id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.217 Rolnummer: A. 231980/VII-40931 Zaak: Arrest 255217 - Jacht - Reglementen - 08/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-15 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:59 Fiche Arrest nr 255.217 van 8 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.217 van 8 december 2022 in de zaak A. 231.980/VII-40.931 In zake : 1. de VZW WILDBEHEEREENHEID WESTLAND 2. Carlos ROELENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jannick Poets kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19, bus 31 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20T -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 4 oktober 2020 waarbij de jacht op kleinwildsoorten patrijs, fazant en haas vanaf 4 oktober 2020 wordt verboden op alle jachtvelden van de wildbeheereenheid Westland, tijdens het jachtseizoen 2020-2021 dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 30 juni 2021. VII-40.931-1/18 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 248.621 van 15 oktober 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 8 februari 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2022. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, tweede verzoeker, die in persoon verschijnt en advocaat Britt Vanherck, die loco advocaten Jannick Poets en Joris De Pauw verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.931-2/18 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Wettelijke context en feiten A. Wettelijke context 3.1. Het Jachtdecreet van 24 juli 1991 beoogt luidens artikel 2 “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”. Onder “wild” verstaat het Jachtdecreet alle dieren die tot de in artikel 3 van het Jachtdecreet bepaalde soorten behoren. Het wild wordt in vier categorieën gerangschikt. Onder “klein wild” worden hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix) en patrijzen (Perdix perdix) begrepen. Luidens artikel 4 van het Jachtdecreet bepaalt de Vlaamse regering voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze de data van opening en van de sluiting van de jacht. Artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2013 ‘betreffende de jachtopeningstijden in het Vlaamse Gewest’ (hierna: Jachtopeningstijdenbesluit) opent de jacht op klein wild in de volgende periodes: 1° voor patrijs: van 15 september tot en met 14 november; 2° voor haas: van 15 oktober tot en met 31 december; 3° voor fazanthen: van 15 oktober tot en met 31 december; 4° voor fazanthaan: van 15 oktober tot en met 31 januari. De jacht op patrijs is alleen geopend voor erkende wildbeheereenheden (artikel 4, § 2, van het Jachtopeningstijdenbesluit). VII-40.931-3/18 Bij besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’ (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit), wordt de gewone jacht op kleinwild aan volgende voorwaarden onderworpen: - de gewone jacht op kleinwild mag alleen worden uitgeoefend met vuurwapens en roofvogels (artikel 21 van het Jachtvoorwaardenbesluit); - de gewone jacht op patrijs mag alleen worden uitgeoefend binnen een erkende wildbeheereenheid (hierna: WBE) als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: 1°) de opeenvolgende wildrapporten wijzen uit dat voor het geheel van jachtterreinen die tot de WBE behoren, gedurende de drie voorgaande kalenderjaren een gemiddelde dichtheid waargenomen is van minstens drie broedparen patrijzen per 100ha open ruimte; 2°) uit het faunabeheerplan blijkt dat een patrijsvriendelijk beheer wordt gevoerd (artikel 22 van het Jachtvoorwaardenbesluit); - het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) kan bij beslissing de jacht op kleinwildsoorten sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, in een deel van dat werkingsgebied of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder, onder meer, als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder (artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit). Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. De Vlaamse regering kan naar luid van artikel 12 van het Jachtdecreet grotere beheereenheden, die ontstaan als gevolg van de vrijwillige samenvoeging van afzonderlijke jachtterreinen, erkennen als WBE’s en de werking ervan subsidiëren. Een WBE wordt overeenkomstig artikel 22 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende de administratieve organisatie VII-40.931-4/18 van de jacht in het Vlaamse Gewest’ (hierna: Jachtadministratiebesluit) opgericht “met het oog op een duurzaam wildbeheer in het WBE-werkingsgebied”. Om erkend te worden door de Vlaamse regering en erkend te blijven moet de WBE voldoen aan de volgende in artikel 23 van het Jachtadministratiebesluit bepaalde voorwaarden: “1° ze heeft een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid; 2° de statuten bevatten ten minste de volgende onderdelen:
- a)een weergave van de doelstellingen en de werkingsprincipes van de WBE, met de vermelding dat die gericht zijn op: 1) het duurzaam wildbeheer; 2) de inpassing van het wildbeheer in het natuurbehoud; 3) het zorgen voor toezicht; 4) het principe van de samenwerking van de individuele jachtrechthouders; 5) het principe van het overleg met andere sectoren;
- b)het feit dat de WBE wordt geleid door een raad van bestuur die door een algemene vergadering wordt verkozen;
- c)de zetel van de vereniging is gevestigd in het Vlaamse Gewest; 3° ze verenigt de jachtterreinen van minstens vijf jachtrechthouders; 4° de som van de oppervlaktes van de afzonderlijke jachtterreinen die tot de WBE behoren, bedraagt minimaal 1000 hectare; 5° de som van de oppervlaktes van de afzonderlijke jachtterreinen die tot de WBE behoren, bedraagt ten minste 75% van de jachtterreinen waarop het jachtrecht wordt uitgeoefend binnen het WBE-werkingsgebied; 6° binnen het WBE-werkingsgebied liggen geen terreinen die deel uitmaken van het WBE-werkingsgebied van een andere erkende WBE; 7° ze heeft een goedgekeurd faunabeheerplan als vermeld in artikel 43”. B. Feiten 3.2. De eerste verzoekende partij is een erkende WBE, met 18 ondertekenende jachtrechthouders waaronder tweede verzoeker. Tweede verzoeker is aangewezen als voorzitter van de erkende WBE. 3.3. Op 4 oktober 2020 neemt de administrateur-generaal van het ANB in toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit de thans bestreden beslissing: VII-40.931-5/18 “Overwegende dat de Natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos op 25 september 2020 heeft vastgesteld dat bijzonder veldwachter Marnix Delancker, [...], aangesteld door jachtrechthouder Donald Wybo, [...], patrijzen heeft uitgezet op het jachtterrein van die laatste; dat volgens de verklaringen in het verhoor van Marnix Delancker de patrijzen werden uitgezet ten behoeve van de jacht; dat deze vaststellingen en verklaringen zijn opgenomen in het proces-verbaal met nr. VU.63A.H2.160189/20; […] Overwegende dat het verbod op de jacht op een kleinwildsoort gebaseerd is op de vaststellingen en verklaringen die zijn opgenomen in het proces-verbaal met nr. VU.63A.H2.160189/20; Overwegende dat het verbod van de jacht op patrijs enkel behoorlijk kan gehandhaafd worden wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden; [...]”. Die beslissing wordt aan de jachtrechthouders binnen de erkende WBE betekend bij aangetekend schrijven van 5 oktober 2020. 3.4. De eerste verzoekende partij deelt bij brief van 5 oktober 2020 aan de arrondissementscommissaris mee dat het bestuur de heer D. Wybo en een andere bestuurder “met onmiddellijke ingang” heeft geschorst als “lid van onze WBE n.a.v. een handeling in strijd met de doelstellingen van de vzw” en zulks “in afwachting van de beslissing van de algemene vergadering waarop definitief zal beslist worden over de beëindiging van het desbetreffende lid”. 3.5. In antwoord op een vraag van het auditoraat naar de stand van het lopend opsporingsonderzoek delen de verzoekende partijen bij e-mailbericht van 20 december 2021 het volgende mee: “Cliënten zijn evenwel niet betrokken in de strafrechtelijke procedure. Zij zijn hiervan niet op de hoogte gebracht en zijn hierin ook geen partij. Cliënten zullen zelf voorlopig ook niet tussenkomen in deze procedure. Zij wensen al hun rechten open te houden om de geleden schade ten gepaste tijde, desnoods via burgerrechtelijke weg, te kunnen terugvorderen van elke mogelijke aansprakelijke partij zoals de betrokken jagers en/of het Vlaamse Gewest. Hiermee rekening houdend, kan ik u, vrees ik, niet op de hoogte houden van het verloop van het strafrechtelijke luik, en zijn bovendien mijn cliënten vragende partij om de procedure voor de Raad van State wel al verder te zetten”. VII-40.931-6/18 VII-40.931-7/18 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partijen 4. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van “artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend […], artikels 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; […] van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden […]; van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. De verzoekende partijen betogen dat de beslissing van het ANB om de jacht te verbieden voor alle jachtvelden binnen de WBE Westland en voor alle kleinwildsoorten niet, minstens niet afdoende, gemotiveerd is, en aangemerkt moet worden als disproportioneel en kennelijk onredelijk. In het verzoekschrift lichten zij het middel als volgt toe: “Verwerende partij heeft geheel onverwacht besloten om de jacht binnen het volledige werkingsgebied van eerste verzoekende partij te sluiten en dit voor alle kleinwildsoorten voor het volledige lopende jachtseizoen. […] [D]e jacht op patrijzen is enkel toegelaten binnen een erkende WBE - zoals eerste verzoekende partij is - en enkel voor zover aangetoond is en wordt dat er voldoende patrijzen aanwezig zijn en hiervoor een verantwoord beheer wordt gevoerd. Nu reeds merken verzoekende partijen op dat er geen aanwijzingen zijn in het dossier dat verzoekende partijen aan deze bijzondere voorwaarden niet voldoen. Integendeel: in het faunabeheerplan was reeds (op eigen initiatief als beheersmaatregel) opgenomen dat in ongeveer de helft van het werkingsgebied niet mag gejaagd worden op de patrijs, en er wordt actief meegewerkt aan een patrijzenproject. Immers, artikel 23 voorziet een sanctiemechanisme mocht dit wel het geval zijn, maar hiervan wordt in casu geen gebruik gemaakt. Volgens dit artikel kan verwerende partij in 3 situaties een sluiting van de jacht opleggen, met name: […] 3. als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. VII-40.931-8/18 [Deze] situatie vloeit voort uit artikel 29 van het Jachtdecreet waarin een verbod is vastgelegd om wild uit te zetten De bestreden beslissing werd expliciet niet genomen op grond van de eerste 2 situaties, maar enkel op grond van de 3e situatie: de vaststelling dat één jachtrechthouder patrijzen heeft uitgezet. Het is dus niet zo dat het wildbestand van de patrijs (laat staan van de fazant of de haas) ongunstig zou zijn binnen het werkgebied van de WBE, noch dat er geen patrijsvriendelijk beheer zou zijn gevoerd. Minstens zijn hiervan in het dossier en in de bestreden beslissing geen aanwijzingen en vormt dit niet de motivering voor de sluiting van de jacht. Wel zou er door de natuurinspectie op 25/09/2020 zijn vastgesteld dat veldwachter Marnix Delancker in opdracht van jachtrechthouder Donald Wybo patrijzen zou hebben uitgezet op het jachtterrein van Donald Wybo met het oog op de jacht. Deze informatie is de enige die in de bestreden beslissing werd vermeld. Het proces-verbaal nr. VU.63A.H2.160189/20 waarnaar verwezen wordt, maakt geen deel uit van de bestreden beslissing en werd niet mee betekend, zodat verzoekende partijen geen kennis hebben van de inhoud ervan. Verzoekers kunnen dan ook alleen voortgaan op de motivering die in de bestreden beslissing staat, en waaruit blijkt dat één bepaalde jachtrechthouder enkel op zijn jachtterrein - weliswaar onderdeel van de WBE Westland - patrijzen heeft uitgezet. Deze vaststelling op zich valt onder artikel 23, 3e Jachtvoorwaardenbesluit en heeft tot gevolg dat verwerende partij de sluiting van de jacht kan bevelen. Dit wordt op zich niet betwist. Wat echter wel wordt betwist is de wijze waarop deze beslissing is genomen en werd gemotiveerd, alsook het feit dat de vastgestelde feiten een verantwoording zouden kunnen zijn om de jacht op alle kleinwildsoorten te verbieden, ook deze waarvan geen soorten werden uitgezet, en dit voor alle jachtterreinen binnen de WBE, ook deze waarop de feiten geen betrekking hebben. Verzoekende partijen merken op: - dat artikel 23, 1e lid Jachtvoorwaardenbesluit bepaalt dat het agentschap de jacht op een kleinwildsoort kan sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder. Het besluit maakt dan ook een onderscheid in sanctiemogelijkheden en legt niet op dat een sluiting van de jacht altijd / automatisch betrekking moet hebben op het volledige werkingsgebied van een WBE. Men kan dit ook doen voor een deel of zelfs voor een afzonderlijk jachtterrein. Dit impliceert in hoofde van verwerende partij een formele motiveringsplicht: men moet niet alleen de keuze voor het opleggen van een sanctie motiveren maar ook de keuze van de sanctie zelf. Men moet aantonen waarom besloten wordt om het volledige werkingsgebied van eerste verzoekende partij van een - zeer verregaand - verbod op de jacht te voorzien, daar waar men slechts met betrekking tot het jachtterrein van één jachtrechthouder vaststellingen heeft gedaan. Deze motivering ontbreekt volledig in de bestreden beslissing. Niet alleen wordt hierdoor de motiveringsplicht geschonden, ook het redelijkheidsbeginsel komt in het gedrang. Door een volledig verbod op alle jachtterreinen straft men niet alleen een hele wildbeheereenheid maar ook de VII-40.931-9/18 individuele jachtrechthouders die zelf geen enkele fout hebben begaan. Rekening houdend met het feit dat het jachtrecht een onderdeel is van het eigendomsrecht, impliceert een verbod een aantasting van het eigendomsrecht van de individuele jachtrechthouders. Vanuit de natuurbeschermingswetgeving is het weliswaar toegelaten om beperkingen aan het jachtrecht op te leggen, maar er moet hoe dan ook een redelijke verhouding zijn tussen de middelen die gebruikt worden en het doel dat wordt beoogd. Deze redelijke verhouding is in casu zoek, minstens ontbreekt hiervoor elke onderbouwing of motivering. - dat artikel 23, 2e lid van het Jachtvoorwaardenbesluit uitdrukkelijk stelt dat het agentschap zich bij het nemen van de beslissing baseert op het wildrapport, het faunabeheerplan voor de desbetreffende WBE en eventueel op andere stukken die de beslissing kunnen onderbouwen. Van het voldoen aan deze verplichting ontbreekt elk spoor. Uit de bestreden beslissing blijkt dat men het besluit enkel en alleen gebaseerd heeft op een voor verzoekers onbekend PV. Elke verwijzing naar het wildrapport en faunabeheerplan van de WBE ontbreekt. In het licht van hetgeen verzoekers reeds uiteen gezet hebben bij het aspect van de uiterst dringende noodzakelijkheid, is dit problematisch - Dat de bestreden beslissing een jachtverbod oplegt, niet alleen voor patrijzen, maar ook voor fazanten en hazen. Het gegeven dat het PV waarop de beslissing is gebaseerd enkel en alleen betrekking had op het uitzetten van patrijzen, volgt uit de bestreden beslissing zelf. Over hazen en fazanten wordt met geen woord gerept. Om welke reden men dan meent dat het verbod niet alleen betrekking moet hebben op patrijzen, maar ook op fazanten en hazen, is verzoekende partijen niet duidelijk. Het enige dat men stelt is: ‘Overwegende dat het verbod van de jacht op patrijs enkel behoorlijk kan gehandhaafd worden wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden.’ Dit is echter niet meer dan een vage algemene bewering die op geen enkele manier wordt onderbouwd. Deze bewering is bovendien ook onbegrijpelijk. Het valt niet in te zien waarom men een verbod, beperkt tot de jacht op patrijzen, niet zou kunnen handhaven wanneer de jacht op fazanten en hazen wel is toegelaten. Men mag toch veronderstellen dat zowel jagers als toezichthouders het verschil tussen een patrijs en een fazant, en al zeker tussen een patrijs en een haas (!) kunnen zien. Daarbij wijzen verzoekende partijen ook op het feit dat de jachttijden voor patrijzen, fazanten en hazen verschillen: zo zal het na 14 november niet meer toegelaten zijn om op patrijzen te jagen, maar wel nog op fazanten en hazen. Na 14 november is het blijkbaar dus wel mogelijk om enkel de jacht op andere kleinwildsoorten dan patrijs toe te staan en dit te controleren... Waarom dit met dit specifiek verbod niet mogelijk zou zijn, is niet bekend. Ook op het punt waar men het verbod dus uitbreidt tot alle kleinwildsoorten, is de bestreden beslissing bijgevolg niet, minstens niet afdoende gemotiveerd en manifest onredelijk. - Dat artikel 23, 3e lid van het Jachtvoorwaardenbesluit bepaalt dat een sluiting van de jacht opgelegd kan worden indien wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. Wat bedoeld wordt met het ‘afgelopen jaar’ is niet verduidelijkt. In de VII-40.931-10/18 letterlijke betekenis houdt dit in dat men een verbod enkel kan opleggen voor feiten die tijdens het vorige jachtseizoen (zijnde het jaar dat ‘afgelopen’
- is)kan opleggen. Dit artikel geeft geen verantwoording om onmiddellijk een verbod op te leggen voor een vaststelling die pas enkele dagen eerder is gebeurd. Dit geldt des te meer nu men enkel voortgaat op een proces-verbaal van de natuurinspectie (waarvan in de inhoud zoals gezegd niet gekend
- is)maar niet op een effectieve veroordeling door een rechter. Ook het verweer van de betrokken overtreders is niet gekend. Gelet op dit alles, moet duidelijk geconcludeerd worden dat verwerende partij onzorgvuldig gehandeld heeft door louter en alleen op basis van één proces-verbaal, dat het uitzetten van patrijzen door één jachtrechthouder op zijn eigen jachtterreinen zou hebben vastgesteld, een totaalverbod op te leggen aan alle jachtterreinen van alle jachtrechthouders die samenwerken binnen de WBE Westland voor alle kleinwildsoorten (patrijs, fazant en haas). De motivering voor deze beslissing ontbreekt of is minstens niet afdoende en is kennelijk onredelijk. De gevolgen van de bestreden beslissing zijn daarenboven disproportioneel en op zich ook onredelijk en tasten de eigendomsrechten van de betrokken jachtrechthouders aan. De maatregel komt neer op het opleggen van een straf wegens het begaan van een overtreding van het jachtdecreet, terwijl het Agentschap voor Natuur en Bos niet bevoegd is om een straf op te leggen. Dit maakt dan ook machtsoverschrijding uit”. 5. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen toe: “Het feit dat verwerende partij […] zo expliciet verwijst naar het wetgevend initiatief om een jachtverbod in te voeren voor wat de patrijs betreft, bevestigt bovendien het vermoeden van verzoekende partijen dat de bestreden beslissing niet zozeer genomen is als sanctie voor het door één bepaalde jager uitzetten van wild, maar wel als voorafname op een gewenst algemeen jachtverbod waarvoor de wettelijke basis evenwel nog ontbreekt. […] Het verweer van verwerende partij dat de beslissing niet genomen is en niet genomen moest worden op basis van het faunabeheerplan en wildrapport omdat de sanctie geen betrekking heeft op deze documenten kan niet overtuigen. Ten eerste blijkt dit verweer niet uit de bestreden beslissing zelf; met een a posteriori motivering kan geen rekening worden gehouden. Ten tweede gaat de redenering van verwerende partij in tegen de wettelijke bepalingen die wel expliciet opleggen dat het agentschap zich - ook in het geval dat men een sanctie wil opleggen op grond van artikel 23, 1e lid, 3° - moet baseren op het faunabeheerplan en het wildrapport. Daar waar verwerende partij in haar memorie van antwoord expliciet bevestigt dat zij dit niet deed, is dit een erkenning van de onwettigheid van haar besluit. Het bewijst bovendien dat verwerende partij niet inziet dat haar beslissing onzorgvuldig is, net omdat zij niet bereid is om enige afweging te maken van haar sanctie (die niet alleen een sluiting van de jacht oplegt voor de patrijs - de soort waarop de inbreuk betrekking had - maar ook op de haas en de VII-40.931-11/18 fazant) ten opzichte van de impact en de werkzaamheden van de voltallige wildbeheerseenheid. Het gaat er bijgevolg niet om dat in de rapporten nergens maatregelen zijn opgenomen om wanpraktijken van de leden aan te pakken; daar dienen de wildrapporten en faunabeheerplannen ook niet voor. […] Het is weliswaar correct dat het niet onredelijk is om de effectieve naleving van een jachtverbod behoorlijk te kunnen handhaven en controleren, maar het punt is net dat niet valt in te zien dat men ook de jacht op hazen en fazanten moet aan banden leggen om het verbod van de jacht op patrijzen te kunnen handhaven of controleren. […] Ook op het punt waar men het verbod dus uitbreidt tot alle kleinwildsoorten, is de bestreden beslissing bijgevolg niet, minstens niet afdoende gemotiveerd en manifest onredelijk. Dit geldt des te meer gelet op het door verzoekende partijen reeds technisch onderbouwde feit dat het jachtverbod op alle kleinwild, waaronder hazen, nefaste gevolgen zal hebben omdat dit zal leiden tot een ernstige verstoring van de populaties en het wildbeheer. Verwerende partij betwist dit, louter stellende dat het risico op wildschade en op de noodzaak om bestrijdingsacties op te stellen niet meer is dan ‘een hypothetische constellatie’. Nochtans kan men toch bezwaarlijk ontkennen dat het niet kunnen jagen op de wijze die in het wildrapport en faunabeheerplan was vooropgesteld voor een diersoort als haas onvermijdelijk een toename van het aantal hazen tot gevolg zal hebben en dus een impact zal hebben. Mocht dit niet het geval zijn, dan zou het voor jagers ook niet nodig zijn om dergelijke plannen en rapporten op te maken. Dit louter afstrijden met de verwijzing naar de jachtopeningstijden - waarmee het onderbouwde rapport op geen enkele manier wordt tegengesproken - volstaat evident niet als verweer. Evenmin volstaat de stelling dat het uitzetten van patrijzen per definitie in strijd is met het faunabeheerplan en de wildrapporten en niet leidt tot duurzaam faunabeheer. Dit is immers naast de kwestie in het kader van de discussie die zich hier stelt, met name de vraag of men enige redelijke verantwoording kan geven voor het verbieden van de jacht op hazen en fazanten”. 6. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat nergens in de bestreden beslissing het argument wordt aangehaald dat de beslissing dient te berusten op het wildrapport en/of het faunabeheerplan van het WBE, of dat “het argument dat het jachtverbod op het volledige jachtgebied en voor alle kleinwildsoorten redelijk zou zijn omdat de vastgestelde inbreuk op het uitzettingsverbod ‘een gevaar kan inhouden voor de volksgezondheid en het voortbestaan van dieren die op de Rode lijst van Vlaamse broedvogels staan’”. VII-40.931-12/18 De verzoekende partijen zien voorts niet in hoe een jachtverbod op de kleinwildsoorten patrijs, haas en fazant op alle jachtvelden binnen de WBE redelijk verantwoord kan worden op grond van het verschil dat bestaat tussen artikel 23, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit, met name het feit dat de eerste twee punten een jachtverbod kunnen opleggen wegens redenen die uitgaan van de evolutie van het wildbestand, terwijl dit voor het derde punt niet het geval is en dat om die reden enkel in de eerste twee gevallen een beslissing tot het opleggen van een jachtverbod moet voorafgegaan worden door een advies van de wildbeheerscommissie en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Uit het feit dat een jachtverbod “kan” worden opgelegd, leiden de verzoekende partijen af dat een concrete afweging vereist is en dat het onderscheid in het eerste lid van artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit geen afdoende verantwoording vormt voor het opleggen van een jachtverbod. Uit de bewoordingen van artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit volgt volgens hen ook dat de “andere stukken” waarop het jachtverbod is gebaseerd bijkomend en desgevallend aanvullend kunnen zijn, maar dat deze niet kunnen beletten dat men zich ook dient te baseren op het wildrapport en het faunabeheerplan. Ervan uitgaan dat het ANB bij een gunstig wildrapport en faunabeheerplan nooit zou kunnen optreden tegen uitzettingen in strijd met het Jachtdecreet, noemen de verzoekende partijen een redenering “te kort door de bocht”, omdat telkens dossier per dossier en afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, geoordeeld moet worden. De motivering die verwijst naar het feit dat het uitzettingsverbod afgedwongen moet kunnen worden om kleinwildsoorten in bescherming te kunnen nemen in functie van duurzaam faunabeheer, blijkt volgens hen niet uit de bestreden beslissing. Bovendien wordt niet aangetoond waarom dit een afdoende reden kan zijn om een verbod in te voeren om op de fazant en de haas te jagen. Beoordeling 7. Artikel 23 van het Jachtvoorwaardenbesluit bepaalt: VII-40.931-13/18 “Het agentschap kan bij beslissing de jacht op een kleinwildsoort sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, in een deel van het werkingsgebied van een bepaalde WBE of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder in elk van de volgende gevallen: 1° als het wildbestand voor de kleinwildsoort in kwestie ongunstig is binnen het werkingsgebied van de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de onafhankelijke jachtrechthouder; 2° als er door de desbetreffende WBE of door de onafhankelijke jachtrechthouder onvoldoende maatregelen genomen worden met het oog op de verbetering van dat bestand, en als dat in aangrenzende WBE’s of jachtterreinen van onafhankelijke jachtrechthouders wel in voldoende mate het geval is; 3° als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder. Het agentschap baseert zich bij het nemen van de beslissing op het wildrapport, het faunabeheerplan voor de desbetreffende WBE en eventueel op andere stukken die de beslissing kunnen onderbouwen. Voor de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, vraagt het agentschap het advies van de wildbeheercommissie en het instituut”. Het ANB kan op grond van artikel 23, eerste lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit, de jacht op een kleinwildsoort sluiten in een deel of het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder. Wanneer de jacht door het ANB wordt gesloten in toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit bestaat er geen verplichting om het advies van de wildbeheercommissie en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek in te winnen. De vaststelling door de Natuurinspectie van het uitzetten door een lid van een WBE van een kleinwildsoort -hetgeen door artikel 29 van het Jachtdecreet principieel verboden is tenzij de Vlaamse regering een specifieke uitzondering heeft toegestaan met het oog op het behoud van de betrokken wildsoort(en)- brengt mee dat de verwerende partij niet onwettig handelt door op grond van die vaststelling de jacht op kleinwildsoorten in de betrokken WBE volledig te verbieden met toepassing van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit. Dergelijke beslissing houdt immers geen verband met de evolutie van het wildbestand voor de kleinwildsoorten in kwestie. Het ANB kon derhalve met de bestreden beslissing de jacht op bepaalde kleinwildsoorten op alle jachtvelden van de betrokken WBE verbieden. Dergelijke beslissing, die de VII-40.931-14/18 miskenning sanctioneert van artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet, dient zich niet als onredelijk aan, zelfs al kunnen de overige leden van de betrokken WBE geen inbreuken op het Jachtdecreet worden verweten. 8. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het ANB zijn beslissing heeft gebaseerd op de vaststellingen en verklaringen opgenomen in het proces-verbaal nr. VU.63A.H2.160189/20. Overeenkomstig artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit moet dit stuk worden aangemerkt als een ander stuk in de zin van artikel 23, tweede lid, van het Jachtvoorwaardenbesluit. De omstandigheid dat de bestreden beslissing niet stoelt op het wildrapport of het faunabeheerplan van de betrokken WBE doet niet ter zake, aangezien de wettelijke grondslag voor de bestreden beslissing niet gevonden kan worden in artikel 23, eerste lid, 1° en 2°, van het Jachtvoorwaardenbesluit. 9. Het uitzetten van wild, in dit geval van patrijzen, wordt door artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet verboden precies met het oog op “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”, zoals vooropgesteld door artikel 2 van hetzelfde decreet. Het standpunt van de verzoekende partijen, dat impliceert dat het ANB in geval van een gunstig wildrapport en faunabeheerplan, niet langer op grond van artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit zou kunnen optreden tegen uitzettingen in strijd met het Jachtdecreet, zou leiden tot de onwerkbaarheid van voormelde bepaling en zelfs een gevaar inhouden voor het natuurbeheer. 10. De jacht op zowel de kleinwildsoorten patrijs, fazant als haas wordt verboden, omdat volgens de bestreden beslissing het verbod op de jacht op patrijs enkel behoorlijk kan worden gehandhaafd wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden. Artikel 3, b), van het Jachtdecreet omschrijft als klein wild: “hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix)”. VII-40.931-15/18 De verzoekende partijen weerleggen niet dat een kleinwildsoort, met name patrijzen, effectief werd uitgezet in de betrokken WBE. Dergelijk feit vormt een inbreuk op het door artikel 29 van het Jachtdecreet en artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit ingestelde verbod tot het uitzetten van (klein)wildsoorten. Er wordt ook niet tegengesproken dat die uitzetting enkel gebeurde ten behoeve van de jacht en niet gericht was op de herpopulatie van het jachtgebied met deze soort. 11. In de gegeven omstandigheden, waarbij onomstotelijk vaststaat dat in de betrokken WBE illegale uitzettingen van klein wild hebben plaatsgevonden, heeft de verwerende partij die toezicht moet houden op een duurzaam faunabeheer in alle WBE’s, niet onwettig gehandeld door de uitoefening van haar handhavingsbevoegdheid zo breed mogelijk te vrijwaren door de jacht op alle kleinwildsoorten te verbieden. Het duurzaam faunabeheer houdt onder meer in dat rekening wordt gehouden met de risico’s voor de volksgezondheid en de genetische verschraling van de diersoorten die in het werkingsgebied van de WBE voorkomen. Het feit dat met de bestreden beslissing de jacht op zowel de kleinwildsoorten patrijs, fazant als haas wordt verboden, kan in de concrete omstandigheden van de zaak dan ook niet als onredelijk worden aangemerkt. Het gegeven dat overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Jachtopeningstijdenbesluit de jacht op de patrijs is geopend van 15 september tot en met 14 november, op de haas en de fazanthen van 15 oktober tot en met 31 december en op de fazanthaan van 15 oktober tot en met 31 januari, doet geen afbreuk aan voormelde conclusie. Hetzelfde geldt voor de studie “Genetische structuur en herkomst van patrijs in Vlaanderen” die de verzoekende partijen bij hun laatste memorie voegen. 12. De door de verzoekende partijen voorgestane interpretatie dat onder de woorden “het afgelopen jaar” in artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit “het afgelopen jachtseizoen” verstaan moet worden, brengt mee dat de toezichthouders de afloop van het jachtseizoen zouden moeten afwachten alvorens te kunnen optreden in het belang van een duurzaam VII-40.931-16/18 faunabeheer. Dergelijke interpretatie zou aan voormelde bepaling van het Jachtvoorwaardenbesluit elk nuttig effect ontnemen. In voorliggend geval werd het uitzetten van patrijzen vastgesteld op 25 september 2020, waardoor de periode die is vooropgesteld door artikel 23, eerste lid, 3°, van het Jachtvoorwaardenbesluit werd geëerbiedigd. 13. Met hun betoog tonen de verzoekende partijen niet aan dat een beslissing tot sluiting van de jacht het eigendomsrecht, zoals onder meer gewaarborgd door artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), schendt. Een beperking van het ongestoord genot van eigendom houdt niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. De bestreden beslissing bevat een maatregel die strekt tot de bescherming van kleinwildsoorten en die in functie staat van de vrijwaring van een zaak van algemeen belang, met name het duurzaam faunabeheer. De omstandigheid dat de overtreding van artikel 29, eerste lid, van het Jachtdecreet werd begaan door slechts één jachtrechthouder, brengt niet mee dat de verwerende partij moet afzien van het nemen van een maatregel die strekt tot de bescherming van alle kleinwildsoorten in het volledige werkingsgebied van de betrokken WBE. 14. Het enige middel is ongegrond. VII-40.931-17/18 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.931-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.217 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div