 2019 volledig conform was aan de kwaliteitsnormen volgens de Vlaamse Wooncode. Gedurende de periode van oktober 2019 tot en met april 2021 kan immers niet betwist worden dat de studio met bus 303 volledig conform was aan de kwaliteitsnormen volgens de Vlaamse Wooncode. Ondergeschikt wordt voor deze periode een schadevergoeding gevorderd van 6.175 euro (dit is 19 x 325 euro). X-17.952-7/12 In verband met de vraag van de verwerende partij om de schadevergoeding te matigen “tot een redelijk bedrag” omdat zij “slechts de eventuele kans op huurinkomsten heeft verloren”, stelt verzoeker dat de matigingsbevoegdheid van de Raad van State geen verplichting is, en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De verwerende partij toont niet aan dat die uitzonderlijke omstandigheden te dezen van toepassing zouden zijn. 6.1.
- Wat de post “belastingen stad Oostende” betreft, stelt verzoeker dat de door hem betaalde belastingen nog niet zijn terugbetaald door de stad Oostende. De zaak is door de rechtbank in beraad genomen, maar er is nog geen uitspraak. Hij stelt dat een aantal advocatenkosten sowieso niet vervat zitten in de mogelijke rechtsplegingsvergoeding die hij van de rechtbank zal krijgen. De advocatenkosten verbonden aan de administratieve procedure – begroot op 1.524,60 euro – zijn daarin niet vervat. In ondergeschikte orde vordert verzoeker dit laatste bedrag. 6.
- Indien de in hoofdorde gevorderde kosten ten bedrage van 18.878, 60 euro, niet zouden worden toegekend, vordert verzoeker ondergeschikt het volgende: “In ondergeschikte orde: Administratieve procedure: 580,80 euro Verlies aan huurinkomsten: 6.175,00 euro Belastingen stad Oostende: 6.000,00 euro + 1.524,60 euro = 7.524,60 euro Totaal: 580,80 euro + 6.175,00 euro + 7.524,60 euro = 14.280,40 euro” Hij herhaalt ten slotte zijn vraag om het bedrag van de schadevergoeding te verhogen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 21 december
- 7.
- Verzoeker doet in zijn laatste memorie, wat het verlies aan huurinkomsten betreft, nog gelden dat hij zich kan akkoord verklaren met de begroting in het auditoraatsverslag van deze schadepost ex aequo et bono op een bedrag van 3.900 euro, “wat overeenstemt met een verhuring voor een periode van 12 maanden van de door verzoeker gehanteerde huurprijs van 325 euro. X-17.952-8/12 Wat de belastingen van de stad Oostende betreft, wijst verzoeker erop dat hij tegen de belastingen voor aanslagjaar 2019 administratief bezwaar heeft aangetekend bij het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens, nadat dit bezwaar werd verworpen, een beroep heeft aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg. Bij vonnis van 26 oktober 2021 werd dit beroep verworpen. Tegen deze beslissing is met een verzoekschrift van 15 april 2022 hoger beroep aangetekend. Verzoeker betoogt dat artikel 11bis, vijfde lid, RvS-wet, de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering betreft, en dat deze bepaling niet verhindert dat hij een schadevergoeding voor de Raad van State kan vorderen wanneer ook een vordering werd ingesteld op grond van de artikelen 9 en 10 van het decreet van 30 mei 2008 ‘betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen’. Wat de begroting van de schade met betrekking tot de belastingen van de stad Oostende betreft, stelt verzoeker dat de zaak voor het hof van beroep voor pleidooien is vastgesteld op 20 juni 2023, en dat hij “een aangepaste begroting” zal voorleggen aan de Raad van State als er een arrest van het hof van beroep zal zijn tussengekomen. 7.
- Het “algemeen totaal” van de kosten begroot verzoeker in zijn laatste memorie op “3.900,00 euro + 7.524,60 euro = 11.424,60 euro”. Waar in het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat geen vergoedende interesten verschuldigd zijn als de schadevergoeding ex aequo et bono wordt vastgesteld, stelt verzoeker dat in dat geval wel gerechtelijke interesten kunnen worden toegekend. Dit alles geldt volgens hem “uiteraard alleen voor de verloren huurinkomsten”. Verzoeker vraagt om het bedrag van de schadevergoeding “te verhogen met de gerechtelijke interesten voor die schadepost, maar handhaaft zijn vordering voor de andere schadepost (belastingen stad Oostende)”.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat verzoeker aanhaalt dat de studio met bus 303 eind 2019 al conform was. Zij wijst erop dat “[i]n de situatie waarin een woning eerst terecht ongeschikt werd bevonden en betrokkene nadien werken uitvoert zodat de woning conform is, [...] niets betrokkene [verhindert] dat hij de woning terug verhuurt”. De Vlaamse Codex Wonen regelt enkel de rechtsverhouding tussen de overheid en de eigenaar en zegt niets over de contractuele relatie tussen huurder en verhuurder. Zodra de woning X-17.952-9/12 kwalitatief conform is, kan deze in principe ook worden verhuurd. De contractuele relatie tussen huurder en verhuurder wordt in beginsel geregeld door het Vlaamse Woninghuurdecreet, dat geen verbod tot verhuring in het geval van een besluit tot ongeschiktverklaring oplegt. Beoordeling 9.
- Artikel 11bis, eerste lid, RvS-wet bepaalt: “Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.” 9.
- Om met toepassing van artikel 11bis RvS-wet een schadevergoeding tot herstel te kunnen verkrijgen, moet een onwettigheid van een besluit zijn vastgesteld en dient er een causaal verband te bestaan tussen dit onwettig besluit en de geleden schade. De verzoekende partij moet zijn vordering staven met concrete elementen, die de Raad van State toelaten de schade vast te stellen. 9.
- De onwettigheid van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 21 februari 2019, waarop verzoeker zijn huidige vordering steunt, is vastgesteld met ’s Raads arrest nr. 250.297 van 2 april 2021 en wordt door de verwerende partij niet betwist. 9.
- Verzoeker vraagt een vergoeding voor 1) de erelonen die hij tijdens de administratieve procedure voorafgaand aan het vernietigde besluit aan zijn raadsman heeft dienen te betalen, 2) de gederfde inkomsten wegens het niet kunnen verhuren van de studio met bus 303, en 3) de kosten met betrekking tot de X-17.952-10/12 door de stad Oostende gevorderde belastingen op de ongeschiktverklaring van die studio. 9.
- Wat de eerst vermelde kostenpost betreft, wordt aangenomen dat deze geen rechtstreeks gevolg is van de met ’s Raads arrest nr. 250.297 van 2 april 2021 vernietigde akte, zijnde het besluit van 21 februari 2019 tot ongeschiktverklaring van de betreffende woningen te Oostende. 9.
- Wat de kostenpost van de gederfde huurinkomsten aangaat, dient vastgesteld te worden dat verzoeker geen ander stuk bijbrengt dan een brief van het agentschap Wonen van 28 oktober 2019, die er melding van maakt dat uit een nieuw conformiteitsonderzoek door de wooninspecteur van Wonen-Vlaanderen op 30 september 2019 is gebleken dat “de woning opnieuw aan de kwaliteitsnormen volgens de Vlaamse Wooncode [voldoet]”. Met de verwerende partij moet aangenomen worden dat niets verzoeker belette om vanaf oktober 2019 de kwestieuze studio opnieuw te verhuren. Wat de daaraan voorafgaande periode betreft, te weten vanaf het vernietigde besluit tot ongeschiktverklaring tot en met september 2019, blijkt niet dat de studio geschikt was voor verhuur. Verzoeker brengt ter zake geen enkel stuk bij, terwijl de door hem voorgelegde brief van het agentschap Wonen van 28 oktober 2019 juist op het tegendeel wijst. Bovendien verklaart verzoeker zich in zijn laatste memorie akkoord met de conclusie in het auditoraatsverslag, waarbij met betrekking tot de gederfde huurwinsten wordt aangenomen dat de studio pas vanaf oktober aan de kwaliteitsnormen van de Vlaamse Wooncode voldoet. Gelet op wat voorafgaat, wordt verzoeker geen vergoeding wegens gederfde huurgelden toegekend. 9.
- Wat tenslotte de door de stad Oostende geïnde belastingen wegens ongeschiktheid van de woning aangaat, wordt vastgesteld dat een dergelijke belasting in rechte dient betwist te worden overeenkomstig de geschillenprocedure voor provincie- en gemeentebelastingen, zoals geregeld door het decreet van 30 mei 2008 ‘betreffende de vestiging, de invordering en de X-17.952-11/12 geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen’. Dit decreet voorziet daartoe in een administratief beroep bij de bevoegde overheid (artikel 9), beslissing waartegen een jurisdictioneel beroep openstaat bij de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de belasting gevestigd werd (artikel 10). Verzoeker heeft dit administratief en jurisdictioneel beroep ook ingesteld. Gelet op de uitdrukkelijk door de decreetgever voorziene regeling met het oog op de definitieve vaststelling van de al dan niet verschuldigde belasting, kan de vordering tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis RvS-wet niet worden aangewend voor de vergoeding van deze schadepost. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.952-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div