id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.283 Rolnummer: A. 228088/XIV-38052 Zaak: Arrest 255283 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 15/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-27 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:02 Fiche Arrest nr 255.283 van 15 december 2022 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping overige Depersonalisatie Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.283 van 15 december 2022 in de zaak A. 228.088/XIV-38.052 In zake :
- XXXX
- XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemarelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Vissers kantoor houdend te 2900 Schoten Verbertstraat 18 tegen : de HOGE RAAD VAN DE ORDE VAN DIERENARTSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek
- Het verzoek, ingesteld op 13 mei 2019, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van de onwettigheden vastgesteld in arrest nr. 243.861 van 1 maart
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.052-1/25 Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekers en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Julien Jouve, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met het dispositief overeenstemmend advies gegeven, behoudens wat het bedrag betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Aanleiding tot het verzoek
- Bij arrest nr. 243.861 van 1 maart 2019 vernietigt de Raad van State, nadat eerder de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan werd verworpen bij ’s Raads arrest nr. 238.096 van 4 mei 2017, de beslissing van de hoge raad van de Orde der dierenartsen van 13 oktober 2016, waarbij deze besliste dat “haar leden die de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en het Nederlandstalig gedeelte van Brabant vertegenwoordigen, in hun functie worden verlengd voor een mandaat van drie jaar”. XIV-38.052-2/25 De feiten aan de basis van het verzoek zijn reeds weergegeven in de genoemde arresten. Er wordt naar verwezen. IV. Samenvoeging
- De verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord, wat zij in haar laatste memorie herhaalt, om de voorliggende zaak samen te voegen met de zaak bekend onder rolnummer A. 228.104/XIV-38.
- Zij stelt, naast het inroepen van proceseconomische redenen, dat beide zaken “direct met elkaar verbonden” zijn. Volgens haar gaat het om gelijkaardige verzoekschriften tot schadevergoeding tot herstel, de zaken overlappen elkaar “minstens gedeeltelijk” en beide dossiers hebben “dezelfde oorzaak, betreffen dezelfde onderliggende problematiek en dezelfde partijen zijn in beide zaken betrokken”. In haar laatste memorie voegt zij nog toe dat de omstandigheid dat de verzoekers in beide dossiers morele schadevergoedingen vorderen die kaderen in “eenzelfde juridische strijd” tevens een samenvoeging verantwoorden.
- De Raad van State stelt vast dat de gevorderde schadevergoedingen betrekking hebben op twee verschillende (vernietigde) beslissingen die onderscheiden juridische gevolgen hadden en die in beginsel een onderscheiden nadeel hebben kunnen berokkenen. Het is dat onderscheiden nadeel dat moet worden hersteld. De enkele omstandigheid dat, naar de verwerende partij stelt, bepaalde feitelijke gegevens aan beide beslissingen ten grondslag liggen of kaderen in “eenzelfde juridische strijd”, leidt niet tot een ander besluit. De samenvoeging zou als louter procedurele ingreep overigens niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de toe te kennen schadevergoeding zou verminderen of anderszins zou wijzigen. XIV-38.052-3/25 Samenvoeging is niet vereist. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Overigens wordt over beide zaken op dezelfde dag uitspraak gedaan. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- In zoverre de verwerende partij, met haar verwijzing in haar memorie van antwoord naar onderhandelingen met de verzoekers met het oog op het bereiken van een minnelijke schikking, het belang van de verzoekers bij het verzoek betwist, heeft zij in het auditoraatsverslag daarover kunnen lezen dat deze exceptie ongegrond is. Wanneer zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet. Niet blijkt overigens dat een minnelijke schikking nog wordt nagestreefd, laat staan bereikt.
- De exceptie wordt verworpen. VI. De gevorderde schadevergoedingen
- De verzoekers vorderen de veroordeling van de verwerende partij “tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel” omwille van de nadelen die zij hebben geleden en die in een causaal verband staan met de door de verwerende partij begane onwettigheid vastgesteld in arrest nr. 243.861 van 1 maart
- In hun verzoekschrift maken zij een onderscheid tussen de vordering in hoofde van eerste verzoekster en de vordering in hoofde van tweede verzoeker. Zij blijken evenwel identieke vorderingen te formuleren zodat deze hierna dan ook in beginsel samen kunnen worden beoordeeld. XIV-38.052-4/25 Standpunt van de partijen
- De verzoekers voeren in het verzoekschrift aan dat zij omwille van de onwettigheid vastgesteld in arrest nr. 243.861 van 1 maart 2019 diverse nadelen hebben geleden, die in een causaal verband staan met de vastgestelde onwettigheid. Zij voeren in eerste instantie aan een financieel nadeel te hebben geleden. Door de vernietigde beslissing van de hoge raad van de Orde der Dierenartsen (hierna: de hoge raad) werden zij verhinderd om hun mandaten op te nemen als lid van de hoge raad. Hieraan kwam slechts een einde door het genoemde vernietigingsarrest. Volgens de verzoekers zouden zij ook “automatisch” lid zijn geworden van het bureau van de hoge raad, gelet op hun hoedanigheden van voorzitter van de NGROD (eerste verzoekster) en secretaris van de NGROD (tweede verzoeker). De beide materiële nadelen (verlies van lidmaatschap in de hoge raad en in het bureau van die raad) staan in een causaal verband met de vastgestelde onwettigheid, daar zonder de vernietigde beslissing de verzoekers nooit zouden zijn belet die mandaten op te nemen. De verzoekers geven vervolgens een overzicht van dertien vergaderingen van de hoge raad of het bureau van de hoge raad in een periode van 25 januari 2017 tot en met 9 mei 2018 en wijzen erop dat deze vergaderingen “worden vergoed aan een uurtarief van 51,34 euro per uur”, waarna zij, elk wat hen betreft, tot een algemeen totaalbedrag van 3.711 euro komen. Zij betogen: “Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 25 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten.” Daarnaast voeren zij aan ook een moreel nadeel te hebben geleden dat bestaat uit de aantasting van hun goede naam en reputatieschade. Zij stellen dat dit moreel nadeel “niet ipso facto [wordt] hersteld ingevolge de morele genoegdoening die volgt uit het vernietigingsarrest, daar het niet kunnen uitoefenen van het mandaat in de Hoge Raad dat beperkt is tot een duur van drie jaar, niet ongedaan kan worden gemaakt en dus een definitief ondergaan moreel XIV-38.052-5/25 nadeel is”. Het niet kunnen opnemen van dit verkozen mandaat had ook tot gevolg, aldus de verzoekers, dat zij ingevolge de vernietigde beslissing veel geloofwaardigheid hebben verloren en dat zij een grote imagoschade hebben geleden. De vernietigde beslissing was immers ingegeven “door o.m. de betichting dat verzoekers een aanslag zouden willen plegen op de Orde der Dierenartsen en de Hoge Raad”. De verzoekers werden daarbij “gebrandmerkt als de drijvende krachten achter ‘de bende van vijf’ die deze aanslag zou willen plegen”. Er is een duidelijk causaal verband tussen deze nadelen en de vastgestelde onwettigheid, daar de aantasting van de goede naam en de ernstige reputatieschade “een rechtstreeks gevolg is van de vernietigde beslissing en deze nadelen zich zonder deze onwettigheid niet zouden hebben gemanifesteerd, want dan zou de vernietigde beslissing eenvoudigweg niet kunnen genomen zijn.” Zij vorderen elk een schadevergoeding van 10.000 euro voor de morele schade, waarbij zij betogen: “Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 13 oktober 2016 tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten.” In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekers, wat het financieel nadeel betreft, dat de hoge raad “zelf heeft erkend in een beslissing van 30 juli 2019 dat [de verzoekers] schade hebben geleden”. Het bestaan van schade kan dan ook niet meer worden betwist. Het oorzakelijk verband tussen de schade en de vernietigde beslissing staat vast, de wettigheid van de beslissing van de NGROD van 15 november 2016 waar de verwerende partij naar verwijst, is definitief aangezien deze niet werd bestreden voor de Raad van State. In plaats van het definitief karakter van de beslissing van 15 november 2016 te respecteren, is de verwerende partij haar later vernietigde beslissing van 13 oktober 2016 blijven handhaven in een bewuste strategie om te beletten dat de verzoekers in de hoge raad zouden komen. Zij stellen dat het “alle verbeelding [tart] dat de verwerende partij aanvoert dat zij ‘steeds overeenkomstig de correcte procedure gehandeld heeft’.” Als het vernietigingsarrest iets leert, dan is het volgens de verzoekers wel dat de hoge raad zich absoluut niet gehinderd voelde door de XIV-38.052-6/25 wettelijke procedures en bevoegdheden. Door het zich halsstarrig vastklampen aan de later vernietigde beslissing van 13 oktober 2016 heeft de hoge raad verzoekers jarenlang belet om deel uit te maken van die raad. Er is dus wel degelijk zekerheid dat de verzoekers zonder de vernietigde beslissing deel zouden hebben uitgemaakt van de hoge raad gedurende drie jaar. Er is tevens zekerheid dat de verzoekers zonder de vernietigde beslissing deel zouden hebben uitgemaakt van het bureau van de hoge raad gedurende drie jaar. Wat de omvang van het financieel nadeel betreft doen de verzoekers gelden dat er op de vergaderingen van de hoge raad en het bureau van die raad, die zij niet mochten bijwonen en waarvoor schadevergoeding wordt gevraagd, heel wat agendapunten werden behandeld die niets te maken hebben met de voor de Raad van State gevoerde procedures. Zij benadrukken daarbij dat niet valt in te zien waarom zij de vergaderingen niet zouden hebben kunnen verlaten voor de behandeling van die agendapunten waarbij zij een persoonlijk belang hadden. Niets zou hen hebben belet de behandeling van de overige agendapunten bij te wonen. De verzoekers herhalen dat zij het bedrag van de financiële schade correct hebben geraamd op 3.711,00 euro voor elk van hen. Wat het moreel nadeel betreft, betwisten zij dat ze er zelf voor hebben gezorgd dat de vernietigde beslissing ruime publiciteit kreeg, zoals de verwerende partij beweert. Zij brengen stukken bij waaruit blijkt dat leden van de hoge raad binnen de orde zelf publiciteit gaven aan de vernietigde beslissing en nu ook binnen de orde kritiek verspreiden op het vernietigingsarrest. De betrokken persoon geniet een hoog aanzien bij de dierenartsen en is verbonden aan een faculteit diergeneeskunde. Zij betogen dat “[h]et bereik en de impact van de artikels op zijn blog als professor, autoriteit op vlak van deontologie en lid van de Hoge Raad sedert jaren, bijzonder groot [is]”. De doorsnee dierenarts zal eerder geneigd zijn de betrokken professor te geloven, dan de verzoekers. In dat licht kan de verwerende partij moeilijk staande houden dat niet is aangetoond dat derden effectief de indruk kregen dat zij een grote misstap hadden begaan. De voormelde communicaties ten overstaan van de dierenartsen laten er niet de minste twijfel over bestaan, aldus de verzoekers, dat “niet alleen verzoekers grote fouten hebben begaan en zelfs veel geld hebben verspild door de Hoge Raad tot procedures voor de Raad van State te dwingen, maar geven ook aan dat de Raad van State de bal XIV-38.052-7/25 missloeg en de Hoge Raad de facto wel degelijk gelijk had en rechtmatig handelde...”. Er is dus wel degelijk sprake van een zware aantasting van de goede naam en de reputatie van verzoekers. Wat de begroting van de morele schade betreft, wijzen de verzoekers op het prestige verbonden aan een lidmaatschap van de hoge raad, het feit dat binnen de hoge raad en het bureau inhoudelijk beleidsmatig wordt gewerkt met een grote impact voor de dierenartsen en zelfs ter voorbereiding van nieuwe wetgeving of nieuwe administratieve maatregelen in het kader van de uitoefening van de diergeneeskunde. Zij betreuren in hoge mate dat hen dit zeer interessant en dienstvaardig werk binnen de orde werd ontzegd. De morele schade, geraamd op 10.000 euro voor elk van hen, werd in elk geval niet vergoed door de morele genoegdoening die voortvloeit uit het vernietigingsarrest, gelet op de zware beschadigingsoperatie waarbij de verwerende partij, zelfs na het vernietigingsarrest, blijft volharden in het eigen gelijk. Dat de verzoekers zijn opgekomen voor de belangen van de NGROD was logisch en gepast vanuit hun mandaten als voorzitter en secretaris van de NGROD. Dat belet niet dat zij persoonlijk zware morele schade hebben geleden door de wijze waarop zij door de verwerende partij zijn afgeschilderd in berichten met ruime verspreiding. In hun laatste memorie volharden de verzoekers. Zij betwisten voorts dat zij, wat het geleden financieel nadeel betreft, slechts aanspraak kunnen maken op vergoeding voor de misgelopen presentiegelden als lid van het bureau van de hoge raad, verminderd in functie van de kans dat zij geen lid zouden zijn geworden van dat bureau, ex aequo et bono geraamd op 50% omdat niet is aangetoond dat de verzoekers ipso facto in hun hoedanigheid van voorzitter respectievelijk secretaris van de NGROD deel zouden uitmaken van het bureau van de hoge raad. Zij wijzen op het Procedurereglement van de hoge raad: in artikel 2 ervan is bepaald dat deze raad is samengesteld uit een voorzitter-magistraat, twee ondervoorzitters, twee secretarissen en een lid gekozen binnen elke afdeling van de hoge raad. Het is binnen de Orde der dierenartsen “een regel, minstens vast gebruik dat de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige Gewestelijke Raden elk ondervoorzitter worden van de hoge raad en in die functie automatisch lid zijn van het bureau van de hoge raad”. Voor de XIV-38.052-8/25 secretarissen van de Nederlandstalige en Franstalige Gewestelijke Raden geldt dat de kans dat elk van hen secretaris wordt in de hoge raad en in die functie automatisch lid van het bureau zeer groot is. Die kans moet worden geraamd op 75 tot 100 procent, in ieder geval meer dan 50 procent. De verzoekers brengen ter adstructie hiervan stavingstukken bij met hun laatste memorie. Wat het moreel nadeel betreft, benadrukken de verzoekers dat het bedrag moet worden gehandhaafd op 10.000 euro elk, omwille van het aanzienlijk moreel leed dat zij moesten ondergaan. Zij stellen dat zij “door de Hoge Raad doelbewust werden geëlimineerd terwijl juist aan een lidmaatschap van de Hoge Raad van hun beroepsorde een aanzienlijk professioneel prestige is verbonden, als hoogtepunt in hun carrière als dierenarts”. De verzoekers achten een morele schadevergoeding van 10.000 euro niet buitensporig “[w]etende dat de globale kosten van de initiële arresten van de Raad van State die verzoekers in het gelijk gesteld hebben, ongeveer 200.000 euro bedragen (waarvan de helft ten laste zou geweest zijn van verzoekers)”. De verzoekers handhaven ook op dit punt hun vordering. “Louter ondergeschikt”, indien deze hoofdvordering wordt afgewezen, hebben zij elk minstens recht op een morele schadevergoeding ten bedrage van 2.500 euro.
- In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat de verzoekers het beweerde financieel nadeel zouden hebben geleden. Zij repliceert dat het niet zeker is dat de verzoekers deel zouden hebben uitgemaakt van de hoge raad of het bureau van de hoge raad, zodat er hooguit sprake is van het verlies van een kans. Er is niet voldaan aan de zware bewijslast van deze rechtsfiguur. De verwerende partij wijst er voorts op dat het gros van de ingeroepen vergaderingen van de hoge raad net het gevolg was van de vernietigde beslissing: er waren verschillende extra vergaderingen nodig om de crisissituatie te beheersen. Zij doet nog gelden dat in “normale omstandigheden” de hoge raad gemiddeld slechts twee tot drie keer per jaar samenkomt. Bovendien konden de verzoekers niet aan deze vergaderingen deelnemen aangezien zij de procedure bij de Raad van State betroffen en de verzoekers hierbij betrokken waren. De verwerende partij betoogt nog dat “[d]e niet-uitoefening door [de verzoekers] van hun mandaten in de Hoge Raad aldus niets [heeft] te maken met de vernietigde beslissing, doch met het niet XIV-38.052-9/25 erkennen van de Hoge Raad van de wetmatigheid van de verkiezing van 15 november 2016 van de NGROD, waartegen werd geprotesteerd door o.a. het instellen van een procedure bij de NGRvB in vernietiging van voormelde beslissing. De NGRvB heeft zich evenwel onbevoegd verklaard hierover uitspraak te doen”. De verwerende partij haalt nog aan dat zij “steeds overeenkomstig de correcte procedure gehandeld heeft, aangezien zij, telkens wanneer er een plaats binnen de Hoge Raad open kwam, de NGROD verzochten om in de vervanging te voorzien, aangezien de Hoge Raad de verkiezing d.d. 15 november 2016 niet als rechtsgeldig erkende.” Volgens de verwerende partij is het oorzakelijk verband “tussen de vernietigde beslissing en het niet kunnen deelnemen aan de vergadering […] niet bewezen” zodat het bestaan van de gevorderde schade evenmin bewezen is. Wat het moreel nadeel betreft, wijst de verwerende partij er op dat de verzoekers er zelf voor hebben gezorgd dat de vernietigde beslissing ruime publiciteit heeft gekregen op verscheidene sociale fora. Daarnaast laten de verzoekers na de gevorderde morele schade aan te tonen. Zo bewijzen zij niet dat derden effectief de indruk kregen dat zij een grote misstap hadden begaan. Zij maken niet aannemelijk waaruit deze morele schade bestaat. Er ontbreekt eveneens een gedetailleerd overzicht van de begroting van deze schade. Volgens de verwerende partij is de morele schade hoe dan ook hersteld door het vernietigingsarrest. Tot slot betoogt de verwerende partij dat de verzoekers “te allen tijde [hebben] voorgehouden op te komen voor de belangen van de NGROD. Dit standpunt wordt evenwel volledig ontkracht door in eigen naam een hallucinant hoge morele schadevergoeding te vorderen van diezelfde Orde”. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat het causaal verband tussen fout en vermeende schade niet vaststaat. Er is geen enkele zekerheid dat indien de samenstelling van de hoge raad wel op een wettige wijze was gebeurd, de verzoekers deel zouden hebben uitgemaakt van die hoge raad of het bureau ervan, laat staan het mandaat dat zij in hun verzoek inroepen, zouden hebben bekleed. Artikel 11 van de wet van 19 december 1950 ‘tot instelling van een Orde der Dierenartsen’ (hierna: de wet van 19 december 1950) schrijft geenszins voor dat de voorzitter van de NGROD automatisch lid zou worden van XIV-38.052-10/25 de hoge raad, laat staan van het bureau van de hoge raad. Wat de begroting van het financieel nadeel betreft, merkt de verwerende partij op dat de tabel die de verzoekers voorleggen en waaruit zou moeten blijken welke presentiegelden zij hebben misgelopen, niet volledig waarheidsgetrouw is. Zij wenst in dat verband klaarheid te scheppen en stelt dat de bedragen, zoals zij die in haar laatste memorie opgeeft, in die zin moeten worden aangepast: vergadertijd (in uren) moet worden opgesplitst tussen vergaderingen van het bureau en vergaderingen van de hoge raad. Een schadevergoeding voor niet-gemaakte verplaatsingskosten kan uiteraard niet worden gevraagd. Tot slot wijst ze er op dat de presentiegelden voor de vergadering van de hoge raad van 3 mei 2017 aan de verzoekers werden uitbetaald. De verwerende partij herhaalt dat een groot aantal vergaderingen van de hoge raad niet zou hebben plaatsgevonden zonder de bijzondere crisissituatie die was ontstaan. Wanneer wordt aanvaard dat “een vernietigingsarrest van de Raad van State de rechtshandeling met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer haalt en bijgevolg de betrokkene terug plaatst in een situatie waarin hij zou verkeren indien de beslissing nooit had bestaan, dan moet men consequent zijn en ook bij de latere begroting van de schade rekening houden met het feit dat een aantal vergaderingen ook niet zouden hebben plaatsgevonden zonder de ontstane crisis”. In een normale situatie komt de hoge raad in principe hooguit twee- tot driemaal per jaar samen. Artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist geen integrale schadevergoeding. Gelet op de bijzondere omstandigheid dat de ontstane crisis een inflatie van het aantal bijeenkomsten heeft veroorzaakt, en dat dit ertoe leidt dat de verzoekers “een kunstmatig opgepompte schadevergoeding vorderen”, is verwerende partij van oordeel dat, “in zoverre het oorzakelijke verband met de [onwettigheid] al zou worden aangetoond, het aantal bijeenkomsten waarvoor schadevergoeding kan worden toegekend, moet worden teruggebracht naar billijkheid, tot 50 %, minstens dat dit element enige weerslag krijgt in de begroting van de vermeende schade”. Verder is er geen reden om aan te nemen dat de kans van de verzoekers op een mandaat in het bureau van de hoge raad op 50 procent moet worden begroot. De verwijzing naar het gegeven dat voorgaande voorzitters van de NGROD werden verkozen tot lid van het bureau van de raad, noch de verwijzing naar een citaat van een voorgaande voorzitter van de NGROD die ook XIV-38.052-11/25 ondervoorzitter was geworden van de hoge raad, kan dienstig worden aangewend. Elke verkiezing is een op zichzelf staand gegeven en voorgaande verkiezingsuitslagen geven geen verworven recht op een lidmaatschap in het bureau van de raad, wat overigens blijkt uit het door de verzoekers bijgebrachte stuk dat e-mailverkeer betreft uitgaande van S.D.V. die met deze e-mails zelf zijn kandidatuur van lid bij het bureau voordraagt en aantoont dat er onenigheid was over de te verkiezen personen. Die betrokkene had niet alleen een belang bij het als dusdanig voorstellen van de feiten, maar tevens blijkt dat zijn lidmaatschap van het bureau allerminst een uitgemaakte zaak was. Wat tweede verzoeker betreft, worden geen bijkomende elementen bijgebracht ter staving van de stelling dat de verloren kans moet worden begroot op 75-100%. Deze loutere bewering kan niet worden aanvaard. Er is geen grondslag om aan te nemen dat tweede verzoeker een noemenswaardige kans maakte op lidmaatschap in het bureau van de raad zodat er niet de minste aanleiding toe is om deze kans vast te leggen op een percentage van meer dan 50 %. Wat het beweerde geleden moreel nadeel betreft dat de verzoekers, elk wat hen betreft, begroten op 10.000 euro, herhaalt de verwerende partij dat niet blijkt dat de tussengekomen vernietiging van de bestreden beslissing de geleden morele schade niet geheel zou hebben vergoed. De verzoekers laten na bijzondere omstandigheden aan te tonen waardoor hun vordering voor morele schadevergoeding dient te worden afgewezen wegens ongegrond, minstens dat deze aangevoerde omstandigheden niet van die aard zijn dat zij tot een bijkomende morele schadevergoeding nopen. “Ondergeschikt” merkt de verwerende partij nog op dat het vorderen van een uitermate hoge morele schadevergoeding geen middel mag zijn om de totaal gevorderde schadevergoeding kunstmatig op te kloppen. Beoordeling
- Opdat de Raad van State de verzoekers een “schadevergoeding tot herstel” toekent ten laste van de steller van de handeling, dienen zij aan te tonen dat zij een nadeel hebben geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. XIV-38.052-12/25 Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van diezelfde procedureregeling dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding te verlenen wanneer de verzoekers, in dit geval de begunstigden van een vernietigingsarrest, aantonen dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door hen geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een “schadevergoeding tot herstel” op grond van artikel 11bis van diezelfde gecoördineerde wetten kan enkel worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt, onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van XIV-38.052-13/25 State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). A. Betreffende de onwettigheid van de akte
- Bij arrest nr. 243.861 van 1 maart 2019 werd de beslissing van de hoge raad van 13 oktober 2016 als onwettig beoordeeld en vervolgens vernietigd. Tot die vernietiging is de Raad van State gekomen nadat hij het enig middel, geput uit de schending aan van artikel 11, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 en van artikel 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015 ‘tot vaststelling van de voorwaarden en nadere regels van de verkiezingen bij de Orde der Dierenartsen’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 december 2015) gegrond had bevonden. Het onlosmakelijk met het dictum verbonden vernietigingsmotief is de vaststelling dat: “[d]e hoge raad […] de wettelijk en reglementair bepaalde (voorbehouden) bevoegdheid van de NGROD om langs Nederlandstalige zijde de samenstelling van de hoge raad te bepalen, [heeft] miskend en […] daarmee de hem wel uitdrukkelijk toegekende bevoegdheden te buiten [is] gegaan”. De Raad van State steunde die vaststelling op een onderzoek en een verwerping van de twee motieven die door de hoge raad naar voren werden geschoven in de vernietigde beslissing om zich de voornoemde bevoegdheid van de NGROD toe te eigenen. In essentie, en anders dan de hoge raad het zag : - verdragen de artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015 zich wel degelijk “binnen de grenzen van de redelijkheid, met een in de tijd beperkt uitstel van de verkiezing van de leden voor de hoge raad” door de NGROD; de installatievergadering van de NGROD is alleszins niet het enige geldige moment om de leden van de hoge raad te verkiezen op straffe van bevoegdheidsverlies voor de NGROD; minstens had er toepassing moeten worden gemaakt van de procedure waarin artikel 38, derde lid, voorziet vooraleer gewag kan worden gemaakt van XIV-38.052-14/25 onwilligheid; enkel indien zelfs na het toepassen van dat artikel 38, derde lid, een duurzame ontwrichting van de NGROD en onwilligheid om tot een vergelijk inzake de verkiezing van de leden van de hoge raad te komen, zouden komen vast te staan, lijkt het mogelijk dat een ander daartoe door de wet aangewezen orgaan ingrijpt om het behoorlijk functioneren van de betrokken gewestelijke raad te herstellen, het gaat alsdan krachtens artikel 9 van de wet van 19 december 1950 om de gemengde raad van beroep en niet om de hoge raad; er blijkt niet dat de hoge raad geen enkele andere keuze meer had dan het mandaat van haar uittredende leden zelf te verlengen voor een volledige mandaattermijn van drie jaar; - biedt het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst geen rechtsgrond voor de hoge raad om proprio motu de NGROD terzijde te schuiven en eenzijdig zijn samenstelling langs Nederlandstalige zijde tot aan de volgende driejaarlijkse verkiezingen te bepalen; die handelwijze kent aan het beginsel van de continui teit van de openbare dienst een draagwijdte toe die dat beginsel kennelijk niet heeft. B. Betreffende het financieel nadeel in hoofde van de verzoekers
- Wat het financieel nadeel betreft, willen de verzoekers in wezen de door hen misgelopen presentiegelden recupereren verbonden aan het hen door de vernietigde beslissing ten onrechte ontzegde lidmaatschap van de hoge raad en van het bureau van de hoge raad. Zoals blijkt uit ’s Raads arrest nr. 243.861 van 1 maart 2019 werden de verzoekers elk op 15 november 2016 door de NGROD verkozen als leden van de hoge raad. De verzoekers doen terecht gelden dat de rechtsgeldigheid van die verkiezing overeind is gebleven. De stelling van de verwerende partij die zij in haar laatste memorie herhaalt dat het “niet zeker” is dat de verzoekers deel zouden hebben uitgemaakt van de hoge raad, faalt dan ook. Het betoog dat het merendeel van de vergaderingen van de hoge raad het gevolg was van de vernietigde beslissing en dat er extra vergaderingen nodig waren om de crisissituatie te beheersen, kan niet worden aanvaard. De verwerende partij kan de XIV-38.052-15/25 onwettigheid van haar eigen beslissing niet inroepen om zich te onttrekken aan haar wettelijke gehoudenheid om, overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekers schadeloos te stellen voor het nadeel dat zij hebben geleden omwille van de vastgestelde onwettigheid. Er wordt dan ook enkel rekening gehouden met de vergaderingen zoals die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, niet met de niet-gestaafde bewering in de memorie van antwoord dat de hoge raad normaal gezien slecht twee- tot driemaal per jaar zou zijn samengekomen. De argumentatie dat de verzoekers niet konden deelnemen aan deze vergaderingen aangezien zij de procedure bij de Raad van State betroffen en de verzoekers hierbij betrokken waren, wordt evenmin bijgevallen nu de verwerende partij hierbij weerom – en daargelaten nog de vaststelling dat de verzoekers in ieder geval wel de vergaderingen konden bijwonen met het oog op andere te behandelen agendapunten of er mogelijk nog andere hadden aan kunnen laten toevoegen – haar eigen onwettige handelwijze inroept.
- De verzoekers kunnen dan ook aanspraak maken op de vergoeding van de door hun misgelopen presentiegelden als leden van de hoge raad.
- Wat daarentegen het lidmaatschap van “het bureau van de hoge raad” betreft, kan niet anders dan worden besloten dat er geen (juridische noch feitelijke) zekerheid is dat de verzoekers zouden zijn verkozen als lid van dat bureau.
- Vooreerst stelt de Raad van State vast dat in de wet van 19 december 1950 – anders dan in artikel 10 van die wet wat het bureau van de gewestelijke raden van de Orde betreft – geen gewag wordt gemaakt van enig “bureau van de hoge raad” als zodanig. De hoge raad van de Orde kent weliswaar twee afdelingen (artikel 11, derde lid van de wet van 19 december 1950), en iedere afdeling “kiest” XIV-38.052-16/25 in haar schoot, een ondervoorzitter en een secretaris (artikel 11, vijfde lid) zonder dat er evenwel sprake is van enig “bureau van de hoge raad”. De voorzitter van de hoge raad die de twee afdelingen van de hoge raad voorzit, betreft eenzelfde door de Koning onder de kamervoorzitters van de hoven van beroep aangewezen magistraat die de twee landstalen machtig is (artikel 11, vierde lid). Daarnaast kiest elke afdeling zoals hiervoor is gebleken, in haar schoot een voorzitter en een secretaris. Ook het eerdergenoemde (doch inmiddels opgeheven) koninklijk besluit van 26 december 2015 dat de verkiezingen bij de Orde der dierenartsen regelt en zoals dat van toepassing is op het ogenblik van de vernietigde beslissing, is te dezen niet dienstig. Dat koninklijk besluit regelt voornamelijk de verkiezing van de gewestelijke raden, evenals de verkiezing van de respectieve bureaus van die gewestelijke raden (artikel 38, eerste lid) en de verkiezing door elke gewestelijke raad van elk van de vijf leden van de hoge raad die geroepen zijn om in de schoot van die hoge raad de vijf provincies die de omschrijving van de gewestelijke raad vormen, te vertegenwoordigen (zie artikel 38, tweede lid van dat koninklijk besluit iuncto artikel 11, eerste lid van de wet van 19 december 1950) doch maakt evenmin gewag van (enige verkiezing) van een “bureau van de hoge raad”. Ook in artikel 38 van het koninklijk besluit van 24 april 2022 ‘tot vaststelling van de voorwaarden en nadere regels van de verkiezingen bij de Orde der Dierenartsen’ dat in de plaats is gekomen van het eerdergenoemde koninklijk besluit van 26 december 2015, wordt geen gewag gemaakt van een “bureau van de hoge raad”. Het in die bepaling genoemde bureau bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris betreft opnieuw het bureau van elk van de gewestelijke raden. Overigens is laatst genoemd koninklijk besluit ratio temporis niet van toepassing op de vernietigde en onwettig bevonden beslissing. Evenmin bruikbaar is het door de verzoekers met hun laatste memorie bijgebrachte (intern) ‘Procedurereglement Hoge Raad. Nederlandstalige Gewestelijke Raad van de Orde van Dierenartsen (NGROD)’ waarin wel sprake is van een “bureau van de hoge raad” dat is samengesteld uit “de voorzitter, twee XIV-38.052-17/25 ondervoorzitters, twee secretarissen en een lid gekozen binnen elke afdeling van de hoge raad” (artikel 2). Immers, daargelaten nog de vraag of met dat stuk dat pas met de laatste memorie is bijgebracht, rekening mag worden gehouden, werd het genoemde procedurereglement weliswaar aangenomen en goedgekeurd door de hoge raad in zijn zitting van 8 januari 2015 doch er wordt tevens op vermeld dat de “wijzigingen die erin werden aangebracht werden goedgekeurd door de hoge raad in zijn zitting van 13 september 2017” – dit is na de vernietigde en onwettig bevonden beslissing van 13 oktober 2016 –, zonder dat ook maar enigszins inzichtelijk wordt gemaakt welke wijzigingen in 2017 werden aangebracht en of die “het bureau” betreffen. Bovendien regelt het genoemde artikel 2 van dat procedurereglement weliswaar de samenstelling van “het bureau van de hoge raad”, doch niet de verkiezing ervan, wat immers voorwerp is van artikel 11, vijfde lid, van de wet van 19 december
- Het kan daarom evenmin dienstig in ogenschouw worden genomen.
- Wat er ook van zij, het standpunt dat eerste verzoekster als voorzitster van de NGROD “deel [ging] uitmaken van het bureau van de Hoge Raad” omdat het “immers een vast gebruik [is] dat de voorzitters van de gewestelijke raden automatisch zetelen als ondervoorzitter in het bureau” en dat tweede verzoeker “als secretaris van de NGROD […] overigens deel [ging] uitmaken van dat bureau van de Hoge Raad”, kan niet worden bijgevallen, al was het maar omdat daarmee voorbij wordt gegaan aan de essentie zelf van een verkiezing waarvan de uitslag, wil de verkiezing correct en onpartijdig verlopen, per definitie niet vooraf is bepaald, ook niet door een “vast gebruik” doch onbepaald blijft totdat, na een behoorlijk doorlopen van de verkiezingsprocedure, de stemmen zijn geteld. Het is immers evengoed denkbaar, ingeval van meerdere kandidaatstellingen voor die functies, dat de leden van de Nederlandstalige afdeling van de hoge raad die met toepassing van artikel 11, vijfde lid, van de wet van 19 december 1950 hun stem moeten uitbrengen tot aanduiding van de ondervoorzitter en secretaris zouden kunnen opteren voor een decumul tussen, eensdeels, de functies van voorzitter respectievelijk secretaris van de gewestelijke raad en, anderdeels, deze van ondervoorzitter respectievelijk secretaris van (te dezen) de Nederlandstalige afdeling van de hoge raad. XIV-38.052-18/25
- Conclusie moet dan ook zijn dat noch op basis van enig “vast gebruik” noch op grond van loutere beweringen kan worden aangenomen dat de verzoekers daadwerkelijk lid zouden zijn geworden van “het bureau van de hoge raad”.
- Er mag wel redelijkerwijze worden verondersteld dat de verzoekers zich kandidaat zouden hebben gesteld voor het lidmaatschap als ondervoorzitter respectievelijk secretaris van de afdeling van de hoge raad “met het Nederlands als voertaal, waarin zetelen de leden verkozen door de raad van de Orde omvattende de provinciën Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen en het Nederlandstalig gedeelte van Brabant” (cfr. artikel 11, derde lid van de wet van 19 december 1950) en dat zij een kans zouden hebben gehad om in die hoedanigheid verkozen te worden. Die kans hebben zij ingevolge de bestreden beslissing verloren. Ook het verlies van een kans kan een vergoedbare schade uitmaken. De verzoekers kunnen aanspraak maken op de vergoeding van de door hun misgelopen presentiegelden als leden van wat zij het “bureau van de hoge raad” noemen [lees : ondervoorzitter respectievelijk secretaris, gekozen binnen de Nederlandstalige afdeling van de hoge raad], verminderd in functie van de kans dat zij geen lid zouden zijn geworden van dat “bureau”, kans die de Raad van State te dezen begroot op 50% omdat niet uit te sluiten is – en de verzoekers voeren het tegendeel niet aan – dat voor de functie van ondervoorzitter respectievelijk secretaris er redelijkerwijze van mag worden uitgegaan dat er in de schoot van de Nederlandstalige afdeling van de hoge raad voor elk van deze functies een tegenkandidaat zou kunnen zijn geweest.
- Het aldus geleden financieel nadeel is het rechtstreeks gevolg van de vernietigde beslissing. Zonder die beslissing zouden de verzoekers immers elk zijn verkozen als lid in de hoge raad door de leden van de gewestelijke raad van de Orde omvattende de provinciën Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en het Nederlandstalig gedeelte van Brabant en hadden zij vervolgens elk een gerede kans van 50% om te worden aangeduid hetzij als XIV-38.052-19/25 ondervoorzitter hetzij als secretaris van de Nederlandstalige afdeling binnen de hoge raad.
- De verzoekers voegen bij hun verzoekschrift een attest waaruit blijkt op welke data de hoge raad of het bureau van de hoge raad vergaderden in de periode 8 november 2016 tot 29 maart
- In haar memorie van antwoord heeft de verwerende partij, wat de begroting van de financiële schade betreft, de gevorderde bedragen door de verzoekers als lid van de hoge raad niet betwist noch wat het aantal vergaderingen betreft, noch de duur ervan of de vergoeding die daartegenover staat.
- In het auditoraatsverslag hebben de partijen daarover kunnen lezen dat de verzoekers pas op 15 november 2016 werden verkozen door de NGROD als leden van de hoge raad zodat zij - wat zij ook niet doen - geen aanspraak kunnen maken op vergoeding voor de vergaderingen die aan die datum voorafgaan. Omdat er in het bijgebrachte attest geen voldoende duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de vergaderingen van de hoge raad enerzijds en die van het bureau anderzijds en er veelal gewoon sprake is van “bureau en raad” zonder nadere differentiatie hoe lang elke onderscheiden vergadering heeft geduurd, is in het auditoraatsverslag aangenomen dat de vergaderingen in beginsel (behoudens de vergaderingen op 23 augustus 2017 en 7 maart 2018 die duidelijk enkel het bureau betreffen) elk de helft van de tijd in beslag hebben genomen, waarop in datzelfde verslag is besloten dat de verzoekers aanspraak kunnen maken op een volledige vergoeding van de door hen misgelopen presentiegelden “als leden van de hoge raad”. Met betrekking tot het lidmaatschap van “het bureau van de hoge raad” en de vergadermomenten die erop betrekking hebben, is hiervoor gebleken dat eerste verzoekster noch tweede verzoeker kunnen aantonen dat zij daarvan met XIV-38.052-20/25 zekerheid deel zouden hebben uitgemaakt, zodat hun vordering op dat punt met 50 procent moet worden getemperd.
- Zoals van een verzoekende partij mag worden verwacht dat zij in haar verzoekschrift – en niet pas in de laatste memorie – aan de hand van precieze en verifieerbare gegevens, gevoed door stukken waarover zij op dat ogenblik beschikt of kan beschikken, haar vordering staaft, mag ook van een verwerende partij worden verwacht dat zij in het daaropvolgende procedurestuk, te dezen haar memorie van antwoord, deze bedragen gestaafd betwist en niet dat zij dat pas doet in haar laatste memorie.
- Aan eerste verzoekster en tweede verzoeker kan op grond van hetgeen voorafgaat, na herberekening zoals die is weergegeven in het auditoraatsverslag, een schadevergoeding van hun financieel nadeel worden toegekend voor een bedrag van 2.920 euro elk. C. Betreffende het moreel nadeel in hoofde van de verzoekers
- De verzoekers vragen elk een morele schadevergoeding. Zij wijzen op een aantal bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het vernietigingsarrest nr. 243.861 van 1 maart 2019 geen volledige morele genoegdoening zou hebben verschaft. In het verzoekschrift beroepen de verzoekers zich op het feit dat zij het mandaat in de hoge raad waartoe zij verkozen werden niet hebben kunnen opnemen en dat dit mandaat in de tijd beperkt is tot drie jaar, zodat het niet-uitoefenen ervan niet ongedaan kan worden gemaakt en dus definitief ondergaan is. Zij wijzen tevens op de imagoschade die zij hebben geleden in hun beroepsorde en het feit dat zij publiek beticht werden van het willen ondermijnen van die orde.
- Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding moet worden aangetoond dat dit nadeel niet XIV-38.052-21/25 of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekers toe dat nog niet-herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete, precieze en verifieerbare gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. Weliswaar verhinderde de vernietigde beslissing de verzoekers ten onrechte dat zij (i) de mandaten waarin ze als lid van de hoge raad werden verkozen en waarop ze zich konden beroepen, daadwerkelijk konden opnemen en (ii) dat ze vanuit dat mandaat konden worden verkozen om in “het bureau van de hoge raad” te zetelen, doch met het vernietigingsarrest, met inbegrip van het daarin besloten determinerend motief, dat een absoluut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling ab initio uit de rechtsordening werd genomen, staat voor eenieder definitief vast dat de verzoekers aldus op onwettige wijze werden behandeld. Dit moet hen de vereiste morele genoegdoening bieden, ook al hebben zij de niet-uitoefening van dat ambt moeten ondergaan. Dat aan het lidmaatschap van de hoge raad van hun beroepsorde een aanzienlijk professioneel prestige is verbonden, is mogelijk maar doet aan wat voorafgaat niet af.
- In zoverre de verzoekers in hun procedurestukken ter adstructie van hun moreel nadeel nog aangeven dat de vernietigde beslissing was ingegeven door onder meer de betichting dat de verzoekers “een aanslag zouden willen plegen op de Orde der Dierenartsen en de Hoge Raad” en zij daarbij “gebrandmerkt werden als de drijvende krachten achter ‘de bende van vijf’ die deze aanslag wilden plegen”, kan dat niet uit de bestreden beslissing zelf worden afgeleid. Noch uit de bestreden beslissing zoals die aan de verzoekers werd meegedeeld noch uit het communiqué van 13 oktober 2016 daaromtrent (zie ter zake het feitenrelaas zoals weergegeven in ‘s Raads arrest nr. 238.096 van 4 mei 2017) blijkt dergelijke afkeuring van het gedrag of de houding van de XIV-38.052-22/25 verzoekers. Er wordt in dat communiqué aangegeven dat tot de (onwettige en inmiddels vernietigde) beslissing van 13 oktober 2016 werd besloten omdat “de HR vast[stelt] dat op heden de termijn om tot nieuwe verkiezingen over te gaan verstreken is” en dat “[b]ij ontstentenis van afgevaardigden bij de HR aangeduid door de NGROD (voor alle Vlaamse provincies) en gelet op de noodzakelijke continuïteit van de openbare dienstverlening de Nederlandstalige sectie van de HR in zijn huidige samenstelling voor de termijn van 3 jaar [moet] blijven zetelen”, waaruit de beweerde afkeuring niet blijkt. Wanneer, zoals de verzoekers in hun verzoekschrift aangeven, de vernietigde beslissing in wezen was “ingegeven” door onder meer de betichting dat verzoekers een aanslag zouden willen plegen op de Orde der dierenartsen en zij daarin een zware aantasting van de goede naam afleiden waarvoor schadevergoeding tot (moreel) herstel wordt gevraagd, kan die intentie of achterliggende reden enkel ex post worden afgeleid uit het verweer dat de verwerende partij heeft gevoerd voor de Raad van State tijdens de vernietigingsprocedure (cfr. ‘s Raads arrest nr. 243.861 van 1 maart 2019, punt 19) maar niet uit de bestreden en vernietigde beslissing van 13 oktober 2016 zelf. De door de verzoekers aangevoerde “zware aantasting van de goede naam” is te dezen niet aangetoond, althans niet op grond van de vernietigde beslissing. Het moreel nadeel dat zij hebben geleden doordat zij hun ambten niet konden uitoefenen moet worden geacht te zijn hersteld door de kracht zelf van het tussengekomen vernietigingsarrest nr. 243.861 van 1 maart
- Er zijn derhalve geen redenen om te besluiten dat het beweerde moreel nadeel niet is hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden beslissing. D. Intresten
- De verzoekers vragen in hun verzoekschrift om de schadevergoeding (lees: de toegekende schadevergoeding) voor het financieel nadeel te vermeerderen met (1.) de vergoedende interesten aan de wettelijke XIV-38.052-23/25 rentevoet vanaf 25 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het uit te spreken arrest, alsook (2.), vanaf de datum van dat arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van de toegekende schadevergoeding en de vergoedende interesten.
- De verwerende partij formuleert geen standpunt noch bezwaar.
- De vergoedende interesten hebben betrekking op de periode tussen het ontstaan van de schade en het moment waarop de rechter het bedrag van de schadevergoeding vaststelt. De verwijlinteresten zijn verschuldigd vanaf de rechterlijke beslissing tot aan de volledige betaling. De verzoekers hebben bijgevolg recht op de vergoedende interesten vanaf de datum vanaf 25 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het voorliggende arrest. Zij hebben bovendien recht op verwijlinteresten vanaf de datum van het voorliggende arrest tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding. BESLISSING
- Aan elk van de verzoekers wordt een schadevergoeding tot herstel toegekend van 2.920 euro ten laste van de verwerende partij, te verhogen met de vergoedende interesten berekend aan de wettelijke rentevoet vanaf 25 juli 2017 tot aan dit arrest, meer de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de volledige betaling van de schadevergoeding.
- De Raad van State verwerpt het verzoek voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. XIV-38.052-24/25 De teveel betaalde bijdrage ten belope van 20 euro wordt aan de verzoekers terugbetaald.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekers weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.052-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.