← België

Arrest 255195 - Wapens - 07/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.195 Rolnummer: A. 233145/IX-10051 Zaak: Arrest 255195 - Wapens - 07/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-12 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 07:58 Fiche Arrest nr 255.195 van 7 december 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.195 van 7 december 2022 in de zaak A. é.145/IX-10.051 In zake : Danny LOOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Laure Proost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 12 januari 2021 waarbij de aanvraag van Danny Loos tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.051-1/15 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laure Proost, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een lang semiautomatisch wapen, dat is omgebouwd van een automatisch wapen. Als wettige reden vermeldt hij ‘sportief en recreatief schieten’. Bij die aanvraag is een verklaring van de proefbank voor vuurwapens van 18 oktober 2007 gevoegd, waarin wordt vermeld dat het betrokken wapen “gewijzigd is geweest, volgens de wet van [8] juni 2006, om IX-10.051-2/15 niet meer op een automatische wijze te kunnen schieten”. Voorts is ook een tijdelijk certificaat van de vzw Vlaamse Schietsportkoepel (hierna: VSK) bijgevoegd, opgesteld op 20 november 2019, waarin wordt verklaard dat het vuurwapen voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport, dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. 3.
  6. De gouverneur van de provincie Limburg weigert op 13 februari 2020 de voormelde aanvraag. De motivering van die beslissing luidt: “Gelet op artikel 3 § 1, 20° van de wapenwet, ingevoegd door artikel 153 van de Wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, waarin wordt bepaald dat lange semi-automatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen voortaan verboden wapens zijn. Overwegende dat de heer Loos verklaart dat voornoemd wapen voldoet aan de bepalingen van artikel 3, § 1, 20° van de wapenwet.” 3.
  7. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 25 februari 2020 een administratief beroep in bij de minister van Justitie. 3.
  8. Op 12 januari 2021 verwerpt de minister van Justitie het beroep en beslist dat verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van het betreffende vuurwapen wordt geweigerd. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit uw dossier is gebleken dat u op 11 juni 2019 een aanvraag heeft ingediend tot het bekomen van een lang wapen met getrokken loop, merk Manurhin, kaliber 308 winchester, serienummer
  9. Dit betreft een volautomatisch vuurwapen dat werd omgebouwd tot een semiautomatisch vuurwapen. Artikel 3, §1, 19° van de wapenwet stelt dat als verboden wapen worden beschouwd: automatische vuurwapens die zijn omgebouwd tot semiautomatische vuurwapens. Voormelde vuurwapens worden sinds de wetswijziging van 5 mei 2019 (artikel 153 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek) als IX-10.051-3/15 verboden beschouwd. Indien er twijfel bestaat omtrent de categorisering van vuurwapens is de Proefbank voor vuurwapens te Luik in België de referentie-autoriteit die terzake uitsluitsel kan geven. De Proefbank heeft met een algemeen schrijven van 5 augustus 2019 uitleg verschaft aan de diensten van gouverneur met betrekking tot de categorisatie van betrokken wapens. In dit schrijven deelde de Proefbank mee dat geen enkel dossier met vuurwapens uit de categorie 19° kan toegelaten worden omwille van onder andere volgende redenen: - een model 4 kan enkel vergunningsplichtige vuurwapens dekken, nooit verboden vuurwapens (artikel 11); - er bestaat geen definitie van een omgebouwd wapen; - er is geen garantie indien inbreuk op artikel 3, §1, 15 (als de onderdelen van een wapen het mogelijk maken om een volautomatisch wapen om te bouwen); - tot nu toe heeft geen enkele federatie het bewijs geleverd dat er een internationaal erkende discipline bestaat. Hoewel u een certificaat uitgaande van VSK bezorgt, werd tot op heden door geen enkele erkende federatie aangetoond dat er een dergelijke internationale discipline bestaat. Gelet op het voorgaande kan geen beroep worden gedaan op de uitzondering voorzien in artikel 27, §3 wapenwet. Op basis van de gegevens die zich in het dossier en bij uw vergunningsaanvraag bevinden, kan niet anders dan besloten worden dat het wapen waarvoor u een vergunning tot het voorhanden hebben ervan aanvraagt, verboden is.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  10. De verwerende partij werpt op dat blijkens de stukken 1 en 2 van het administratief dossier het vuurwapen, waarvoor de vergunning met de bestreden beslissing is geweigerd, niet in het bezit is van verzoeker, maar eigendom is van een wapenhandelaar. Volgens de verwerende partij “stelt zich [hierbij] de vraag naar het belang van verzoeker, zeker in de wetenschap dat bij een raadpleging van de website van deze wapenhandelaar – ‘voorraad raadplegen’ – moet worden vastgesteld dat deze geen vuurwapens van het merk Manhurin (kaliber 308 win.) te koop aanbiedt”. De verwerende partij besluit dat het belang van verzoeker niet zeker, persoonlijk, rechtstreeks en actueel is. IX-10.051-4/15 Beoordeling
  11. De bestreden beslissing staat eraan in de weg dat verzoeker het vuurwapen, dat het voorwerp uitmaakt van de door hem ingediende vergunningsaanvraag, voorhanden mag hebben, teneinde ermee de schietsport te beoefenen. Verzoeker heeft dan ook een belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Dat het vuurwapen in kwestie zich nog bij een wapenhandelaar zou bevinden, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Zoals verzoeker in de memorie van wederantwoord terecht opmerkt, verbiedt artikel 11 van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: Wapenwet) trouwens dat particulieren zonder voorafgaande vergunning een vergunningsplichtig vuurwapen voorhanden hebben.
  12. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  13. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte weigert om toepassing te maken van het uitzonderingsregime bedoeld in artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet, terwijl hij aan alle voorwaarden van die bepaling voldoet. In strijd met die bepaling vereist de verwerende partij “dat een erkende federatie uitdrukkelijk dient aan te tonen dat er een internationale discipline bestaat”. Verzoeker licht toe dat hij een sportschutterslicentie heeft die is verleend door de VSK. Een dergelijke licentie vereist dat de sportschutter een IX-10.051-5/15 actief lid is van een schietsportfederatie, wat impliceert dat de sportschutter minimaal zes maanden lid moet zijn van een schietsportfederatie en minstens aan twaalf schietbeurten per jaar, gespreid over minstens twaalf dagen en minstens twee trimesters, moet hebben deelgenomen. Voorts heeft hij ook het vereiste certificaat van de VSK aan de verwerende partij bezorgd, hetgeen in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt erkend. Dat certificaat toont op voldoende wijze aan dat hij voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 2°, van de Wapenwet. Ten onrechte meent de verwerende partij echter dat een erkende federatie uitdrukkelijk het bestaan van een bepaalde internationale schietdiscipline zou moeten aantonen. Die zienswijze is in strijd met de duidelijke bewoordingen van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 2°, van de Wapenwet. Het valt aan de verwerende partij toe om desgevallend aan te tonen dat de schietsportfederatie in kwestie het certificaat redelijkerwijze niet had kunnen verlenen. Voor het overige volstaat het dat het vuurwapen kan worden aangewend met het oog op training voor en deelname aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. Verzoeker kan aantonen dat hij actief traint voor schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie. Hij beschikt immers over een sportschutterslicentie en uit de voorwaarden die worden gekoppeld aan het verkrijgen en het behouden van die licentie kan worden afgeleid dat hij actief traint voor of deelneemt aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie. Verzoeker stelt dat hij met het betrokken wapen wil trainen voor en mogelijk ook wil deelnemen aan schietwedstrijden die worden erkend door de VSK of door de Royal Belgian Shooting Sport Federation (hierna: RBSSF) en dat dit ook mogelijk is aangezien beide organisaties schietdisciplines aanbieden waarin het gebruik van (geconverteerde) halfautomatische wapens is toegelaten. Hij verwijst naar het specifieke technische reglement voor geweerdisciplines – titel 3.0 van het nationaal reglement van de RBSSF – dat voorziet in het gebruik van semiautomatische wapens voor een aantal disciplines. De omschrijving en de reglementering van het toegelaten materiaal voor bijvoorbeeld de disciplines IX-10.051-6/15 ‘ordonnantiegeweer’ en ‘sportkarabijn’ bevatten geen enkele aanwijzing dat geconverteerde semiautomatische wapens niet in de opsomming begrepen zouden zijn en uit de bestreden beslissing kan ook niet worden afgeleid dat de verwerende partij dit zou hebben verondersteld. Zodra een wapen semiautomatisch schiet, kan het worden gebruikt tijdens wedstrijden voor de disciplines waarin het gebruik van halfautomatische wapens is toegestaan. Ook de VSK heeft een schietdiscipline ‘ordonnantiegeweer’ waarin het gebruik van halfautomatische geweren is toegelaten. Het reglement stelt daarbij dat “[h]alfautomatische geweren […] als dusdanig [moeten] functioneren”, waaruit kan worden afgeleid dat ook automatische wapens die naar halfautomatische wapens zijn geconverteerd in deze discipline mogen worden gebruikt. Voorts verwijst verzoeker nog naar een in bijlage 10 bij het verzoekschrift opgenomen lijst van disciplines die door verschillende federaties, zowel nationaal als internationaal, worden aangeboden en die het gebruik van halfautomatische en bijgevolg ook van halfautomatische geconverteerde wapens toestaan. Verzoeker kan derhalve met het betrokken vuurwapen deelnemen aan schietwedstrijden die worden georganiseerd of erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie zodat ook aan het vereiste van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 1°, van de Wapenwet is voldaan.
  14. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de aanvraag betrekking heeft op een automatisch vuurwapen dat is omgebouwd tot een semiautomatisch vuurwapen, wat door artikel 3, § 1, 19°, van de Wapenwet uitdrukkelijk wordt gekwalificeerd als een verboden wapen. Artikel 27, § 3, derde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet maakt weliswaar een uitzondering voor onder meer houders van een sportschutterslicentie als zij, onder andere, een certificaat kunnen voorleggen van een in België officieel erkende schietsportorganisatie dat het bewijs inhoudt dat het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag een tijdelijk certificaat gevoegd van de VSK. De duur van het certificaat is echter ondertussen verstreken en bovendien wordt louter de tekst IX-10.051-7/15 van de Wapenwet herhaald zonder enige nadere concrete informatie over het feit dat het betreffende omgebouwde wapen de vereiste specificaties heeft voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. In een mededeling heeft de proefbank voor vuurwapens te Luik te kennen gegeven dat tot op heden geen enkele federatie het bewijs heeft geleverd dat er een internationaal erkende discipline bestaat. De verwerende partij kon op grond van die informatie terecht beslissen, met de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid, dat er geen rekening kan worden gehouden met het door verzoeker bijgevoegde certificaat van de VSK. Volgens de verwerende partij kan ook geen rekening worden gehouden met bijlage 10 bij het verzoekschrift waarnaar verzoeker verwijst. Het betreft een officieuze lijst van de disciplines die het gebruik van halfautomatische wapens toestaan en het behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een in België officieel erkende schietsportorganisatie om zich hierover op gemotiveerde en gedocumenteerde wijze uit te spreken.
  15. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat hij wel degelijk voldoet aan de verschillende voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toepassing van het uitzonderingsregime van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet. Hij merkt op dat de verwerende partij in de memorie van antwoord enkel het certificaat van de VSK in twijfel trekt en hij stelt daaromtrent dat het voorgelegde certificaat van de VSK op voldoende wijze aantoont dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 2°, van de Wapenwet. De VSK beslist, als officieel erkende schietsportfederatie binnen de Vlaamse Gemeenschap, autonoom over het al dan niet verlenen van een certificaat. Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 2°, van de Wapenwet kan in geen geval worden afgeleid dat de VSK bijkomend het bewijs zou moeten leveren van het bestaan van een specifieke schietdiscipline. Het valt in dat geval aan de verwerende partij toe om aan te tonen dat de schietsportfederatie in kwestie het certificaat redelijkerwijze niet had kunnen verlenen. Voor zover de verwerende partij nog stelt dat er geen rekening mag worden gehouden met de in bijlage 10 bij het IX-10.051-8/15 verzoekschrift opgenomen lijst van disciplines waarin het gebruik van halfautomatische wapens is toegestaan, repliceert verzoeker dat die stelling niet volstaat om tot het besluit te komen dat de VSK en de RBSSF geen schietdisciplines aanbieden die het gebruik van halfautomatische wapens toelaten. Naast die lijst heeft verzoeker immers ook verwezen naar het specifieke technische reglement voor geweerdisciplines – titel 3.0 van het nationaal reglement van de RBSSF – dat voorziet in het gebruik van semiautomatische wapens voor een aantal disciplines en naar het reglement van de VSK bij de discipline ‘ordonnantiegeweer’, waaruit kan worden afgeleid dat ook automatische wapens die naar halfautomatische wapens zijn geconverteerd in deze discipline mogen worden gebruikt. Het is dan ook duidelijk dat verzoeker met het betrokken vuurwapen kan deelnemen aan schietwedstrijden die worden georganiseerd of erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie, zodat ook aan de vereiste van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, 1°, van de Wapenwet is voldaan. Bijgevolg voldoet verzoeker aan alle voorwaarden van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet. Het valt dan aan de verwerende partij toe om aan te tonen om welke redenen het betrokken vuurwapen alsnog niet zou mogen worden aangewend in de schietsportwedstrijden ingericht of erkend door de VSK en de RBSSF, hetgeen zij vooralsnog niet heeft kunnen bewerkstellingen.
  16. In haar laatste memorie onderstreept de verwerende partij nog dat het certificaat dat verzoeker overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet heeft voorgelegd tijdelijk van aard was en dat de geldigheidsduur ervan verstreken was op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Voorts benadrukt zij dat de inhoud van het certificaat slechts de woordelijke overname is van de wettekst, zonder enige concrete uitleg over hoe het bewuste wapen daadwerkelijk voor de schietsport kan worden aangewend. Dit klemt des te meer daar de proefbank voor vuurwapens te Luik heeft geattesteerd dat tot op heden geen enkele federatie het bewijs heeft geleverd dat er voor het betreffende wapen een internationaal erkende discipline bestaat. IX-10.051-9/15
  17. Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat de bestreden beslissing artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet schendt door te vereisen dat een erkende federatie uitdrukkelijk moet hebben aangetoond dat er een internationale discipline bestaat. Het volstaat immers dat het vuurwapen wordt aangewend met het oog op de training voor en de deelname aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie of door een internationale, officieel erkende schietsportorganisatie. Verzoeker voldoet voorts ook aan alle andere vereisten van artikel 27, § 3, vierde (lees: vijfde) lid, van de Wapenwet. Daarnaast onderstreept verzoeker dat de proefbank voor vuurwapens slechts bevoegd is voor de categorisering van wapens en niet gemachtigd is om te beslissen of er al dan niet een internationaal erkende discipline bestaat voor het betreffende wapen. Een rondschrijven van de proefbank over een aangelegenheid die niet tot haar takenpakket behoort, heeft geen enkele gezaghebbende of juridische waarde. Beoordeling
  18. Bij richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 ‘tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens’, die intussen is opgeheven door richtlijn (EU) 2021/555 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 ‘inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (codificatie)’, is Bijlage I bij richtlijn 91/477/EEG gewijzigd, waarbij in II, A, van die bijlage in ‘categorie A – verboden vuurwapens’ een punt 6 is toegevoegd, luidende: “Automatische vuurwapens die zijn omgebouwd tot semiautomatische vuurwapens, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 4 bis.” Artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477/EEG luidt: “De lidstaten kunnen beslissen om vergunningen voor in punt 6, 7 of 8 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens te bevestigen, vernieuwen of verlengen voor wat betreft een vuurwapen dat was ingedeeld in categorie B, en dat rechtmatig was verworven en geregistreerd vóór 13 IX-10.051-10/15 juni 2017, mits aan de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden wordt voldaan. De lidstaten kunnen tevens toestaan dat deze vuurwapens worden verworven door andere personen aan wie door de lidstaten een vergunning is verleend in overeenstemming met deze richtlijn, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad.” Bij richtlijn (EU) 2017/853 is eveneens artikel 6 van richtlijn 91/477/EEG vervangen. Artikel 6, lid 6, luidt: “De lidstaten kunnen toestaan dat sportschutters in punt 6 of 7 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens verwerven en voorhanden hebben, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) relevante informatie die voortkomt uit de toepassing van artikel 5, lid 2, wordt voldoende beoordeeld; b) bewijs wordt geleverd dat de betrokken sportschutter actief traint voor of deelneemt aan schietwedstrijden die worden erkend door een officieel erkende schietsportorganisatie in de betrokken lidstaat of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie, en c) er wordt een certificaat voorgelegd van een officieel erkende schietsportorganisatie waarin wordt bevestigd dat: i) de sportschutter lid is van een schietvereniging en daar gedurende ten minste twaalf maanden regelmatig heeft getraind, en ii) het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie.”
  19. Bij artikel 153, 3°, van de wet van 5 mei 2019 ‘houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek’ is in het kader van de implementatie van richtlijn (EU) 2017/853 artikel 3, § 1, van de Wapenwet aangevuld met 19°, waarin als verboden wapens worden aangemerkt: “Automatische vuurwapens die zijn omgebouwd tot semiautomatische vuurwapens.” Bij artikel 159, 4°, van de voornoemde wet van 5 mei 2019 is artikel 27, § 3, van de Wapenwet aangevuld met een vijfde lid dat luidt als volgt: “De wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19°, mogen verworven, voorhanden IX-10.051-11/15 gehouden en overgedragen worden door houders van een sportschutterslicentie die : 1° het bewijs leveren dat ze actief trainen voor of deelnemen aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie, en 2° een certificaat kunnen voorleggen van een in België officieel erkende schietsportorganisatie waarin wordt bevestigd dat : i) de sportschutter lid is van een schietvereniging en daar gedurende ten minste twaalf maanden regelmatig heeft getraind, en ii) het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie.” In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot artikel 159, 4°, het volgende vermeld (Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3515/1, 249): “Dit artikel heeft als doel: […] 2° – 5° uitzonderingen toe te staan voor de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20° van de wapenwet, die verboden worden, ten aanzien van wapenfabrikanten, wapenhandelaars, erkende verzamelaars en musea en (enkel voor de wapens van punt 19°) sportschutters, zoals voorzien in artikel 6, leden 4, 5 en 6 van de richtlijn. […] De uitzondering voor sportschutters geldt pas indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen, die in artikel 6, lid 6 van de richtlijn worden genoemd. De Gemeenschappen zijn bevoegd voor de nadere invulling van die voorwaarden in hun Decreten, alsook voor de erkenning van schietsportorganisaties.”
  20. In de bestreden beslissing is de verwerende partij van oordeel dat geen beroep kan worden gedaan op de uitzondering bedoeld in artikel 27, § 3, vijfde lid, van de Wapenwet. Verzoeker is daarentegen van oordeel dat hij wel voldoet aan alle vereisten van die bepaling en hij meent dat de verwerende partij artikel 27, § 3, vijfde lid, van de Wapenwet miskent door bijkomend te vereisen dat een erkende federatie uitdrukkelijk moet hebben aangetoond dat er voor het betreffende wapen een internationaal erkende discipline bestaat.
  21. Niet wordt betwist dat verzoeker houder is van een sportschutterslicentie en het bewijs levert dat hij actief traint voor of deelneemt aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende IX-10.051-12/15 schietsportorganisatie of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. Evenmin wordt betwist dat verzoeker een certificaat heeft voorgelegd van een in België officieel erkende schietsportorganisatie – de VSK – waarin wordt bevestigd dat hij lid is van een schietvereniging en daar gedurende ten minste twaalf maanden regelmatig heeft getraind. In dat certificaat wordt door de VSK ook verklaard dat het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die zijn vereist voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie. Volgens de verwerende partij volstaat dit echter niet omdat geen enkele erkende federatie heeft aangetoond dat er voor het wapen een internationaal erkende discipline bestaat.
  22. Die zienswijze kan niet worden bijgevallen. De VSK – een krachtens het decreet van 10 juni 2016 ‘houdende de erkenning en subsidiëring van de georganiseerde sportsector’ erkende Vlaamse schietsportfederatie – heeft immers duidelijk geattesteerd dat is voldaan aan de voorwaarden opgelegd door artikel 27, § 3, vijfde lid, 2°, van de Wapenwet. Door nog te vereisen dat een erkende federatie uitdrukkelijk moet hebben aangetoond dat er voor het betreffende wapen een internationaal erkende discipline bestaat, voegt de verwerende partij een voorwaarde toe die niet in artikel 27, § 3, vijfde lid, van de Wapenwet is opgenomen.
  23. De omstandigheid dat verzoeker een tijdelijk certificaat heeft voorgelegd, doet aan het voorgaande geen afbreuk aangezien dit niet het weigeringsmotief is voor de bestreden beslissing.
  24. Voorts wordt ook niet beweerd dat verzoeker verkeerde informatie heeft verstrekt aan de attesterende schietsportfederatie, noch blijkt dat uit het voorgelegde certificaat. Evenmin blijkt de verwerende partij stappen te IX-10.051-13/15 hebben gezet om aan te tonen dat de betrokken schietsportfederatie attesten met verkeerde of zelfs valse informatie uitreikt.
  25. Het gegeven dat de VSK in zijn attest geen concrete informatie heeft verstrekt over hoe het omgebouwde vuurwapen kan voldoen aan de specificaties die zijn vereist voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie, kan geen reden zijn voor de minister van Justitie om de uitzonderingsregeling van artikel 27, § 3, vijfde lid, van de Wapenwet niet toe te passen. Ook met die eis zou de minister van Justitie een voorwaarde toevoegen die niet in de voornoemde bepaling wordt vermeld.
  26. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel gegrond is. BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 12 januari 2021 waarbij de aanvraag van Danny Loos tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen wordt geweigerd.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, IX-10.051-14/15 Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.051-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.