← België

Arrest 255282 - Milieuvergunningen - 15/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.282 Rolnummer: A. 227832/VII-40526 Zaak: Arrest 255282 - Milieuvergunningen - 15/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-19 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:02 Fiche Arrest nr 255.282 van 15 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.282 van 15 december 2022 in de zaak A. 227.832/VII-40.526 In zake :

  1. Jan DE BORGER
  2. Ronny THEUNIS
  3. Ivan KETELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1030 Brussel A. Reyerslaan 80 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij: de NV VAN HUMBEECK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 5 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 januari 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 3 juli 2015, houdende het verlenen aan de nv Van Humbeeck van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, gelegen aan de Oud-Strijdersstraat 19 te Willebroek, ongegrond wordt verklaard. VII-40.526-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Van Humbeeck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 juni
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 februari 2021 een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
  7. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Wouter Poelmans, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. VII-40.526-2/15 III. Feiten 3.
  9. Op 26 maart 2015 dient de nv Van Humbeeck een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, bestaande uit een rouwkamer, koffietafels en uitvaartcentrum. 3.
  10. Bij besluit van 3 juli 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek de gevraagde vergunning. Concreet bestaat het voorwerp van de verleende vergunning uit: een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor het lozen van 2 m³/u onbehandeld bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, diverse airconditioninginstallaties met een vermogen van in totaal 48,8 kW en een bovengrondse houder voor 10.000 liter mazout. 3.
  11. Tegen deze beslissing wordt bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen bestuurlijk beroep ingesteld. 3.
  12. Met een besluit van 7 januari 2016 bevestigt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek en vult zij de bijzondere vergunningsvoorwaarden aan. 3.
  13. Bij arrest nr. 242.303 van 13 september 2018 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 7 januari 2016 op grond van de volgende motieven: “[…] De milieuvergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient dan ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent moeten zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden. VII-40.526-3/15 […] In de voor de beoordeling van het middel relevante motieven van de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld: […] […] Bovenstaande motivering maakt niet duidelijk op grond van welke precieze gegevens, eigen aan de zaak, de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De verwijzing naar de ‘gegevens van het dossier’ is te algemeen en te vaag om te dienen als afdoende onderbouwing van de conclusie dat de aanvraag ‘in overeenstemming is [...] met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving’. Dit motiveringsgebrek wordt niet goedgemaakt door de verwijzing ‘voor het overige’ naar de adviezen van het DRV en de PMVC. Die, weliswaar gunstige, adviezen steunen immers in belangrijke mate, zo niet uitsluitend, op de in rechte foutieve aannames dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving volgt uit het loutere feit dat de exploitatie zal plaatsvinden in stedenbouwkundig vergunde constructies en de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en het BPA zich in principe niet verzetten tegen de exploitatie van een uitvaartcentrum. De afwezigheid van een afdoende motivering op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, klemt des te meer in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepschrift geuite bezwaren”. 3.
  14. Ingevolge het vernietigingsarrest van 13 september 2018 wordt de beroepsprocedure tegen de vergunningsbeslissing van 3 juli 2015 hernomen en in dat kader worden een aantal nieuwe adviezen uitgebracht. 3.
  15. Met het thans bestreden besluit van 17 januari 2019 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het ingediende beroep andermaal ongegrond en wordt de in eerste aanleg genomen beslissing “deels bevestigd en deels aangevuld”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het belang van de verzoekers
  16. De tussenkomende partij werpt op dat het enkele feit dat het belang van de verzoekers werd erkend in een eerdere annulatieprocedure tegen een milieuvergunning met hetzelfde voorwerp, niet meebrengt dat zij ook belang hebben bij het bestrijden van voorliggende vergunningsbeslissing. Waar in de initiële procedure gewag werd gemaakt van hinder die gelieerd was aan de VII-40.526-4/15 exploitatie van het rouwcentrum, met name mobiliteitshinder, wordt in het huidige verzoekschrift enkel nog ingegaan op lichthinder door de inkokering van de terrassen. Die hinder komt niet voort uit de tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning, maar houdt verband met de stedenbouwkundige vergunning van 1 oktober 2015 die intussen werd uitgevoerd. Beoordeling
  17. In arrest nr. 242.303 van 13 september 2018 heeft de Raad van State reeds aangenomen dat de huidige verzoekers belang hebben bij de nietigverklaring van een beslissing waarbij de betrokken milieuvergunningsaanvraag wordt ingewilligd. In dit arrest werd het belang van de verzoekende partijen als volgt beoordeeld: “Het wordt niet betwist dat eerste verzoeker [versta: Jan De Borger] eigenaar is van een gebouw dat paalt aan de vergunde inrichting. Op zich verschaft dit feit hem het vereiste belang om de bestreden milieuvergunning in rechte aan te vechten, ongeacht de ligging van zijn effectieve woonplaats. De bestreden beslissing is een in laatste aanleg en na uitputting van alle administratieve beroepen genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die in beginsel op ontvankelijke wijze voor de Raad van State kan worden bestreden. Daarbij is het van geen belang dat de oorspronkelijk tweede [versta: Ronny Theunis] en vijfde verzoekende partij [versta: Ivan Ketels] zelf geen administratief beroep zouden hebben ingediend. De verzoekende partijen maken aannemelijk dat de verandering van de bestaande inrichting - algemeen beschouwd - gepaard gaat met een toename van omgevingshinder die mede teweeggebracht wordt door de exploitatie van het rouwcentrum. Derhalve wordt niet aangenomen dat de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen uitsluitend toe te schrijven zijn aan de tenuitvoerlegging van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning”.
  18. De tussenkomende partij voert geen nieuwe feitelijke ontwikkelingen aan die van invloed zijn op het gezag van voormelde rechterlijke uitspraak.
  19. De exceptie wordt verworpen. VII-40.526-5/15 V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het enige middel Standpunt van de partijen
  20. In het enige middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), van de materiëlemotiveringsplicht, en van het proportionaliteits-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Tevens wordt het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag aangevoerd en de schending van het gezag van gewijsde van arrest nr. 242.303 van 13 september 2018: “Doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit inzake de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening zich beperkt tot de stelling dat ‘uit de gegevens van het dossier en het advies van de PMVC duidelijk blijkt dat de beoogde activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van het toepasselijke BPA en dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving’; En doordat, het bestreden besluit daarbij verwijst naar het eerder verstrekte gunstig advies dd. 10 november 2015 van DRV om te besluiten dat kan gesteld worden dat ‘de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp uitmaakt van de voormelde milieuvergunningsaanvraag, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften’; En doordat, er in het bestreden besluit daarmee op geen enkele wijze kan gelezen - laat staan achterhaald - worden op welke precieze eigen elementen verwerende partij zich baseerde; Terwijl, uw Raad in het eerdere vernietigingsarrest nr. 242.303 dd. 13 september 2018 nochtans oordeelde dat een ‘verwijzing naar de ‘gegevens van het dossier’ (…) te algemeen en te vaag (is) om te dienen als afdoende onderbouwde redenering van de conclusie dat de aanvraag ‘in overeenstemming is (…) met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving’ en dat een verwijzing naar adviezen (DVR en PMVC) het motiveringsgebrek niet goedmaken; En terwijl, uw Raad in datzelfde vernietigingsarrest, in het licht van de artikelen 2 en 3 Motiveringswet en het motiveringsbeginsel, nochtans uitdrukkelijk heeft gesteld dat de gegeven motivering afdoende én behoorlijk dient te zijn (te weten pertinent én daadkrachtig) en daarbij heeft geëist dat ‘de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag (…) dan ook in een eigen redenering (dient) aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’; En terwijl, het bestreden besluit zulks overduidelijk nalaat”. VII-40.526-6/15 Het eerste onderdeel van het enige middel wordt als volgt toegelicht: “[…] Terecht oordeelde uw Raad in het vernietigingsarrest nr. 242.303 dat zulks impliceert dat de motivering afdoende en pertinent dient te zijn. Onder randnummer 15 werd geoordeeld dat: ‘(d)e milieuvergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient dan ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent moeten zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden.’ En verder, onder randnummer 17: ‘Bovenstaande motivering maakt niet duidelijk op grond van welke precieze gegevens, eigen aan de zaak, de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De verwijzing naar de ‘gegevens van het dossier’ is te algemeen en te vaag om te dienen als afdoende onderbouwing van de conclusie dat de aanvraag ‘in overeenstemming (…) is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving.’ Dit motiveringsgebrek wordt niet goedgemaakt door de verwijzing ‘voor het overige’ naar de adviezen van het DRV en de PMVC. Die, weliswaar gunstige, adviezen steunen immers in belangrijke mate, zo niet uitsluitend, op de in rechte foutieve aannames dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving volgt uit het loutere feit dat de exploitatie zal plaatsvinden in stedenbouwkundig vergunde constructies en de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en het BPA zich in principe niet verzetten tegen de exploitatie van een uitvaartcentrum. De afwezigheid van een afdoende motivering op het vlak van de onmiddellijke omgeving, klemt des te meer in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepsschrift geuite bezwaren.’ […] Middels deze motivering heeft uw Raad overduidelijke richtlijnen en opmerkingen gegeven waardoor verwerende partij zich, bij de thans bestreden beslissing, diende te laten leiden. Evenwel staat onderaan p. 17 en bovenaan p. 18 van het bestreden besluit het volgende te lezen: ‘Overwegende dat tevens uit de gegevens van het dossier en het advies van de PMVC duidelijk blijkt dat de beoogde activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van het toepasselijke BPA; dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving; Overwegende dat ter zake eveneens wordt verwezen naar het gunstige advies dd. 10 november 2015 (voor de nietigverklaring door de Raad van VII-40.526-7/15 State) van het toenmalige DRV (thans AGOP-RO) in het kader van dezelfde exploitatie en waarvan tevens uittreksels worden aangehaald in het advies van de PMVC; dat ook dit advies derhalve in overweging wordt genomen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften;’ […] Hieruit blijkt duidelijk dat verwerende partij geenszins rekening heeft gehouden met het eerdere vernietigingsarrest. Integendeel, op basis van voormeld citaat uit de bestreden beslissing doet verwerende partij alsof uw Raad nooit het vernietigingsarrest heeft uitgesproken. De afwezigheid van een pertinente en afdoende motivering is daarmee kennelijk aangetoond en maakt het bestreden besluit volstrekt onzorgvuldig. […] Het bestreden besluit is dan ook onwettig en dient te worden vernietigd nu het geenszins tegemoet komt aan het vernietigingsarrest nr. 242.303”.
  21. De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing “overvloedig wordt gemotiveerd” waarom ze tot haar besluit is gekomen. Zij haalt de desbetreffende motieven van de bestreden beslissing aan. Voorts wijst zij erop dat zij zich voor de stedenbouwkundige beoordeling van de aanvraag heeft aangesloten bij het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie dat in extenso wordt aangehaald. De verwerende partij benadrukt dat indien de vergunningverlenende overheid “vaststelt dat een advies op een grondige, objectieve en functiegerichte wijze werd opgesteld, ze dit advies mag verheffen tot het hare” en dat zij “op zich geen rechtsvinding kan verrichten omtrent de feitelijke omstandigheden” en zij “derhalve voor deze beschrijving van de feitelijke omstandigheden afhankelijk is van de adviserende overheden”. Zij wijst erop dat “de AGOP-M wel degelijk een plaatsbezoek heeft verricht zodat de feitelijke omstandigheden wel degelijk geverifieerd zijn en absoluut als waarheidsgetrouw kunnen worden beschouwd”.
  22. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers: “[…] Verzoekende Partijen stellen vast dat de Verwerende Partij op het enige aangevoerde middel antwoordt dat zij de bestreden milieuvergunning wèl rechtsgeldig heeft gemotiveerd. […] Daarvoor beweert zij wat het eerste middelonderdeel betreft dat zij rechtens het advies van AGOP-M en het daarop gebaseerde advies van de VII-40.526-8/15 PMVC tot de hare heeft kunnen verheffen, nu deze adviezen op grondige, objectieve en functiegerichte wijze zouden zijn opgesteld. Dit eerste onderdeel van het antwoord faalt. Er weze eraan herinnerd dat AGOP-RO na het vernietigingsarrest nr. 242.303 dd. 13 september 2018 van uw Raad geen nieuw advies heeft opgesteld ter aanvulling van haar anno 2015 opgesteld rapport. AGOP-M daarentegen heeft anno 2018 een nieuw advies opgesteld, waarin zij inzonderheid tot de conclusie is gekomen dat ‘de aanvraag (…) geen nadelige (effecten) heeft op het gebruiksgenot van de aanliggende percelen of de veiligheid in het algemeen’. Daarvoor heeft de betrokken dienst zich naar verluidt gebaseerd op de vaststellingen gemaakt ter gelegenheid van een plaatsbezoek op 24 oktober
  23. Derhalve ‘benadrukt’ de Verwerende Partij dat AGOP-M ‘wel degelijk een plaatsbezoek heeft verricht zodat de feitelijke omstandigheden wel degelijk geverifieerd zijn en absoluut als waarheidsgetrouw kunnen worden beschouwd.’ De Deputatie beweert daarbij dat zij ‘geen rechtsvinding kan verrichten omtrent de feitelijke omstandigheden’ en dan ook ‘voor deze beschrijving van de feitelijke omstandigheden afhankelijk is van de adviserende overheden’. Echter, terwijl uw Raad in arrest nr. 242.303 dd. 13 september 2018 nochtans overduidelijk had benadrukt dat de motivering van de vernietigde milieuvergunning ‘des te meer’ klemde ‘in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepschrift geuite bezwaren’, heeft AGOP-M het bij het doorslaggevende plaatsbezoek: - niet nodig geacht zich tot de Verzoekende Partijen te richten om zich vanuit de betrokken woningen en vanop de terrassen rekenschap te geven van de door hen geuite bezwaren. Geen van de Verzoekende Partijen is gecontacteerd met de vraag AGOP-M toegang te verschaffen tot de ‘ingekokerde’ plaatsen! Nooit heeft er aldaar een plaatsbezoek plaatsgevonden !; - wel aangewezen geacht de NV Van Humbeeck de mogelijkheid te geven de foute voorstelling van de inrichtingen op de plannen bij de vergunningsaanvraag alsnog te corrigeren... In dergelijke omstandigheden kan er überhaupt geen sprake zijn van een advies dat de feitelijke omstandigheden ‘absoluut waarheidsgetrouw’ (!) weergeeft, laat staan dat het zou zijn opgesteld op ‘grondige, objectieve en functiegerichte wijze’. Een dergelijk, met fundamentele gebreken behept, advies kan een milieuvergunningverlenende overheid niet rechtsgeldig ‘verheffen tot het zijne’. Immers, het is overduidelijk uitgegaan van een eenzijdige aanpak die allesbehalve heeft kunnen leiden tot een absoluut (laat staan, adequaat) waarheidsgetrouwe weergave van de feitelijke omstandigheden”.
  24. De tussenkomende partij werpt vooreerst op dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Het enige middel bekritiseert louter de afwezigheid van motieven met betrekking tot de verenigbaarheid van de VII-40.526-9/15 vergunningsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening. In het bijzonder wordt aangevoerd dat voorbij werd gegaan aan de inkokering van de terrassen van de verzoekers, terwijl voor het overige de stedenbouwkundige beoordeling niet in vraag wordt gesteld. Volgens de tussenkomende partij kan de nietigverklaring van de bestreden beslissing, op grond van het aangevoerde middel, de verzoekers geen voordeel verschaffen omdat de gelaakte inkokering een feitelijk gegeven is door de uitvoering van de definitief geworden stedenbouwkundige vergunning van 1 oktober
  25. Ten gronde laat zij gelden dat de verzoekers uitgaan van een selectieve lezing van de motieven van de bestreden beslissing, terwijl de verwerende partij ook uitdrukkelijk aandacht heeft gehad voor de mobiliteitsimpact van de inrichting en de inkokering van de terrassen. In de bestreden beslissing wordt daarnaast op duidelijke gronden uiteengezet waarom de inrichting verenigbaar is met het BPA ‘Dendermondsesteenweg-Zuid’. Bijgevolg moet aangenomen worden dat de bestreden beslissing wel degelijk motieven bevat die aantonen dat de inkokering aanvaardbaar is in het licht van de bepalingen van het vigerende BPA. In de bestreden beslissing kan eveneens worden gelezen dat de exploitatie van de inrichting milieutechnisch gunstig geadviseerd kan worden en de draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden door het verder exploiteren en veranderen van het rouwcentrum. Ter zake benadrukt de tussenkomende partij dat het rouwcentrum functioneel inpasbaar is in het BPA, doordat het gebouw geïntegreerd is in de omgeving en de draagkracht van het perceel wordt niet overschreden. Bovendien zal door de voldoende aanwezigheid van parkeergelegenheden de impact op de mobiliteit gering zijn. De tussenkomende partij beklemtoont dat in de onmiddellijke omgeving geen beschermde monumenten, stadsgezichten en andere voorlopig of definitief beschermde constructies gelegen zijn en dat de aanvraag geen noemenswaardige wijziging van het bestaande bodemreliëf meebrengt. De tussenkomende partij stelt dat de bestreden beslissing motieven bevat die afdoende aantonen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. In dit verband wijst zij erop dat de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt waarbij zij rekening mag VII-40.526-10/15 houden met alle ruimtelijk relevante criteria. In het bijzonder vestigt zij de aandacht op de motieven aangaande de impact op de verkeersleefbaarheid en de zogenaamde inkokering.
  26. In hun laatste memorie beklemtonen de verzoekers dat in arrest nr. 242.303 van 13 september 2018 de Raad van State heeft benadrukt dat de beroepsbeslissing moest gemotiveerd worden “in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepschrift geuite bezwaren”, waaronder het “gegeven van de inkokering”, terwijl in het kader van het heronderzoek van de zaak na voormeld vernietigingsarrest daaromtrent “geen enkele specifieke feitenvinding heeft plaatsgevonden”. Zij menen dat in een dergelijk geval er “geen sprake [kan] zijn van een determinerend advies dat conform het zorgvuldigheidsbeginsel gebaseerd was op een rechtsgeldige feitenvinding, met de vereiste zorg tot stand gekomen, op een neutrale, niet-discriminerende wijze, de gelijke behandeling van alle betrokkenen indachtig”.
  27. De tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de bestreden beslissing een afdoende motivering bevat aangaande de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening en dat het tussengekomen arrest nr. RvVb-A-2021-0847 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 april 2021 daar geen afbreuk aan doet. Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middelonderdeel
  28. In het middelonderdeel wordt in essentie aangevoerd dat de bestreden milieuvergunning geen afdoende motieven bevat die de conclusie schragen dat de inrichting verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Die wettigheidskritiek kan, indien ze gegrond wordt bevonden, tot de nietigverklaring van de bestreden vergunningsbeslissing leiden. Het gegeven dat de overeenkomstige stedenbouwkundige vergunning volledig zou zijn uitgevoerd, brengt niet mee dat de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag niet getoetst zou moeten worden aan de eisen van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. VII-40.526-11/15
  29. Het eerste onderdeel van het enige middel is ontvankelijk. B. Gegrondheid van het middelonderdeel
  30. Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad van State strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven houdende uitspraak over de tijdens het rechtsgeding betwiste rechtspunten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het gezag van gewijsde steunt op de noodzakelijkheid te beletten dat eenzelfde betwisting altijd zou blijven duren. Dit gezag brengt onder meer met zich mee dat een door de rechter genomen bindende beslissing achteraf niet meer in vraag mag worden gesteld door de in het geding betrokken partijen.
  31. Bij arrest nr. 242.303 van 13 september 2018 heeft de Raad van State de vergunningsbeslissing van 7 januari 2016 van de verwerende partij vernietigd op grond van de volgende motieven: “[…] De milieuvergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient dan ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent moeten zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden. […] In de voor de beoordeling van het middel relevante motieven van de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld: ‘Gelet op de ligging van de inrichting in een woongebied van het gewestplan Mechelen; dat de inrichting tevens gelegen is in het BPA Dendermondsesteenweg-Zuid, goedgekeurd bij MB van 9 maart 2015, in volgende zoneringen: zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages; [...]; Overwegende dat ter zake het advies van het DRV gunstig is; dat de exploitatie gebeurt binnen de stedenbouwkundige vergunde gebouwen en constructies; dat de activiteit van de inrichting [...] verenigbaar [is] met het woongebied volgens het gewestplan Mechelen en de zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages volgens het VII-40.526-12/15 BPA Dendermondsesteenweg-Zuid; dat de activiteiten worden uitgeoefend in een bestaande vergunde inrichting en verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gebied; dat de geplande uitbreidingen de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengen; dat er principieel geen bezwaar tegen de verdere exploitatie en uitbreiding van de bestaande inrichting is; [...]; Overwegende dat tevens uit de gegevens van het dossier, en meer bepaald de adviezen van DRV en de PMVC duidelijk blijkt dat de beoogde activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van het toepasselijke BPA; dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving; Overwegende dat ook voor het overige uitdrukkelijk wordt verwezen naar de adviezen van het DRV en de PMVC, zoals hierboven weergegeven; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften’. [...] Bovenstaande motivering maakt niet duidelijk op grond van welke precieze gegevens, eigen aan de zaak, de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De verwijzing naar de ‘gegevens van het dossier’ is te algemeen en te vaag om te dienen als afdoende onderbouwing van de conclusie dat de aanvraag ‘in overeenstemming is [...] met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving’. Dit motiveringsgebrek wordt niet goedgemaakt door de verwijzing ‘voor het overige’ naar de adviezen van het DRV en de PMVC. Die, weliswaar gunstige, adviezen steunen immers in belangrijke mate, zo niet uitsluitend, op de in rechte foutieve aannames dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving volgt uit het loutere feit dat de exploitatie zal plaatsvinden in stedenbouwkundig vergunde constructies en de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en het BPA zich in principe niet verzetten tegen de exploitatie van een uitvaartcentrum. De afwezigheid van een afdoende motivering op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, klemt des te meer in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepschrift geuite bezwaren”.
  32. De voor de beoordeling van het middel relevante motieven van de thans bestreden vergunningsbeslissing luiden als volgt: “Gelet op de ligging van de inrichting in een woongebied van het gewestplan Mechelen; op het feit dat de inrichting tevens gelegen is in het BPA Dendermondsesteenweg-Zuid, goedgekeurd bij MB van 9 maart 2015, in volgende zoneringen: zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages; […] VII-40.526-13/15 Overwegende dat de exploitatie gebeurt binnen de stedenbouwkundige vergunde gebouwen en constructies; dat de activiteit van de inrichting verenigbaar is met het woongebied volgens het gewestplan Mechelen en de zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages volgens het BPA Dendermondsesteenweg-Zuid; dat de activiteiten worden uitgeoefend in een bestaande vergunde inrichting en verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gebied; dat de geplande uitbreidingen de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengen; dat er principieel geen bezwaar is tegen de verdere exploitatie en uitbreiding van de bestaande inrichting; [...]; Overwegende dat tevens uit de gegevens van het dossier en het advies van de PMVC duidelijk blijkt dat de beoogde activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van het toepasselijke BPA; dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving; Overwegende dat ter zake eveneens wordt verwezen naar het gunstige advies d.d. 10 november 2015 (vóór de nietigverklaring door de Raad van State) van het toenmalige DRV (thans AGOP-RO) in het kader van dezelfde exploitatie en waarvan tevens uittreksels worden aangehaald in het advies van de PMVC; dat ook dit advies derhalve in overweging wordt genomen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”.
  33. De bestreden beslissing die integraal steunt op een herhaling van de motieven van de vernietigde vergunningsbeslissing van 7 januari 2016, schendt het gezag van gewijsde van arrest nr. 242.303 van 13 september
  34. Het eerste onderdeel van het enige middel is gegrond. BESLISSING
  35. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 januari 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 3 juli 2015, houdende het verlenen aan de nv Van Humbeeck van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, gelegen aan de Oud-Strijdersstraat 19 te Willebroek, ongegrond wordt verklaard. VII-40.526-14/15
  36. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  37. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  38. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 40 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekers. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend tweeëntwinting, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.526-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.