← België

Arrest 255218 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.218 Rolnummer: A. 232274/VII-40958 Zaak: Arrest 255218 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-15 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:59 Fiche Arrest nr 255.218 van 8 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.218 van 8 december 2022 in de zaak A. 232.274/VII-40.958 In zake :

  1. Geert LAEREMANS
  2. de NV AUTOCOMPANIES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  3. Johan VAN ROY
  4. de VZW DE GRUUNE STEEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Fien De Corte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen
  5. de GEMEENTE HERSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Adriaensens kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 20 november 2020, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 14 september 2020 dat: - het bestuurlijk beroep van Jan Van Roy en Geert De Wit, eigenaars van een omliggend perceel en handelend namens het actiecomité ‘Ramsel tegen Stort’, VII-40.958-1/11 tegen het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 25 juli 2006 waarbij de OVAM het beschrijvend bodemonderzoek met als titel “Beschrijvend bodemonderzoek - afronding, Hooilaar Bosschen, 2230 Ramsel, i.o.v. Vennootschap Laeremans [18038425 (oud) - 18068778 (nieuw)] + addendum d.d. 5 juli 2006” conform verklaart aan de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 ‘betreffende de bodemsanering’ (hierna: bodemsaneringsdecreet), gegrond verklaart, - het laatstvermelde besluit van de OVAM opheft, - beslist dat de voornoemde beroepers op voldoende wijze aantonen dat het beschrijvend bodemonderzoek niet voldeed aan de bepalingen van artikel 12 van het bodemsaneringsdecreet. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Johan Van Roy, de vzw De Gruune Steen en de gemeente Herselt hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 25 januari
  8. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 maart 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-40.958-2/11 Advocaat Thomas Geyns, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Isabelle Larmuseau, die loco advocaten Tom Malfait en Fien De Corte verschijnt voor de eerste twee tussenkomende partijen, en advocaat Astrid Engelen, die loco advocaat Stijn Adriaensens verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  10. Eerste verzoeker is eigenaar van een perceel aan de Westmeerbeeksesteenweg te Herselt, kadastraal bekend als afdeling 2, sectie L, perceelnr. 175 F (voorheen 175 E). Hij is voormalig bestuurder en vereffenaar van de nv Autocompanies (voorheen de nv Laeremans), de tweede verzoekende partij. 3.
  11. Naast het betrokken perceel werd tot 1989 een steenbakkerij uitgebaat. Dit perceel werd onderworpen aan een oriënterend bodemonderzoek in
  12. Op het perceel zelf werd klei uitgegraven om vervolgens ter plaatse te verwerken in de naastliggende steenbakkerij. Deze kleigroeve werd geëxploiteerd tot in
  13. Op het terrein waren twee kleiputten aanwezig die doorheen de jaren, tot in 1982, als stortplaats gebruikt werden voor industrieel afval. 3.
  14. In opdracht van de tweede verzoekende partij werd in 2003 een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op het betrokken perceel door de erkende bodemsaneringsdeskundige nv Miplan. Uit het verslag van het oriënterend bodemonderzoek van 28 maart 2003 met als titel “Oriënterend bodemonderzoek, VII-40.958-3/11 Laeremans, Hooilaar Bosschen, 2230 Ramsel” bleek dat het betrokken perceel aangetast is door een gemengde bodemverontreiniging, en de noodzaak tot het uitvoeren van een verder beschrijvend bodemonderzoek. 3.
  15. Op 19 mei 2003 werd door de nv Miplan een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek opgemaakt van het betrokken perceel. Dit voorstel werd op 3 juni 2003 bij besluit met kenmerk BOA-S/O-RVT-03/406917 door de OVAM conform verklaard aan de voorschriften van het bodemsaneringsdecreet. 3.
  16. Op 28 juli 2003 werd een eerste verslag van beschrijvend bodemonderzoek opgemaakt door de nv Miplan, genaamd “Beschrijvend bodemonderzoek Laeremans, Hooilaar Bosschen, 2230 Ramsel - dossiernummer 18038425”. De OVAM verklaarde het verslag op 22 september 2003 niet conform, en legde een aantal bijkomende onderzoeksverrichtingen op. 3.
  17. De OVAM verklaarde bij besluit van 19 februari 2004 (kenmerk BOA-S/O-RVT-04/401777) het verslag van beschrijvend bodemonderzoek met als titel “Addendum Beschrijvend bodemonderzoek, aanvulling d.d. 17 september 2003, Laeremans, Hooilaar Bosschen, 2230 Ramsel - dossiernummer 18038425/2” van 29 januari 2004, opgesteld door de nv Miplan, niet conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. De OVAM legde in hetzelfde besluit aanvullende onderzoeksverrichtingen op. 3.
  18. De OVAM verklaarde bij besluit van 5 april 2006 (kenmerk BB-O-RVT-06/402710) het verslag van beschrijvend bodemonderzoek met als titel “Voorstel afsluiten beschrijvend bodemonderzoek - Laeremans Ramsel - Hooilaar Bosschen” van 20 februari 2006, opgesteld door de nv Miplan, niet conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. De OVAM legde in hetzelfde besluit aanvullende onderzoeksverrichtingen op. 3.
  19. De OVAM ging bij besluit van 27 april 2006 (kenmerk BB-O-RVT-06/405833) akkoord met de aanvullende onderzoeksverrichtingen die opgenomen zijn in het briefrapport met als titel VII-40.958-4/11 “Voorstel voor bijkomend onderzoek” van 25 april 2006, opgesteld door de nv Miplan. 3.
  20. Op 23 juni 2006 ontving de OVAM het eindverslag met als titel “Beschrijvend bodemonderzoek - afronding, Hooilaar Bosschen, 2230 Ramsel, i.o.v. Vennootschap Laeremans [18038425 (oud) - 18068778 (nieuw)]” van 19 juni
  21. In het eindverslag van 19 juni 2006 werd vastgesteld dat de aanwezige verontreiniging historisch van aard is, en dat zowel voor het huidige als het toekomstige gebruik (mits correcte opvulling van de kleiputten) van het terrein er geen humaan-toxicologisch, geen ecotoxicologisch, noch een verspreidingsrisico aanwezig zou zijn en dat de aanwezige concentraties aldus geen ernstige bedreiging zouden vormen, zodat er geen noodzaak zou bestaan tot bodemsanering. 3.
  22. De OVAM ging akkoord met de bevindingen van de erkende bodemsaneringsdeskundige in voormeld eindverslag van het beschrijvend bodemonderzoek. Op 25 juli 2006 verklaarde de OVAM het beschrijvend bodemonderzoek conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. Op basis van de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek oordeelde de OVAM vervolgens dat er geen verdere maatregelen nodig waren en er aldus geen verdere bodemsanering nodig was. 3.
  23. Tegen deze beslissing van de OVAM diende op 18 augustus 2006 Johan Van Roy, de eerste tussenkomende partij, namens het actiecomité ‘Ramsel tegen Stort!’ (hierna: RTS) een bestuurlijk beroep in overeenkomstig artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet. Op 24 augustus 2006 werd het beroep aangevuld met bijkomende informatie van Geert De Wit, eveneens namens het actiecomité RTS. Het actiecomité RTS was een feitelijke vereniging die zich inzette voor de bescherming van het leefmilieu in de gemeente Herselt, en meer specifiek zich verzette tegen het volstorten van de kleiputten in de deelgemeente Ramsel met afval. Dit actiecomité vormde zich nadien om tot de vzw De Gruune Steen, de tweede tussenkomende partij. 3.
  24. Op 31 augustus 2006 werd het bestuurlijk beroep ontvankelijk verklaard. VII-40.958-5/11 3.
  25. Nadat de betrokken partijen hun stukken hadden gewisseld in het kader van dit bestuurlijk beroep, verleende de Adviescommissie Bodemsanering op 25 juni 2007 een verslag van onderzoek en advies, waarin geadviseerd werd de beroepen ontvankelijk en deels gegrond te verklaren, en de beslissing van de OVAM op te heffen. 3.
  26. Op 19 november 2018 werd de tweede verzoekende partij, de nv Autocompanies, voorheen de nv Laeremans, definitief vereffend. Bij de vereffening ging de eigendom van het betrokken perceel over van de tweede verzoekende partij naar eerste verzoeker. 3.
  27. Op 14 september 2020 nam de bevoegde minister het besluit de beslissing van de OVAM op te heffen, nadat werd besloten dat vier van de zeven aangevoerde middelen (deels) gegrond waren en het conform verklaarde beschrijvend bodemonderzoek niet voldeed aan de bepalingen van artikel 12 van het bodemsaneringsdecreet, waardoor bijkomend onderzoek en een actualisatie van het beschrijvend bodemonderzoek zich opdrong. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  28. In navolging van de vaststellingen in de bestreden beslissing van 14 september 2020 heeft de OVAM besloten om ambtshalve over te gaan tot de actualisatie van het beschrijvend bodemonderzoek. De OVAM heeft in dat verband een erkende bodemsaneringsdeskundige aangesteld om tot actualisatie van voorliggend beschrijvend bodemonderzoek van 19 juni 2006 over te gaan. 3.
  29. Op 27 oktober 2021 werd een beschrijvend bodemonderzoek “Oude Steenbakkerij/Laeremans - Onderzoekslocatie: Hooilaar Bosschen te 2230 Ramsel (Herselt)” neergelegd. In navolging hiervan besliste de OVAM op 7 december 2021 dat geen vervolgstap nodig is. Op 17 januari 2022 diende de gemeente Herselt tegen deze beslissing een beroep in dat ontvankelijk werd bevonden. VII-40.958-6/11 VII-40.958-7/11 IV. Ambtshalve exceptie
  30. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve besloten dat verzoekende partijen niet langer over een actueel belang beschikken: “Ambtshalve dient erop te worden gewezen dat een ambtshalve doorgevoerd beschrijvend bodemonderzoek plaats heeft gevonden en dat de OVAM heeft beslist dat geen verdere vervolgstappen noodzakelijk zijn. De huidige bestreden beslissing, die op basis van vier gegrond bevonden middelen in het beroep heeft beslist de conformverklaring op te heffen en er in de gegeven motivering op heeft gewezen dat de onderzoeken dienen te worden geactualiseerd, heeft ertoe geleid dat de OVAM in essentie een bevestigende beslissing heeft genomen als de vernietigde. De verzoekende partijen kunnen bijgevolg geen voordeel meer halen uit een vernietiging van de huidige bestreden beslissing. De verzoekende partijen getuigen aldus niet langer over een actueel belang te beschikken”.
  31. De verzoekende partijen gaan in de laatste memorie niet in op de exceptie. Ter terechtzitting antwoorden zij wel dat de beslissing van de OVAM van 7 december 2021 dat geen vervolgstap noodzakelijk is, niet definitief is omdat de gemeente Herselt tegen deze beslissing bestuurlijk beroep heeft ingesteld.
  32. De verwerende partij sluit zich in haar laatste memorie aan bij het standpunt in het auditoraatsverslag omdat de verzoekende partijen door het ambtshalve doorgevoerd beschrijvend bodemonderzoek van de OVAM en de beslissing van de OVAM dat er geen vervolgstap noodzakelijk is, geen voordeel meer kunnen halen uit een vernietiging van de bestreden beslissing.
  33. De eerste twee tussenkomende partijen sluiten zich eveneens aan bij het standpunt in het auditoraatsverslag. Zij vorderen op die grond eveneens de onontvankelijkverklaring van het annulatieberoep.
  34. De derde tussenkomende partij sluit zich ook aan bij het standpunt in het auditoraatsverslag. De verzoekende partijen hebben niet langer actueel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing omdat de OVAM in het kader van een ambtshalve beschrijvend bodemonderzoek alsnog heeft besloten dat er geen vervolgstappen nodig zijn. Het feit dat die beslissing niet definitief is VII-40.958-8/11 omdat er een georganiseerd bestuurlijk beroep werd ingediend tegen die laatste beslissing van de OVAM “doet hieraan geen enkele afbreuk. Het is dat nieuwe beschrijvend bodemonderzoek dat relevant is voor de site en in de plaats komt van het beschrijvend bodemonderzoek van 25 juli
  35. Zelfs indien huidige procedure zou kunnen leiden tot een vernietiging […], overschrijft de procedure rond het nieuwe ambtshalve bodemonderzoek alleszins de resultaten van de in deze procedure bestreden beslissing houdende de ontvankelijk en gegrondverklaring van het beroep namens eerste tussenkomende partijen tot opheffing van de beslissing van de OVAM van 25 juli 2006 waarbij werd geoordeeld dat er geen vervolgstappen meer nodig zijn”. Beoordeling
  36. Artikel 19, eerste lid, van de RvS-wet, vereist dat de verzoekende partij “doet blijken van een benadeling of van een belang”. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Het voordeel moet in beginsel méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de RvS-wet; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden VII-40.958-9/11 beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
  37. De beslissing van de OVAM, na het bestreden besluit van 14 september 2020 van de minister tot bijkomend onderzoek en een actualisatie van het door de OVAM op 25 juli 2006 conform verklaarde beschrijvend bodemonderzoek, om dat beschrijvend bodemonderzoek van 19 juni 2006 ambtshalve te actualiseren, blijft na een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden ministeriële beslissing op grond van de gegrondverklaring van de middelen van de verzoekende partijen, deel uitmaken van de rechtsorde. De verzoekende partijen kunnen dan ook met de gevorderde nietigverklaring van de bestreden beslissing hierdoor niet langer het beoogde voordeel verkrijgen om geen bijkomend onderzoek en geen actualisering van het beschrijvend bodemonderzoek zelf te moeten (laten) verrichten. Het feit dat de derde tussenkomende partij bestuurlijk beroep heeft ingesteld tegen de navolgende beslissing van de OVAM van 7 december 2021 dat op basis van het ambtshalve verrichte beschrijvend bodemonderzoek geen vervolgstap nodig is, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Het door de verzoekende partijen beoogde belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing is bijgevolg niet langer actueel.
  38. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  39. De Raad van State verwerpt het beroep.
  40. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.958-10/11 De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.958-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.