← België

Arrest 255210 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 08/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.210 Rolnummer: A. 234699/IX-9955 Zaak: Arrest 255210 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 08/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-22 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 07:59 Fiche Arrest nr 255.210 van 8 december 2022 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.210 van 8 december 2022 in de zaak A. 234.699/IX-9955 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Damen kantoor houdend te 2600 Berchem Elisabethlaan 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 11 augustus 2021 (dossiernummer M17-0424-1). II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 december
  3. IX-9955-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september
  4. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luna Onzia, die loco advocaat Walter Damen verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoekster was op 26 april 2011 als poetsvrouw werkzaam in een horecazaak in Antwerpen waarbij haar nieuwe partner A.Y. aanwezig was. Daar werd zij beschoten door haar ex-partner M.B. A.Y. wilde haar beschermen maar werd daarbij gedood. Verzoekster werd onder andere gewond aan haar been waardoor zij sedertdien arbeidsongeschikt is. IX-9955-2/12 3.
  7. Bij arrest van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 12 juni 2013 wordt M.B. veroordeeld tot 26 jaar opsluiting en bij arrest van hetzelfde hof van 26 juni 2013 op burgerlijk gebied tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster wegens de op haar gepleegde moordpoging. Ter afhandeling van de burgerlijke belangen wordt M.B. bij vonnis van 19 december 2016 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 148.750 euro aan verzoekster. Bij vonnis van 4 juni 2020 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, wordt vastgesteld dat verzoekster het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. 3.
  8. Op 13 april 2017 dient verzoekster een verzoek om financiële hulp in als slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad bij de commissie voor Financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders (hierna: de commissie). Zij vraagt om de toekenning van een hulp van 166.428 euro geplafonneerd tot het wettelijke maximum van 125.000 euro: - materiele schade: 2.050,66 euro - morele schade als nabestaande: 12.000 euro - morele schade als rechtstreeks slachtoffer: 3.500 euro - tijdelijke persoonlijke (morele) ongeschiktheid: 8.587 euro - blijvende persoonlijke ongeschiktheid: 67.783,95 euro - esthetische schade: 1.000 euro - tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid: 10.218 euro - blijvende huishoudelijke ongeschiktheid 60.090,69 euro - rechtsplegingsvergoeding: 1.200 euro 3.
  9. Op 11 augustus 2021 kent de commissie aan verzoekster een hulp toe van 30.727 euro. De relevante overwegingen van deze beslissing luiden als volgt: IX-9955-3/12 “De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden. Inzake de financiële hulpaanvraag voor de ‘rechtsplegingsvergoeding’ wordt opgemerkt dat verzoekster een rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten. Nu haar advocaat de burgerlijke partijstelling inleidde, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt). Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985). Wat de aanvraag van de verzoekster als rechtstreeks slachtoffer betreft. De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, §1, van de wet van 1 augustus 1985: ‘Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade: 1° de morele schade; 2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten; 3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit; 4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid; 5° de esthetische schade; 6° de procedurekosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; 7° de materiële kosten; 8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren; 9° de uitzonderlijke schade ten gevolge van het langdurig in het ongewisse blijven omtrent de identiteit en de motieven van de dader of de daders.’ De post ‘huishoudelijke ongeschiktheid’ is niet opgenomen in deze limitatieve opsommingen en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van deze schadepost werd bevestigd bij arrest nr. 109/2015 (rolnr. 6028) van het Grondwettelijk Hof d.d. 16 juli
  10. Wat de berekening van de tijdelijke ongeschiktheid betreft, vordert de verzoekster de sommen van 3500 euro en 8.587 euro. De Commissie merkt hierbij op dat de som van 3.500 euro niet alleen slechts een provisie was op de definitieve som van 8.587 euro, maar ook dat voor de berekening ervan ook rekening gehouden werd met de huishoudelijke ongeschiktheid, waardoor de Commissie er geen rekening mee kan IX-9955-4/12 houden. De verzoekster spande ook een procedure voor de arbeidsrechtbank aan en de feiten werden in haar hoofde erkend als een arbeidsongeval, waardoor de Commissie geen rekening kan houden met de ‘medische kosten’ aangezien dergelijke post ten laste valt van de arbeidsongevallenverzekeraar. De consequentie hiervan is dat de commissie bij de berekening van het hulpbedrag voor de blijvende ongeschiktheid rekening zal houden met een ongeschiktheid van 21% in plaats van 20 %. Inzake de berekening van de blijvende ongeschiktheid maakt verzoekster gebruik van de kapitalisatiemethode. De Commissie kent volgens een zeer constante rechtspraak op dit gebied een ‘hulp’ (geen schadevergoeding) toe volgens een vast tarief per punt, gestoeld op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters en zij hanteert aldus niet de kapitalisatie- en splitsingsmethode. Aldus wordt voor deze schade post de som van 17.640 euro toegekend, zijn de 21 x 840 euro) Wat de aanvraag van de verzoekster als onrechtstreeks slachtoffer betreft. De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen aan ‘erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad, alsook aanverwanten tot en met dezelfde graad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene;’ voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, §2, met name: 1° de morele schade; 2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten; 3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer; 4° de begrafeniskosten; 5° de procedurekosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; 6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren; 7° de uitzonderlijke schade ten gevolge van het langdurig in het ongewisse blijven omtrent de identiteit en de motieven van de dader of daders. Gelet op, inzonderheid, artikel 33, §1 van de wet van 1 augustus 1985 waaruit blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald en dat, volgens de voorbereidende werken die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel uitmaakt (Parl. St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°, 8). Dat aan de Commissie dienvolgens appreciatiebevoegdheid wordt verleend inzake zowel de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag. Dat dit impliceert dat de Commissie m.b.t. de begroting van de hulp niet is gehouden aan of gebonden door de tarieven gehanteerd door de hoven en rechtbanken voor de bepaling van de schade(posten). Dat de door de Commissie toegekende hulp derhalve kan afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. IX-9955-5/12 Dat de Commissie, bij de raming van het hulpbedrag voor moeilijk te objectiveren schadeposten zoals bijvoorbeeld het morele leed of esthetische sequelen, zich weliswaar onder meer baseert op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters, maar tevens op haar rechtspraak in analoge gevallen om rechtvaardigheid en evenwicht binnen het systeem van collectieve solidariteit te bewaren. In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekend bedrag slechts een abstracte begroting zijn. De Commissie kent, in de gegeven omstandigheden, naar billijkheid voor de morele schade een bedrag toe van 3.000 euro. Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te mogen toewijzen begroot op 30.727 euro.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.
  11. In haar enig middel voert verzoekster de schending aan van de motiveringsplicht zoals opgenomen in artikel 149 van de Grondwet, omdat de commissie “bij de beslissing tot afwijzing dan wel vermindering van bepaalde schadeposten, haar beweegredenen hiertoe niet afdoende heeft gemotiveerd”. 4.
  12. Volgens verzoekster heeft de commissie een gevraagde hulp van 8.587 euro niet toegekend, omdat bij de berekening van dit bedrag ook rekening werd gehouden met de huishoudelijke ongeschiktheid waarvoor de commissie nooit enige hulp toekent en er dan ook geen rekening mee kon houden. Verzoekster stelt dat dit niet correct is, omdat de gevraagde hulp ten bedrage van 8.587 euro enkel de tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid betreft IX-9955-6/12 en niet de huishoudelijke ongeschiktheid die in een afzonderlijke schadepost werd begroot. 4.
  13. Voor de berekening van het bedrag van de blijvende persoonlijke ongeschiktheid heeft verzoekster gebruik gemaakt van de kapitalisatiemethode. Zij stelt dat de commissie “in de bestreden beslissing […] deze methode niet gebruikt doch wel gebruik maakt van een berekening aan vast tarief per punt gestoeld op de indicatieve tabel […]” maar dat zij “ na[laat] te motiveren waarom zij geen gebruik maakt van de kapitalisatiemethode”. 4.
  14. Wat betreft de gevraagde hulp voor morele schade als rechtstreeks slachtoffer voor een bedrag van 3.500 euro en voor morele schade als nabestaande voor een bedrag van 12.000 euro, heeft de commissie aan verzoekster slechts hulp toegekend ten bedrage van 3.000 euro zonder dat zij “in concreto [argumenteert] waarom deze posten dusdanig werden verlaagd” en zij “bij de motivering omtrent deze schadepost zeer op de oppervlakte [blijft]”. Bovendien kan verzoekster “in de bestreden beslissing geen enkele motivering hieromtrent terugvinden die toegespitst is op de concrete inhoud van het strafdossier en de morele gevolgen ervan”.
  15. In haar memorie van wederantwoord wijst verzoekster er nog op dat, hoewel de verwerende partij aanvoert dat voor de berekening van het bedrag van de blijvende persoonlijke ongeschiktheid “de commissie niet gehouden is integraal te vergoeden, doch enkel gehouden is naar billijkheid een vergoeding toe te kennen […] door het systematisch niet-toepassen van de kapitalisatiemethode, […] slachtoffers met ernstige ongeschiktheden meer schadevergoeding mis[lopen]”. Ook stelt verzoekster vast dat de verwerende partij “louter [verwijst] naar de verplichting van de commissie om naar billijkheid te vergoeden en niet integraal” en “dat de commissie nergens in concreto haar genomen beslissing motiveert”. IX-9955-7/12 Beoordeling
  16. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de commissie. De bij de voormelde grondwetsbepaling opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een juiste dan wel verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt wel in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State in de mogelijkheid stellen zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en er daadwerkelijk heeft op geantwoord. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan dan ook slechts ontvankelijk zijn in zoverre het aan de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn IX-9955-8/12 beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet overtuigend weerlegt. 7.
  17. In haar eerste middelonderdeel voert verzoekster aan dat de commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de berekening van de gevraagde hulp ten bedrage van 8.587 euro, ook rekening is gehouden met de huishoudelijke ongeschiktheid en deze niet in aanmerking komt voor financiële hulp, terwijl volgens verzoekster dit bedrag betrekking heeft op de tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid en niet op de huishoudelijke ongeschiktheid die in een afzonderlijke schadepost werd begroot. 7.
  18. In de bestreden beslissing heeft de commissie als volgt uiteengezet waarom de gevraagde hulp van 8.587 euro niet kan worden toegekend: “De post ‘huishoudelijk ongeschiktheid’ is niet opgenomen in deze limitatieve opsommingen en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van deze schadepost werd bevestigd bij arrest nr. 109/2015 (rolnummer 6028) van het Grondwettelijk Hof d.d. 16 juli
  19. Wat de berekening van de tijdelijke ongeschiktheid betreft, vordert de verzoekster de sommen van 3.500 euro en 8.587 euro. De Commissie merkt hierbij op dat de som van 3.500 euro niet alleen slechts een provisie was op de definitieve som van 8.587 euro, maar ook dat voor de berekening ervan ook rekening gehouden werd met de huishoudelijke ongeschiktheid, waardoor de Commissie er geen rekening mee kan houden.” Hiermee heeft de commissie voldaan aan de haar opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht. 7.
  20. Het middelonderdeel faalt naar recht. 8.
  21. In een tweede middelonderdeel stelt verzoekster dat zij voor de berekening van het bedrag van de blijvende persoonlijke ongeschiktheid gebruik heeft gemaakt van de kapitalisatiemethode. Zij verwijt aan de commissie dat deze IX-9955-9/12 voor de berekening van deze hulp geen gebruik heeft gemaakt van de kapitalisatiemethode, maar wel voor de berekening van die hulp gebruik heeft gemaakt “van een berekening aan vast tarief per punt gestoeld op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters” zonder echter te motiveren waarom zij geen gebruik maakt van de kapitalisatiemethode. 8.
  22. In de bestreden beslissing wordt voor het bepalen van het bedrag van de blijvende persoonlijke ongeschiktheid het volgende uiteengezet: “Inzake de berekening van de blijvende ongeschiktheid maakt verzoekster gebruik van de kapitalisatiemethode. De Commissie kent volgens een zeer constante rechtspraak op dit gebied een ‘hulp’ (geen schadevergoeding) toe volgens een vast tarief per punt, gestoeld op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters en zij hanteert aldus niet de kapitalisatie- en splitsingsmethode. Aldus wordt voor deze schade post de som van 17.640 euro toegekend, zijnde 21 x 840 euro).” Hiermee heeft de commissie voldaan aan de haar opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht. 8.
  23. Het middelonderdeel faalt naar recht. 9.
  24. Wat betreft de gevraagde hulp “voor morele schade als rechtstreeks slachtoffer voor een bedrag van 3.500 euro en voor morele schade als nabestaande voor een bedrag van 12.000 euro”, stelt verzoekster dat de commissie voor morele schade slechts hulp heeft toegekend ten bedrage van 3.000 euro, zonder dat zij “in concreto [argumenteert] waarom deze posten dusdanig werden verlaagd”, dat de commissie “bij de motivering omtrent deze schadepost zeer op de oppervlakte [blijft]” en verzoekster “geen enkele motivering hieromtrent [kan] terugvinden die toegespitst is op de concrete inhoud van het strafdossier en de morele gevolgen ervan”. IX-9955-10/12 9.
  25. Luidens artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door artikel 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoekster geleden schade. 9.
  26. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het toegekende bedrag moet worden gemotiveerd, faalt derhalve naar recht.
  27. Het enige middel faalt naar recht. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  29. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9955-11/12 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9955-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.210 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.