← België

Arrest 255212 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.212 Rolnummer: Zaak: Arrest 255212 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-22 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 07:59 Fiche Arrest nr 255.212 van 8 december 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.212 van 8 december 2022 in de zaken A. 232.733/IX-9829 (I) A. é.694/IX-9887 (II) In zake: I + II Goran PROOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Laura Van Dooren kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48 bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris, belast met Wetenschapsbeleid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Maartje Jongbloet kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep in de zaak A. 232.733, ingesteld op 19 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. Het besluit van de Jury van de Koninklijke Bibliotheek van België van 29 juni 2020 waarbij de rangschikking van kandidaten wordt vastgesteld, conform artikel 12 van het Koninklijk besluit van 25 februari 2008 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen […];
  3. Het besluit van de Jury van de Koninklijke Bibliotheek van België van 1 oktober 2020 waarbij de bij besluit van 29 juni 2020 vastgestelde rangschikking van kandidaten wordt bevestigd en de rangschikking niet wordt gewijzigd naar aanleiding van het, conform artikel 11 van het Koninklijk besluit van 25 februari 2008 tot vaststelling van het statuut van IX-9829-1/50 het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen, ingestelde beroep […];
  4. Het besluit van de verwerende partij, van onbekende datum, waarbij de eerst gerangschikte kandidaat wordt benoemd met in voorkomend geval, de impliciete weigering om [Goran] Proot te benoemen.” Het beroep in de zaak A. é.694, ingesteld op 18 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van: “- Het besluit van de […] Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, van 4 maart 2021 waarbij […] Jan Pauwels wordt aangesteld voor het ambt van werkleider (klasse SW2) van de wetenschappelijke loopbaan – conservator van de Dienst Oude en kostbare drukwerken van de Koninklijke Bibliotheek (KBR); - De impliciete weigeringsbeslissing om […] Goran Proot te benoemen voor de voormelde functie; - Het besluit van de directeur-generaal van de KBR, van onbekende datum, waarbij […] Jan Pauwels wordt benoemd in het ambt van conservator van de Dienst Oude en kostbare drukwerken.” II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in de beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben laatste memories ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 november
  6. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. IX-9829-2/50 Advocaat Thibault Van de Ryse, die loco advocaten Reiner Tijs en Laura Van Dooren verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft in de beide zaken een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 20 april 2020 wordt een vacature voor de functie van conservator (werkleider) klasse SW2 voor de dienst Oude en kostbare drukwerken van de Koninklijke Bibliotheek in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. 3.
  9. Onder anderen verzoeker en Jan Pauwels melden zich kandidaat. 3.
  10. Op 4 juni 2020 stelt de wetenschappelijke jury vast dat de dertien ingediende kandidaturen ontvankelijk zijn. Vervolgens verdeelt de jury de ontvankelijke kandidaturen over twee lijsten. Enerzijds wordt de lijst vastgesteld van negen kandidaten die niet in aanmerking worden genomen, wat voor elk van deze kandidaten ook wordt gemotiveerd. Anderzijds wordt een lijst vastgesteld van vier in aanmerking genomen kandidaten, onder wie verzoeker en Jan Pauwels. Nadien wordt nog een vijfde kandidaat aan deze lijst toegevoegd. 3.
  11. Op 29 juni 2020 worden de vijf in aanmerking genomen kandidaten gehoord door de jury. Elke kandidaat wordt gedurende 45 minuten geïnterviewd. Na beraad komt de jury tot de volgende rangschikking: IX-9829-3/50 IX-9829-4/50 Geschikt:
  12. Jan Pauwels
  13. (…)
  14. (…)
  15. verzoeker. Een vijfde kandidaat wordt niet geschikt verklaard. Hiervoor steunt de jury op volgende motieven: “Pauwels Jan De heer Pauwels licht zijn parcours en motivatie toe. Hij legt uit dat hij de helft van zijn loopbaan in de ‘boekgeschiedenis’ heeft gewerkt, de andere helft in ‘beleid en bestuur’. Hij is altijd actief geweest en gebleven in bibliofiele en antiquarische kringen. Volgens de heer Pauwels beheert de conservator van de Kostbare werken de mooiste (oude) boekencollectie van het land. Zowel in omvang als in onderscheiden delen en specialiteiten is het een bijzondere collectie. De heer Pauwels denkt dat hij daar iets mee kan doen en dat hij er iets kan aan toevoegen, met name op het gebied van publiekwerking, het naar buiten treden, de algemene culturele uitstraling van de collectie. Die wordt nu zeer goed bestudeerd, maar buiten voor een beperkte kring van mensen is ze weinig zichtbaar. De heer Pauwels heeft ter voorbereiding op het interview een analyse gemaakt van waar de afdeling nu staat en zich dan afgevraagd waar iemand nieuw ze naartoe zou kunnen brengen. De heer [D] vraagt of KBR en de Kostbare Werken in het bijzonder volgens de kandidaat een coördinerende rol zouden kunnen spelen tussen de twee gemeenschappen. Hij vraagt ook welke volgens de kandidaat in dat kader de belangrijkste (gespreks)partners zouden zijn. De heer Pauwels antwoordt dat hij zeker denkt aan de vereniging boekgeschiedenis en de groupe de contact van de FNRS. Ook aan de Bibliofiele verenigingen. Hierin moet KBR participeren. Ook de beroepsfederatie (netwerk dat 1 of 2 keer per jaar samenkomt), mensen in dezelfde functie in Gent, Antwerpen, ... aan verschillende de universiteitsbibliotheken moeten betrokken worden. De bibliofiele verenigingen zijn ook belangrijk, dit zijn enthousiastelingen die de collectie en de afdeling ‘gebruiken’. De heer [D] vraagt wat KBR zou kunnen doen om te vermijden dat verschillende actoren elkaar beconcurreren tijdens publieke verkopen. De heer Pauwels antwoordt dat hij vindt dat er voor de afdeling andere prioriteiten zijn volgens hem dan stukken gaan ‘bijkopen’ (catalogisering, digitalisering van de bestaande collecties), en dat KBR pas geloofwaardig een coördinerende of bemiddelende rol kan spelen als ze daar verder in gevorderd zouden zijn. Wat de aankopen betreft, stelt hij dat wie een IX-9829-5/50 netwerk heeft, weet wie wat koopt. Je bent da[n] altijd min of meer op de hoogte van welke instelling in welke richting gaat bieden. Je moet dat netwerk onderhouden en gebruiken. De heer [S] vraagt hoe de kandidaat praktisch te werk zou gaan om de erfgoedcollecties online te brengen. De heer Pauwels antwoordt daarop dat alles vertrekt vanuit catalogisering. De catalogiseringsgraad en het catalogiseringsritme moeten volgens hem omhoog. Hij toont cijfers aan de jury en stelt dat bij ongewijzigd beleid de catalogisering van de volledige collectie pas in 2145 zou afgerond zijn. Je kan geen stukken digitaliseren als je ze niet gecatalogiseerd hebt. Volgens de kandidaat is het probleem dat er te hoge standaarden gehanteerd worden bij het catalogiseren. Dat geeft zeer nuttige en wetenschappelijk verantwoorde informatie, maar dat gaat te traag. De heer Pauwels denkt dat de tijd gekomen is om de standaarden een beetje te laten zakken en geeft enkele voorbeelden van beschrijvingen uit de opac van KBR die hij heeft vergeleken met de beschrijvingen van dezelfde stukken in andere catalogi. Voor wat de digitalisering betreft stelt de heer Pauwels dat KBR de kranten altijd als prioriteit heeft beschouwd en sinds enige tijd ook prenten en munten. Er werden te weinig oude drukken gedigitaliseerd, daar zou hij graag verandering in zien. Ook om dit punt te staven heeft hij een aantal gegevens opgezocht, hij toont aan dat er vooral 17de en 18de eeuw werd gedigitaliseerd, dat het vooral om stukken uit Frankrijk, Italië en Duitsland gaat en dat we soms dingen digitaliseren die dat elders al werden. De heer Pauwels stelt voor om te focussen op de ‘nationaalbibliotheek’, de Belgische drukken uit de periode 1473-
  16. Omdat dit volgens hem de kerncollectie is, nauw aansluit bij de wettelijke opdracht van KBR en een deel betreft dat goed ontsloten is, waarvoor al veel metadata bestaan. De heer [S] vraagt hoe hij de rol van de conservator ziet. De heer Pauwels antwoordt daarop dat de curator vroeger een wetenschapper was die zijn ‘silo’ beheerde, maar dat hij er vandaag heel veel taken moet bijnemen. De conservator moet ook de publiekswerking verzorgen, een leeszaal organiseren, een magazijn beheren, een people manager zijn, technisch bekwaam zijn in catalogisering en digitalisering, als algemeen referent optreden, onderzoek voeren, netwerken,... Hij denkt dat dit heel veel uiteenlopende taken zijn voor 1 persoon. Volgens hem moet de rol van de conservator evolueren van die van ‘scorende spits’ naar ‘spelverdeler’. De nieuwe conservator moet volgens de heer Pauwels niet te veel onderzoek doen, want onderzoek is niet altijd winst. Onderzoek neemt veel tijd in beslag, en die tijd heb je nodig voor de andere prioriteiten zoals catalogisering. Mevrouw [VK] vraagt hoe de kandidaat zijn team zou overtuigen van zijn visie en hoe hij het gaat aanpakken als hij op weerstand botst. De heer Pauwels antwoordt daarop dat hij veel ervaring heeft met personeelsbeheer en dat hij dat graag doet. Hij is ervan overtuigd dat we die mensen iets te bieden hebben. De activiteitencijfers gaan langzaam naar beneden, zowel qua lezers als qua catalogisering, en dat veel mensen dat beseffen. Hij stelt daarom voor om samen naar de toekomst te zoeken, want sommigen maken zich daar wat zorgen in. Hij wil ze graag ‘evidence based’ overtuigen. Hij IX-9829-6/50 wil met een intellectueel eerlijke analyse komen, dat is volgens hem het begin van elk veranderingstraject. Hij zou aantonen dat alle indicatoren naar beneden gaan, en ze zelf proberen tot inzicht te brengen dat er veranderd moet worden. Maar ook dat er voor hen ‘leven’ inzit. Hij zou ook gaan ‘compartimenteren’, tussendoelen gaan stellen. Naast de lange termijn-visie een aantal quick wins formuleren. En de mensen voldoende loven en prijzen. De heer Pauwels geeft aan dat de conservator ook met andere teams moet samenwerken, met name digitalisering, catalogisering,… en dat hij beseft dat je daar compromissen mee zal moeten maken. Hij zegt in het volste besef te leven dat alles stapje per stapje en compromis per compromis moet worden gerealiseerd […]. Wat je met zo’n afdeling wil doen moet je ook aftoetsen met de algemene directie, de operationele directie, de wetenschappelijke raad, de beheerscommissie, de jury,… Je moet handelen volgens de strategie die zij jouw aanreiken, maar hen ook attenderen op de winst die er te boeken valt. Samenvattend stelt hij dat een conservator mensen moet doen werken, compromissen en draagvlak moet creëren, de strategie moet uitvoeren, maar bij een volgende of nieuwe strategie ook aandacht voor ‘zijn zaak’ moet vragen. De heer [T] vraagt hoe de kandidaat KBR en de betrokken afdeling in het bijzonder ziet evolueren en welke volgens hem, in volgorde van belangrijkheid, de 3 grootste uitdagingen voor de nieuwe conservator zijn. De heer Pauwels antwoord dat er heel veel is veranderd in KBR, maar dat er inzake de erfgoedafdelingen nog weinig is veranderd. Aan de universiteiten is er wel veel veranderd. De filologen in Antwerpen bijvoorbeeld, die zijn bezig met data driven onderzoek, met digital humanities,… KBR moet daar aansluiting op vinden. Hedendaags onderzoek. Hij zegt dat hij ter voorbereiding van het interview bij een aantal onderzoekers is nagegaan wat zij van KBR verwachten en kwam tot de conclusie dat de praktijk van de bestudering van 1 document afneemt, dat onderzoekers nu corpora willen. Dat soort onderzoek zal de komende 20-30 jaar ‘mode’ zijn. KBR mag die trein niet missen. De heer Pauwels denkt dat dit een voornaam punt is en is blij het terug te vinden in het actieplan van KBR. Hij zou onderzoekers eens uitnodigen, eens met hen spreken, kijken wat KBR voor hen kan betekenen en hoe we dat gaan aanpakken. Motivatie De heer Pauwels heeft zich bijzonder goed voorbereid op het interview en spreidt een zeer duidelijke visie op de functie en op de evolutie van de instelling tentoon. Hij komt energiek en overtuigend over en getuigt van zeer veel maturiteit en zin voor realiteit. Hij komt met heel concrete, doordachte en realistische voorstellen. Hij beschikt over een interessant en nuttig netwerk. De jury raadt hem aan om voldoende energie te steken in het betrekken van zijn team en collega’s om eventuele weerstand in een vroeg stadium te counteren. De jury oordeelt dat de heer Pauwels geschikt is voor de uitoefening van de functie. Proot Goran De heer Proot licht zijn parcours toe. Hij typeert zichzelf als bibliothecaris, conservator, onderzoeker. Hij vervulde eerder al de rol van conservator en IX-9829-7/50 vond dit een zeer diverse en uitgebreide functie, zowel in de diepte als in de breedte. Hij heeft het over collecties, samenwerkingen, communicatie, sociale media, digitalisering, behoud en beheer. Hij vindt het prettig om samen te werken met de directie voor het definiëren van een strategie en die dan ook uit te voeren. Hij houdt van het breder kader, maar ook van het eigenlijke werk in leeszalen en magazijnen. Hij heeft een zeer brede interesse en spreekt veel met mensen om goed te begrijpen waar lezers, onderzoekers, naartoe willen, wat ze nodig hebben. Hij is gepassioneerd door onderzoek naar oude drukken, door hoe erfgoedcollecties ten dienste staan van de maatschappij. De heer Proot had een voltijdse positie als onderzoeker aan de universiteit, maar besloot toch om daar een halftijdse betrekking van te maken zodat hij het kon combineren met het werk van een conservator. Hij heeft ook veel interesse in moderne ontwikkelingen, moderne onderzoeksmethodes. KBR past voor hem perfect: het is een combinatie van het managen van collecties, het samenwerken met collega's van de afdeling en van andere afdelingen en onderzoeken. Het is dat uitdragen van dat onderzoek en die collecties naargelang van wat de maatschappij nodig heeft. KBR heeft een enorm grote staff, veel personeel. Die grote schaal, ook de 300.000 collectiestukken laten toe om veel zaken te verwezenlijken. De heer Proot stelt dat hij zijn ‘tour du monde’ heeft gedaan, dat hij nu graag school zou maken. Alles is aanwezig in KBR om dat te doen. De heer [D] vraagt of KBR en de Kostbare Werken in het bijzonder volgens de kandidaat een coördinerende rol zouden kunnen spelen tussen de twee gemeenschappen. Hij vraagt ook welke volgens de kandidaat in dat kader de belangrijkste (gespreks)partners zouden zijn. De heer Proot antwoordt dat hij zeer loyaal is en rekening houdt met de missie en visie van de instelling waarvoor hij werkt. Dat hij een echte ambassadeur is en diplomatisch aangelegd. Hij zal alles eerst intern aftoetsen en goede afspraken maken. Hij is heel fier op ons land en op wat België is. Hij denkt dat de rol die KBR speelt op nationaal niveau kan versterkt worden. Hij denkt aan bibliofiele verenigingen, de groupe de contact van de FNRS, de Vlaamse werkgroep boekgeschiedenis, maar ook aan de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, een evidente partner omdat zij ook dat soort rol vervullen voor het Vlaamse landsgedeelte. Hij ziet daar alleen maar mogelijkheden om synergiën te verwezenlijken. Ook op internationaal vlak gaat hij al zijn troeven uitspelen. Hij gaat zijn goede relaties met SHARP gebruiken en expo’s organiseren met Folger, of met andere bibliotheken waarmee hij vertrouwd is. Ook op het vlak van het boekhistorische onderzoek wil hij samenwerken. Hij zou fondsen aanvragen bij het FWO of bij de federale overheid voor wetenschap. Hij denkt dat er binnen STCV meer samenwerking moet zijn met UCL bijvoorbeeld. Er is interesse daarvoor, maar tot hiertoe is het nog niet gelukt. De heer Proot denkt dat het op een dag wel zal lukken als de omstandigheden goed zijn en er fondsen ter beschikking zijn. De heer [D] vraagt wat KBR zou kunnen doen om te vermijden dat verschillende actoren elkaar beconcurreren tijdens publieke verkopen. De heer Proot antwoordt dat de acquisitiepolitiek van KBR op scherp gesteld IX-9829-8/50 moet worden, want dan kan je niet structureel in concurrentie komen met andere instellingen. Als een stuk in KBR moet zijn, moet het in KBR zijn en dan moeten we daar alles aan doen zegt de heer Proot. KBR kan zaken verwezenlijken die bij andere instellingen moeilijker liggen. Veel van de collega’s richten zich op gewone acquisities en worden in hun ambitie beperkt door hun budgetten. Je kan eventueel een beroep doen op Foundations. Eigenlijk is er geen probleem, er is nog genoeg op de markt, ook internationaal. De heer [S] vraagt hoe de kandidaat praktisch te werk zou gaan om de erfgoedcollecties online te brengen. De heer Proot stelt dat eerst de metadata goed in orde moeten zijn. De bibliothecarissen kunnen die data maken, verbeteren,... in samenwerking met de wetenschapper. Die metadata moeten aangeleverd worden en stroken met de protocols. In de Mazarine heeft de heer Proot de digitale bibliotheek ontwikkeld. Eerst moet je al die protocols goed klaar hebben, dan identificeren, dan een masterplan maken waarbij je zegt waar je binnen 5 jaar wil staan en welke de tussentijdse mijlpalen zijn. Daarna ga je samen met het DIGIT-departement kijken hoe je je doel kan behalen. Kan dat intern of moeten er budgetten moeten gezocht om dat extern te doen? Tot slot komt de laatste stap: rentabiliseren/valoriseren van dat werk. Het moet vlot toegankelijk zijn voor eindgebruiker. Je moet de gebruiksvriendelijkheid voor de stakeholders in gedachten houden. Mevrouw [L] vraagt wie het publiek van de afdeling is. De heer Proot antwoordt daarop dat je voldoende maatschappelijk draagvlak moet hebben en dat je rekening moet houden met de toekomst van morgen. En dat is de jeugd van vandaag. Hij denkt aan onderzoekers, bachelorstudenten, master, doctoraat,... die heel veel onderzoek doen. Die moet je bedienen zodat zij deze collecties ook naar waarde leren schatten. Er zijn daartoe verschillende methodes: met de stakeholders aan universiteiten en hogescholen samen een programma opstellen waarbij de toegang tot de collectie wordt begeleid, toegangsinstrumenten op maat van universiteiten en hogescholen ontwikkelen,… Zowel voor collectieitems als collectieclusters. Je kan ook ideeën genereren voor mogelijke onderzoeksvragen, zelf mee onderzoeksvragen ontwikkelen. De heer Proot denkt ook aan show and talks, waarbij je een 20-tal objecten plaatst rond een tafel en groepen uitnodigt. Verder denkt hij aan internationale congressen, summerschools,... Onlangs gaf hij een workshop in een boekhandel voor leken. Daar komt altijd iets van terug. Er is nog veel potentieel. De heer [S] vraagt hoe hij de rol van de conservator ziet. De heer Proot antwoordt daarop dat het in een beperkte équipe belangrijk is om een goede cohesie te hebben. De cultuur die heerst in een privé-bib als de Folger is anders dan die in een bibliotheek met ambtenaren zoals de Mazarine. Daar moet je gevoelig voor zijn. De heer Proot zegt dat hij al in verschillende werkomgevingen heeft gefunctioneerd. In de Mazarine heeft hij gevraagd om ook de afdeling behoud en beheer te mogen leiden, hij vindt grotere equipes interessant. Daar krijg je een bepaalde dynamiek. De heer Proot organiseerde ook IX-9829-9/50 dingen die men niet gewoon was: ze uitnodigen voor je verjaardag om een stuk taart te eten bijvoorbeeld. Hij heeft ook een wekelijkse korte vergadering geïntroduceerd. En hij vroeg om het atelier tegen vrijdagavond op te ruimen. Mevrouw [L] vraagt om concreter te beschrijven hoe de functie van conservator eruit ziet. De heer Proot antwoordt daarop dat je moet kijken met de collega’s wat er moet gebeuren, wat er op stapel staat.
  17. Collectie: hoe is de toestand? Zijn de magazijnen in orde?
  18. Alles wat gepland is voor het beschrijven en ter beschikking stellen van de collecties, zitten we op koers? Projecten: loopt alles naar wens? Wekelijkse teamvergadering. Management zeer belangrijk. Loopt alles op personeel en materieel vlak zoals het moet lopen?
  19. Onderzoek: 20% en communicerende vaten. Hij doet zijn onderzoek in het weekend en ’s avonds. Het is belangrijk om andere te stimuleren en te helpen. Dit is een echte troef van de leeszaal. Gebruikers weten niet dat dat aanbod er is. De heer Proot zegt dat met 270 personeelsleden in verschillende afdelingen je niet alles zelf hoeft te doen. De conservator moet bijvoorbeeld geen ICT doen. Mevrouw [VK] vraagt hoe de kandidaat zijn team zou overtuigen van zijn visie en hoe hij het gaat aanpakken als hij op weerstand botst. Hoe hij zijn ‘zaak’ gaat bepleiten bij de overige diensten, ICT bijvoorbeeld. De heer Proot antwoordt daarop dat als hij een plan heeft voor wat hij wil doen en dat gedragen wordt door de directie, hij dan gaat vragen wanneer men hem kan verder helpen. Hij is het gewoon om een project te leiden. Als je tegen een muur loopt of ‘we hebben geen tijd’ te horen krijgt, dan klop je op de tafel en verwijs je naar de afspraken en deadlines. De heer Proot zegt dat het coachen van 6 mensen niet echt een grote job is; dat het aangenaam is, een schaal die zeer prettig is. De 5 bibliothecarissen moeten instaan voor continuïteit van de dienst. Hij gaat ze niet naar universiteiten sturen om presentaties te geven en zeker niet als ze daar geen zin in hebben. Daarvoor gaat hij beroep doen op de wetenschappelijke staf van KBR. Hij gaat daarbinnen met de collega’s afspreken om samen te werken. Op de vraag wat hij gaat doen als zijn collega’s niet mee willen antwoordt de heer Proot dat als het zaken betreft die we als organisatie willen realiseren, hij een manier zal vinden, dat hij zeer oplossingsgericht ingesteld is. Hij zal dan wel zien hoe hij iets zal gaan doen, dat kan hij nu niet zeggen, hij weet niet welke mogelijkheden er zijn. Hij besluit dat hij al voor moeilijkheden heeft gestaan en altijd oplossingen heeft gevonden. Op de vraag naar wat hij doet bij wrijvingen binnen het team zegt hij dat hij eerst met de directie gaat spreken en zich gaat laten inlichten over de achtergrond. Dan gaat hij kijken met de directie welke de mogelijkheden zijn want je zit met 4 ambtenaren. In de dagelijkse praktijk gaat cohesie proberen te brengen en autonomie geven. Je gaat een gemeenschappelijk project ontwikkelen zoals bijvoorbeeld het samen proper houden van de afdeling. Als er fricties zijn, met mensen spreken en zeggen dat een conflict niet in het belang van de instelling is. De heer Proot gaat niet als IX-9829-10/50 ‘scheidsrechter’ optreden. Hij stelt dat waar mensen zijn, altijd wrijvingen of conflicten zijn. De heer [T] vraagt hoe de kandidaat KBR en de betrokken afdeling in het bijzonder ziet evolueren en welke volgens hem, in volgorde van belangrijkheid, de 3 grootste uitdagingen voor de nieuwe conservator zijn. De heer Proot antwoordt daarop het volgende: l. Hij kent cijfers voor digitale raadpleging niet, maar de fysieke raadpleging gaat naar beneden. De digitale consultatie moet dus verzorgd worden. Er moet toegang geboden worden tot de collecties.
  20. Hij zou hoge kwaliteitstentoonstellingen organiseren. Hij denkt aan enkele samenwerkingsprojecten zoals het groene boek over verzamelaars. Dat is kwaliteit die hier geleverd kan worden. Hij verwijst [o]ok naar de samenwerking met Thomas More en de expo over Ovidius. Dit waren prachtige tentoonstellingen volgens de heer Proot die KBR ook in huis kan proberen te verwezenlijken. Zeker nu het museum er komt. Voor 2023 denk[t] hij aan 550 jaar Johannes van Westfalen en Dirk Martens. Hij vindt dat KBR terug die rol moet gaan spelen.
  21. Er ligt een uitdaging in het bereiken van verschillende doelpublieken. Hij zou dat doen via sociale media, blogs,... Zo mensen naar binnen halen. Motivatie De heer Proot toont zich erg gemotiveerd voor de functie en heeft zich goed voorbereid op het interview. Hij beschikt over verschillende soorten ervaring in verscheidene omgevingen die zeer nuttig zijn voor de te begeven functie. Hij spreidt een omvangrijk netwerk tentoon en schuift heel wat interessante partners naar voren. De jury mist een duidelijke visie op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities. De jury acht de heer Proot geschikt voor de functie.” 3.
  22. Op 6 juli 2020 brengt de voorzitter van de jury verzoeker ervan op de hoogte dat hij als vierde gerangschikt staat. Als bijlage wordt een uittreksel uit het verslag van de jury over de kandidatuur van verzoeker gevoegd. Verzoeker wordt gewezen op de mogelijkheid om hiertegen klacht in te dienen, wat hij vervolgens ook doet. Hij verzoekt om te worden gehoord door de jury. Een vraag van verzoeker om bijstand van een raadsman op de hoorzitting, wordt door de voorzitter van de jury afgewezen. Ook wordt zijn verzoek om inzage in andere documenten in verband met de procedure – IX-9829-11/50 inzonderheid de motivering met betrekking tot de rangschikking van de andere kandidaten – afgewezen. Op 1 oktober 2020 worden de drie kandidaten die tegen de op 29 juni 2020 vastgestelde rangschikking klacht hebben ingediend – onder wie ook verzoeker – door de jury gehoord. Dit leidt niet tot een wijziging van de rangschikking. Wat verzoeker betreft, kan in de notulen van deze vergadering van 1 oktober 2020 het volgende worden gelezen: “De jury benadrukt dat alle elementen die deel uitmaken van het dossier van de kandidaat, alsook alle elementen die tijdens de hoorzitting werden uiteengezet, in rekening werden gebracht. Het document dat de heer Proot tijdens de hoorzitting heeft afgegeven aan de jury, maakt eveneens integraal deel uit van het dossier en wordt bijgevoegd aan dit PV omdat ernaar verwezen wordt. De wetenschappelijke productie werd eveneens geëvalueerd. Dat gebeurde meer bepaald ter gelegenheid van de selectie van de kandidaturen tijdens de eerste vergadering van de jury. De jury heeft de grote waarde van de wetenschappelijke productie van de heer Proot erkend en hem onder meer op die basis toegelaten tot de hoorzitting. De jury mag geen elementen uit de dossiers van andere kandidaten doorgeven en kan dus niet antwoorden op de verschillende vragen en opmerkingen hierover van de kandidaat. Conform artikel 11 paragraaf 4 van het KB van 25 februari 2008 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen krijgen de kandidaten bij de notificatie van de resultaten enkel een uittreksel uit het PV, ieder wat hem aangaat. De heer Proot stelt zich tijdens deze hoorzitting bijzonder agressief op tegenover de leden van de jury; hij roept en richt zich verschillende keren tot de juryleden voor persoonlijke aanvallen. Hij uit niet gestaafde beschuldigingen ten aanzien van de juryleden en vertoont totaal onaanvaardbaar en onprofessioneel gedrag tijdens de hele hoorzitting. De heer Proot stelt dat hij onvoldoende tijd heeft gekregen om zijn antwoorden te ontwikkelen tijdens de eerste hoorzitting. De jury wenst op te merken dat hij even veel tijd heeft gekregen dan de andere kandidaten. De jury blijft bij haar eerdere motivatie. Ze zegt niet dat de heer Proot niet voldoet aan bepaalde criteria, maar ze heeft alle elementen van alle kandidaten samen genomen en de kandidaten tegen elkaar afgewogen. De heer Proot legt een mooi parcours voor en de jury erkende dan ook dat hij geschikt is voor de uitoefening van de functie, maar de jury oordeelde dat IX-9829-12/50 andere kandidaten meer geschikt zijn. Ze behoudt voor de heer Proot de 4de plaats in de rangschikking.” 3.
  23. Op 4 maart 2021 beslist de staatssecretaris, belast met Wetenschapsbeleid, dat Jan Pauwels als eerst gerangschikte laureaat wordt aangesteld in de functie van conservator (werkleider) klasse SW2 voor de dienst Oude en kostbare drukwerken. IX-9829-13/50 IV. Samenvoeging
  24. Het past, met het oog op een efficiënte rechtspleging, de beide zaken samen te voegen. V. Verwijzing naar de tweetalige kamer
  25. In haar laatste memorie dringt de verwerende partij niet langer aan op haar verzoek tot samenvoeging van deze zaken met de door een andere teleurgestelde kandidaat ingediende beroepen, bekend onder rolnummers A. 232.577/VIII-11.577 en A. é.510/VIII-11.672 om ze dan te verwijzen naar de tweetalige kamer. VI. Ontvankelijkheid van de beroepen
  26. Het beroep tegen het besluit “van onbekende datum, waarbij de eerst gerangschikte kandidaat wordt benoemd” in de eerste zaak is gericht tegen een toekomstige beslissing. In zoverre is dat beroep voorbarig, maar het volstaat om vast te stellen dat verzoeker dat benoemingsbesluit, dat de eindbeslissing is van deze complexe administratieve verrichting, heeft aangevochten in de tweede zaak.
  27. Het antwoord op de vraag of het beroep tegen de impliciete weigering om verzoeker te benoemen ontvankelijk is – wat de verwerende partij betwist – hangt samen met de grond van de zaak, namelijk met de aard van de eventuele vernietigingsgrond. De verwerende partij, die zelf de arresten nrs. 222.357 en 222.358 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van 1 februari 2013 vermeldt, kent zeer wel de rechtspraak daarover van de Raad van State.
  28. Over het beroep tegen “[het] besluit van de directeur-generaal van de KBR, van onbekende datum, waarbij […] Jan Pauwels wordt benoemd in IX-9829-14/50 het ambt van conservator van de Dienst Oude en kostbare drukwerken” – derde voorwerp in de tweede zaak – kon verzoeker het volgende lezen in het auditoraatsverslag: “Van een verzoekende partij wordt vereist dat hij het voorwerp van zijn beroep met voldoende precisie aangeeft en dat hij het niet aan de Raad van State overlaat om het voorwerp van zijn vordering geheel in zijn plaats te bepalen. Door als derde voorwerp van zijn beroep algemeen en vaag te refereren aan een benoemingsbesluit van onbepaalde datum van J.P. dat zou zijn genomen door de directeur-generaal van de KBR, zonder verdere identificatie, is verzoeker niet voldoende precies. Het is allerminst duidelijk welk besluit verzoeker nu precies beoogt, temeer daar uit artikel 16, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 volgt dat de benoeming gebeurt door de minister (thans de staatssecretaris) en dus niet door de directeur-generaal van de KBR. Het derde voorwerp van het beroep blijft in het verzoekschrift (en ook in de memorie van wederantwoord trouwens) bijgevolg onbepaald. Op dit punt is voorliggend beroep tot nietigverklaring derhalve eveneens onontvankelijk.” Ook in zijn laatste memorie laat verzoeker na hierover enige opheldering of precisering te verschaffen, zodat het standpunt van het auditoraat wordt bijgevallen. In die mate is het beroep A. é.694 onontvankelijk. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel in de zaak A. 232.733 en tweede middel in de zaak A. é.694 Uiteenzetting van het middel
  29. Verzoeker voert in het eerste middel in de zaak A. 232.733, tweede middel in de zaak A. é.694, de schending aan van de artikelen 11 en 13 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 ‘tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen’ (“het koninklijk besluit van 25 februari 2008” of “het statuut”), van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 IX-9829-15/50 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Het middel heeft betrekking op de beslissing van de jury van 4 juni 2020, waarbij de lijst is vastgesteld met geschikte kandidaten die worden uitgenodigd voor het interview. Verzoeker betoogt dat noch uit de notulen van de beraadslaging van 4 juni 2020, noch uit het schrijven waarmee deze notulen werden meegedeeld, blijkt dat de jury een objectieve vergelijking en weging heeft doorgevoerd van de titels, de verdiensten en de ervaring van verzoeker ten opzichte van de overige kandidaten. Verzoeker kan niet nagaan of zijn titels, verdiensten en ervaring correct en in redelijkheid zijn beoordeeld. Hij stelt er belang bij te hebben om kennis te hebben van de motieven van de jury met betrekking tot zijn titels, verdiensten en ervaring in vergelijking met de andere kandidaten, aangezien de weging ervan in het volgende stadium niet meer aan bod lijkt te komen.
  30. In zijn laatste memories stelt verzoeker dat de onwettigheid van de beslissing van 4 juni 2020 de onwettigheid tot gevolg heeft van de met zijn beroepen bestreden beslissingen. Daarin ziet hij zijn belang bij het middel. Beoordeling
  31. Artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 luidt: “§
  32. De jury bepaalt welke kandidaten van de ontvankelijke kandidaturen zij het meest geschikt acht om de te begeven functie uit te oefenen. Het aantal kandidaten dat in aanmerking komt, mag niet groter zijn dan vijf per vacante betrekking, zoals vermeld in het in artikel 10 bedoeld bericht. Alleen deze kandidaten worden uitgenodigd om te verschijnen voor de jury en worden opgenomen in de rangschikking bedoeld in artikel 12 van dit besluit. De jury neemt de in het eerste lid bedoelde beslissing op basis van het door de kandidaten ingezonden dossier. Zij beslist in het bijzonder of de IX-9829-16/50 titels, verdiensten en ervaring van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten die bij de werving worden gesteld. Indien de jury het noodzakelijk acht, kan zij de kandidaten vragen om eender welke bijkomende proef af te leggen die zij bepaalt om hun geschiktheid voor de te begeven functie te beoordelen. Zij organiseert de proef over een onderwerp dat een nuttig verband heeft met het vastgestelde functieprofiel. De kandidaten worden op de hoogte gebracht door middel van een brief die de datum, de plaats en het onderwerp van de proef vermeldt. Deze proef mag ten vroegste op de tiende werkdag na de datum van voornoemde brief plaatsvinden. Een kandidaat die niet verschijnt, wordt automatisch van de rest van de selectieprocedure uitgesloten. §
  33. De jury tekent haar beraadslaging op in notulen die op zijn minst de volgende elementen bevatten: 1° de indeling van de kandidaten in twee lijsten, naargelang zij al dan niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig § 1; 2° de motivering van deze indeling voor elke kandidaat; 3° het verslag betreffende de stemmen. §
  34. Indien de jury meent dat geen enkele kandidaat over de vereiste bekwaamheden beschikt om de te begeven functie uit te oefenen, stelt zij gemotiveerde notulen van afsluiting van de selectieprocedure op en deelt ze mee aan de Voorzitter. §
  35. Alle kandidaten worden, ieder wat hem aangaat, per aangetekende brief verstuurd door de voorzitter van de jury op de hoogte gebracht van de beslissing die de jury overeenkomstig dit artikel heeft genomen, en van de bijhorende motivering. §
  36. Vóór de in § 2 bedoelde beraadslaging, deelt de voorzitter van de jury aan de bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie de documenten mee ingediend door iedere kandidaat om zijn titels, verdiensten en vroegere wetenschappelijke activiteiten te wettigen. De betrokken dienst onderzoekt deze documenten en gaat met name de regelmatigheid ervan na. Hij deelt zijn advies mee aan de voorzitter van de jury.” Artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 luidt: “De in artikelen 11 en 12 bedoelde aangetekende brieven omvatten op zijn minst de volgende elementen: 1° de beslissing van de jury en haar motieven. Alleen de elementen die de kandidaat persoonlijk aangaan, worden aan hem meegedeeld; 2° de aanwijzing voor de kandidaat die zich benadeeld acht, dat hij de mogelijkheid heeft om binnen de tien werkdagen na de kennisgeving een schriftelijke klacht in te dienen bij de voorzitter van de jury om eventueel te vragen om door de jury gehoord te worden; 3° het deel van de notulen van de vergadering van de jury dat betrekking heeft op die beslissing.” IX-9829-17/50
  37. Terecht heeft verzoeker niet de nietigverklaring gevorderd van de beslissing van de jury van 4 juni 2020 waarbij de shortlist is vastgesteld. Wat hem betreft, is die beslissing in het geheel van de te beoordelen complexe administratieve verrichting immers een louter voorbereidende handeling die zijn rechtstoestand niet definitief nadelig bepaalt en is ze dus geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling.
  38. Verzoeker is door de jury opgenomen op de lijst van de voor het interview in aanmerking te nemen kandidaten, dit zijn de kandidaten die zij “het meest geschikt acht om de te begeven functie uit te oefenen”. Die lijst is vreemd aan de latere rangschikking. Ze geeft de erin opgenomen kandidaten enkel een uitnodiging om te verschijnen voor de jury en uitzicht op de latere rangschikking. De waardering van de kandidaten, de vergelijking van hun titels en verdiensten met het oog op hun finale rangschikking gebeurt – en moet gebeuren – na en mede op grond van het interview. Wat de jury ertoe heeft gebracht om de vijf kandidaten te selecteren, is dan niet meer relevant. De rangschikking heeft een autonome motivering. Verzoeker is door de sluis van de preselectie geraakt; hij toont niet aan welk nadeel hij heeft ondervonden door een eventueel motiveringsgebrek bij die beslissing. Hij heeft geen belang bij het middel, zoals het in het inleidend verzoekschrift is uiteengezet.
  39. Voorts mag worden vastgesteld dat verzoeker in de memorie van wederantwoord ingaat op de overzichtstabel die de jury heeft gehanteerd bij het opstellen van de preselectie. Die lijst roept bij verzoeker vragen op waarom de niet geschikt bevonden kandidaat op de shortlist is opgenomen en een andere kandidaat niet. Hij heeft ook vragen bij de latere aanvulling van de lijst met een vijfde kandidaat. Geen van deze kandidaten is evenwel als eerste gerangschikt en IX-9829-18/50 verzoeker beweert alvast niet dat Jan Pauwels ten onrechte op de lijst is opgenomen. Zijn opmerkingen tonen nog steeds niet aan dat hij belang heeft bij het middel. Verzoeker toont niet aan dat een eventuele onwettigheid van de beslissing van 4 juni 2020 een determinerend effect had op zijn benoemingskansen of anderszins de navolgende beslissingen vitieert.
  40. Het middel is onontvankelijk. B. Tweede middel in de zaak A. 232.733 en derde middel in de zaak A. é.694 Uiteenzetting van het middel
  41. Verzoeker voert in een tweede middel in de zaak A. 232.733, derde middel in de zaak A. é.694, de schending aan van de artikelen 105 en 107 van de Grondwet, van artikel 14 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008, van de “hoorplicht” als “beginsel van behoorlijk bestuur”, van “het recht om gehoord te worden” als “algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur met wettelijke waarde” en van het zorgvuldigheidsbeginsel als “beginsel van behoorlijk bestuur”. Volgens verzoeker schenden de bestreden beslissingen de aangevoerde bepalingen omdat: “
  42. [verzoeker], voorafgaand aan de hoorzitting naar aanleiding van de ingediende klacht, niet over de essentiële stukken van het dossier beschikte om op nuttige wijze op te komen voor zijn belangen en zijn verweer voor te bereiden.
  43. de jury ‘nieuwe’ elementen die worden aangevoerd tijdens de hoorzitting naar aanleiding van de ingediende klacht niet in overweging neemt voor het nemen van de beslissing inzake de rangschikking zodat de hoorzitting de facto ‘een lege doos’ is.
  44. de beweegredenen van de jury om geen rekening te houden met ‘nieuwe’ elementen die in het kader van de hoorzitting naar aanleiding van de ingediende klacht worden aangebracht manifest ongegrond zijn IX-9829-19/50 aangezien de andere kandidaten in geval van een wijziging van de rangschikking, naar aanleiding van een klacht die is ingediend hiervan immers op de hoogte worden gebracht zodat zij op hun beurt eveneens een klacht kunnen indienen.
  45. het verbod om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen, eventueel door een raadsman, tijdens de hoorzitting naar aanleiding van de ingediende klacht het recht om gehoord te worden op disproportionele wijze beperkt.” Verzoeker zet in zijn procedurestukken uitvoerig uiteen dat hij op de hoorzitting een schriftelijke argumentatie heeft neergelegd en dat die nota geen bijkomende informatie betreft en geenszins nieuwe elementen bevat. Verzoeker heeft zijn visie op digitale ontsluiting en onderzoek binnen Digital Humanities “maar liefst drie maal” toegelicht aan de jury. De jury laat na deze argumentatie te beoordelen. Uit de notulen van de beraadslaging van 1 oktober 2020 blijkt volgens verzoeker dat de jury geen van zijn fundamentele, inhoudelijke argumenten in overweging heeft genomen. Nergens wordt immers verwezen naar de bijkomende verduidelijkingen die hij heeft aangebracht met betrekking tot het enige beoordelingselement dat de jury ten aanzien van hem in aanmerking nam. Hij wijst erop dat hij met het oog op de hoorzitting vergeefs gevraagd heeft om inzage van de notulen van de beraadslaging van 29 juni 2020, in het bijzonder de motivering met betrekking tot de rangschikking van elke kandidaat. Beoordeling
  46. Ook nadat verzoeker hierop gewezen is in het auditoraatsverslag, verduidelijkt hij niet wat hij precies bedoelt met “het recht om gehoord te worden als algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur met wettelijke waarde”, naast de eveneens ingeroepen hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. IX-9829-20/50 In die mate is het middel onontvankelijk, of valt de beoordeling ervan minstens samen met de beoordeling van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
  47. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vindt behoudens uitdrukkelijk andersluidend voorschrift, geen toepassing op benoemingsprocedures, zelfs niet ten opzichte van kandidaten die worden afgewezen. Het middel dat uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt naar recht.
  48. Het koninklijk besluit van 25 februari 2008, en meer in het bijzonder Titel II ‘Wetenschappelijke loopbaan’ – Hoofdstuk III ‘Selectie, werving en bevestiging van wetenschappelijke personeelsleden’, beoogt enkel de selectie- en wervingsprocedure te bepalen, zodat niet kan worden ingezien dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de artikelen 105 en 107 van de Grondwet. In zoverre is het middel niet gegrond.
  49. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 is hiervóór aangehaald sub
  50. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 luidt: “§
  51. De kandidaat dient klacht in per aangetekend schrijven, waarin hij zijn argumenten vermeldt. Indien hij vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon: hij mag zich niet laten bijstaan of vertegenwoordigen. Indien de kandidaat, ofschoon correct opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, wordt de procedure wat hem betreft als afgesloten beschouwd. De jury beoordeelt soeverein de geldigheid van de door de kandidaat opgegeven reden. De jury doet uitspraak op basis van de schriftelijke klacht, zelfs indien de kandidaat een geldige reden heeft, zodra de klacht in een tweede zitting wordt besproken. […] IX-9829-21/50 §
  52. De in artikel 12 bedoelde beslissing zal, indien de jury na onderzoek van de klacht haar beslissing niet wijzigt, enkel worden bekendgemaakt aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend. Indien de jury daarentegen een nieuwe rangschikking opstelt, dan wordt deze per aangetekend schrijven bekendgemaakt aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld. Indien opnieuw een kandidaat zich benadeeld acht, kan hij volgens dezelfde procedure een schriftelijke klacht indienen. Op het einde van een nieuwe beraadslaging maakt de jury de definitieve rangschikking bekend aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld en maakt deze over aan de Minister.”
  53. Het statuut regelt een welomschreven klachtprocedure. Verzoeker vergist zich hierin een volwaardig georganiseerd administratief beroep te zien, of het daarmee op het vlak van inhoud en gevolgen gelijk te stellen. Verzoeker heeft dan ook enkel het recht om in het kader van die klachtprocedure gehoord te worden, in de mate waarin en volgens de procedure zoals het statuut ze regelt. De voorzitter van de jury heeft dit op 14 september 2020 aan verzoeker correct meegedeeld, door erop te wijzen dat de klachtprocedure beoogt “om de kandidaat […] de mogelijkheid te bieden om […] de jury opmerkzaam te maken over eventuele vergissingen in de interpretatie van de informatie die in het dossier is opgenomen of tijdens het onderhoud werd meegedeeld, of nog, over elementen waarmee volgens de kandidaat niet of onvoldoende rekening werd gehouden” en dat die procedure “uitsluitend betrekking [heeft] op de materiële elementen uit het dossier”. De behandeling van een klacht is, met andere woorden, alleszins geen “herkansing” voor wat een kandidaat mogelijk heeft laten mislopen tijdens het interview. De jury, die in het kader van de klachtprocedure aan verzoeker alleen de elementen meedeelt die hem persoonlijk aangaan, die verzoeker bijstand van een raadsman weigert en die de klacht enkel onderzoekt in de mate waarin ze betrekking heeft op het verloop van de procedure zonder aan verzoeker een nieuwe kans te geven om zijn titels en verdiensten opnieuw te verdedigen, schendt niet artikel 14 van het koninklijk besluit van 25 februari
  54. IX-9829-22/50 In zoverre faalt het middel naar recht.
  55. Verzoeker is op 6 juli 2020 in kennis gesteld van de bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 bedoelde gegevens. Verzoeker heeft op 10 juli 2020 een beargumenteerde klacht ingediend, waarin hij onder meer ingaat tegen het motief dat de jury bij verzoeker een duidelijke visie mist op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities. Verzoeker wordt gehoord door de jury op 1 oktober
  56. Hij beschikt daarvoor over een tijdsbestek van 45 minuten en overhandigt daar nog een dertig bladzijden tellend document met zijn argumentatie. Daaropvolgend beslist de jury om de op 29 juni 2020 vastgestelde rangschikking niet te wijzigen. Zij notuleert ook dat zij blijft bij haar vroegere motivatie. Verzoeker mag het liever anders gezien hebben, maar hieruit blijkt dat zijn argumenten de jury niet hebben overtuigd om de rangschikking te wijzigen, noch om de motivatie voor die rangschikking aan te passen, te wijzigen of aan te vullen. Hierbij mag worden herhaald dat thans een benoemingsprocedure voorligt met een welomschreven klachtprocedure – geen beroepsprocedure – en dat niet is vereist dat verzoekers argumentatie in een formele motivering wordt ontmoet. Het volstaat dat de motivering voor de rangschikking draagkrachtig is, maar het onderzoek daarvan is vreemd aan huidig middel dat enkel ziet op het verloop van de klachtprocedure. Ook in die mate is geen schending van artikel 14 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 aangetoond en is het middel ongegrond.
  57. Verzoeker heeft geen belang bij zijn grief over het genotuleerde standpunt van de jury dat zij “geen rekening [zal] houden met eventuele door de kandidaten aangedragen nieuwe elementen ten opzichte van de hoorzitting van 29.06.2020”. IX-9829-23/50 Verzoeker stelt immers zelf dat hij géén nieuwe elementen heeft voorgelegd aan de jury en hiervóór is gebleken dat verzoekers argumenten door de jury zijn ontvangen en beoordeeld, zonder dat ze als “nieuw” zijn weerhouden. Zelfs zo de jury al heeft overwogen om geen rekening te houden met zogezegde nieuwe argumenten die in een klacht worden aangebracht, heeft zij de door verzoeker aangehaalde argumenten blijkbaar niet als zodanig gekwalificeerd. Dat de jury geen nieuwe argumenten in overweging zou nemen en haar motivering daartoe, hebben verzoeker dan ook geen enkel nadeel toegebracht.
  58. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. C. Derde middel in de zaak A. 232.733 en vierde middel in de zaak A. é.694 Uiteenzetting van het middel
  59. Het derde middel in de zaak A. 232.733, vierde middel in de zaak A. é.694, is geput uit de schending van de artikelen 12, § 2, en 13 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008, van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De bestreden beslissingen schenden volgens verzoeker de aangevoerde bepalingen en beginselen doordat:
  60. de jury de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten niet heeft onderzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. Dit blijkt niet, alleszins niet afdoende, uit de bestreden beslissingen. IX-9829-24/50
  61. uit de bestreden beslissingen – of het administratief dossier – niet blijkt om welke redenen verzoeker als vierde wordt gerangschikt, laat staan waarom Jan Pauwels als eerste wordt gerangschikt en wordt benoemd. Hoewel het vacaturebericht een competentieprofiel bevat, blijkt de afweging van de criteria uit dit competentieprofiel volgens verzoeker niet (afdoende) uit de bestreden beslissingen. De afweging is alleszins niet correct gebeurd, minstens wordt hiervan geen blijk gegeven in de bestreden beslissingen. Noch uit het besluit van 29 juni 2020, noch uit het besluit van 1 oktober 2020 blijkt dat de jury het profiel van de kandidaten heeft getoetst aan de criteria zoals bepaald in het competentieprofiel, laat staan dat er een objectieve vergelijking van de profielen van de kandidaten heeft plaatsgevonden. Wanneer meerdere kandidaten in aanmerking komen om te worden benoemd, moet de benoemende overheid niet enkel aantonen dat een vergelijking van titels en verdiensten van de betrokken kandidaten heeft plaatsgevonden, maar dient zij ook de redenen aan te duiden waarom precies de benoemde kandidaat werd gekozen. De redenen moeten duidelijk en feitelijk juist zijn, pertinent en niet tegenstrijdig. De motivering van de jury is evenwel een algemene en vage motivering. Geen enkele beslissing geeft blijkt van een vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria – namelijk de criteria bepaald in het competentieprofiel – die laat begrijpen waarom verzoeker als vierde en Jan Pauwels als eerste wordt gerangschikt.
  62. De verwerende partij antwoordt dat zij zowel bij het vaststellen als bij het wegen van de criteria waaraan de kandidaturen moeten worden getoetst over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De objectieve, redelijke en pertinente criteria waaraan de kandidaturen moeten worden getoetst kunnen worden gevonden in het IX-9829-25/50 vacaturebericht. De verwerende partij onderstreept dat het functieprofiel moet worden begrepen tegen de achtergrond van de “functiecontext” en van de “inhoud van de functie”, zoals eveneens opgenomen in het vacaturebericht. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker niet betwist dat de vereisten uit het functieprofiel objectief, redelijk en pertinent zijn. Verzoeker maakt wel (te veel) abstractie van de “functiecontext” en de “inhoud van de functie”, waardoor hij een kandidatuur heeft ingediend die sterk gericht is op het aspect van de wetenschappelijke titels en verdiensten, maar te weinig concrete aandacht heeft voor de vernieuwende rol die van de conservator wordt verwacht, namelijk op het vlak van het naar voor brengen van ideeën, het samenwerken in team en het aantrekkelijk maken van de instelling voor een nieuwe generatie Belgen. Deze “functiecontext” en “inhoud van de functie” komen samen in de noties van de vereiste visie en de Digital Humanities. Dit alles komt naar het oordeel van de verwerende partij tot uiting in de beoordeling van de jury over verzoeker en Jan Pauwels. Deze beoordeling vindt steun in de kandidaatstellingsdossiers. Het dossier van Jan Pauwels “is geen ellenlange opsomming van wetenschappelijke titels en verdiensten, maar een evenwichtige kandidatuur waarin zowel een visie op een voldragen wijze wordt naar voorgebracht, als aandacht uitgaat naar de wetenschappelijke vereisten”. Op 29 juni 2020 heeft de jury de kandidaten gehoord om de motivatie, de technische competenties en de gedragscompetenties zoals bedoeld in punt 5 van het functieprofiel te testen en daartoe wordt elke kandidaat gedurende 45 minuten geïnterviewd. Elk van de vijf uitgenodigde kandidaten krijgt eerst het woord om zijn afgelegd parcours en motivatie toe te lichten. Daarna leggen de juryleden elke kandidaat dezelfde set vragen voor om te testen of zij beantwoorden aan de criteria uit het functieprofiel. Aan bepaalde kandidaten wordt ook nog gevraagd om hun antwoord toe te lichten. De jury heeft de antwoorden van de kandidaten met elkaar vergeleken en op basis hiervan een rangschikking opgesteld. Elke keuze van de jury om een kandidaat in de rangschikking te plaatsen wordt door de jury gemotiveerd. IX-9829-26/50 Alle geselecteerde kandidaten worden aan dezelfde behandeling onderworpen door de jury. Ze krijgen elk 45 minuten om hun kandidatuur toe te lichten en ze krijgen elk dezelfde vragen van de jury voorgeschoteld. Uit de notulen blijkt op welke plaats elke kandidaat wordt gerangschikt en waarom de jury voor de betrokken rangschikking heeft gekozen. Door aan elke kandidaat dezelfde vragen voor te leggen en de antwoorden op deze vragen te vermelden in de notulen, heeft de jury de motivatie, technische competenties en gedragscompetenties van elke geselecteerde kandidaat getest en onderling met elkaar vergeleken. In de motieven van de notulen blijkt het resultaat van deze vergelijking, aangezien de jury hier aangeeft welke kandidaat op welke plaats wordt gerangschikt. De verwerende partij volgt verzoeker niet waar hij stelt dat de afweging van de criteria uit het functieprofiel niet zou blijken uit de bestreden akten. Op 4 juni 2020 heeft de jury de ingediende kandidaturen getoetst aan het functieprofiel om de vijf meest passende kandidaten te kunnen selecteren. Op 29 juni 2020 heeft de jury de vijf geselecteerde kandidaten met elkaar vergeleken door aan elk van hen dezelfde set vragen voor te leggen. De jury heeft op basis van de door hen gegeven antwoorden gemotiveerd waarom ze de kandidaten in een bepaalde volgorde heeft gerangschikt. Ten slotte werd aan verzoeker de kans gegeven argumenten aan te voeren om de rangschikking te laten wijzigen. De jury heeft op 1 oktober 2020 omstandig gemotiveerd waarom de interventie van verzoeker niet van aard was om de rangschikking te wijzigen. Op dat ogenblik zijn de kandidaten niet meer met elkaar vergeleken, aangezien niet elke kandidaat een schriftelijke klacht heeft neergelegd, maar zijn de schriftelijke klachten inhoudelijk beoordeeld. Uit de notulen van de verschillende vergaderingen blijkt dat de jury telkens de criteria uit het functieprofiel als uitgangspunt neemt en de kandidaturen aan deze criteria toetst. De verenigbaarheid van de kandidaturen met deze criteria wordt door de jury gemotiveerd en deze motivering wordt aan de kandidaten bezorgd. IX-9829-27/50 De verwerende partij volgt verzoeker ook niet waar hij stelt dat zijn kandidatuur niet met de andere kandidaten is vergeleken. Door tijdens de vergadering van 29 juni 2020 dezelfde vragen voor te leggen aan de geselecteerde kandidaten heeft de jury de antwoorden van deze kandidaten op een objectieve en relevante wijze met elkaar kunnen vergelijken. De verwerende partij plaatst ter illustratie hiervan de antwoorden van verzoeker naast de antwoorden van Jan Pauwels. Daaruit blijkt volgens haar dat de jury redelijkerwijze kon besluiten dat verzoeker geen duidelijke visie op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities uiteenzet. Waar Jan Pauwels concrete oplossingen voorstelt voor de situatie waarin de bibliotheek zich bevindt, wijst verzoeker op verschillende methodes die in verschillende contexten toepassing vinden. Verzoeker toont het onredelijk en onzorgvuldig karakter van de beoordeling van de antwoorden van de kandidaten door de jury niet aan. Hij duidt geen feitelijke onjuistheden of rechtens onaanvaardbare motieven aan. Hij bewijst evenmin dat de jury zijn kandidatuur anders heeft beoordeeld dan de andere kandidaturen of dat de criteria uit het functieprofiel verschillend zijn toegepast op zijn kandidatuur. Dat de beoordeling van de kandidatuur van verzoeker “algemeen” en “vaag” zou zijn, vindt geen grond in de notulen van de verschillende vergaderingen. De jury heeft de kandidaturen getoetst aan objectieve, relevante en pertinente criteria en heeft de titels en verdiensten van de kandidaten zorgvuldig met elkaar vergeleken. Hierbij heeft zij elke kandidatuur aan een gelijke beoordeling onderworpen en duidelijk gemotiveerd waarom de kandidaturen een bepaalde plaats in de rangschikking hebben ingenomen.
  63. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord als volgt. Hij ontkent niet dat de wegingscriteria op wettige wijze zijn vastgesteld maar voert aan dat er gedurende de gehele wervingsprocedure geen weging is gemaakt van titels en verdiensten. Met haar apodictische standaardformulering toont de jury niet aan de argumentatie van verzoeker in haar beoordeling te hebben betrokken. Dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden IX-9829-28/50 en dat de jury stelt dat zij de kandidaturen heeft onderzocht en met elkaar heeft vergeleken, volstaat niet om aan te tonen dat zulks daadwerkelijk is gebeurd. Verzoeker heeft, zo stelt hij, precies het tegendeel aangetoond.
  64. In zijn laatste memorie voegt verzoeker nog hieraan toe dat op geen enkele wijze uit het functieprofiel, noch uit de bestreden beslissingen blijkt dat “het aantonen van een duidelijke visie op de functie en op de evolutie van de instelling” het determinerend criterium was voor de jury bij de beoordeling van de kandidaten. In elk geval blijkt uit de bestreden beslissingen niet dat de jury alle kandidaten in hoofdzaak op basis van dit criterium heeft vergeleken en gerangschikt. Volgens verzoeker waren de vragen die op het interview zijn gesteld er ook niet op gericht een betoog uit te lokken over zijn visie inzake Digital Humanities. Indien de jury dit criterium daadwerkelijk als het determinerende criterium beschouwde, dan had zij hierover een duidelijke vraag moeten stellen teneinde alle kandidaten in staat te stellen om hun visie duidelijk te kennen te geven.
  65. In haar laatste memorie dupliceert de verwerende partij dat de criteria waaraan de in aanmerking genomen kandidaten werden getoetst, in het bijzonder de volgende zijn, namelijk de “bijkomende rangschikkingscriteria”, opgenomen onder punt 5.2.2 en de “generieke competenties”, opgenomen onder punt 5.3 van het vacaturebericht, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 april
  66. Uit de weergave van de interviews blijkt dat aan elk van de kandidaten in eerste instantie de mogelijkheid werd gegeven zijn parcours toe te lichten en dat zij vervolgens allemaal onderworpen werden aan dezelfde typevragen. Er valt dus niet goed in te zien op welke wijze er sprake kan zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel, waaromtrent dit middel toch in belangrijke mate draait. De verwerende partij herhaalt dat het gaat om zeer open vragen, die duidelijk verband houden met de te begeven betrekking en die voor IX-9829-29/50 de kandidaten een aanzet (kunnen) zijn om zelf de rangschikkingscriteria in hun antwoorden erop verder te betrekken en aldus te verduidelijken in welke mate hun kandidatuur (het best) beantwoordt aan deze verschillende criteria. Het komt aan de kandidaat zelf toe om op basis van de toelichting van zijn parcours en op basis van zijn antwoorden op de voornoemde typevragen uit te leggen waarom hij meent de meest geschikte kandidaat te zijn voor de functie doordat hij het beste beantwoordt aan de verschillende criteria uit het competentieprofiel, dewelke de kandidaten op voorhand aan de hand van het vacaturebericht kenden. IX-9829-30/50 Beoordeling a. algemeen
  67. Het past in herinnering te brengen hoe het bestuur zich door de in het middel aangevoerde rechtsbeginselen moet laten leiden, wil het een benoemingsprocedure tot een goed einde brengen.
  68. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen en bevorderingen, krachtens hetwelk iedere burger gelijke toegang heeft tot de betrekkingen bij de overheid, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken aan de hand van objectieve en pertinente criteria. Het vergelijken van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten betekent dat ze tegen elkaar worden afgezet om de gelijkenissen en de verschillen te doen uitkomen, inzonderheid in het licht van het te verlenen ambt. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid zich daartoe grondig informeert en haar beslissing met zorg voorbereidt. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat het bestreden benoemingsbesluit wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het benoemingsbesluit – minstens: het juryverslag waarop dat besluit stelt te steunen – dient overeenkomstig de formelemotiveringswet de feitelijke en juridische overwegingen te bevatten die eraan ten grondslag liggen IX-9829-31/50 en die vermeldingen moeten afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
  69. De bestreden bevordering is een bevordering naar keuze. Bij het vergelijken van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten beschikt de overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid, inzonderheid wat de criteria betreft die zij voor de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten in aanmerking neemt en het gewicht dat zij aan deze criteria toekent, vooropgesteld dat ze objectief en pertinent zijn en op alle kandidaten op gelijke wijze worden toegepast. De Raad van State mag zich op dit vlak niet in de plaats van de overheid stellen. Hij mag wel nagaan of de overheid op een willekeurige wijze van haar beoordelingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dit zal enkel het geval zijn indien de overheid handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen. Dan moet worden vastgesteld dat het bestuur onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteugelend op te treden. De Raad van State is aldus bevoegd om na te gaan of het bestuur bij de vergelijking van de kandidaten objectieve criteria, die verband houden met de functie, heeft gehanteerd en of het bestuur, afgaand op de feitelijke gegevens die voorlagen en die het juist heeft bevonden, niet elke redelijkheid te buiten is gegaan door aan de bevorderde kandidaat de voorkeur te geven. b. in concreto
  70. Tussen partijen is er geen betwisting over dat de criteria waarop de kandidaten beoordeeld worden, zijn terug te vinden in het vacaturebericht. IX-9829-32/50 Verzoeker betwist voorts niet dat deze wettig zijn, te weten objectief en pertinent voor de functie.
  71. De verwerende partij merkt terecht op dat niet enkel het “competentieprofiel” relevant is, maar dat het gehele vacaturebericht in aanmerking moet worden genomen om een totaalbeeld te hebben van wat verwacht wordt van de kandidaten. Ook de onderdelen ‘functiecontext’ en ‘inhoud van de functie’ zijn niet zonder reden opgenomen in het vacaturebericht. Daarin is onder meer te lezen: - “De gewijzigde verwachtingen van gebruikers en de digitale omwenteling of digital shift van onze samenleving dwingen nationale bibliotheken ertoe om hun traditionele opdracht in vraag te stellen. De nieuwe profielen die worden gezocht, zijn die van vakmensen die kunnen evolueren in deze context van voortdurende veranderingen en die blijk kunnen geven van zin voor innovatie.” - “De functie van Collectieconservator is een centrale functie in de verwezenlijking van deze opdracht. Ze wordt uitgeoefend op drie niveaus:
  72. Beheer, bewaring en verrijking van de collecties.
  73. Organisatie van een wetenschappelijke dienst voor de verschillende doelgroepen, met inbegrip van een publiek van onderzoekers ten aanzien van wie de conservator een faciliterende rol vervult.
  74. Wetenschappelijke studie van de collecties via de verwezenlijking en de verspreiding van onderzoekswerk alsook door het toezicht op en de begeleiding van onderzoeksprojecten. In elk van deze domeinen dienen de gewijzigde verwachtingen van gebruikers en de digitale omwenteling of digital shift van onze samenleving te worden opgenomen. De collecties zijn niet langer alleen fysiek maar voortaan ook digitaal van aard. De openstelling van de collecties moet worden bekeken onder de invalshoek van de productie en het delen van metadata en door een dynamische ondersteuning van de digitalisering en het online brengen van de collecties. Op het vlak van wetenschappelijk onderzoek openen de digital humanities, de technieken van tekst doorzoeken evenals de virtuele onderzoekinfrastructuren nieuwe perspectieven.” - Bij het kernresultaatgebied ‘wetenschappelijke dienstverlening’: “Op basis van de eigen inhoudelijke kennis en expertise, op actieve wijze bijdragen tot het beleid van ontsluiting van de collecties: […] de behoeften van de verschillende gebruikers analyseren en bijdragen tot de definitie van een beleid van ontsluiting van de collecties van KBR o.a. met betrekking tot de Open Access en Open Science; […] meewerken aan IX-9829-33/50 de ontwikkeling en de verrijking van de interfaces voor online zoeken en van elektronische bronnen; […].” - Bij het resultaatgebied ‘wetenschappelijk onderzoek’: “in zijn onderzoek de concepten en methoden in verband met de digital humanities opnemen.” IX-9829-34/50 In het competentieprofiel is onder de technische kundigheden ook vermeld: “Kennis van de mogelijkheden en de bestaande initiatieven in het domein van de digital humanities.” De lectuur hiervan moet de kandidaten dan ook voldoende duidelijk maken dat de digitale ontsluiting van de collectie en de zogenaamde Digital Humanities als onderzoeksmethode beschouwd worden als belangrijke aspecten voor de hedendaagse invulling van de functie, zodat hun kandidatuur hierop zou worden beoordeeld.
  75. Uit het juryverslag blijkt dat elke kandidaat de gelegenheid kreeg zich te introduceren en dat vervolgens aan elke kandidaat dezelfde zes vragen zijn gesteld, namelijk:
  76. Zouden de Koninklijke Bibliotheek en de Kostbare Werken in het bijzonder een coördinerende rol kunnen spelen tussen de twee gemeenschappen en welke zouden in dat kader de belangrijkste (gespreks)partners zijn?
  77. Wat zou de Koninklijke Bibliotheek kunnen doen om te vermijden dat verschillende actoren elkaar beconcurreren tijdens publieke verkopen?
  78. Hoe zou de kandidaat praktisch te werk gaan om de erfgoedcollecties online te brengen?
  79. Hoe ziet de kandidaat de rol van de conservator?
  80. Hoe zou de kandidaat zijn team overtuigen van zijn visie en hoe gaat hij het aanpakken als hij op weerstand botst?
  81. Hoe ziet de kandidaat de Koninklijke Bibliotheek en de betrokken afdeling in het bijzonder evolueren en welke zijn volgens hem, in volgorde van belangrijkheid, de drie grootste uitdagingen voor de nieuwe conservator? Deze benadering bevordert de gelijke behandeling van de kandidaten. Dat in functie van de gegeven antwoorden aan sommige kandidaten bijvragen zijn gesteld, is een verschil in behandeling dat niet volstaat om een ongelijkheid aan te tonen. IX-9829-35/50
  82. De jury heeft geoordeeld dat van de kandidaten – die geacht worden het vacaturebericht te kennen – mag worden verwacht dat zij zichzelf kunnen “verkopen” op het interview door aan te tonen wat zij in hun mars hebben bij de eigen introductie en bij de antwoorden op de open vragen. Dat is een benadering die, hoewel misschien atypisch, daarom niet onwettig is.
  83. Door aan sommige relevante criteria zoals de digitale kennis van de kandidaat een groter en mogelijk zelfs doorslaggevend gewicht te geven gaat de jury niet per se haar discretionaire bevoegdheid te buiten.
  84. Tot daar de punten waarop de Raad van State de verwerende partij kan bijvallen.
  85. Volgens de verwerende partij heeft zij de kandidaten op een objectieve en relevante wijze met elkaar kunnen vergelijken middels de antwoorden die zij op de voormelde zes vragen gaven. Het kan dan al zijn dat de jury die vergelijking heeft kúnnen maken, verzoeker zijnerzijds heeft het bij het rechte eind als hij stelt te mogen verwachten die effectieve vergelijking die beweerdelijk is gebeurd, en het resultaat ervan, ook in de formele motivering te mogen terugvinden.
  86. Dat verzoeker en Jan Pauwels op 4 juni 2020 op de shortlist zijn terechtgekomen, leert hem enkel dat zij beiden volgens de jury voldoen aan de minimumvereisten inzake titels, verdiensten en ervaring die in het vacaturebericht zijn vooropgesteld en dat zij onder alle kandidaten het meest potentie vertonen. Een vergelijking tussen de aldus geselecteerde kandidaten onderling is op dat ogenblik niet gemaakt. Het verklaart geenszins verzoekers plaats in de rangschikking of de redenen waarom aan Jan Pauwels de voorkeur is gegeven. IX-9829-36/50 Partijen zijn het voorts erover eens dat de klachtprocedure niet heeft geleid tot een andere rangschikking en zelfs niet eens tot een nieuwe of minstens aanvullende inschatting van verzoekers titels en verdiensten. Zoals de verwerende partij het over het juryverslag van 1 oktober 2020 zelf schrijft in de memorie van antwoord: “Op dat ogenblik zijn de kandidaten niet meer met elkaar vergeleken”. Dat betekent dat enkel de motivering die te lezen is in het juryverslag van 29 juni 2020 dienstig is om de deugdelijkheid van de vergelijking van de aanspraken van de kandidaten en de daaruit resulterende rangschikking te beoordelen.
  87. Die motivering is kort en kan niet overtuigen. Het verslag bevat een weergave van de antwoorden op de gestelde vragen, zonder dat de jury daar kanttekeningen bij maakt, en voorts een korte motivatie die leert dat Jan Pauwels en verzoeker beiden ‘geschikt’ zijn voor de functie. Het enige voor verzoeker negatieve element is het gemis aan visie op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities. Voor zover andere criteria ter sprake komen – zoals “netwerken” – luiden ze enkel positief en verzoeker wordt in globo ‘geschikt’ bevonden. Ook Jan Pauwels is ‘geschikt’, zonder meer, met enkele eveneens gunstige bemerkingen en een mogelijk als kritisch op te vatten opmerking over “het betrekken van zijn team en collega’s”. Een onderlinge vergelijking ontbreekt. Mogelijk kan zulke vergelijking ook impliciet blijken uit de motivering, maar zelfs dat is hier niet het geval. Nu bovendien het énige uitdrukkelijk negatieve gegeven voor verzoeker gelegen is in de digitale kennis, mocht worden verwacht dat uit de “motivatie” met betrekking tot Jan Pauwels uitdrukkelijk of impliciet zou blijken IX-9829-37/50 waarom deze kandidaat de bovenhand heeft op dat vlak én waarom dit gegeven blijkbaar het doorslaggevend motief moet zijn om, ongeacht de andere verdiensten van de kandidaten, aan hem de voorkeur te geven.
  88. De verwerende partij plaatst in haar procedurestukken de antwoorden van verzoeker en Jan Pauwels naast elkaar om te verantwoorden dat de jury mocht besluiten dat verzoeker geen visie had op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities. De verwerende partij nodigt daarmee de Raad van State uit om zelf door middel van een vergelijking van de gegeven antwoorden tot een inhoudelijke beoordeling van de aanspraken van de kandidaten te komen. Zoals hiervóór is vastgesteld, heeft de jury immers net nagelaten die vergelijking te formaliseren in het juryverslag. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de jury. De formelemotiveringsplicht is geschonden.
  89. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. D. Vierde middel in de zaak A. 232.733 en vijfde middel in de zaak A. é.694 Uiteenzetting van het middel
  90. Het vierde middel in de zaak A. 232.733, vijfde middel in de zaak A. é.694, ontleent verzoeker aan de schending van artikel 9 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 en van het onpartijdigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De bestreden beslissingen schenden volgens verzoeker de aangevoerde bepalingen en beginselen doordat: IX-9829-38/50
  91. jurylid D een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij de benoeming van de kandidaat die als eerste gerangschikt wordt én uit de beraadslagingen van de jury en de omstandigheden tijdens de hoorzitting duidelijk blijkt dat de partijdigheid van jurylid D een invloed heeft gehad op het gehele college.
  92. indien de verwerende partij daadwerkelijk een objectieve en zorgvuldige vergelijking van titels en verdiensten had gevoerd, zij verzoeker onmiskenbaar als eerste kandidaat had gerangschikt en niet Jan Pauwels, zodat zij de klaarblijkelijk grotere aanspraken van verzoeker terzijde heeft geschoven op grond van criteria die kennelijk geen verband houden met de te begeven functie. Verzoeker legt in een eerste middelonderdeel uit dat de betreffende vacature op 20 april 2020 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. Welnu, op 15 april 2020 hebben jurylid D en de eerst gerangschikte kandidaat samen het project “Expression of interest” geschreven. Zij dienden dit project in bij de verwerende partij die de aanwerving doet. De subsidiemogelijkheid werd op 1 april 2020 binnen de universiteit Antwerpen aangekondigd. Het project moest uiterlijk op 19 mei 2020 worden ingediend, wat is gebeurd. Jurylid D en Jan Pauwels hebben met andere woorden tijdens de selectie- en aanwervingsprocedure samen een project ingediend bij de dienst die in casu de aanwerving doet. Er is derhalve sprake van redelijke twijfel over de onpartijdigheid van jurylid D. Uit de omstandigheden van de zaak blijkt naar het oordeel van verzoeker voorts dat de partijdigheid van jurylid D een invloed heeft gehad op de jury als college. Verzoeker stelt vast dat de jury in de motivatie van de eerst gerangschikte kandidaat aanraadt “om voldoende energie te steken in het betrekken van zijn team en collega’s om eventuele weerstand in een vroeg stadium te counteren”. Jan Pauwels krijgt dus zelfs al tijdens de hoorzitting deze specifieke raad van de jury voor het bekleden van de functie. Er moet worden vastgesteld dat uitsluitend aan Jan Pauwels raad wordt gegeven door de jury, en niet aan andere kandidaten. Hieruit leidt verzoeker af dat de jury blijkbaar al IX-9829-39/50 tijdens het gesprek met Jan Pauwels wist dat hij als eerste zou worden gerangschikt. Jan Pauwels wordt volgens verzoeker daarnaast “bevoorrecht”, terwijl de overige kandidaten benadeeld worden. De jury stelt namelijk geen bijkomende vragen aan de overige kandidaten over zaken waarvan zij achteraf motiveert dat zij hierover onvoldoende informatie heeft. Zo heeft de jury verzoeker tijdens de hoorzitting van 29 juni 2020 op geen enkel moment gevraagd om zijn visie op de digitale ontsluiting van de collectie en op het onderzoek binnen de Digital Humanities te verduidelijken. Uit de motieven van de jury blijkt nochtans dat dit het enige element is op basis waarvan verzoeker ‘ongunstig’ werd beoordeeld. Van een zorgvuldig bestuur mag evenwel verwacht worden dat het, met het oog op de aanwerving van de meest geschikte kandidaat, tijdens de sollicitatie bijkomende vragen stelt wanneer bepaalde elementen uit de kandidatuur voor haar onduidelijk zijn. Jan Pauwels wist bovendien als enige kandidaat (toevallig?) wel met welke gewenste kwaliteiten en eigenschappen de jury rekening zou houden. De partijdigheid van de jury, beïnvloed door jurylid D, blijkt volgens verzoeker ook uit de (bewust) niet afdoende, vage en onjuiste motieven die zij aanvoert om Jan Pauwels als eerste te rangschikken. Verzoeker verwijst daartoe naar zijn derde middel. Vervolgens tracht verzoeker in een tweede middelonderdeel aan te tonen dat hij onmiskenbaar een grotere aanspraak maakt op de betrokken functie dan Jan Pauwels. Daartoe maakt verzoeker een omstandige vergelijking van titels en verdiensten tussen hemzelf en Jan Pauwels op basis van de criteria uit het competentieprofiel. Deze diverse criteria werden in de bestreden besluiten niet gehanteerd – althans niet volledig – noch werd op basis van die criteria de vergelijking gemaakt. Uit de vergelijking die verzoeker maakt, leidt hij af dat hij onmiskenbaar als eerste kandidaat had moeten worden gerangschikt. De klaarblijkelijk grotere aanspraken van verzoeker heeft de verwerende partij IX-9829-40/50 terzijde geschoven op grond van criteria die kennelijk geen verband houden met de te begeven functie.
  93. In een memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de procedure met betrekking tot het gezamenlijke project van jurylid D en Jan Pauwels nog niet was afgerond ten tijde van de hoorzittingen. Hij citeert voorts passages over verboden belangenvermenging uit reglementen van FWO- Vlaanderen, het Nederlandse Wetenschappelijk Onderzoeksinstituut en Belspo die sporen met zijn stelling dat D geen lid mocht zijn van de jury. Al die reglementen hanteren een embargoperiode van drie tot vijf jaar in het geval van samenwerking tussen kandidaten en hun beoordelaars. Verzoeker stipt vervolgens diverse punten aan in het cv van Jan Pauwels die volgens hem niet stroken met de werkelijkheid, voornamelijk met betrekking tot het onderdeel ‘bestuurders- en redacteurschappen’. Het zijn volgens verzoeker vaak onwaarheden die aan jurylid D bekend waren. Voorts wijst verzoeker erop dat uit de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde vacature niet kan worden opgemaakt dat de vernieuwende rol van de conservator een doorslaggevend motief zou betreffen, zoals de verwerende partij beweert. Bovendien suggereert de verwerende partij onterecht dat verzoeker uitsluitend op het wetenschappelijk aspect van de functie zou concentreren. Verzoeker heeft met alle in de vacature gepubliceerde criteria rekening gehouden, voldoet aan alle vereisten en heeft aan alle gepubliceerde criteria aandacht besteed. Tot slot wijst verzoeker op de door het bestuur gepubliceerde vacature zelf waar op 25 plaatsen verwezen wordt naar het “wetenschappelijk” karakter van de instelling, de functie en de invulling ervan. Verzoeker verfijnt nog de tabel die hij ter toelichting bij het tweede middelonderdeel heeft opgesteld aan de hand van het administratief dossier en van de hem ondertussen in het kader van de openbaarheid van bestuur bekendgemaakte gegevens. IX-9829-41/50 Beoordeling a. ontvankelijkheid
  94. Verzoeker citeert telkens in de toelichting bij het middel, onder “in abstracto”, artikel 9 van het statuut, maar brengt onder “in concreto” niet meer ter sprake hoe de verwerende partij volgens hem dit artikel miskent bij het nemen van de bestreden beslissingen. In die mate is het middel niet ontvankelijk. b. eerste middelonderdeel
  95. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur zoals de wetenschappelijke jury, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van bestuurlijke organen die (mee) een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die leden en bestuurlijke organen, op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.
  96. De beschuldiging van subjectieve, persoonlijke partijdigheid van de jury of een lid ervan, of tenminste de schijn ervan, kan slechts worden aangenomen indien ze gewettigd voorkomt, of dus voldoende gerechtvaardigd is door concrete en precieze feiten. Bij de beoordeling of er verifieerbare gegevens zijn die ten minste een schijn van verdenking kunnen wettigen ten aanzien van een lid van de jury, moet weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking worden genomen, maar speelt ze geen doorslaggevende rol. Doorslaggevend is of de beweerde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als objectief verantwoord kan worden beschouwd. IX-9829-42/50
  97. De aanleiding voor verzoeker om te twijfelen aan de onpartijdigheid van jurylid D situeert hij in het feit dat dit jurylid samen met Jan Pauwels bij de verwerende partij een onderzoeksproject heeft ingediend om de werken van de Koninklijke Bibliotheek met erfgoedwaarde te beheren in het kader van de tweede fase van het kaderprogramma voor wetenschappelijk onderzoek BRAIN-be (Belgian Research Action through Interdisciplinary Networks). Dit project is niet geselecteerd voor financiering, maar de procedure was volgens verzoeker nog niet afgesloten op het ogenblik van de interviews met de jury. Op basis van dit enkele argument van verzoeker kan weliswaar worden afgeleid dat D en Jan Pauwels elkaar kennen aan de hand van het betreffende onderzoeksproject en dat dit met zich kan meebrengen dat D in zijn hoedanigheid van jurylid van de selectie- en wervingsprocedure voor een functie binnen de Koninklijke Bibliotheek mogelijk een iets andere kijk heeft op Jan Pauwels dan op de andere kandidaten. Dit volstaat evenwel niet om aan te tonen dat D niet in staat zou zijn om de verschillende kandidaten in het kader van de voorliggende selectie- en wervingsprocedure op een voldoende objectieve wijze te beoordelen. D heeft elke kandidaat dezelfde vraag gesteld en verzoeker toont niet aan dat precies door die vraagstelling Jan Pauwels anders is behandeld dan de andere kandidaten, laat staan dat D op een andere manier enige blijken van vooringenomenheid heeft getoond. Uit het juryverslag blijkt ook niet spontaan enige vooringenomenheid van D. Dat sommige niet op deze zaak toepasselijke interne reglementen van instellingen anders en strenger omgaan met de samenstelling van beoordelingscommissies, doet hieraan geen afbreuk. IX-9829-43/50 Verzoeker slaagt er ook aan de hand van zijn drie specifieke argumenten niet in aan te tonen dat de jury – al dan niet onder invloed van jurylid D – niet onpartijdig is geweest:
  98. Bij Jan Pauwels blijkt er een aandachtspunt te zijn om voldoende energie te steken in het betrekken van zijn team en collega’s. Dat dit door de jury in de motivatie wordt geformuleerd als een “aanraden” is niet meer dan een wijze van formulering waaruit alleszins niet kan worden afgeleid dat de jury Jan Pauwels op voorhand reeds bevoordeeld zou hebben tegenover de andere kandidaten. Overigens is de motivatie allicht uitgeschreven op een ogenblik dat de jury al beslist had om Jan Pauwels als eerste te rangschikken, wat eveneens het gebruik van het woord ‘aanraden’ kan verklaren.
  99. Aan verzoeker zijn, naast de zes hoofdvragen, door de jury effectief nog bijkomend andere vragen gesteld. Dit bood hem de kans nadere verduidelijking te verschaffen bij zijn antwoorden. Aan Jan Pauwels zijn geen bijkomende vragen gesteld. Dit levert niet het bewijs van partijdigheid in hoofde van de jury.
  100. Dat de jury de rangschikking niet afdoende en vaag heeft gemotiveerd, zoals is vastgesteld bij de bespreking van het derde middel, is een onwettigheid die een schending oplevert van de in dat middel aangevoerde formelemotiveringsplicht, maar niet ipso facto ook de partijdigheid van de jury aantoont.
  101. De schending van de in het eerste middelonderdeel aangevoerde beginselen is niet aangetoond. c. tweede middelonderdeel
  102. Hiervóór is bij de bespreking van het derde middel vastgesteld dat de verwerende partij niet behoorlijk toelicht hoe zij tot een concrete en effectieve vergelijking van de aanspraken van de kandidaten is overgegaan en dat zij het gewicht dat zij aan de onderscheiden criteria geeft niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Er is ook aan herinnerd dat het niet de plaats is van de Raad van State, om die vergelijking uit te voeren als ware hij de benoemende overheid. IX-9829-44/50 Verzoeker mag er zelf van overtuigd zijn dat hij onmiskenbaar de beste aanspraken heeft. De verwerende partij, die verzoeker op de vierde plaats heeft gerangschikt, zag het duidelijk anders. Het is niet uitgesloten dat, als de verwerende partij na de hierna uit te spreken nietigverklaring tot een herbeoordeling komt, een andere en voor verzoeker gunstige rangschikking uit de bus komt. De kans dat dit gebeurt, verantwoordt net het belang van verzoeker bij zijn beroepen. Maar evengoed kan het zijn, dat de huidige rangschikking met een meer gestoffeerde motivering behouden blijft. De dossiers van de tweede en de derde kandidaat, waarover het benoemingsbesluit zich niet uitspreekt, komen binnen de grenzen van de huidige rechtsstrijd zelfs niet ter sprake. Zelfs áls voor het debat wordt aangenomen dat verzoeker grotere aanspraken heeft op de functie dan Jan Pauwels, toont dat nog niet aan dat hij ook grotere aanspraken heeft dan de nummers twee en drie.
  103. Het middelonderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden. d. besluit
  104. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. E. Vijfde middel in de zaak A. 232.733 Uiteenzetting van het middel
  105. Verzoeker voert in een vijfde middel in de zaak A. 232.733 de schending aan van artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel: IX-9829-45/50 “De bestreden beslissing van 1 oktober 2020, waarbij de rangschikking van de jury wordt bevestigd, schendt de aangevoerde bepaling en het aangevoerde beginsel doordat de beroepsmogelijkheden hierin niet vermeld worden én omdat wordt nagelaten om de verzoekende partij hierover te informeren wanneer hier (meermaals) uitdrukkelijk om wordt verzocht.” Het middel wordt in de zaak A. é.694 niet hernomen. IX-9829-46/50 Beoordeling
  106. Artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 heeft betrekking op de wijze van kennis geven of van kennis nemen van beslissingen maar niet op de beslissingen zelf: luidens die bepaling “vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang”. Bijgevolg, en daargelaten of dit artikel toepassing heeft op de beslissing van 1 oktober 2020, faalt de grief in rechte. De miskenning van het aangevoerde voorschrift heeft immers enkel gevolgen voor de verjaringstermijnen maar tast de wettigheid van de bedoelde beslissing zelf niet aan. Daarenboven heeft verzoeker de weg naar de Raad van State tijdig gevonden, ook zonder de bedoelde vermelding van de beroepsmogelijkheden.
  107. Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel in de zaak A. 232.733 en eerste middel in de zaak A. é.694 Uiteenzetting van het middel
  108. In het zesde middel in de zaak A. 232.733, eerste middel in de zaak A. é.694, voert verzoeker de schending aan van artikel 16 van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, doordat uit het gegeven dat de selectieprocedure en de daaruit volgende besluiten inzake de rangschikking onwettig zijn, volgt dat ook het besluit tot benoeming onwettig is. IX-9829-47/50 Beoordeling
  109. Aangezien het zesde middel in de zaak A. 232.733 gericht is tegen een nog onbestaande beslissing, is dat middel in die zaak onontvankelijk. Dat is evenwel een slechts academische opmerking, aangezien dezelfde onwettigheid op ontvankelijke wijze is aangevoerd als eerste middel in de zaak A. é.
  110. Uit het gedeeltelijk gegrond bevinden van het derde middel blijkt de onwettigheid van de rangschikking door de jury. De minister heeft zich bij dit juryverslag aangesloten, zodat het benoemingsbesluit eveneens onwettig is.
  111. Het eerste middel in de zaak A. é.694 is gegrond. VIII. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring – de impliciete weigering om verzoeker te benoemen
  112. De nietigverklaring van het benoemingsbesluit heeft tot gevolg dat ook de weigeringsbeslissing niet meer aan het bestuur kan worden toegerekend, aangezien het bestaan van de laatstgenoemde precies slechts kon worden afgeleid uit het bestaan van de eerste, ten gevolge van de nietigverklaring uit het rechtsverkeer verdwenen beslissing. Zoals sub 51 is aangegeven, behoudt de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid wanneer zij na de hierna uit te spreken nietigverklaring de procedure herneemt. De gegrond bevonden middelen verantwoorden niet de nietigverklaring van de impliciete weigering om verzoeker te benoemen. De gevorderde nietigverklaring van de weigeringsbeslissing zal hem geen verder reikende aanspraak op rechtsherstel verschaffen dan hij zou bezitten op grond van de nietigverklaring van het benoemingsbesluit alleen. De beroepen zijn in die mate niet ontvankelijk. IX-9829-48/50 BESLISSING
  113. De zaken nrs. A. 232.733/IX-9829 en A. é.694/IX-9887 worden samengevoegd.
  114. De Raad van State vernietigt het besluit van de staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid van 4 maart 2021 waarbij Jan Pauwels wordt aangesteld in het ambt van werkleider (klasse SW2) van de wetenschappelijke loopbaan – conservator van de Dienst Oude en kostbare drukwerken van de Koninklijke Bibliotheek en de daaraan voorafgaande rangschikking van de kandidaten, zoals vastgesteld door de wetenschappelijke jury op 29 juni 2020 en bevestigd op 1 oktober
  115. De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige.
  116. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9829-49/50 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9829-50/50 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.