← België

Arrest 255196 - Wapens - 07/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.196 Rolnummer: A. 234222/IX-10072 Zaak: Arrest 255196 - Wapens - 07/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-19 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:58 Fiche Arrest nr 255.196 van 7 december 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.196 van 7 december 2022 in de zaak A. 234.222/IX-10.072 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 4 juni 2021 waarbij de vergunningen van XXXX tot het voorhanden hebben van elf vuurwapens worden ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.072-1/19 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker beschikt over elf vergunningen ‘model 4’ en een registratie ‘model 9’ tot het voorhanden hebben van in totaal twaalf vuurwapens. 3.
  6. Op 23 februari 2017 staat de minister van Justitie de hernieuwing van de voormelde vergunningen toe, zij het met inachtneming van de volgende beperking: “u mag niet in het bezit zijn van enige munitie. U dient bijgevolg uw munitie die u nodig heeft om uw hobby als sportschutter uit te oefenen aan IX-10.072-2/19 te kopen in de schietclub en aldaar te verbruiken. Zowel het bezit als het vervoeren van munitie is niet toegelaten. Deze beperking is tevens van toepassing op alle wapens die voorhanden worden gehouden op basis van het zogenaamde model 9 alsook op de wapens die u zich in de toekomst eventueel nog zou aanschaffen. Uiteraard dient u eerst opnieuw in het bezit te zijn van een geldige sportschutterslicentie alvorens deze vuurwapens voorhanden te mogen houden.” De wettige reden voor het voorhanden hebben van de vuurwapens is ‘sportief en recreatief schieten’. 3.
  7. Op 13 november 2019 en 13 december 2019 vraagt de gouverneur van de provincie Limburg aan verzoeker om zijn dossier te vervolledigen met een kopie van zijn geldige sportschutterslicentie. Verzoeker laat deze brieven onbeantwoord. 3.
  8. Op 31 januari 2020 nodigt de gouverneur van de provincie Limburg verzoeker uit om te worden gehoord over zijn voornemen om verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van elf vuurwapens in te trekken. Verzoeker geeft geen gevolg aan die uitnodiging. 3.
  9. Op 8 april 2020 trekt de gouverneur verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van elf vuurwapens in. De gouverneur motiveert: “Gelet op het besluit van de minister van Justitie van 23/02/2017 waarbij aan de heer XXXX, […] vergunningen met als motief sportief en recreatief werden uitgereikt; Dat de minister van Justitie in zijn besluit stelde dat de heer XXXX in het bezit diende te zijn van een geldige sportschutterslicentie; Overwegende dat op 13/11/2019 en 12/12/2019 de gouverneur de heer XXXX heeft verzocht om zijn dossier te vervolledigen met een kopie van zijn geldige sportschutterslicentie; Dat hierop geen reactie volgde; Overwegende dat XXXX bij brief van 31/01/2020 werd uitgenodigd om gehoord te worden doch hierop niet is ingegaan; IX-10.072-3/19 Overwegende dat XXXX in het bezit is van een vergunning tot bezit van volgende vuurwapens: […] Overwegende dat art. 11 §1 van de wapenwet van 8 juni 2006 bepaalt dat de gouverneur een vergunning om een wapen voorhanden te hebben kan schorsen of intrekken als het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of als de wettige reden niet meer bestaat.” 3.
  10. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 2 juni 2020 een administratief beroep in bij de minister van Justitie. 3.
  11. De lokale politie geeft op 21 oktober 2020 een ongunstig advies waarvan de motivering luidt: “Uit het gevoerd politioneel en administratief onderzoek blijkt dat betrokkene in de politionele databanken ongunstig gekend is. Betrokkene heeft één veroordeling opgelopen voor de politionele rechtbank Limburg afd. Tongeren in
  12. De heer XXXX werd niet veroordeeld wegens één van de misdrijven bedoeld in art. 5 §4 van de wapenwet. Hij is niet geestesziek zoals bedoeld in art. 11 §3, 3° en 4° van de wapenwet. Volgens het moraliteitsverslag opgesteld door de wijkinspecteur is de heer XXXX niet gekend als agressief of gewelddadig. Hij is ook niet gekend als gokker of drugsgebruiker. Er werd geen dronkenschap (openbare of achter het stuur) vastgesteld. Hij heeft geen relationele problemen met een gezinslid of buren en zijn geestestoestand is stabiel. Hij is niet in behandeling bij een geneesheer en er bevindt zich geen inwonend gezinslid in de hierboven situaties. Betrokkene heeft 11 persoonlijke vuurwapens. De vuurwapens werden op 11 september 2020 in bewaring gegeven bij de politie en op 08 oktober 2020 inbeslaggenomen en zullen neergelegd worden ter griffie van de Rechtbank (HA.36.L1.019433/2020). Gelet op de moraliteit van betrokkene kunnen we stellen dat er voldoende elementen aanwezig zijn waardoor het bezit van een vuurwapen de openbare orde en veiligheid in het gedrang zou kunnen brengen.” 3.
  13. Op 19 november 2020 verstrekt de procureur des Konings te Limburg, afdeling Hasselt, eveneens een ongunstig advies waarin wordt overwogen: “Ik verwijs naar mijn advies aan uw diensten d.d. 20.01.2016 en de hieraan gevoegde stukken. Bijkomend kan ik vermelden dat i[k] sindsdien nog een ongunstig advies overmaakte aan de Directie Private Veiligheid, waarvan u een kopie in bijlage vindt. In het dossier HA20.99.201-17 werd betrokkene inmiddels IX-10.072-4/19 buiten vervolging gesteld wegens de ten laste gelegde misdrijven, maar desondanks blijkt uit die dossier wel dat betrokkene er weinig koosjere handelspraktijken op nahoudt. Het dossier TU43.L4.6506-18 van mijn ambtgenoot te Turnhout werd voorlopig geklasseerd wegens seining van de verdachte(n). Mijn ambtgenoot te Leuven klasseerde nog een klacht wegens opzettelijke slagen en verwondingen wegens onvoldoende bewijzen (HA43.L4.26-20-LE20CP8062).” 3.
  14. Op 4 juni 2021 verwerpt de minister van Justitie het beroep en trekt hij verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van elf vuurwapens in omdat de ingeroepen wettige reden voor het verkrijgen van die vergunningen niet meer bestaat. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering woordelijk luidt: “Overeenkomstig artikel 11, §3, 9° van de wapenwet […] moet het type wapen in overeenstemming zijn met de reden waarvoor de vergunning gevraagd wordt. Op basis van de omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving betekent dit dat het type wapen nuttig moet zijn in het kader van de ingeroepen wettige reden. Aan deze voorwaarde kan enkel worden voldaan indien men kan aantonen dat men regelmatig met de vuurwapens gaat schieten. Artikel 32, laatste lid van de wapenwet stelt dat de vergunning kan worden beperkt, geschorst of ingetrokken onder meer indien blijkt dat de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen niet meer bestaat. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, voorziet dat de wettige reden sportief en recreatief schieten kan worden aangenomen na het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie of een schriftelijk bewijs van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. In de omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving bevindt zich een uitgebreide toelichting van wat onder sportschieten en recreatief schieten moeten worden begrepen: ‘De definitie van het begrip ‘sportschieten’ alsook de rechten en plichten van de sportschutters zijn verschillend in de drie gemeenschappen. Er dient dus rekening te worden gehouden met de regels van toepassing in elk van de Gemeenschappen. (…) Om uit te maken of iemand al dan niet sportschutter is, moet men in Vlaanderen meer bepaald rekening houden met het Decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter. Uitgangspunt: iedereen die in Vlaanderen het ‘sportschieten’ beoefent, moet houder zijn van een sportschutterslicentie. Men doet aan sportschieten wanneer men een door een internationale of nationale schietsportfederatie aangeboden discipline beoefent. Het is daarbij niet van belang of het sportschieten al dan niet in competitieverband plaatsvindt.’. ‘Recreatief schieten is het schieten buiten het door de gemeenschappen georganiseerde kader van het sportschieten. Deze wettige reden kan dus IX-10.072-5/19 niet worden aangetoond aan de hand van een sportschutterslicentie. Recreatief schutters wensen zich niet te onderwerpen aan de regels die voor sportschutters van toepassing zijn. Zij vallen ook niet onder de controle van de gemachtigde schietsportfederaties zoals georganiseerd door de gemeenschappen. De reden hiervoor kan zijn dat deze recreatieschutters niet aan alle voorwaarden van actief lidmaatschap wensen te voldoen. Een aanvraag van een recreatieschutter dient dan ook mee vanuit deze achtergrond te worden bekeken. De aanvrager die als wettige reden het ‘recreatief schieten’ inroept, moet bewijzen dat hij vroeger heeft deelgenomen aan dergelijke activiteiten (bv. aan de hand van de registers die worden bijgehouden in de schietclub, of een boekje waarin de schietbeurten worden genoteerd, een bewijs van lidmaatschap van de schietstand samen met een bewijs van regelmaat van de schietstand met vermelding van de soorten wapens waarmee daar kan worden geschoten…). Ook hier moet het bewijs in overeenstemming zijn met de categorie van wapens waarvoor de vergunning werd aangevraagd. In het verleden bestond soms twijfel over de vraag hoeveel keer per jaar een recreatie schutter moet deelnemen aan schietactiviteiten vooraleer er sprake kan zijn van ‘regelmaat’. De wet noch de uitvoeringsbesluiten bepalen wanneer er sprake is van voldoende regelmaat. Wij zijn van oordeel dat deelname aan tien activiteiten per jaar voldoende is om de regelmaat aan te tonen. Vermits echter in het verleden door de diensten afwijkende standpunten werden ingenomen, geldt deze interpretatie van het begrip ‘regelmaat’ met ingang van 1 januari
  15. In elk geval moet ook steeds worden nagegaan of het type wapen overeenstemt met de reden waarvoor het gevraagd wordt. Uit de voorgelegde schriftelijke bewijzen dient te blijken dat het wapen van het aangevraagde type daadwerkelijk gebruikt kan worden voor het recreatief schieten.’. Aangezien de wapenwet voorziet dat uw wapenvergunning kan worden beperkt, geschorst of ingetrokken onder meer indien de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen niet meer bestaat, werd tevens het advies ingewonnen van de procureur des Konings die bevoegd is voor uw verblijfplaats. De procureur sluit zich in zijn advies aan bij de motieven van het intrekkingsbesluit van de gouverneur van Limburg. In het kader van de wapenwet kan de gouverneur van uw verblijfplaats overgaan tot een controle van uw wapenvergunningen. De gouverneur van Limburg heeft u eind 2019 en begin 2020 verschillende malen gevraagd om een kopie van uw sportschutterslicentie – ten bewijze van uw wettige reden – te willen voorleggen. U stelde dat u de brieven van de gouverneur evenwel nooit heeft ontvangen. In uw verzoekschrift tot hoger beroep stelde u dat u niet beschikt over een sportschutterslicentie en dat uw vuurwapens u door de minister van Justitie werden vergund met een beperking nl. ‘beperking munitie zoz’. Uit de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari 2017 blijkt dat u inderdaad de vergunningen tot het voorhanden hebben van voormelde vuurwapens werden afgeleverd met een beperking. Meer bepaald werd u de hernieuwing van uw vergunningen tot het voorhanden hebben van IX-10.072-6/19 voornoemde vuurwapens toegekend, zij het met de inachtneming van de volgende beperking: ‘U mag niet in het bezit zijn van enige munitie. U dient bijgevolg uw munitie die u nodig heeft om uw hobby als sportschutter uit te oefenen aan te kopen in de schietclub en aldaar te verbruiken. Zowel het bezit als het vervoeren van munitie is niet toegelaten.’. Deze beslissing voorzag ook dat deze beperking van toepassing is op alle wapens die voorhanden worden gehouden op basis van het zogenaamde model 9 alsook op de wapens die u zich in de toekomst eventueel nog zou aanschaffen. Bovendien stelde deze beslissing dat u eerst opnieuw in het bezit diende te zijn van een geldige sportschutterslicentie alvorens deze vuurwapens voorhanden te mogen houden. De opgelegde beperking biedt voldoende garanties – aldus de beslissing – met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en laat u tevens toe om uw hobby als sportschutter uit te oefenen. U heeft geen beroep ingediend tegen deze beslissing van de minister van Justitie van 23 februari
  16. De wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ staat vermeld op alle elf wapenvergunningen die de minister van Justitie u op 23 februari 2017 heeft uitgereikt. Uit het dossier blijkt dat u voormelde vuurwapens voorhanden houdt met als wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ zonder dat u evenwel enig bewijs kan voorleggen ter staving van deze wettige reden. U heeft m.a.w. de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari 2017 – die stelde dat u eerst opnieuw in het bezit diende te zijn van een geldige sportschutterslicentie alvorens u de betreffende vuurwapens voorhanden mocht houden – niet nageleefd. Minstens blijkt dat u sindsdien in het bezit bent van vuurwapens waarvoor u weliswaar een vergunning werd uitgereikt doch waarvoor de ingeroepen wettige reden tot op heden niet kan worden aangetoond. De vergunningen werden u destijds uitgereikt met een beperking precies opdat u uw hobby als sportschutter zou kunnen uitoefenen. Uit het dossier blijkt heden evenwel dat u de wapens voorhanden houdt zonder dat u enig bewijs kan voorleggen dat u met de wapens uw hobby als sportschutter uitoefent. Het voorhanden hebben van vuurwapens is evenwel principieel verboden en kan slechts worden toegestaan mits een voorafgaande vergunning op basis van een limitatief aantal in de wet opgesomde redenen. Sportief en recreatief schieten is één van deze redenen. Indien derhalve wapenbezit voor u noodzakelijk is om aan sportief en recreatief schieten te doen, dan is het alleen maar logisch dat u de vergunde wapens ook effectief aanwendt om de ingeroepen reden voor het bekomen van de vergunningen uitoefent. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat u de wapens de afgelopen jaren sinds de uitreiking ervan tot op heden werkelijk heeft aangewend en dus nodig heeft voor de beoefeningen van het sportief en/of recreatief schieten. Derhalve blijkt dat de wettige reden ingeroepen om de vergunningen te bekomen, niet bestaat. IX-10.072-7/19 Bijgevolg kon de gouverneur van Limburg niet anders dan uw vergunningen tot het voorhanden hebben van voormelde vuurwapens intrekken.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.072-8/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  17. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en § 3, eerste lid, 9°, b), en 32, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: Wapenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel. 4.
  18. In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de gouverneur van de provincie Limburg in strijd met artikel 32, tweede (lees: derde) lid, van de Wapenwet geen advies heeft gevraagd aan de lokale politie in het kader van het onderzoek of verzoeker nog voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van vergunningen. Verzoeker is ook niet gehoord, noch heeft hij enige verklaring in de zin van artikel 32, tweede (lees: derde) lid, van de Wapenwet kunnen afleggen. Weliswaar zou de gouverneur op 13 november 2019 en 13 december 2019 verzoeker hebben gevraagd om een kopie van zijn geldige sportschutterslicentie te bezorgen en op 31 januari 2020 verzoeker hebben uitgenodigd om te worden gehoord, maar verzoeker heeft die brieven nooit ontvangen en de gouverneur kan ook niet aantonen dat verzoeker daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de voormelde brieven. Voorts voert verzoeker ook aan dat de gouverneur in strijd met artikel 32, derde lid, juncto artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet heeft nagelaten om het advies in te winnen van de procureur des Konings voorafgaandelijk aan het nemen van de beslissing van 8 april 2020 tot intrekking van verzoekers vergunningen. IX-10.072-9/19 Verzoeker besluit dat de beslissing van de gouverneur van 8 april 2020 nietig is en dat de beslissing van de minister van Justitie van 4 juni 2021 bijgevolg moet worden vernietigd. 4.
  19. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat enkel voor een wapen geregistreerd onder ‘model 9’ een sportschutterslicentie vereist is en niet voor wapens vergund onder ‘model 4’. ‘Model 4’ is een bezitstitel/vergunning voor het bedoelde wapen, wat impliceert dat men het wapen voorhanden mag hebben en gebruiken voor sportief en recreatief schieten. De voorwaarde in de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari 2017 dat verzoeker “opnieuw in het bezit [dient] te zijn van een geldige sportschutterslicentie alvorens deze vuurwapens voorhanden te mogen houden” heeft dan ook enkel betrekking op de wapens geregistreerd onder ‘model 9’. Na kennis te hebben gekregen van de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari 2017 heeft verzoeker het enige wapen in zijn bezit dat geregistreerd was onder ‘model 9’ onmiddellijk via de politie overgedragen aan een derde. Op het ogenblik van het onderzoek van de gouverneur had verzoeker enkel wapens in zijn bezit waarvoor hij een vergunning had onder ‘model 4’ en waarvoor geen sportschutterslicentie vereist is. De minister van Justitie gaat in de bestreden beslissing derhalve uit van een verkeerde lezing van de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari
  20. Bovendien worden aan verzoeker voorwaarden opgelegd die niet in de wet zijn voorzien.
  21. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar het als stuk 2 bijgevoegde ‘attest bevestiging regelmaat recreatief schieten’ waaruit moet blijken dat hij in de periode 2016-2021 minstens eenmaal per maand een schietstand in Leopoldsburg bezoekt. Volgens verzoeker bestaat de ingeroepen wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ voor het verkrijgen van de vergunningen wel en dient de beslissing tot intrekking van de vergunningen te worden vernietigd. IX-10.072-10/19
  22. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat het aan de verwerende partij toevalt om aan te tonen dat de ingeroepen wettige reden voor het verkrijgen van de vergunningen niet bestond en dat zij haar onderzoek dienaangaande onzorgvuldig heeft gevoerd. Uit het ‘attest bevestiging regelmaat recreatief schieten’ blijkt immers dat de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ steeds heeft bestaan zodat de verwerende partij de vergunningen niet rechtsgeldig kon intrekken. Dat het attest pas op 25 oktober 2021 is verleend doet geen afbreuk aan het feit dat uit het attest blijkt dat de wettige reden steeds heeft bestaan. Beoordeling a. Eerste middelonderdeel
  23. De bestreden beslissing is genomen in het kader van het georganiseerd administratief beroep dat bij artikel 30 van de Wapenwet is ingesteld. Door de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Dit houdt in dat de minister van Justitie of zijn gemachtigde een eigen beoordeling van de zaak dient te maken en die definitief beslecht, waarbij zijn beslissing in de plaats treedt van de beslissing van de provinciegouverneur, die geen rechtsgevolgen meer heeft. Gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep kunnen mogelijke onregelmatigheden waarmee de procedure in eerste aanleg zou zijn behept, niet tot de nietigheid van de bestreden beroepsbeslissing leiden aangezien eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg in principe kunnen worden gedekt door de beslissing in beroep. Verzoeker voert niet aan dat dit in casu niet het geval is. Bovendien kan worden vastgesteld dat in het kader van de beroepsprocedure wél de adviezen werden gevraagd en verkregen van de lokale politie en de procureur des Konings en dat verzoeker ook de IX-10.072-11/19 mogelijkheid is geboden om zijn argumentatie mee te delen aan de verwerende partij, waarvan hij ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt.
  24. Het eerste onderdeel van het eerste middel is onontvankelijk. b. Tweede middelonderdeel 9.
  25. Met zijn betoog over het tweede middelonderdeel gaat verzoeker voorbij aan artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet dat luidt: “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de vergunning volgens een door de Koning bepaalde procedure bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor deze verblijfplaats.” Overeenkomstig de voormelde bepaling kan de vergunning worden ingetrokken als de wettige reden ingeroepen om de vergunning te verkrijgen, niet meer bestaat. 9.
  26. Verzoeker heeft zijn vergunningen voor het voorhanden houden van vuurwapens verkregen voor de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’. Overeenkomstig artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006) wordt de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ bewezen door het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. Daarbij moet worden aangetoond dat de wapens uitsluitend voor deze reden of voor de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten worden gebruikt. IX-10.072-12/19 Gedurende de administratieve beroepsprocedure heeft verzoeker, hoewel hij daartoe uitdrukkelijk is uitgenodigd, niet aangetoond dat de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ nog bestaat door het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. Bijgevolg mocht de verwerende partij ervan uitgaan dat de wettige reden ingeroepen om de vergunningen te verkrijgen, niet meer bestaat en met toepassing van voormeld artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet verzoekers vergunningen intrekken. Met zijn betoog in het verzoekschrift dat hij niet over een sportschutterslicentie moet beschikken voor de wapens die vergund zijn onder ‘model 4’, spreekt verzoeker niet tegen dat hij de wapens voorhanden had zonder dat hij heeft aangetoond dat de door hem ingeroepen wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ nog bestaat. Hij toont daarmee dan ook niet aan dat de intrekking van zijn vergunningen onterecht is. Bij zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker een ‘attest bevestiging regelmaat recreatief schieten’, opgesteld op 25 oktober 2021, dus na het nemen van de bestreden beslissing. De verwerende partij kon logischerwijze bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening houden met een attest dat pas in de loop van de procedure voor de Raad van State voor het aantonen van de wettige reden is opgesteld. Dat uit het attest zou blijken dat de ingeroepen wettige reden steeds zou hebben bestaan, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Anders dan verzoeker beweert, valt het aan hem toe om aan de verwerende partij het bestaan van de ingeroepen wettige reden te bewijzen. 9.
  27. Het tweede onderdeel van het eerste middel is ongegrond. IX-10.072-13/19
  28. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel deels onontvankelijk, deels ongegrond is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11.
  29. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 11, § 3, van de Wapenwet. Verzoeker voert aan dat de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 december 2006 voldoende wordt bewezen door het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. Verzoeker stelt dat hij de schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten heeft neergelegd en hij verwijst ter staving naar de beslissing van de minister van Justitie van 23 februari 2017 waarin wordt vermeld dat verzoeker reeds meer dan vijftien jaar een lidkaart heeft van schietstanden te Maasmechelen en Leopoldsburg. Verzoeker merkt daarbij op dat hij bovendien aan de hand van zijn schuttersboekje kan aantonen dat hij met de vuurwapens regelmatig gaat schieten. Toch trekt de verwerende partij verzoekers vergunningen in omdat hij geen geldige sportschutterslicentie heeft. Aldus leggen de gouverneur en de minister van Justitie bijkomende voorwaarden op die niet in de wet zijn voorzien en interpreteren zij artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, van de Wapenwet op beperkende wijze door te stellen dat de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ enkel kan worden aangetoond aan de hand van een geldige sportschutterslicentie daar waar de wet voorziet in een mogelijkheid om deze wettige reden aan te tonen aan de hand van een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. 11.
  30. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker opnieuw naar het door hem bijgevoegde ‘attest bevestiging regelmaat recreatief schieten’ waaruit moet blijken dat hij in de periode 2016-2021 minstens eenmaal IX-10.072-14/19 per maand een schietstand in Leopoldsburg bezoekt. Verzoeker stelt dat hij aldus wel het bewijs levert ter staving van de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ en aantoont dat hij met de wapens zijn hobby als sportschutter uitoefent. De ingeroepen wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ voor het verkrijgen van de vergunningen bestaat derhalve wel, zodat de beslissing tot intrekking van de vergunningen moet worden vernietigd. 11.
  31. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat hem bij de teruggave van zijn wapens op het politiekantoor foutief is meegedeeld dat voor wapens die vergund zijn onder ‘model 4’ geen sportschutterslicentie moet worden aangevraagd. Voor het wapen dat geregistreerd was onder ‘model 9’ is te kennen gegeven dat wel een sportschutterslicentie nodig was, waarop verzoeker het wapen meteen heeft verkocht. Verzoeker heeft de wapens die nog in zijn bezit waren en waarvoor een vergunning is verleend vervolgens regelmatig gebruikt op de schietstand. Nooit hebben er zich problemen voorgedaan voor wat betreft het bezit en het gebruik van deze wapens. Buiten zijn wil heeft verzoeker de briefwisseling van de gouverneur nooit ontvangen zodat hij in het kader van de controle op het wettig motief ook niet eerder het attest ter bevestiging van het regelmatig sportief en recreatief schieten heeft kunnen bezorgen. Het als stuk 2 bijgevoegde attest toont evenwel aan dat de ingeroepen wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ voor het verkrijgen van de vergunningen wel bestaat zodat de beslissing tot intrekking van de vergunningen moet worden vernietigd. Beoordeling 12.
  32. Verzoeker stelt terecht dat overeenkomstig artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 het bestaan van de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ niet alleen kan worden aangetoond door het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie maar ook door het voorleggen van schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten. IX-10.072-15/19 Er moet evenwel worden vastgesteld dat verzoeker nooit gewag heeft gemaakt van zulke schriftelijke bewijzen om het bestaan van de wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ te staven, ondanks het feit dat de verwerende partij verzoeker uitdrukkelijk en herhaaldelijk heeft gewezen op artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december
  33. In zijn beroepschrift in het kader van het georganiseerd administratief beroep stelt verzoeker louter dat hij niet beschikt over een sportschutterslicentie. Hij rept met geen woord over andere bewijzen om de door hem ingeroepen wettige reden ‘sportief en recreatief schieten’ te staven. De verwerende partij repliceert in een brief van 27 november 2020 aan verzoeker: “Terzake verwijs ik naar artikel 2, 2° van het KB 29 december 2006 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de wapenwet, waarin staat vermeld onder welke voorwaarde de wettige reden tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen kan worden aangenomen. U dient dit bewijsstuk alsook uw eventueel aanvullend verweerschrift aan de federale wapendienst te bezorgen uiterlijk op 24 december
  34. Na deze datum zal een beslissing worden genomen inzake het beroepschrift op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden.” Verzoeker antwoordt daarop op 22 december 2020 dat hij een sportschutterslicentie heeft aangevraagd. Over mogelijk recreatief schieten vermeldt hij niets. De verwerende partij repliceert op 9 februari 2021: “Ook al werden de wapens vergund op model 4, dan nog dient de wettige reden te worden gestaafd. In geval van sportschieten moet dit gebeuren aan de hand van een sportschutterslicentie in de relevante categorieën. In geval van recreatief schieten (d.i. het schieten buiten het door de gemeenschappen georganiseerde kader van het sportschieten; recreatief schutters wensen zich niet te onderwerpen aan de regels die voor sportschutters van toepassing zijn; zij vallen ook niet onder de controle van de gemachtigde schietsportfederaties zoals georganiseerd door de gemeenschappen; de reden hiervoor kan zijn dat deze recreatieschutters niet IX-10.072-16/19 aan alle voorwaarden van actief lidmaatschap wensen te voldoen) moet dit gebeuren aan de hand van de registers die worden bijgehouden in de schietclub, of een boekje waarin de schietbeurten worden genoteerd, een bewijs van lidmaatschap van de schietstand samen met een bewijs van regelmaat van de schietstand met vermelding van de soorten wapens waarmee daar kan worden geschoten...). Ook hier moet het bewijs in overeenstemming zijn met de categorie van wapens vermeld op de vergunning.” Verzoeker krijgt vervolgens een bijkomende termijn om zich te verweren, waarop hij echter niet ingaat. 12.
  35. Uit het voorgaande blijkt vooreerst dat verzoeker geheel ten onrechte in zijn laatste memorie beweert dat hij niet eerder een attest ter bevestiging van regelmatig sportief en recreatief schieten heeft kunnen bezorgen. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoeker nooit een van de documenten bedoeld in artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 heeft voorgelegd, teneinde het aanwezig zijn van de door hem ingeroepen wettige reden te staven. In het verzoekschrift verwijst verzoeker naar het feit dat de verwerende partij ervan op de hoogte was dat hij al vijftien jaar lid is van een schietclub. Dit gegeven is echter niet relevant als verzoeker in het kader van de controle op de wettige reden nooit heeft kunnen of willen bewijzen dat hij met zijn vuurwapens regelmatig deelneemt aan schietactiviteiten. Het is pas voor het eerst in de loop van de procedure voor de Raad van State dat verzoeker verwijst naar zijn schuttersboekje waaruit dit zou blijken. In de loop van de administratieve beroepsprocedure heeft verzoeker daar geen enkele melding van gemaakt, zodat de verwerende partij met dit gegeven geen rekening kon of moest houden. De verwerende partij heeft geen voorwaarden aan de wet toegevoegd door te eisen dat de ingeroepen wettige reden wordt bewezen aan de hand van het bepaalde in artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van IX-10.072-17/19 29 december
  36. Verzoeker heeft gewoon nagelaten om het bewijs te leveren, waardoor de verwerende partij toepassing mocht maken van artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet, omdat zij in het concrete geval diende aan te nemen dat die wettige reden niet (meer) bestond. Verzoekers stelling dat met het bij zijn memorie van wederantwoord gevoegde attest het bewijs van de wettige reden is geleverd, kan om de reden uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel niet worden bijgevallen.
  37. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  40. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.072-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.072-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.