← België

Arrest 255284 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 15/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.284 Rolnummer: A. 228104/XIV-38055 Zaak: Arrest 255284 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 15/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-27 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-10 08:02 Fiche Arrest nr 255.284 van 15 december 2022 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping overige Depersonalisatie Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.284 van 15 december 2022 in de zaak A. 228.104/XIV-38.055 In zake : 1. XXXX 2. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemarelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Vissers kantoor houdend te 2900 Schoten Verbertstraat 18 tegen : de HOGE RAAD VAN DE ORDE VAN DIERENARTSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek 1. Het verzoek, ingesteld op 14 mei 2019, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van de onwettigheden vastgesteld in arrest nr. 243.862 van 1 maart 2019. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.055-1/57 Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekers en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Julien Jouve, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met het dispositief overeenstemmend advies gegeven, behoudens wat het bedrag betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Aanleiding tot het verzoek 3. Bij arrest nr. 243.862 van 1 maart 2019 vernietigt de Raad van State, nadat eerder de tenuitvoerlegging ervan werd geschorst bij ’s Raads arrest nr. 240.191 van 14 december 2017, de beslissing van de hoge raad van de Orde der dierenartsen (hierna: de hoge raad) van 3 mei 2017, waarbij de verzoekers in hun hoedanigheid van leden van de Nederlandstalige gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen (NGROD): - preventief tijdelijk en bij hoogdringendheid op non-actief worden gesteld; - hen de toegang tot het gebouw van de NGROD te Merelbeke wordt ontzegd, met absoluut verbod om in hun hoedanigheid van raadslid contact te hebben of te XIV-38.055-2/57 zoeken met andere raadsleden van de NGROD, de hoge raad en/of het administratief personeel of medewerkers op zelfstandige basis; - hen de elektronische toegangen tot de gegevensbestanden (o.a. WIKI’

  1. s)worden ontzegd en afgesloten omwille van de in dat arrest vastgestelde onwettigheden. IV. Samenvoeging 4. De verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord, wat zij in haar laatste memorie herhaalt, om de voorliggende zaak samen te voegen met de zaak bekend onder rolnummer A. 228.088/XIV-38.052. Zij stelt, naast het inroepen van proceseconomische redenen, dat beide zaken “direct met elkaar verbonden” zijn. Volgens haar gaat het om gelijkaardige verzoekschriften tot schadevergoeding tot herstel, de zaken overlappen elkaar “minstens gedeeltelijk” en beide dossiers hebben “dezelfde oorzaak, betreffen dezelfde onderliggende problematiek en dezelfde partijen zijn in beide zaken betrokken”. In haar laatste memorie voegt zij nog toe dat de omstandigheid dat de verzoekers in beide dossiers morele schadevergoedingen vorderen die kaderen in “eenzelfde juridische strijd” tevens een samenvoeging verantwoorden. 5. De Raad van State stelt vast dat de gevorderde schadevergoedingen betrekking hebben op twee verschillende (vernietigde) beslissingen die onderscheiden juridische gevolgen hadden en die in beginsel een onderscheiden nadeel hebben kunnen berokkenen. Het is dat onderscheiden nadeel dat moet worden hersteld. De enkele omstandigheid dat, naar de verwerende partij stelt, bepaalde feitelijke gegevens aan beide beslissingen ten grondslag liggen of kaderen in “eenzelfde juridische strijd”, leidt niet tot een ander besluit. De samenvoeging zou als louter procedurele ingreep overigens niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de toe te kennen schadevergoeding tot herstel zou verminderen of anderszins zou wijzigen. XIV-38.055-3/57 Samenvoeging is niet vereist. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Overigens wordt over beide zaken op dezelfde dag uitspraak gedaan. V. Ontvankelijkheid van de vordering 6. In zoverre de verwerende partij met haar verwijzing in haar memorie van antwoord naar onderhandelingen met de verzoekers met het oog op het bereiken van een minnelijke schikking, het belang van de verzoekers bij het verzoek betwist, heeft zij in het auditoraatsverslag daarover kunnen lezen dat deze exceptie ongegrond is. Wanneer zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet. Niet blijkt overigens dat een minnelijke schikking nog wordt nagestreefd, laat staan bereikt. 7. De exceptie wordt verworpen. VI. De gevorderde schadevergoedingen 8. De verzoekers vorderen de veroordeling van de verwerende partij “tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel” die zij na “aanpassing” en/of “actualisering” in fine van hun laatste memorie uiteindelijk als volgt begroten: (I.) wat eerste verzoekster betreft: “1. Gemiste forfaitaire vergoeding en zitpenningen (IV.1): 15.828,00 euro; 2. Moreel nadeel aantasting goede naam en reputatieschade (IV.2): 10.000,00 euro, in ondergeschikte orde minstens 2.500,00 euro; XIV-38.055-4/57 3. Medische kosten (IV.3.1): provisioneel 2.686,14 euro; 4. Tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid (IV.3.2.1.): provisioneel 29.494,08 euro; 5. Tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid (IV.3.2.2.): provisioneel 24.918,77 euro; 6. Tijdelijke economische ongeschiktheid (IV.3.2.3.A): definitief 8.000,00 euro 7. Tijdelijke economische ongeschiktheid (IV.3.2.3.B.): provisioneel 66.831,32 euro; te verhogen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 3 mei 2017 (schadedatum) voor de nadelen vermeld onder nrs. 2 en 3, vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) voor de nadelen vermeld onder nrs. 4, 5 en 7, vanaf 22 november 2018 voor de nadelen onder nr. 6 en vanaf 1 september 2017 (gemiddelde datum) voor de nadelen vermeld onder nr. 1 tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten;”. Zij vragen voorts om voor eerste verzoekster (
  2. i)de behandeling van de zaak aan te houden en de debatten daartoe te heropenen in afwachting van de beëindiging, dan wel consolidatie van haar arbeidsongeschiktheid en (
  3. ii)akte te verlenen aan eerste verzoekster dat zij haar vordering in de loop van het geding nader zal actualiseren in functie van de evolutie van haar arbeidsongeschiktheid. (II.) wat tweede verzoeker betreft: “1. Gemiste forfaitaire vergoeding en zitpenningen (V.1): 10.519,07 euro, in ondergeschikte orde minstens 9.800,47 euro; 2. Moreel nadeel aantasting goede naam en reputatieschade (V.2): 10.000,00 euro, in ondergeschikte orde minstens 2.500,00 euro; 3. Materieel nadeel impact op gezondheid (V.3): 4.608,00 euro; 4. Moreel nadeel impact op gezondheid (V.3): 2.500,00 euro; te verhogen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 3 mei 2017 (schadedatum) voor de nadelen vermeld onder nr. 2, vanaf 1 september 2017 (gemiddelde datum) voor de nadelen vermeld onder nr. 1 en vanaf 4 mei 2018 (schadedatum) voor de nadelen vermeld onder de nrs. 3 en 4 tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten;”. XIV-38.055-5/57 VII. Onderzoek van de gegrondheid van de vordering Standpunt van de partijen 9. In hun verzoekschrift argumenteren de verzoekers dat zij omwille van de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid diverse nadelen hebben geleden, die daarmee in een causaal verband staan. Zij adstrueren deze nadelen als volgt. 9.1. In de eerste plaats voeren zij aan dat elk van hen een financieel nadeel heeft geleden ingevolge de onwettige belemmering om tijdens de periode van 3 mei 2017 tot en met 14 december 2017 - wat eerste verzoekster betreft - het ambt van voorzitter en lid van de NGROD uit te oefenen en, wat tweede verzoeker betreft, het ambt van secretaris en lid van de NGROD. Zij zetten dit financieel nadeel in hun verzoekschrift als volgt uiteen: Voor eerste verzoekster: “Door de vernietigde beslissing heeft eerste verzoekster de volgende financiële nadelen geleden: 1. De voorzitter van de NGROD heeft krachtens het draaiboek zitpenningen/onkostennota recht op een forfaitaire vergoeding van 1026 euro per maand. Eerste verzoekster heeft die moeten ontberen in de periode dat zij op non actief was gezet. Dit vertegenwoordigt een financieel nadeel van 1026 euro x 8 maanden= 8208 euro. 2. Het bijwonen van de vergaderingen van het bureau geeft recht op een vergoeding van 51,34 euro per uur overeenkomstig het draaiboek zitpenningen/onkosten. Het bijwonen van de raadsvergadering geeft de voorzitter recht op een dubbele zitpenning van 102 euro. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat eerste verzoekster deze vergaderingen bijwoonde, zodat zij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. In de samenvattende tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van de gehouden vergaderingen en de zitpenningen waarop deze vergaderingen recht gaven. Voor de vergaderingen van de NGROD komt dit neer op een nadeel van 2.566 euro. Voor de vergaderingen van het bureau komt dit neer op een nadeel van 1.461 euro. 3. De voorzitter behandelt gemiddeld een drietal tuchtdossiers per jaar. Daarvoor wordt een forfaitaire vergoeding toegekend van 51,34 euro per dossier. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat XIV-38.055-6/57 eerste verzoekster deze dossiers kon behandelen, zodat zij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. Berekend aan gemiddeld twee dossiers over de voormelde periode x 51,34 euro = is dit 102 euro. 4. De voorzitter neemt ook maandelijks deel aan een aantal intra-muros en een aantal extra-muros vergaderingen van de Vlaamse en Brussels Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn. Eerste verzoekster werd benoemd als plaatsvervanger in de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn, alsook in de Brusselse Raad voor Dierenwelzijn. Daar de heer [V.], de effectief verkozen kandidaat, reeds in november 2016 zijn ontslag gaf, nam eerste verzoekster dit mandaat op. Al deze vergaderingen worden opgenomen in de onderstaande tabel. Zij worden vergoed aan dezelfde zitpenning van 51,34 euro per uur. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat eerste verzoekster deze vergaderingen kon bijwonen, zodat zij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. Dit betekent een nadeel van 1411 euro (Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn) + 821 euro (Brussels Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn) + 1541 euro (diverse andere vergaderingen)”. Het verzoekschrift bevat voorts een tabel waarin alles wordt nagerekend en gedetailleerd, wat (aanvankelijk) leidt tot een algemeen totaal van 16.110 euro, dat, in de laatste memorie opnieuw wordt berekend en herleid naar 15.828 euro, te verhogen met de interesten zoals hiervoor weergegeven sub 8 (I.). Voor tweede verzoeker: “Door de vernietigde beslissing heeft tweede verzoeker de volgende financiële nadelen geleden: 1. De secretaris van de NGROD heeft recht op een forfaitaire vergoeding van 513 euro per maand. Tweede verzoeker heeft die moeten ontberen in de periode dat hij op non actief was gezet. Dit vertegenwoordigt een financieel nadeel van 513 euro 4 x 8 maanden= 4.104 euro. 2. Het bijwonen van de vergaderingen van het bureau, de commissie contracten (COCO) en de raadsvergadering geeft recht op een vergoeding van 51,34 euro per uur overeenkomstig het draaiboek zitpenningen/onkosten. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat tweede verzoeker deze vergaderingen bijwoonde, zodat hij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. In de samenvattende tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van de gehouden vergaderingen en de zitpenningen waarop deze vergaderingen recht gaven. Voor de vergaderingen van de NGROD komt dit neer op een nadeel van 1.283 euro. Voor de vergaderingen van het bureau komt dit neer op een nadeel van 1.461 euro. Voor de vergaderingen van de COCO komt dit neer op een nadeel van 770 euro. 3. De secretaris behandelt gemiddeld ook een drietal tuchtdossiers per maand. Daarvoor wordt een forfaitaire vergoeding toegekend van 51,34 euro per dossier. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat tweede verzoeker deze dossiers kon behandelen, zodat hij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. Berekend aan gemiddeld drie dossiers per maand x 51,34 euro (= afgerond 154 euro) en dit gedurende acht maanden = 1.232 euro. XIV-38.055-7/57 4. De secretaris neemt ook maandelijks deel aan een aantal intra-muros en een aantal extra-muros vergaderingen op het ministerie van landbouw, volksgezondheid, dierenwelzijn. Al deze vergaderingen worden opgenomen in de onderstaande tabel. Zij worden vergoed aan dezelfde zitpenning van 51,34 euro per uur. Tijdens de periode mei tot en met december 2017 heeft de vernietigde beslissing belet dat tweede verzoeker deze vergaderingen kon bijwonen, zodat hij de overeenkomstige inkomsten moest ontberen. Dit betekent een nadeel van 2.054 euro.” Het verzoekschrift bevat ook te dezen een tabel waarin alles wordt nagerekend en gedetailleerd, wat (aanvankelijk) leidt tot een algemeen totaal van 10.904 euro, dat in de laatste memorie opnieuw wordt berekend en herleid naar 10.519,07 euro (“ondergeschikt” 9.800,47 euro), te verhogen met de interesten zoals hiervoor weergegeven sub 8 (II.). 9.2. In de tweede plaats voeren de verzoekers aan, elk wat hen betreft, een moreel nadeel te hebben geleden. Het moreel nadeel dat ze aanvoeren, bestaat uit de aantasting van hun goede naam en reputatieschade, wat zij in het verzoekschrift zoals hierna aangehaald, toelichten. Zij adstrueren hun moreel nadeel op identieke wijze, ook wat de omvang van het gevorderde bedrag betreft: “[Eerste verzoekster/Tweede verzoeker] heeft ingevolge de vernietigde beslissing veel geloofwaardigheid verloren en heeft een grote imagoschade geleden. [Zij/Hij] werd immers ontzet uit [haar/zijn] functie op grond van ernstige betichtingen, zoals o.m. dat [zij/hij] een aanslag zou willen plegen op de Orde der Dierenartsen en de Hoge Raad. De begeleidende maatregelen – naast het op non-actief zetten – laten uitschijnen dat [eerste verzoekster/tweede verzoeker] de zwaarst mogelijke feiten heeft gepleegd: [zij/hij] mocht geen contact houden met andere leden, [zij/hij] mocht geen contact hebben met het personeel, [zij/hij] had zelfs geen toegang tot documenten. Deze zware smet op het blazoen en de grote aantasting van de goede naam is een ernstig nadeel waarvoor schadevergoeding tot herstel wordt gevraagd. Dit geldt in casu des te meer gelet op de ruime publiciteit die aan de vernietigde beslissing werd gegeven. Op 11 mei 2017 werd de bestreden beslissing bekend gemaakt op de Nederlandstalige website van de Orde der Dierenartsen via een communiqué van de Hoge Raad […]. Hoewel er sprake is van de voorzitter en de secretaris van de NGROD en verzoekers dus niet bij naam werden genoemd, is via dezelfde website meteen na te gaan wie deze functies bekleden […]. Daarenboven zijn verzoekers ook zeer bekend bij de dierenartsen, daar zij sinds 4 oktober 2013 verkozen zijn als NGROD-lid en sinds 4 oktober 2016 als voorzitter, respectievelijk secretaris van de NGROD. Alle dierenartsen en bij uitbreiding alle internetgebruikers werden dus van de bestreden beslissing in kennis gesteld. Na enige tijd werd dit communiqué opnieuw verwijderd van de website, maar de schade aan de goede naam en reputatie was intussen aangericht. XIV-38.055-8/57 Dat de bestreden beslissing ruim werd verspreid onder de dierenartsen blijkt ook uit de weergave op de pagina van de Facebookgroep SAVAB-Flanders met 822 leden. Hierop wordt op 3 mei 2017, dag van de bestreden beslissing, over dr. [G. B.], eveneens lid van de NGROD, gezegd: ‘En, ...als ik goed ben ingelicht zal hij eind deze week, begin volgende week dankzij het machtsmisbruik van de voorzitter van de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen, magistraat [B.P.] en de zijnen, opnieuw voorzitter worden van de N.G.R.O.D. En dit omdat op dit eigenste ogenblik een totaal ten onrechte afzettingsprocedure tegen de wettelijk en democratisch verkozen voorzitter Dr. [eerste verzoekster] aan de gang is. Idem tegen de secretaris van de N.G.R.O.D. Dr. [tweede verzoeker], hij wordt aan de kant geschoven om te worden vervangen door VDV getrouwe [K. D. B.].’” Het bedrag van 10.000 euro voor het herstel van de morele schade dat eerste verzoekster en tweede verzoeker, elk wat hen betreft, vorderen, dient te worden verhoogd met de interesten zoals weergegeven sub 8 (I.) respectievelijk sub 8 (II.). 9.3. In de derde plaats voeren de verzoekers in hun verzoekschrift ook nadelen aan die door de bestreden beslissing aan hun respectieve gezondheid is veroorzaakt. Zij beschrijven deze gezondheidsnadelen als volgt. Voor eerste verzoekster: Wat eerste verzoekster betreft, wordt in het verzoekschrift uiteengezet dat zij, naast het financieel en moreel nadeel, diverse gezondheidsnadelen heeft ondervonden door de schade toegebracht aan haar mentale gezondheid door de vernietigde beslissing. Er wordt gewag gemaakt van (
  4. i)“medische kosten en kosten van behandeling”, alsook (
  5. ii)“inkomensverlies en kosten voor boekhoudkundige bijstand ingevolge de noodgedwongen stopzetting van haar activiteiten als zelfstandig dierenarts”. Zij geven daarbij de volgende toelichting: “De vernietigde beslissing heeft een zeer ernstige impact gehad op de gezondheidstoestand van eerste verzoekster. Onmiddellijk na 3.5.2017 heeft eerste verzoekster zich volledig trachten te concentreren op haar zelfstandige praktijk als dierenarts. Eind mei 2017 werd eerste verzoekster door de huisarts reeds doorverwezen naar psychotherapeut [V.W.]. Deze bevestigt dat de klachten ‘kunnen gelinkt worden aan de uitputtende juridische procedure’. XIV-38.055-9/57 Ondertussen bleef eerste verzoekster (zoals gebruikelijk bij zelfstandigen) actief, doch dit verliep steeds moeizamer. Gezien de ernst van de klacht werd eerste verzoekster doorverwezen naar dr. [M.] en dr. [B.] […]. Door dr. [B.] werd eerste verzoekster doorverwezen naar dr. [V.], psychiater. Daar ging zij voor het eerst op 4 oktober 2017 op raadpleging. Kort nadien attesteert dr. [V.] als uitlokkende factoren ‘langdurige stress en mentale overbelasting door aanslepende conflicten in de werksfeer’ […]. Uiteindelijk is zij ‘gecrasht’: naar aanleiding van een depressie ‘reactioneel op een conflict in de werkcontext’ werd zij op 4 oktober 2017 arbeidsongeschikt voor meer dan 66% […]. Voor de periode van 3.5.2017 tot 3.10.2017 was er dus overduidelijk een geleidelijke toename van het minder functioneren (van 0 % naar 66 %), wat begroot dient te worden op een gemiddelde arbeidsongeschiktheid van 33 %. Volgens het voorgelegde attest van arbeidsongeschiktheid van de mutualiteit is eerste verzoekster sinds 4 oktober 2017 voor meer dan 66 % arbeidsongeschikt en is zij door de geneeskundige Raad voor Invaliditeit als invalide erkend tot (minstens) 31 augustus 2019 […]. Over de ernstige ziektetoestand van eerste verzoekster kan dan ook geen twijfel bestaan. Eerste verzoekster is momenteel nog steeds arbeidsongeschikt. De prognose van de behandelende psychiater luidt: ‘Patiënte is momenteel arbeidsongeschikt wegens de noodzakelijkheid van ziekterust ter recuperatie; het vooruitzicht op middellange termijn is werkhervatting met al dan niet verandering van beroepsbezigheden; op dit ogenblik blijven ziekteverloop en herstel gecompromitteerd door stress-factoren.’ Het is voor de behandelende psychiater thans onmogelijk te voorspellen tot wanneer de arbeidsongeschiktheid van eerste verzoekster zal duren. Om die reden wordt gevraagd om naast de toekenning van de gevraagde schadevergoeding tot herstel, de vergoeding van de toekomstige arbeidsongeschiktheid aan te houden tot deze is beëindigd, dan wel is geconsolideerd […].” De schadevergoeding die eerste verzoekster vordert tot herstel van de diverse gezondheidsnadelen, worden in het verzoekschrift nader gedetailleerd waarbij zij toepassing maakt van de “Indicatieve Tabel 2016” voor slachtoffers van onrechtmatige daad. De betrokken schadeposten geleden door het opgelopen gezondheidsnadeel worden benoemd als volgt: (
  6. i)medische kosten, (
  7. ii)tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid, (iii) tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid en, tot slot, (
  8. iv)tijdelijke economische ongeschiktheid waarbij nog een opdeling wordt gemaakt tussen, eensdeels, “de schade die moet worden gerelateerd aan de arbeidsongeschiktheid om mandaten binnen de Orde van dierenartsen uit te oefenen” en, anderdeels, deze die verband houdt met “de arbeidsongeschiktheid om het beroep als zelfstandig dierenarts uit te oefenen”. XIV-38.055-10/57 Voor de gezondheidsnadelen wordt voor eerste verzoekster in het verzoekschrift een totale schadevergoeding gevorderd van (provisioneel) 89.956,04 euro, die, samengevat, als volgt wordt gedetailleerd: “Medische kosten Ingevolge de ziekte en arbeidsongeschiktheid onderging eerste verzoekster een reeks therapieën en behandelingen, zodat zij een schadevergoeding tot herstel vraagt voor de kosten hiervan […]: - 8 sessies bij de psycholoog […]: 600,16 euro - raadpleging en mindfullnes dr. […]: 368,46 euro - coaching […]: 225,00 euro - stressreductie dr. […]: 300,00 euro - maandelijkse sessie bij psychiater dr. […]: 583,01 euro VOORLOPIG TOTAAL MEDISCHE KOSTEN: provisioneel 2.076,63 euro Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 3 mei 2017 tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten. Tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid Vergoeding aan 28 EUR per dag 100 % TAO : 33% van 3.5.2017 tot 3.10.2017 : 154 dagen x 9,24 EUR/dag :1.422,96 EUR 66% van 4.10.2017 tot 31.8.2019 : 697 dagen x 18,48 EUR/dag : 12.880,56 EUR voorlopig totaal t.e.m. 31.8.2019 : provisioneel 14.303,52 EUR Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten. Tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid Vergoeding aan 41 EUR per dag x 65 % huishoudbijdrage = 26,65 EUR per dag 100% TAO voor een gehuwde vrouw met gezin van 3 zonen […]: 33% van 3.5.2017 tot 3.10.2017: 154 dagen x 8,79 EUR/dag = 1.353,66 EUR 66% van 4.10.2017 tot voorlopig 31.8.2019: 697 dagen x 17,59 EUR/dag = 12.260,23 EUR Voorlopig totaal t.e.m. 31.8.2019: provisioneel 13.613,89 EUR„ Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten. Tijdelijke economische ongeschiktheid A. Bij uitoefening mandaten binnen de Orde der Dierenartsen. Na het voormelde schorsingsarrest van de Raad van State heeft eerste verzoekster zo goed en zo kwaad als het kon – gelet op haar gezondheidstoestand – (na de kerstvakantie) vanaf begin januari 2018 haar taken als voorzitter van de NGROD terug opgenomen. XIV-38.055-11/57 Binnen haar mogelijkheden heeft zij hierbij voorrang gegeven aan het intern werk binnen de Orde. Voor diverse vergaderingen sinds januari 2018 (zowel intern als extern) heeft zij zich echter moeten verontschuldigen ingevolge de geschetste gezondheidstoestand, met aldus opnieuw gemiste zitpenningen tot gevolg. Als provisionele raming voor de schadevergoeding tot herstel op basis van de externe vergaderingen (Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn, Brussels Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn en Platform Ordes en Instituten) die zij niet heeft kunnen bijwonen: - gemiddeld 1 vergadering per 2 maanden per organisatie; - gemiddelde duur van 3 uur per vergadering; - gedurende periode van 01-01-2018 tot 30-04-2019 (ontslag wegens gezondheidstoestand) = 16 maanden. 3 (vergaderingen) x 8 (één per twee maanden) x 3 uur = 72 uur aan 51,34 euro per uur = 3.696,48 euro. Gezien nog andere gemiste interne vergaderingen, wordt voor deze post het bedrag gevorderd van: provisioneel 3.696,48 EUR Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten. B. Bij beroepsuitoefening als zelfstandig dierenarts Hierboven werd uiteengezet dat de onwettigheid aanleiding gaf tot de volledige arbeidsongeschiktheid van eerste verzoekster en dat die arbeidsongeschiktheid in een causaal verband staat tot de vastgestelde onwettigheid. De gederfde inkomsten werden berekend door de heer […], erkend boekhouder-fiscalist, en gestaafd door stukken uit de boekhouding over de jaren 2015 tot 2018 […]. Indien de inkomsten van 2015 als basis worden genomen, dit is het jaar voor de geschillen binnen de Orde der dierenartsen begonnen, moeten volgende gederfde inkomsten worden vastgesteld: 2017: 8/12 (d.i. vanaf mei 2017) van 12.607,46 euro (jaarverlies) = 8404,97 euro 2018: 28.452,49 euro 2019: raming tot 31.08.2019 (cijfers 2018 aan 8/12) = 18.968,33 euro VOORLOPIG TOTAAL t.e.m. 31.08.2019: provisioneel 55.825,79 euro Het berekenen van de gederfde inkomsten door de boekhouder-fiscalist, bracht evenzeer kosten met zich volgens de bijgevoegde factuur […] ten bedrage van: 59,96 + 79,95 + 99,94 + 79, 95 + 119,93 euro = 439,73 euro. Daar de tussenkomst van de boekhouder-fiscalist nodig was om de gederfde inkomsten te kunnen berekenen, staan deze kosten in causaal verband met de begane onwettigheid. Deze schadevergoeding tot herstel moet worden verhoogd met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten.” XIV-38.055-12/57 Tot slot wordt verzocht de vordering, wat eerste verzoekster betreft, aan te houden, zo mogelijk ondertussen te “actualiseren”, voor de periode na 31 augustus 2019: “Het is voor de behandelende psychiater thans onmogelijk te voorspellen tot wanneer de arbeidsongeschiktheid van eerste verzoekster zal duren. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid zal mogelijk doorlopen na 31.8.2019. Vanaf een later vast te stellen consolidatiedatum, kan er zich mogelijk ook een blijvende arbeidsongeschiktheid voordoen. Om die reden wordt gevraagd om voor de periode na 31.8.2019, de vordering aan te houden wat betreft de verdere tijdelijke en/of blijvende arbeidsongeschiktheid en daarmee verband houdende kosten en ongeschiktheden. Zodra nieuwe feitelijke gegevens bekend zijn in de loop van het geding, zal eerste verzoekster haar vordering dienovereenkomstig actualiseren.” Voor tweede verzoeker: Wat tweede verzoeker betreft, wordt in het verzoekschrift uiteengezet dat ook hij, naast het financieel en moreel nadeel, zowel een materieel als een moreel nadeel heeft ondervonden door de schade die de vernietigde beslissing aan zijn mentale gezondheid heeft toegebracht. Voor de gezondheidsnadelen wordt in het verzoekschrift voor tweede verzoeker een totale schadevergoeding gevorderd van 7.108,00 euro, die, samengevat, als volgt wordt gedetailleerd: “De vernietigde beslissing heeft een ernstige impact gehad op de gezondheid van tweede verzoeker. Zij heeft geleid tot slapeloosheid, stress, familiaal onaangenaam gedrag, enz. (cfr. de attesten van psychiater Dr. [A.G.] dd. 25 april 2018 en 8 mei 2018 […]). Ingevolge deze gezondheidsproblemen heeft tweede verzoeker afstand moeten doen van zijn functie als secretaris. Dit werd meegedeeld aan de zitting van de NGROD op 4 mei 2018 […]. Tweede verzoeker heeft al zijn energie moeten steken in het zich verdedigen tegen valselijke beschuldigingen en hij heeft zijn taak als raadslid-secretaris van de NGROD daardoor niet kunnen uitvoeren zoals hij van plan was. Tweede verzoeker heeft bijgevolg door de impact van de vernietigde beslissing op zijn gezondheid en het ontslag uit zijn functie van secretaris dat hij daardoor heeft moeten geven een materieel nadeel geleden bestaan[de] uit de gemiste forfaitaire vergoeding als secretaris voor de periode van 4 mei 2018 tot en met oktober 2019 (normaal eindpunt van het driejarige mandaat). Voor deze periode kreeg hij een forfaitaire vergoeding als raadslid van vijf uur per maand in de plaats van een forfaitaire vergoeding van tien uur als secretaris. Hij verloor hierdoor dus een forfaitaire vergoeding van vijf uur per maand. Dit materieel nadeel kan als volgt worden begroot: 18 maanden x 256 euro = 4.608 euro. XIV-38.055-13/57 Tegelijk heeft tweede verzoeker hierdoor een moreel nadeel geleden ingevolge het imago- en statusverlies als secretaris van de NGROD. Dit moreel nadeel wordt forfaitair begroot op 2.500 euro.” Het bedrag van 7.108,00 euro moet worden verhoogd met de interesten zoals hoger weergegeven sub 8 (II.). 10. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekers, wat het financieel nadeel betreft, dat, anders dan de verwerende partij dat ziet, zij niet hebben kunnen deelnemen aan de vergaderingen en geen tuchtdossiers hebben kunnen behandelen omdat de vernietigde beslissing hen dat verbood. Zonder die beslissing hadden zij hun ambt wel normaal kunnen uitoefenen. Er zijn geen andere oorzaken denkbaar waarom zij niet aan deze vergaderingen hebben deelgenomen. De enige oorzaak is het door de vernietigde beslissing opgelegde verbod. Specifiek wat eerste verzoekster betreft, betwisten zij “met klem” dat zij reeds vanaf het begin van haar mandaat een aantal vergaderingen miste wegens haar slechte gezondheidstoestand. Zoals uiteengezet in het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel was eerste verzoekster pas arbeidsongeschikt vanaf 5 oktober 2017 en dit voor 66%. De onmiddellijke aanleiding hiertoe was de ondervraging gedurende meerdere uren op 4 oktober 2017 in het raam van het onwettig door de hoge raad opgedragen tuchtonderzoek. Wat het moreel nadeel betreft betwisten de verzoekers dat zij er zelf voor hebben gezorgd dat de vernietigde beslissing ruime publiciteit kreeg. Zij brengen stukken bij waaruit blijkt dat leden van de hoge raad binnen de Orde zelf publiciteit gaven aan de vernietigde beslissing en nu ook binnen de Orde kritiek verspreiden op het vernietigingsarrest van de Raad van State. Het betrokken lid geniet een hoog aanzien bij de dierenartsen en is verbonden aan een faculteit diergeneeskunde. Zij betogen nog dat de voormelde communicaties er niet de minste twijfel over laten bestaan – “totaal foutief” – dat de verzoekers grote fouten hebben begaan en de procedures voor de Raad van State enkel om procedurele redenen hebben gewonnen. De bijdrage op de website van de Vlaamse Dierenartsenvereniging getuigt overigens van “een groot ‘geen rook zonder vuur’-gehalte”. Er is dus wel degelijk sprake van een zware aantasting van de XIV-38.055-14/57 goede naam en de reputatie van verzoekers. Uiteraard is het moeilijk een dergelijke morele schade te begroten. Gezien de zware aantijgingen en maatregelen die bij de vernietigde beslissing jegens hen werd genomen (hun functies als voorzitter, respectievelijk secretaris van de NGROD, zijn de leidinggevende en meest prestigieuze functies voor een Nederlandstalige dierenarts binnen de Orde der dierenartsen) en de grote weerklank die de (inmiddels vernietigde) beslissing had bij alle Nederlandstalige dierenartsen, komt de forfaitaire begroting van de morele schadevergoeding op 10.000 euro per verzoeker als zeer gepast voor. De verzoekers voeren nog aan dat men – gegeven de zware beschadigingsoperatie waarbij men, zelfs na het vernietigingsarrest van de Raad van State, blijft volharden in het eigen gelijk –, bezwaarlijk kan aannemen dat de morele schade in casu voldoende is vergoed door de morele genoegdoening die voortvloeit uit het vernietigingsarrest. Wat de geleden gezondheidsschade betreft, stellen zij dat, anders dan de verwerende partij beweert, het causaal verband tussen de vernietigde beslissing en de gezondheidsschade duidelijk uit de diverse neergelegde stukken blijkt, in het bijzonder de diverse medische attesten. Deze stukken kunnen niet worden genegeerd, zonder aan te geven waarom zij geen bewijs vormen van het causaal verband. Voorts is deze schade in het verzoekschrift duidelijk begroot overeenkomstig de “Indicatieve Tabel 2016”, die alom wordt gebruikt door de hoven en rechtbanken ter begroting van schade aan personen (onder meer aan hun gezondheid) als slachtoffer van een onrechtmatige daad en die online te raadplegen is. Zij betwisten nogmaals “met klem” dat eerste verzoekster reeds vóór de vernietigde beslissing kampte met gezondheidsproblemen. De verwerende partij levert van deze loutere bewering niet het minste bewijs. Eerste verzoekster liet zich soms bijstaan door de vicevoorzitter, doch was niet afwezig in de periode vóór de vernietigde beslissing. Vervolgens stellen de verzoekers dat zij, wat eerste verzoekster betreft, hun vordering “uitbreiden”. Zij wijzen erop dat de arbeidsongeschiktheid van eerste verzoekster op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift nog niet was beëindigd, noch geconsolideerd. De medische kosten wegens de maandelijkse behandelingen bij haar psychiater dienen XIV-38.055-15/57 geactualiseerd, met name met nog zes behandelingen, waarvoor zij telkens een opleg moest betalen van 27,96 euro, wat het totaal aan bijkomende medische kosten op 167,76 euro brengt en het voorlopige totaal aan medische kosten op 2.244,39 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet van 2 % vanaf 3 mei 2017 tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2 % op het bedrag van de toegekende schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten. Tot slot kondigen zij aan dat “[d]e bijkomende schade wegens de tijdelijke persoonlijke, huishoudelijke en economische ongeschiktheid vanaf 1 september 2019 zal worden geactualiseerd in de laatste memorie.” Wat de geleden gezondheidsschade betreft die de vernietigde beslissing aan tweede verzoeker heeft toegebracht, herhalen zij weerom dat, anders dan de verwerende partij beweert, het causaal verband tussen de vernietigde beslissing en de gezondheidsschade duidelijk uit de diverse neergelegde stukken blijkt, in het bijzonder de diverse medische attesten. Deze stukken kunnen niet worden genegeerd, zonder aan te geven waarom zij geen bewijs vormen van het causaal verband. Wat het verzoek van de verwerende partij tot aanstelling van een arts-deskundige betreft om de oorzaken van de gezondheidsproblemen te achterhalen en de schade te begroten, stellen zij dat daartoe geen enkele noodzaak is aangezien de oorzaken van de gezondheidsproblemen duidelijk uit de neergelegde medische attesten blijken, evenals de omvang van de schade. De vraag van de verwerende partij om een “volledig” medisch onderzoek is ongegrond en onnodig en zou een ongeoorloofde inbreuk zijn op de persoonlijke levenssfeer. Ook aan de aanstelling van een financieel deskundige is geen nood, gezien de verzoekers helemaal geen vergoeding vorderen voor een impact van de vernietigde beslissing op hun verdienvermogen en/of de waarde van hun onderneming. 11. In hun laatste memorie volharden de verzoekers en begroten weerom, deze “actualiserend”, de schade waarvoor zij herstel vorderen. XIV-38.055-16/57 Wat eerste verzoekster betreft, gaan zij inzake het financieel nadeel nog concreet in op enige vergaderingen waarvan de vergoeding wordt betwist, evenals het aantal tuchtdossiers dat beweerdelijk werd misgelopen. Op dit punt wordt de vordering gehandhaafd en het gevorderde bedrag licht aangepast tot 15.828 euro. Zij beklemtonen nog dat het de facto volkomen uitgesloten was om te kunnen deelnemen aan de vergadering van 22 december 2017. Tot de betekening van het arrest konden de verzoekers hun mandaat niet uitoefenen, maar de vernietigde maatregel hield nog veel meer in: zij hadden geen toegang tot de WIKI (het intranet waardoor men alle documenten kan raadplegen), zij werden niet uitgenodigd tot raadsvergaderingen noch op de hoogte gebracht wanneer die plaatsvonden, laat staan dat zij in hun respectieve hoedanigheid van voorzitter en secretaris die vergadering hadden kunnen voorbereiden en bijwonen. Daarbij komt dat de verwerende partij geen haast had bij het uitvoeren van het schorsingsarrest van de Raad van State. Dit noopte de verzoekers tot een aangetekende brief van 11 januari 2018 bij monde van hun raadslieden. Op dit punt wordt de vordering wat tweede verzoeker betreft, eveneens gehandhaafd doch qua bedrag aangepast tot 10.519,07 euro (dit is minus 384,93 (vergadering commissie contracten) en, “louter ondergeschikt”, tot 9.800,47 euro (dit is minus 718,60 (overeenkomstig de post “tuchtdossiers”)). Wat het moreel nadeel betreft, benadrukken de verzoekers dat het bedrag moet worden gehandhaafd op 10.000 euro elk, omwille van het aanzienlijk moreel leed dat zij moesten ondergaan in de periode van 3 mei tot 14 december 2017. De verzoekers achten een morele schadevergoeding van 10.000 euro niet buitensporig “wetende dat de globale kosten van de initiële arresten van de Raad van State die verzoekers in het gelijk gesteld hebben, ongeveer 200.000 euro bedragen (waarvan de helft ten laste van beide verzoekers zou zijn geweest)”. De verzoekers handhaven ook op dit punt hun vordering. “Louter ondergeschikt”, indien deze hoofdvordering wordt afgewezen, hebben zij minstens recht op een morele schadevergoeding tot herstel ten bedrage 2.500 euro elk. XIV-38.055-17/57 Wat tot slot de vergoeding tot herstel van de gezondheidsnadelen betreft, handhaaft eerste verzoekster haar vordering. Zij benadrukt dat zij deze gezondheidsnadelen nog steeds ondergaat en “actualiseert” deze om ze – behoudens een definitieve begroting wat de tijdelijke economische ongeschiktheid om het mandaat bij de Orde uit te oefenen betreft – “provisioneel” te begroten. Dit leidt uiteindelijk alles samengenomen in totaal, wat eerste verzoekster betreft, tot de vordering zoals deze hoger sub 8 (I.) is aangehaald. Ook tweede verzoeker herhaalt zijn schadeclaim, inclusief deze wat de nadelen toegebracht aan zijn gezondheid betreft, zowel wat het materieel nadeel betreft dat hij begroot op 4.608 euro als wat het moreel nadeel (het imago- en statusverlies als secretaris van de NGROD) betreft, dat hij forfaitair begroot op 2.500 euro. Een begroting ex aequo et bono op dit punt ten belope van 1 euro is onredelijk laag. Dit leidt uiteindelijk alles samengenomen in totaal, wat tweede verzoeker betreft, tot de vordering zoals deze supra sub 8 (II.) is aangehaald. 12. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij, wat het financieel nadeel betreft, dat niemand kan worden vergoed voor prestaties die hij niet heeft verricht. Eerste verzoekster was de facto niet aanwezig op de ingeroepen vergaderingen en heeft geen enkel uur gespendeerd aan de behandeling van tuchtdossiers. Er is geen duidelijk causaal verband tussen de vernietigde beslissing en het niet kunnen deelnemen aan de vergaderingen of het niet kunnen behandelen van tuchtdossiers. Volgens de verwerende partij zijn er andere oorzaken denkbaar waardoor eerste verzoekster alle of bepaalde vergaderingen niet kon bijwonen of tuchtdossiers niet kon behandelen, losstaand van de vernietigde beslissing. Zo heeft de verwerende partij bijvoorbeeld vastgesteld dat eerste verzoekster reeds vanaf het begin van haar mandaat (en dus nog vóór de vernietigde beslissing) een aantal vergaderingen heeft gemist omwille van haar slechte gezondheidstoestand. Bovendien hebben de verzoekers te allen tijde voorgehouden op te komen voor de belangen van de Orde der dierenartsen. Dat standpunt wordt volgens de verwerende partij “volledig ontkracht door exorbitante vergoedingen te vorderen”, een kost die de Orde, zijn raden en dus zijn leden, zullen moeten dragen. XIV-38.055-18/57 Wat het moreel nadeel betreft wijst de verwerende partij erop dat de verzoekers er zelf voor hebben gezorgd dat de vernietigde beslissing ruime publiciteit heeft gekregen op verscheidene sociale fora. Daarnaast laten de verzoekers na de gevorderde morele schade aan te tonen. Zo bewijzen zij niet dat derden effectief de indruk kregen dat zij een grote misstap hadden begaan. Zij maken niet aannemelijk waaruit deze morele schade bestaat. Er ontbreekt eveneens een gedetailleerd overzicht over de begroting van deze schade. Volgens de verwerende partij is de morele schade hoe dan ook hersteld door het vernietigingsarrest. Wat tot slot de diverse nadelen betreft die zijn voortgevloeid uit de schade die de vernietigde beslissing heeft toegebracht aan de mentale gezondheid van eerste verzoekster, betoogt de verwerende partij dat het causaal verband tussen de vernietigde beslissing en de gezondheidsschade niet afdoende wordt bewezen. De gezondheidstoestand van de verzoekers kan immers verschillende oorzaken kennen. Er wordt niet onderzocht welke deze oorzaken kunnen zijn. Vervolgens wordt de gezondheidsschade begroot, maar het is niet duidelijk waarop de verzoekers zich steunen: er wordt geen gedetailleerd overzicht gegeven van deze begroting. Wat eerste verzoekster betreft, stelt de verwerende partij vast dat zij reeds vóór de vernietigde beslissing kampte met de kwestieuze gezondheidsproblemen, zij liet zich reeds vanaf het begin van haar voorzitterschap (en dus vóór het bestaan van de vernietigde beslissing van 3 mei 2017) voor verschillende vergaderingen vervangen ten gevolge van haar slechte gezondheidstoestand. “Ondergeschikt”, vraagt de verwerende partij om een deskundige aan te stellen om de medische toestand van zowel eerste verzoekster als tweede verzoeker te onderzoeken, alsook de gebeurlijk daaruit voortvloeiende schadeposten te omschrijven en te berekenen. De verwerende partij voert aan dat “omwille van voormeld gebrek aan aanvaardbaar bewijs met betrekking tot de oorzaak van de vermeende gezondheidsproblemen” van verzoekers, zij van mening is dat het “wenselijk, wellicht zelfs noodzakelijk, is om een geneesheer-deskundige aan te stellen, teneinde de werkelijke oorzaken van de XIV-38.055-19/57 aangehaalde gezondheidsproblemen op sluitende wijze te achterhalen, alsook de eventueel daaruit voortvloeiende schade op correcte wijze te begroten”. Die deskundigenopdracht dient op ruime wijze te worden verwoord, zodanig dat de geneesheer-deskundige een volledig medisch onderzoek kan doorvoeren teneinde een integraal overzicht te bekomen, inclusief ondere andere de verzekeringshistoriek van eerste verzoekster. Daarnaast is het eveneens noodzakelijk om een financieel deskundige aan te stellen om te onderzoeken op welke manier de vernietigde beslissing een impact heeft gehad op het verdienvermogen van de verzoekers, alsook de waarde van hun onderneming. 13. In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar standpunten. Wat het financieel nadeel betreft, betwist zij het “mislopen van de vergadering van de NGROD van 22 december 2017” waarvoor de verzoekers schadevergoeding vorderen. Zij wijst erop dat de verzoekers er aan hadden kunnen deelnemen aangezien de schorsing van de vernietigde beslissing werd bevolen bij arrest nr. 240.191 van 14 december 2017 en, vervolgens, per e-mailbericht aan de partijen ter kennis gebracht op 18 december 2017 en aan hen betekend op 21 december 2017. Deze schadepost dient in alle geval te worden geweigerd. Ook de gevorderde schadevergoeding wegens het niet hebben kunnen behandelen van tuchtdossiers moet worden afgewezen: het bestaan van deze tuchtdossiers (die de verzoekers zouden hebben kunnen behandelen indien de vernietigde beslissing nooit had bestaan) wordt niet bewezen of aangetoond. Bovendien kan uit de stukken die namens tweede verzoeker worden bijgebracht, worden afgeleid dat de inschattingen die de verzoekers oorspronkelijk maakten, geen houvast bieden. Voor de tweede verzoeker werd immers uitgegaan van een gemiddelde van drie tuchtdossiers per maand, oftewel 24 tuchtdossiers tijdens de uitvoering van de vernietigde beslissing, terwijl achteraf uit de stukken die zij bijbrengen, blijkt dat er slechts tien tuchtdossiers zijn behandeld tijdens de desbetreffende periode. Deze schadepost dient dan ook te worden afgewezen in hoofde van eerste verzoekster. De verwerende partij neemt akte van de stukken die worden bijgebracht ter overzicht van de gemiste vergaderingen bij de Brussels Hoofdstedelijke en de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn. De verwerende partij merkt echter op dat blijkt XIV-38.055-20/57 dat eerste verzoekster ook vóór het bestaan van de vernietigde beslissing vrijwel één op de twee vergaderingen bij de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn miste. Dit toont aan dat de vernietigde beslissing niet kan worden aangezien als enige mogelijke oorzaak voor het missen van deze vergaderingen, minstens moet hiermee rekening worden gehouden bij de begroting van de schade. Wat de door de verzoekers bijgebrachte stukken 40 en 53 betreft, stelt verwerende partij vast dat deze geen schade bewijzen voor het missen van “diverse vergaderingen”. Er wordt enkel een uitgebreid overzicht gegeven van verschillende bijeenkomsten of activiteiten, waarvan niet eens duidelijk wordt aangegeven welke bijeenkomsten effectief van toepassing zijn op eerste verzoekster. De door eerste verzoekster aangebrachte fluo-markeringen zijn in dat verband evident niet afdoende. Deze stukken volstaan niet om tot de vooropgestelde schade te besluiten zodat deze schadepost in elk geval moet worden afgekeurd. Wat het beweerde geleden moreel nadeel betreft dat de verzoekers, elk wat hen betreft, begroten op 10.000 euro, betwist de verwerende partij dat de tussengekomen vernietiging van de bestreden beslissing de volledig geleden morele schade niet zou hebben vergoed. Daarenboven moet te dezen worden vastgesteld dat de verzoekers nalaten bijzondere omstandigheden aan te tonen waardoor hun vordering voor morele schadevergoeding dient te worden afgewezen wegens ongegrond, minstens dat deze aangevoerde omstandigheden niet van die aard zijn dat zij tot een bijkomende morele schadevergoeding nopen. “Ondergeschikt” merkt zij nog op dat het vorderen van een uitermate hoge morele schadevergoeding geen middel mag zijn om de totaal gevorderde schadevergoeding kunstmatig op te kloppen. Wat tot slot de beweerde geleden gezondheidsnadelen door eerste verzoekster betreft, volhardt de verwerende partij dat het causaal verband tussen de vernietigde beslissing en de aangevoerde morele schade onvoldoende wordt aangetoond. Door haar slechte gezondheidstoestand bleef eerste verzoekster reeds vóór het bestaan van de vernietigde beslissing soms afwezig op vergaderingen. Het past niet de verwerende partij “zomaar”, op basis van XIV-38.055-21/57 eenzijdige stukken aangebracht door de verzoekers, “te laten opdraaien voor al de medische kosten”, terwijl aan de verwerende partij niet eens de mogelijkheid wordt geboden om hierover standpunt in te nemen na een tegenexpertise. Dit probleem is des te prangender nu het in casu gaat om een psychische aandoening die als dusdanig moeilijker vast te stellen/te beoordelen is en het ziektebeeld bovendien in sterke mate afhangt van de concrete informatie die de eerste verzoekster wenst mede te delen aan de geneesheren in kwestie. Op 29 mei 2018 verschenen immers meerdere artikelen in de media over de moordende druk en de belasting die het beroep van dierenarts met zich meebrengt. Ook het gezondheidsnadeel op het vlak van de huishoudelijke ongeschiktheid moet worden bijgesteld naar 20 euro per dag. Bovendien moet rekening worden gehouden met de leeftijd van de drie zonen van eerste verzoekster die allen volwassen en tussen de 20 en 30 jaar oud zijn. Gelet op hun leeftijd lijkt het niet ondenkbaar dat deze zonen eerste verzoekster zouden bijstaan in het huishouden, zeker in de aangehaalde medische toestand waarin zij zich bevindt. Wat de tijdelijke economische ongeschiktheid betreft voor activiteiten met betrekking tot het mandaat van voorzitter vordert eerste verzoekster forfaitair ongeveer 1.000 euro aan “gemiste zitpenningen” voor het missen van interne vergaderingen, maar geeft zelf toe hiervoor geen bewijs te hebben. Die kunstmatige verhoging van de gevorderde schadevergoeding tot 8.000 euro kan dan ook allerminst worden aanvaard. Ten tweede kan, wat de gevorderde 7.007,91 euro betreft, niet anders dan worden vastgesteld dat de stukken van de verzoekers net aantonen dat de eerste verzoekster ook voor het nemen van de vernietigde beslissing, op zeer regelmatige basis afwezig bleef van vergaderingen. Wat de gevorderde inkomstenverliezen gelinkt aan de zelfstandige praktijk van de eerste verzoekster betreft dient vastgesteld dat deze schadepost, en het oorzakelijk verband ervan met de vernietigde beslissing, geenszins wordt aangetoond. Ook de nieuw aangevoerde stukken overtuigen de verwerende partij niet van het tegendeel. Zelfs al zou de Raad van State ervan kunnen worden overtuigd dat de inkomsten van de voormelde dierenartsenpraktijk zouden zijn gedaald, dan nog staat daarmee het oorzakelijk verband met de vernietigde beslissing niet vast. De dierenartsenpraktijk van eerste verzoekster was reeds in 2017 in afbouw en zij en haar echtgenoot waren op zoek naar dierenartsen die hun praktijk, zowel te XIV-38.055-22/57 Brasschaat als te Schoten, wensten over te nemen. Inmiddels is de dierenartsenpraktijk van eerste verzoekster helemaal opgedoekt. Het is onaanvaardbaar dat eerste verzoekster deze vermeende schade provisioneel begroot, alsof zij nog inkomsten zou willen innen van een onderneming die helemaal niet meer bestaat. Indien de dierenartsenpraktijk werkelijk nog in volle activiteit zou zijn geweest, dan nog rijst de vraag of de geleden verliezen niet gewoonweg te wijten zijn aan het economisch risico dat eigen is aan elke economische onderneming. Niet duidelijk is waarom de door eerste verzoekster voorgestelde berekeningswijze van de vermeende schade de juiste zou zijn. Voor de berekening van haar gederfde inkomsten moet niet worden gekeken naar het inkomstenverlies van haar bvba. Het criterium dat telt, zijn de uitgekeerde gelden vanuit de bvba aan haar persoonlijk als fysieke persoon. Gelet op de onduidelijkheid waarmee de vermeende economische schade wordt begroot, dringt een financieel-fiscale gerechtelijke expertise zich op. De gevorderde schadevergoeding voor de medische kosten en de andere economische nadelen moet worden afgewezen als zijnde ongegrond. Minstens moet deze vergoeding worden beperkt. De verwerende partij is tot slot van oordeel dat er geen schadevergoeding kan worden toegekend aan tweede verzoeker voor de diverse economische nadelen die hij zou hebben geleden omwille van de impact die de vernietigde beslissing zou hebben gehad op zijn mentale gezondheidstoestand. Er blijkt nergens uit dat het mentaal welzijn van tweede verzoeker weldegelijk een knauw zou hebben gekregen. Hij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat zijn vrijwillig ontslag als secretaris van de NGROD werkelijk veroorzaakt is door de vernietigde beslissing. Er kunnen immers tal van redenen hebben geleid tot die beslissing. “Ondergeschikt”, indien het causaal verband te dezen toch zou worden aanvaard, dan moet rekening worden gehouden met de door tweede verzoeker geïnde inkomsten tijdens de momenten waarop hij bijgevolg geen werkzaamheden verrichtte als secretaris van de NGROD. Het zou immers gaan om een mandaat dat vijf uur per maand in beslag nam. Het is niet onredelijk aan te nemen dat tweede verzoeker zich tijdens die vrijgekomen tijd met andere winstgevende activiteiten XIV-38.055-23/57 bezighield. De gevorderde schadevergoeding ter hoogte van 4.607,00 dient afgewezen als ongegrond. Evenmin kan de gevorderde morele schadevergoeding voor het ontslag van tweede verzoeker als secretaris van de NGROD worden toegekend. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat tweede verzoeker reputatieschade heeft opgelopen door vrijwillig ontslag te nemen. De verwerende partij meent dat deze schadepost volledig moet worden afgewezen. Beoordeling 14. Opdat de Raad van State de verzoekers een “schadevergoeding tot herstel” toekent ten laste van de steller van de handeling, dienen zij aan te tonen dat zij een nadeel hebben geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van diezelfde procedureregeling dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer de verzoekers, in dit geval de begunstigden van een vernietigingsarrest, aantonen dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door hen geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een “schadevergoeding tot herstel” op grond van artikel 11bis van diezelfde gecoördineerde wetten kan enkel worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de XIV-38.055-24/57 rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt, onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). A. Betreffende de onwettigheid van de akte 15. Bij arrest nr. 243.862 van 1 maart 2019 werd de beslissing van de hoge raad van 3 mei 2017, nadat de tenuitvoerlegging ervan eerder bij ‘s Raads arrest nr. 240.191 van 14 december 2017 werd geschorst, definitief onwettig beoordeeld en vervolgens vernietigd. Tot die vernietiging is de Raad van State gekomen nadat hij het middel, geput uit “machtsoverschrijding” en “schending van de artikelen 9 en 11 van de wet van 19 december 1950 ‘tot instelling van de Orde der Dierenartsen’” in de in het genoemde arrest aangegeven mate gegrond had bevonden. Het onlosmakelijk met het dictum verbonden vernietigingsmotief luidt: “Het komt de Hoge Raad uiteraard niet toe te besluiten het verkozen lid uit zijn mandaat te ontzetten, doch evenmin om de uitoefening van dat mandaat te beletten. XIV-38.055-25/57 Door niet de Gemengde Raad van Beroep te vatten en zelf eerst een zogenaamd ‘bijzonder procedurereglement’ uit te vaardigen dat er in wezen toe strekt zichzelf de bevoegdheid toe te bedelen om een ernstige maatregel als de bestreden maatregel te nemen en, vervolgens, dergelijke maatregel op te leggen waarbij de verzoekers worden belet om het mandaat waarin zij verkozen zijn, uit te oefenen, miskent de Hoge Raad op het eerste gezicht de in dit middel ingeroepen bepalingen van de wet van 19 december 1950 en de bevoegdheid van de Gemengde Raad van Beroep. […] De bestreden beslissing strekt er immers niet toe om een dergelijk onderzoek te starten of te voeren, maar wel, zoals de Raad van State voorlopig heeft vastgesteld in het voornoemde tussenarrest, om de verzoekers de uitoefening van het mandaat waarin zij voor een periode van zes jaar zijn verkozen, onmogelijk te maken of, anders gezegd, tot de de facto ontzetting van de verzoekers uit hun mandaten als lid van de NGROD en als leden van het bureau van die raad. Het mag nog zo zijn dat de hoge raad, op grond van artikel 9, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 dat bepaalt dat het de hoge raad is die de gemengde raad van beroep dient te vatten, beschikt over enige onderzoeksbevoegdheid om te onderzoeken of er sprake is van ‘[z]ware inbreuken tegen wetten en reglementen betreffende de Orde van dierenartsen, tegen het procedurereglement, handelingen of uitspraken die de eerbaarheid of integriteit die de Orde moet genieten zouden kunnen aantasten’, dat betekent nog niet dat de hoge raad de bevoegdheid heeft om, zoals de hoge raad te dezen heeft gedaan, hiertoe een ‘buitengewoon procedurereglement’ op te stellen om, vervolgens, mede op basis van dat ‘buitengewoon procedurereglement’ de bestreden ernstige maatregelen te nemen ten aanzien van leden van de organen van de Orde. […] Waar de verwerende partij, tot slot, ook in haar laatste memorie nog herhaalt dat de bestreden beslissing een loutere ordemaatregel uitmaakt waarbij de verzoekers ‘tijdelijk op non-actief [zijn] gesteld’, kan in navolging van de beoordeling in het genoemde tussenarrest worden herhaald dat de bestreden maatregelen, gelet op hun aard en draagwijdte, geen louter administratieve maatregelen of maatregelen van inwendige orde zijn die kunnen worden ingepast in de bevoegdheden die de hoge raad bij artikel 11 van de wet van 19 december 1950 zijn toegewezen. Integendeel blijkt de bestreden beslissing wel degelijk een maatregel te zijn met het ondubbelzinnig oogmerk om de verzoekers de uitoefening van het mandaat waarin zij zijn verkozen, onmogelijk te maken en hen aldus de facto uit dat mandaat te ontzetten, maatregel waarvan het opleggen door de wetgever uitdrukkelijk werd voorbehouden aan de gemengde raad van beroep.” B. Betreffende het geleden financieel nadeel in hoofde van de verzoekers 16. Wat het financieel nadeel betreft, willen de verzoekers in wezen de inkomsten recupereren die elk van hen in de periode van 3 mei 2017 tot en met 14 december 2017 (zijnde de datum van het tussengekomen schorsingsarrest) heeft misgelopen door de onwettige belemmering om het ambt van voorzitter en lid van de NGROD respectievelijk secretaris en lid van de NGROD uit te oefenen. XIV-38.055-26/57 Eerste verzoekster werd op 4 oktober 2016 verkozen tot voorzitter van de NGROD. Op diezelfde dag werd tweede verzoeker verkozen tot secretaris van het bureau van de NGROD. De vernietigde beslissing en het daarin besloten (vernietigde) verbod had tot gevolg dat zij hun respectieve ambt niet hebben kunnen uitoefenen in de periode tussen het nemen van die beslissing op 3 mei 2017 en de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan door de Raad van State bij zijn arrest nr. 240.191 van 14 december 2017. In beginsel kan zowel eerste verzoekster als tweede verzoeker dan ook aanspraak maken op vergoeding van de misgelopen inkomsten verbonden aan het ambt van voorzitter cq. secretaris en lid van de NGROD voor die periode. 17. Het standpunt van de verwerende partij dat prestaties die niet effectief werden verricht, niet moeten worden vergoed, kan te dezen niet worden bijgevallen. De verzoekers repliceren in hun memorie van wederantwoord terecht dat net de onwettige beslissing van 3 mei 2017 hen heeft verhinderd in de betrokken periode effectief prestaties te verrichten voor de NGROD. Om dezelfde reden moet het standpunt van de verwerende partij dat er geen duidelijk causaal verband zou zijn tussen de vernietigde beslissing en het niet kunnen uitoefenen van het ambt waartoe de verzoekers werden verkozen, worden verworpen. Voorts, en anders dan de verwerende partij het ziet, wordt in het vernietigingsarrest niet geoordeeld dat de verzoekers enkel en alleen een functioneel belang zouden hebben gehad bij de nietigverklaring. Er werd daarentegen in het arrest uitdrukkelijk bevestigd dat de verzoekers mogen worden geacht over het rechtens vereiste eigen en persoonlijk belang te beschikken bij het bestrijden van de beslissing die tegen hen werd genomen door de verwerende partij. Aan de verzoekers kan derhalve geenszins belang worden ontzegd om een verzoek tot schadevergoeding tot herstel in te dienen omwille van de persoonlijke nadelen die zij door de nietig verklaarde beslissing hebben geleden. Het standpunt XIV-38.055-27/57 van de verwerende partij dat de verzoekers “te allen tijde [hebben] voorgehouden op te komen voor de belangen van de Orde der Dierenartsen en zijn Raden , wat volgens haar “volledig [wordt] ontkracht door exorbitante vergoedingen te vorderen van [de] verwerende partij”, kan om die reden alleen al niet worden bijgevallen. 18. Conclusie is derhalve dat er een causaal verband is tussen het door de verzoekers aangevoerde financieel nadeel dat zij hebben geleden en de onwettige beslissing. Dat nadeel volgt rechtstreeks uit de vernietigde beslissing en zou zich zonder het verbod dat die beslissing inhield niet op dezelfde wijze hebben voorgedaan. Zowel eerste verzoekster als tweede verzoeker kunnen dan ook in beginsel aanspraak maken op de vergoeding van de door hen misgelopen inkomsten verbonden aan het ambt van voorzitter cq. secretaris en lid van de NGROD voor de betrokken periode waarin zij ten onrechte door de verwerende partij werden belet dat ambt te vervullen. 19. Het gevorderde bedrag moet wel worden beperkt tot de schadeposten waarvan het bestaan is bewezen. Dit is niet het geval zoals hierna wordt uiteengezet, voor de misgelopen forfaitaire vergoedingen voor de behandeling van tuchtdossiers, evenals de misgelopen zitpenningen voor sommige vergaderingen, of nog, de tijdelijke economische ongeschiktheid van eerste verzoekster (zie infra). B.1. Het geleden financieel nadeel in hoofde van eerste verzoekster 20. In het verzoekschrift wordt gesteld dat eerste verzoekster door de (vernietigde) beslissing waardoor zij van 3 mei 2017 tot 14 december 2017 op non-actief werd gezet, een financieel nadeel (berekend volgens het “draaiboek zitpenningen/onkosten” van de verwerende partij) heeft geleden van 16.110 euro als volgt verdeeld: - een forfaitaire vergoeding van 8.208 euro (= 8 maanden x 1.026 euro/maand) XIV-38.055-28/57 - een bedrag van 2.566 euro voor deelname door de voorzitter aan de vergaderingen van de NGROD; - een bedrag van 1.461 euro voor deelname door de voorzitter aan de vergaderingen van het bureau van de NGROD; - een bedrag van 102 euro wegens de onmogelijkheid om tuchtdossiers te behandelen (geschat op twee dossiers voor de vermelde periode x (forfaitair) 51,34 euro); - een bedrag van 3.773 euro wegens misgelopen vergaderingen in de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn (1.411 euro), in de Brussel Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn (821 euro) en “diverse andere vergaderingen” (1.541 euro). In de laatste memorie, aldus replicerend op de kritieken van het auditoraatsverslag, worden aanpassingen doorgevoerd en wordt het bedrag voor deze schadepost begroot op 15.828 euro (in plaats van 16.110 euro). Met de laatste memorie worden stavingstukken bijgebracht “ter adstructie” van de vergaderingen van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn, van de Brussel Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn en “diverse andere vergaderingen”. 21. Het door eerste verzoekster gevorderde bedrag voor het financieel nadeel kan worden toegekend voor een totaal bedrag van 11.619 euro, aldus omvattende de hiervoor vermelde subtotalen van 8.208 euro (forfaitaire vergoeding), 2.566 euro (zitpenningen vergaderingen van de raad) en 1.461 euro (zitpenningen vergaderingen van het bureau) minus 616 euro (vergadering van 22 december 2017). De Raad van State merkt daarbij op dat hij geen reden ziet om die bedragen desgevallend in te korten omdat zij ook een deel forfaitaire onkostenvergoeding zouden omvatten. Niet wordt immers betwist dat deze vergoedingen moeten worden beschouwd als inkomsten en niet als (gedeeltelijk) forfaitaire onkostenvergoedingen. De verwerende partij beperkt er zich integendeel toe te stellen dat “het dan ook onbetwistbaar duidelijk [is] dat iemand niet kan vergoed worden voor prestaties die hij niet verricht heeft; de verzoekende partijen waren immers niet aanwezig bij of hebben geen enkel uur gespendeerd aan het volgen van vergaderingen of aan de behandeling van tuchtdossiers”, waaruit XIV-38.055-29/57 mag worden afgeleid dat het inderdaad om (misgelopen) inkomsten handelt en niet (deels) om onkostenvergoedingen. De hiervoor genoemde vergadering van 22 december 2017 kan niet in rekening worden gebracht. Uit de griffiegegevens blijkt immers dat het schorsingsarrest van 14 december 2017 reeds per e-mail ter kennis werd gebracht van de partijen en hun raadslieden op 18 december 2017. Dat het per post werd betekend op 21 december 2017 of de verwerende partij “geen haast zou hebben gehad om daaraan uitvoering te verlenen”, doet er niet aan af dat de verzoekers wel degelijk konden deelnemen aan die vergaderingen. 22. Evenmin kan het gevorderde bedrag aan misgelopen forfaitaire vergoedingen voor de behandeling van tuchtdossiers worden toegekend. Dat aspect van het verzoek, dat het bestaan van de schade betreft, berust op een loutere bewering in het verzoekschrift dat “[d]e voorzitter […] gemiddeld een drietal tuchtdossiers per jaar [behandelt]” en wordt verder niet in concreto gestaafd met enig stuk over hoeveel tuchtdossiers er in de betrokken periode effectief werden behandeld en die desgevallend normalerwijze aan eerste verzoekster zouden kunnen toegewezen zijn. Eenzelfde beoordeling treft de overige gevorderde bedragen, met name voor misgelopen zitpenningen voor vergaderingen van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn, de Brussels Hoofdstedelijke Raad voor Dierenwelzijn en voor “diverse andere vergaderingen” die evenmin kunnen worden toegekend. Met het verzoekschrift wordt geen enkel stavingstuk bijgebracht dat het plaatsvinden van die vergaderingen attesteert, alsook het feit dat eerste verzoekster daarop afwezig is gebleven omwille van de vernietigde beslissing, zodat te dezen het bestaan van de door een vernietigde beslissing veroorzaakte schade niet vaststaat. In zoverre eerste verzoekster dan voor het eerst met haar laatste memorie bewijsstukken overlegt wat het bestaan van deze schadeposten betreft – dit naar aanleiding van de kritieken ter zake die zij heeft kunnen lezen in het auditoraatsverslag – toont zij niet aan waarom het bestaan van deze schade niet in XIV-38.055-30/57 het verzoekschrift kon worden aangevoerd of, minstens, binnen zestig dagen na de kennisgeving van arrest nr. 243.862 van 1 maart 2019 waarin de onwettigheid is vastgesteld, zoals artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het eist. Zulks geldt te dezen des te meer daar eerste verzoekster, zoals zij zelf aangeeft, na het schorsingsarrest haar taken als voorzitster had kunnen hervatten in januari 2018 en er bijgevolg ook geen contactverbod meer gold. 23. Het gevorderde bedrag moet derhalve worden beperkt tot de schadeposten waarvan het bestaan is bewezen. Het aldus aangepaste bedrag van 11.619 euro tot herstel van het door eerste verzoekster geleden financieel nadeel dient aan haar te worden toegekend en de gevraagde interesten die er op betrekking hebben, dienen te worden toegekend aan de gevraagde rentevoeten en modaliteiten. B.2. Het geleden financieel nadeel in hoofde van tweede verzoeker 24. In het verzoekschrift wordt gesteld dat tweede verzoeker door de (vernietigde) beslissing waardoor hij van 3 mei 2017 tot 14 december 2017 op non-actief werd gezet, een financieel nadeel (berekend volgens het “draaiboek zitpenningen/onkosten” van de verwerende partij) heeft geleden van 10.904 euro als volgt verdeeld: - een forfaitaire vergoeding van 4.104 euro ( = 8 maanden x 513 euro/uur) - een totaalbedrag van 3.514 euro voor deelname aan de vergaderingen van de NGROD (1.283 euro), vergaderingen van het bureau (1.461 euro) en vergaderingen van de “commissie contracten” (770 euro); - een bedrag van 1.232 euro wegens de onmogelijkheid om tuchtdossiers te behandelen (geschat op 24 dossiers voor de vermelde periode x (forfaitair) 51,34 euro); - een bedrag van 2.054 euro wegens misgelopen zitpenningen voor diverse vergaderingen intra en extra muros “op het ministerie van landbouw, volksgezondheid, dierenwelzijn”, berekend aan een bedrag van 51,34/uur. XIV-38.055-31/57 In de laatste memorie, aldus replicerend op de kritieken van het auditoraatsverslag, worden aanpassingen doorgevoerd en wordt het bedrag voor deze schadepost begroot op 10.519,07 (in plaats van 10.904 euro) en, “louter ondergeschikt”) een bedrag van 9.800,47 euro (= 10.519, 07 euro minus 718,60 euro omwille van een aanpassing van de post “tuchtdossiers”). Met de laatste memorie worden stavingstukken bijgebracht “ter adstructie” van de vergaderingen van de “commissie contracten”, stavingstukken waaruit blijkt dat tweede verzoekers vervanger, in de periode dat hij ten onrechte op non-actief werd gezet, tien tuchtdossiers heeft behandeld en een stuk van het secretariaat van de NGROD met een raming voor de “diverse vergaderingen” intra en extra muros. 25. Het voor tweede verzoeker in het verzoekschrift gevorderde bedrag voor het financieel nadeel kan worden toegekend voor een totaal bedrag van 6.540 euro, aldus aangepast rekening houdend met wat volgt. Zoals voor eerste verzoekster en om dezelfde sub 21 aangehaalde redenen, kan ook voor tweede verzoeker de vergadering van 22 december 2017 niet in rekening worden gebracht, wat in zijn hoofde moet leiden tot een correctie van minus 308 euro. Evenmin kan het gevorderde bedrag van 770 euro aan misgelopen zitpenningen voor de “commissie contracten” worden toegekend omdat, ook wat tweede verzoeker betreft, het effectief plaatsvinden van die vergaderingen aan de hand van geen enkel met het verzoekschrift bijgebracht stuk wordt gestaafd. Eenzelfde beoordeling geldt voor de misgelopen forfaitaire vergoeding voor de behandeling van tuchtdossiers en dat om dezelfde reden als weergegeven sub 22. Eenzelfde lot is tot slot het gevorderde bedrag van 2.054 euro voor misgelopen zitpenningen voor diverse vergaderingen intra en extra muros beschoren. XIV-38.055-32/57 26. Het gevorderde bedrag moet derhalve worden beperkt tot de schadeposten waarvan het bestaan is bewezen. Het aldus aangepaste bedrag van 6.540 euro (= 10.904 – [308 + 770 + 1.232 + 2.054]) tot herstel van het door tweede verzoeker geleden financieel nadeel dient aan hem te worden toegekend en de gevorderde interesten die er op betrekking hebben, dienen te worden toegekend aan de gevraagde rentevoeten en modaliteiten. C. Betreffende het geleden moreel nadeel in hoofde van de verzoekers 27. De verzoekers vragen elk een morele schadevergoeding. Zij wijzen op een aantal “bijzondere omstandigheden” die meebrengen dat het vernietigingsarrest nr. 243.862 van 1 maart 2019 geen volledige morele genoegdoening zou hebben verschaft. Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekers toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete, precieze en verifieerbare gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. 28. Met de “bijzondere omstandigheden” waarvan de verzoekers in hun uiteenzettingen gewag maken, tonen zij niet aan waarom het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die eraan ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden. Weliswaar hield de vernietigde beslissing een ernstige maatregel in die, luidens die beslissing, jegens de verzoekers werd genomen “om de Orde te beschermen tegen de gedragingen van bepaalde raadslieden die [werden aangezien] als een zware inbreuk op de integriteit van de Orde” waarbij het de verzoekers onmogelijk werd gemaakt het mandaat waarin zij werden verkozen – XIV-38.055-33/57 omwille van een ontzetting de facto uit dat mandaat –, uit te oefenen, doch in zijn vernietigingsarrest heeft de Raad van State klaar en duidelijk vastgesteld dat die beslissing uitging van een daartoe binnen de Orde van dierenartsen onbevoegd orgaan waarmee de onwettigheid, min noch meer, van die beslissing werd vastgesteld. Door het vernietigingsarrest met inbegrip van het daarin besloten determinerend motief, dat een absoluut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling – nadat die eerder overigens om dezelfde reden in zijn tenuitvoerlegging werd geschorst – ab initio en definitief uit de rechtsordening werd genomen, staat het derhalve voor eenieder vast dat de griefhoudende beslissing aangetast was door machtsoverschrijding en, derhalve, onwettig. De door de verzoekers aangevoerde “zware smet op het blazoen en de grote aantasting van de goede naam” zoals die door de vernietigde beslissing werd veroorzaakt, is aldus hersteld waaruit de verzoekers volledige genoegdoening kunnen putten wat de door hen aangevoerde morele schade betreft. 29. Dat de vernietigde beslissing bij communiqué, namelijk het dispositief ervan, op de website van de Nederlandstalige Orde der dierenartsen werd bekendgemaakt (en later verwijderd) doet niet anders besluiten. Zoals de verzoekers zelf aangeven, werden hun namen in dat communiqué niet vermeld. Al mag met de verzoekers worden aangenomen dat het niettemin doordat het de voorzitter respectievelijk de secretaris van de NGROD betrof, via de website eenvoudig kon worden nagegaan over wie het ging, dan lijkt zulks inherent aan de zichtbaarheid zelf van een verkozen mandaat zoals dat door de verzoekers werd waargenomen in een publiekrechtelijke beroepsorganisatie. Overigens stelt de Raad van State vast dat de verzoekers naar aanleiding van hun vordering tot schorsing wel om tal van voorlopige maatregelen hadden verzocht – zij het dat die gevorderde maatregelen werden verworpen omdat XIV-38.055-34/57 deze in wezen niet verschilden van de natuurlijke gevolgen die uit een schorsingsarrest voortvloeien – doch niet om de verwerende partij te horen bevelen het schorsingsarrest, desnoods bij uittreksel, op dezelfde wijze kenbaar te maken als de geschorste (en later vernietigde) beslissing. 30. Er zijn geen redenen om te besluiten dat het beweerde moreel nadeel niet is hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden beslissing. D. Betreffende diverse geleden (gezondheids)nadelen ingevolge schade aan de mentale gezondheid in hoofde van de verzoekers 31. Zowel eerste verzoekster als tweede verzoeker voeren aan dat de vernietigde beslissing een aanzienlijke impact (een “zeer ernstige” respectievelijk “ernstige” impact) heeft gehad op hun respectieve mentale gezondheid. De emotionele gevolgen van de vernietigde beslissing hebben, zo voeren zij aan, bij eerste verzoekster een zware depressie veroorzaakt en hebben er, bij tweede verzoeker, toe geleid dat hij op 4 mei 2018 “ontslag heeft moeten geven als secretaris van het bureau van de NGROD”. Dit ontslag heeft tweede verzoeker (
  9. i)een financieel nadeel toegebracht dat bestaat uit de gemiste forfaitaire vergoeding als secretaris voor de periode van 4 mei 2018 tot en met oktober 2019, dit is het normale eindpunt van zijn driejarige mandaat, evenals (
  10. ii)een moreel nadeel ingevolge het imago- en statusverlies ingevolge zijn ontslag als secretaris van de NGROD. 32. De beoordeling (zie supra, punten 27 tot 30) dat er geen redenen zijn om te besluiten dat het beweerde moreel nadeel niet zou zijn hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden beslissing, staat er niet aan in de weg te besluiten dat de vernietigde beslissing een impact heeft gehad op het emotioneel welbevinden en de mentale gezondheid van de verzoekers. De onwettig bevonden beslissing bevatte immers een ernstige maatregel, gepaard XIV-38.055-35/57 gaande met een toegangsverbod tot de gebouwen van de Orde, een contactverbod met leden van de organen van de Orde, haar administratief personeel en andere medewerkers en een elektronisch toegangsverbod waardoor de verzoekers werden verhinderd het ambt binnen de NGROD waarin ze door hun collega’s-dierenartsen werden verkozen, verder uit te oefenen. D.1. Het geleden gezondheidsnadeel in hoofde van eerste verzoekster 33. Vooreerst merkt de Raad van State op dat eerste verzoekster blijkbaar niet alle gegevens waarover zij beschikt inzake haar mentale gezondheid aan de Raad van State heeft voorgelegd, ook niet als vertrouwelijk stuk. Aldus heeft verzoekster zelf stukken betreffende de beoordeling van haar toestand buiten de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State gebracht. De Raad van State beperkt zijn beoordeling derhalve tot de door verzoekster overgelegde stukken. Uit de met het verzoekschrift bijgebrachte bewijsstukken, leidt de Raad van State af dat de vernietigde beslissing de onmiddellijke aanleiding was voor een zware depressie bij eerste verzoekster. Zo blijkt uit een kort psychiatrisch verslag van 3 december 2017 van haar behandelende arts-specialist, dr. W.M., dat eerste verzoekster bij hem een eerste maal op consultatie kwam op 4 oktober 2017 omwille van een “[d]epressieve episode, opgetreden binnen een context van langdurige mentale overbelasting en chronische stress, bij een patiënte zonder psychiatrische voorgeschiedenis”, waarvoor een behandeling werd opgestart. In het omvangrijk psychiatrisch deskundigenverslag van 20 pagina’s van dr. C.D. van 13 december 2018 waarvan een uittreksel wordt neergelegd dat drie (van 20) pagina’s beslaat kunnen een aantal bevindingen worden gelezen betreffende (
  11. i)de probleemstelling met een conclusie “over de huidige problematiek”, (
  12. ii)een evaluatie van het ziekteverloop, (iii) een kort besluit met (
  13. iv)een prognose. Een eerder daaraan voorafgaand verslag van 21 juli 2018 waarnaar in het verslag van 13 december 2018 wordt verwezen, wordt niet bijgebracht. XIV-38.055-36/57 Uit (iii) het besluit van het deskundigenverslag van 13 december 2018 blijkt dat er sprake is van “een aanpassingsstoornis met depressieve elementen, reactioneel op een conflict in de werkcontext, bij een vrouw zonder premorbide psychopathologie”. In de conclusie “over de huidige problematiek” die aan dat besluit voorafgaat, wordt gesteld “[a]angaande de problematiek dient opgemerkt te worden dat [eerste verzoekster] zich onvoldoende gesteund voelt door haar omgeving waardoor ze kwetsbaar is voor depressieve gevoelens. De BDI is indicatief voor depressie in ernstige mate. De neerslachtige emoties gaan gepaard met stress, weinig coping vermogen, een laag zelfbeeld en een tekort aan positieve ervaringen. De respondent legt een overdreven bezorgdheid aan de dag met betrekking tot haar gezondheid. Zij presenteert dermate veel lichamelijke en cognitieve klachten waarmee zij mogelijks tracht aandacht en/of affectie te bekomen vanuit haar omgeving. Gunstig hierbij is wel dat deze aggravatie niet berust op een bewuste overrapportage, dan wel geuit wordt vanuit een reëel aanwezige psychopathologie.” Wat (
  14. ii)de “evaluatie van het ziekteverloop” betreft, wordt gesteld dat betrokkene “was verwikkeld geraakt in een conflict met haar Orde, waarbij zij uiteindelijk (volgens betrokkene ten onrechte) geschorst werd. Hierop ontwikkelde zij een aanpassingsstoornis met depressieve klachten, waarop zij uiteindelijk werkonbekwaam geschreven werd vanaf 04/10/2017. Ten tijde van vorig onderzoek verwoordde zij vooral cognitieve klachten en een gebrek aan interesse en motivatie om iets te doen, ook in haar huishouden. Ten tijde van vorig onderzoek kwam zij zeer strijdvaardig en zeker niet maieur depressief over. Ten tijde van vorig onderzoek kon er maximaal gesproken worden van een aanpassingsstoornis met depressieve elementen, reactioneel op een conflict in de werkcontext met schorsing door haar Orde […]. Actueel is de toestand van betrokkene op klinisch en anamnestisch vlak er wat op achteruit gegaan […]. Het testonderzoek vertoont een lichte aggravatie. Als we hiervoor corrigeren, komen we inzake ernst uit op een zeer vergelijkbare situatie als bij vorige onderzoek”. Wat tot slot (
  15. iv)de prognose betreft, wordt gerapporteerd dat die moeilijk te maken is, afhankelijk zijnde van externe factoren als “een definitieve uitspraak in haar XIV-38.055-37/57 voordeel” in welk geval wordt verwacht dat “de depressieve gemoedstoestand snel verbeteren [zal]”. Uit het eveneens met het verzoekschrift bijgebrachte attest van arbeidsongeschiktheid van 1 april 2019 van het ziekenfonds waarbij eerste verzoekster is aangesloten, blijkt dat eerste verzoekster “meer dan 66% werkongeschikt is vanaf 4/10/2017 tot 31/08/2019” en dat “belanghebbende is erkend als invalide door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit tot 31/08/2019”. Met haar laatste memorie wordt nog een verklaring van het ziekenfonds inzake arbeidsongeschiktheid bijgebracht waaruit blijkt dat de situatie van eerste verzoekster die “vanaf 4/10/2017 + 66% arbeidsongeschiktheid erkend is en vanaf 4/10/2018 + 66% invalide erkend is door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering”, werd verlengd tot en met 4 september 2022. Er wordt met die laatste memorie tot slot nog een kort verslag bijgebracht van de behandelende arts, dr. W.M., van eerste verzoekster waarin deze naar aanleiding van een raadpleging op 3 november 2021 verklaart dat zij in behandeling is sedert oktober 2017 wegens een depressieve episode, “opgetreden voornamelijk binnen een context van werkgerelateerde mentale overbelasting en stress”. 34. Uit het hiervoor weergegeven overzicht, volgt dat het onduidelijk is in welke mate de (na het tussengekomen vernietigingsarrest) voortdurende mentale ziektetoestand “voornamelijk binnen een context van werkgerelateerde mentale overbelasting en stress” nog steeds in verband kan worden gebracht met de vastgestelde onwettigheid op zich gelet op het tussengekomen vernietigingsarrest van 1 maart 2019, voorafgegaan door de ex nunc werkende schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met ingang van 18 december 2017, zijnde de dag waarop het schorsingsarrest van 14 december 2017 per e-mail ter kennis werd gebracht van de partijen en hun raadslieden en de hoger aangehaalde prognose dat bij “een definitieve uitspraak in XIV-38.055-38/57 haar voordeel” wordt verwacht dat “de depressieve gemoedstoestand snel verbeteren [zal]”. Er kan ook niet aan worden voorbijgegaan dat – naast het zich onvoldoende gesteund voelen door haar omgeving waardoor ze kwetsbaar is voor depressieve gevoelens – een context van “werkgerelateerde mentale overbelasting en stress” een ruime omschrijving is en niet noodzakelijk nog kan worden betrokken op het conflict binnen de NGROD of de onwettig beoordeelde beslissing. Immers, eerste verzoekster die, naast haar verantwoordelijkheden binnen de Orde, ook zelf nog een praktijk uitoefende als zelfstandig dienarts, heeft medio 2018 als voorzitster van de NGROD de moeilijke en stressvolle omstandigheden van de arbeidssituatie van dierenartsen via de pers onder de maatschappelijke aandacht gebracht. Zij maakt daarbij gewag van een hoge graad van depressie, burn-out en zelfdoding onder dierenartsen waarvoor verschillende redenen worden geopperd zoals de te hoge werkdruk, de combinatie met het gezin, steeds mondiger klanten, de pijlsnelle evolutie in de diergeneeskunde en de “moordende onderlinge concurrentie”, de lage tarieven, de vereiste investeringen. 35. Niettemin, met behoud van wat sub 34 is gesteld, leidt de Raad van State uit het deskundigenverslag van 13 december 2018 ook af dat verzoekster geen psychiatrische voorgeschiedenis had en dat haar mentale toestand een reactie is op een “conflict in de werkcontext” waarbij mag worden aangenomen dat daarmee de conflictueuze situatie wordt bedoeld die binnen de Orde was ontstaan en waarbij eerste verzoekster was betrokken geraakt en die finaal tot de (nadien vernietigde) onwettige beslissing heeft geleid. Uit dat psychiatrisch deskundigenverslag moet echter ook worden afgeleid dat nog andere factoren meespelen in de mentale gezondheidstoestand van eerste verzoekster zoals het gegeven dat zij zich onvoldoende gesteund voelt door haar omgeving waardoor ze kwetsbaar is voor depressieve gevoelens. Eenzelfde vaststelling blijkt uit het verslag van dr. W.M. naar aanleiding van een raapleging door eerste verzoekster op 3 november 2021. XIV-38.055-39/57 Hieruit volgt reeds dat het causaal verband tussen al de gezondheidsproblemen van eerste verzoekster en de vastgestelde onwettigheid niet is aangetoond. 36. Wel kan de Raad van State erin meegaan dat de onwettigheid die de verwerende partij heeft begaan waarbij een daartoe niet-bevoegd orgaan de (inmiddels vernietigde) ernstige maatregel heeft genomen en waardoor eerste verzoekster verhinderd werd het mandaat waarin ze werd verkozen uit te oefenen, een grote impact kan hebben gehad die op het mentaal welbevinden van eerste verzoekster heeft ingewerkt en derhalve in belangrijke mate (mede) tot haar mentale toestand heeft geleid. Wat evenwel de periode na het tussengekomen vernietigingsarrest van 1 maart 2019 betreft, moet dat vernietigingsarrest worden beschouwd als “een definitieve uitspraak in haar voordeel” waarbij eerste verzoekster kwalificeert als de “in het gelijk gestelde partij”. Vanaf dat ogenblik staat het rechtstreeks causaal verband tussen de begane onwettigheid en de voortdurende mentale gezondheidsproblemen niet langer met de vereiste zekerheid vast, noch dat die onwettigheid die inmiddels is hersteld, nog verantwoordelijk zou zijn voor de voortdurende gezondheidsproblemen van eerste verzoekster (zie supra, punten 33 tot 35). Wel dient aanvaard in het licht van de met het verzoekschrift bijgebrachte attesten inzake arbeidsongeschiktheid en invaliditeit dat na tussenkomst van dat arrest nog rekening moet worden gehouden met een herstel- en rustperiode. Daaruit blijkt immers dat eerste verzoekster tot 31 augustus 2019 als arbeidsongeschikt werd beoordeeld en invalide door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit. Dat die situatie ook na 31 augustus 2019 nog werd verlengd is de Raad van State niet ontgaan, maar rekening houdende met de bevindingen in het deskundigenverslag van 13 december 2018 – een nakomend verslag werd niet voorgelegd –, is het oorzakelijk verband tussen de onwettige bestuurshandeling en de voortdurende mentale gezondheidsproblemen na 31 augustus 2019 niet aangetoond. XIV-38.055-40/57 37. Op het door de verwerende partij geformuleerde verzoek tot het aanstellen van een arts-deskundige hoeft niet te worden ingegaan. Zoals hiervoor is gebleken, dienen de mentale gezondheidsklachten op grond van de bijgebrachte verklaringen en verslagen die duidelijk zijn, bewezen te worden geacht, alsook het feit dat deze rechtstreeks door de vernietigde beslissing werden getriggerd, doch met dien verstande dat op grond van diezelfde stukken geen bewijs voorligt dat het voortduren van de mentale gezondheidsproblematiek, nog aan die onwettigheid kan worden toegeschreven nadat eerste verzoekster met het tussengekomen vernietigingsarrest in duidelijke bewoordingen definitief in het gelijk is gesteld. De Raad van State ziet niet wat een “volledig medisch onderzoek” van eerste verzoekster, zoals gevraagd, nog relevant aan het onderzoek van de zaak kan toevoegen. 38. Ook wat de omvang van de geleden (gezondheids)schade betreft, komt het een verzoekende partij toe het bedrag van de gevraagde schadevergoeding in het verzoekschrift te vermelden (artikel 25/2, § 2, tweede lid, 4° van de algemene procedureregeling), en daarbij de stukken te voegen die dat bedrag staven, wat inhoudt dat het bedrag van de in het verzoekschrift gevraagde schadevergoeding in de loop van de procedure in beginsel, behoudens wanneer redelijkerwijze aangetoond wordt dat dat niet eerder kon, niet meer kan worden gewijzigd. Het komt er dan ook op aan de omvang van de schade aan de hand van bewijsstukken zo precies mogelijk te bepalen. Een door de Raad van State aan te stellen arts-deskundige om het bedrag van de schade te begroten, is niet vereist. De Raad van State heeft in dat verband immers al geoordeeld dat de verwijzing in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State naar “alle omstandigheden van openbaar en particulier belang” hem toelaat om rekening te houden met onzekerheden over het bedrag van de schade opdat hij aldus op snelle en billijke wijze het bedrag van de schadevergoeding kan bepalen, zonder dat tijdrovende en dure onderzoeken door deskundigen vereist zijn om het precieze bedrag van de schade nauwkeurig te bepalen, te meer wanneer zoals in het voorliggende geval de precieze vaststelling van deze schade moeilijk blijkt. XIV-38.055-41/57 D.1.
  16. a)Medische kosten 39. Eerste verzoekster vordert in haar verzoekschrift terugbetaling van medische kosten voor de therapieën en behandelingen gedurende haar ziekte en arbeidsongeschiktheid die zij op dat ogenblik “provisioneel” begroot op 2.076,63 euro. In de memorie van wederantwoord (p. 12-13) wordt onder het kopje “IV.3.2. Uitbreiding van de vordering tot schadevergoeding tot herstel in hoofde van eerste verzoekster” het bedrag van 2.076,63 euro “geactualiseerd” en (voorlopig) begroot op 2.244,39 euro. Tevens wordt aangekondigd dat in de laatste memorie zowel de medische kosten als de “bijkomende schade wegens de tijdelijke persoonlijke, huishoudelijke en economische ongeschiktheid vanaf 1 september 2019” zullen worden “geactualiseerd”. In de laatste memorie wordt alvast wat de medische kosten betreft, het gevorderde bedrag na “actualisering” (weerom provisioneel) begroot op 2.686,14 euro. 40. In de punten 33 tot 35 is gebleken dat eerste verzoekster voor de aldaar aangegeven periode van 4 oktober 2017 tot 31 augustus 2019 attesten inzake arbeidsongeschiktheid en invaliditeit neerlegt, evenals medische attesten bijbrengt die een causaal verband aannemelijk maken voor het mentale gezondheidsleed dat zij door de begane onwettigheid heeft ondergaan. De medische kosten die zij zelf heeft moeten dragen tot en met 26 maart 2019 (zijnde de maand waarin het vernietigingsattest is tussengekomen) en waarvoor zij met haar verzoekschrift concrete bewijsstukken neerlegt, moeten zoals in het verzoekschrift gevraagd, worden vergoed ten belope van het gevorderde bedrag van 2.076,63 euro. XIV-38.055-42/57 Ook de medische kosten ten laste van eerste verzoekster verbonden aan de medische prestaties geleverd tot en met 31 augustus 2019, zijnde de einddatum van eerste verzoeksters arbeidsongeschiktheid volgens het met het verzoekschrift bijgebrachte attest van arbeidsongeschiktheid en voor welke kosten zij met haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord concrete stavingstukken bijbrengt, dienen in rekening te worden gebracht en, derhalve, vergoed, wat leidt tot een globaal bedrag aan medische kosten (tot en met de medische prestatie geleverd op 27 augustus 2019) ten belope van 2.216,43 euro, zijnde het gevorderde bedrag van 2.244,39 euro minus 27,96 euro. Dat laatste bedrag (27,96 euro) heeft immers betrekking op een medische consultatie verstrekt op 24 september 2019 waarvoor niet langer vaststaat dat deze voortdurende mentale gezondheidsproblemen en de ermee verbonden medische kosten in verband kunnen worden gebracht met de begane onwettigheid. Hetzelfde geldt voor al de overige nog na 31 augustus 2019 geleverde prestaties waarvoor de stavingstukken met de laatste memorie worden bijgebracht. 41. Het aldus aangepaste bedrag van 2.216,43 euro dient aan eerste verzoekster te worden toegekend en de gevraagde interesten die er op betrekking hebben, dienen te worden toegekend aan de gevraagde rentevoeten en modaliteiten. D.1.b.) Tijdelijke persoonlijke, huishoudelijke en economische ongeschiktheid 42. In het verzoekschrift wordt de tijdelijke persoonlijke, huishoudelijke en economische ongeschiktheid van eerste verzoekster berekend aan de hand van de bedragen vermeld in de “Indicatieve Tabel 2016”. Al onderscheidt de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten zich van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Oud Burgerlijk Wetboek en betreft het een autonoom begrip, staat niets eraan in de weg dat de indicatieve tabellen die de justitiële rechter hanteert bij de aantasting van de XIV-38.055-43/57 persoonlijke, huishoudelijke en economische geschiktheid ook te dezen aanvullend worden gehanteerd, als een hulpmiddel met indicatief karakter. Daarbij kan evenwel geen afbreuk worden gedaan aan de geldende regels inzake de bewijslast in hoofde van een verzoekende partij die bij de Raad van State een schadevergoeding wil bekomen. De verwerende partij verzet zich blijkens haar laatste memorie wat de aangevoerde schadeposten betreft, niet principieel tegen het gebruik van die indicatieve tabellen. Er zijn geen redenen voorhanden om hier een andere begrotingswijze te hanteren. 43. Met de aangevoerde tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid wordt gezien naar de niet-economische waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer in het dagelijks leven, voor zover niet begrepen in de huishoudelijke activiteiten. Deze schadepost wordt in het verzoekschrift voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 31 augustus 2019 overeenkomstig die indicatieve tabellen “provisioneel” begroot op 14.303,52 euro (i.e. aan 28 euro per dag conform de “Indicatieve Tabel 2016”, 33% gemiddeld voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 3 oktober 2017 en 66% voor de periode van 4 oktober 2017 tot en met 31 augustus 2019). Met de laatste memorie wordt dat bedrag voor de (daaropvolgende) periode van 1 september 2019 tot en met 4 september 2022, weerom “provisioneel”, begroot op 29.484,08 euro (= 14.303,52 + 15.190,56 euro). Deze in de laatste memorie bijkomend gevorderde 15.190,56 euro strekt voor de arbeidsongeschiktheid van + 66% voor de genoemde periode van 1 september 2019 tot en met 4 september 2022. 44. Het gevorderde bedrag moet aan eerste verzoekster worden toegekend doch, om dezelfde redenen als sub 40 uiteengezet, slechts ten belope XIV-38.055-44/57 van 14.303,52 euro, dit is voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 31 augustus 2019. Dit bedrag dient aan eerste verzoekster te worden toegekend en de gevraagde interesten die er op betrekking hebben, dienen te worden toegekend aan de gevraagde rentevoeten en modaliteiten. 45. Wat de tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid betreft, wordt in het verzoekschrift voor eerste verzoekster een schadevergoeding gevorderd voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 31 augustus 2019 waarvan het bedrag, met gebruik van de indicatieve tabellen, “provisioneel” wordt begroot op 13.613,89 euro (i.e. aan 41 euro per dag conform de “Indicatieve Tabel 2016”, 33% gemiddeld voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 3 oktober 2017 en 66% voor de periode van 4 oktober 2017 tot en met 31 augustus 2019). Eerste verzoekster hanteert daarbij als uitgangspunt een bedrag van 41 euro per dag, zijnde het bedrag uit de “Indicatieve Tabel 2016” “voor een gehuwde vrouw met gezin van 3 zonen”. In de laatste memorie wordt het voor deze schadepost gevorderde bedrag “geactualiseerd” en een “voorlopig geactualiseerde totaal t.e.m. voorlopig 30.11.2021” gevorderd, (provisioneel) begroot op 24.918,77 euro. 46. Bij het verzoekschrift wordt een stuk gevoegd, zijnde een uittreksel uit het rijksregister waaruit hoogstens kan worden afgeleid dat “de referentiepersoon” drie kinderen heeft, doch waaruit niet met zekerheid kan worden besloten dat deze kinderen effectief te haren laste zouden zijn geweest in de betrokken periode in de jaren 2017-2019. De kinderen blijken bovendien te zijn geboren in 1993 en 1995 waardoor niet zonder meer kan worden verondersteld dat zij in de betrokken periode in de feiten nog inwonend waren en in die zin nog “ten laste” zouden zijn geweest van hun moeder. XIV-38.055-45/57 Voor zover in de laatste memorie alsnog gemeentelijke attesten inzake de “de samenstelling van het gezin” worden bijgebracht, volstaat de vaststelling dat deze de periode van 1 maart 2020 tot 24 januari 2022 betreffen, die zich hoe dan ook situeert na 31 augustus 2019 en waarvoor zoals hiervoor is uiteengezet, het causaal verband met de schade niet is aangetoond. Om die redenen wordt het gehanteerde bedrag van 41 euro bij het begroten van de schadevergoeding voor de tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid niet in aanmerking genomen en teruggegrepen naar het basisbedrag van 20 euro per dag, hetgeen verminderd met een huishoudbijdrage a rato van 66%, leidt tot 13 euro per dag. Na herberekening, zoals eerste verzoekster in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen, resulteert dit in een totaal toe te kennen bedrag van 6.708,01 euro voor de periode van 3 mei 2017 tot 31 augustus 2019. 47. Het gevorderde bedrag moet aan eerste verzoekster worden toegekend doch slechts ten belope van 6.708,01 euro, voor de periode van 3 mei 2017 tot en met 31 augustus 2019 en niet voor de daaropvolgende periode van arbeidsongeschiktheid om dezelfde redenen als uiteengezet sub 40. De gevraagde interesten die er op betrekking hebben, dienen te worden toegekend aan de gevraagde rentevoeten en modaliteiten. 48. Wat tot slot de tijdelijke economische ongeschiktheid van eerste verzoekster betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen, eensdeels, (
  17. i)een luik “economische ongeschiktheid bij de uitoefening van haar mandaten binnen de Orde” en, anderdeels, (
  18. ii)een luik “economische ongeschiktheid bij de uitoefening van haar beroep als zelfstandig dierenarts”. 49. Wat de “economische ongeschiktheid bij de uitoefening van haar mandaten binnen de Orde” (eerste luik) betreft, doet eerste verzoekster gelden dat zij na het tussengekomen schorsingsarrest van 14 december 2017 haar taken als XIV-38.055-46/57 voorzitster van de NGROD wel terug heeft opgenomen doch dat zij zich ingevolge haar gezondheidstoestand sinds januari 2018 heeft moeten verontschuldigen voor “diverse vergaderingen” zowel intern als extern, waardoor zij zitpenningen heeft misgelopen die zij, zonder stavingstukken, kwantificeert aan de hand van “gemiddelden”. Zij geeft nog aan dat zij “voorrang” heeft gegeven aan het interne werk. Hiervoor vordert zij in haar verzoekschrift “provisioneel” 3.696,48 euro. In de laatste memorie wordt gesteld dat “op basis van de inmiddels bekomen informatie, er thans wel degelijk bewijs [kan] worden voorgelegd van de vergaderingen sinds januari 2018”. Eerste verzoekster wil daarvoor (post “diverse externe én interne vergaderingen”) “afgerond en forfaitair” een bedrag toegekend zien van 8.000 euro. Zij brengt met haar laatste memorie stavingstukken bij voor de externe vergaderingen die binnen het bedrag van 8.000 euro “definitief” kunnen worden begroot op 7.007,91 euro. 50. Met het in het verzoekschrift “provisioneel” gevorderde bedrag van 3.696,48 euro rijst eenzelfde probleem als bij de bepaling van het bestaan van de schadevergoeding tot herstel voor het financieel nadeel (zie supra, sub 19 tot 23), namelijk dat het in het verzoekschrift gevorderde bedrag, wat het bestaan van de schadepost betreft, op een loutere bewering blijkt te berusten die noch precies, concreet of gestaafd is. De bewering dat eerste verzoekster diverse vergaderingen heeft moeten missen, wordt in het verzoekschrift niet gestaafd met stukken aan de hand waarvan het effectief plaatsvinden van deze vergaderingen wordt geattesteerd of gedocumenteerd, noch de afwezigheid van eerste verzoekster daarop wordt aangetoond, zodat, zoals de verzoekers in het auditoraatsverslag hebben kunnen lezen, daarvoor geen schadevergoeding kan worden voorgesteld. Ook hier kan die tekortkoming aan de op eerste verzoekster rustende bewijslast en om dezelfde redenen als uiteengezet sub 19 tot 23, niet worden goedgemaakt naar aanleiding van het indienen van een laatste memorie. 51. Het gevorderde bedrag van 8.000 euro wordt in zijn geheel verworpen. XIV-38.055-47/57 52. Wat tot slot de “economische ongeschiktheid bij de uitoefening van het zelfstandig beroep van dierenarts” (tweede luik) betreft, wordt in het verzoekschrift voor deze schadepost “provisioneel” een bedrag gevorderd van 55.825,79 euro aan gederfde inkomsten uit haar praktijk als zelfstandig dierenarts voor de periode van mei 2017 tot en met 31 augustus 2019. Eerste verzoekster brengt daartoe een document bij dat is opgesteld door haar boekhouder, voor wiens geleverde diensten zij bijkomend een bedrag van 439,73 euro vordert. In de laatste memorie wordt het genoemde bedrag van 55.825,79 euro opnieuw berekend. Vooreerst wordt benadrukt dat voor de begroting van deze economische schade wel degelijk moet worden uitgegaan van het omzetverlies van de bvba dat aan haar praktijk kan worden toegerekend en niet van de uitkeringen aan de bedrijfsleiders die, om fiscale, investerings- en andere redenen, beperkt zijn gehouden. De bvba telt twee vennoten, met name eerste verzoekster zelf die haar praktijk uitoefende te Schoten, en als tweede vennoot, haar echtgenoot, die zijn dierenartsenpraktijk uitoefent te Brasschaat. Met de laatste memorie brengt zij stavingstukken bij waaronder de belastingaangiften voor de jaren 2015-2019, een uitprint van het boekhoudprogramma met opsplitsing inkomsten bvba per vennoot 2015-2020 en een detail van de inkomsten van de bvba geïnd door eerste verzoekster en deze geïnd door haar echtgenoot voor de jaren 2015 tot 2020. Voorts wordt nog aangegeven dat om het inkomensverlies op te vangen eerste verzoeksters echtgenoot in 2018 en 2019 “dubbele shiften [heeft] gedraaid” om de beide praktijken recht te houden doch in 2020 om zelf medische problemen te vermijden, noodgedwongen is teruggevallen op zijn eigen praktijk. Uiteindelijk wordt, na algehele herberekening, deze economische schade in de laatste memorie voor eerste verzoekster “provisioneel” begroot op 66.391,59 euro waarvan 22.564,45 euro voor het jaar 2019 en 43.827,14 euro voor 2020. Het jaar 2018 (dit is het jaar dat volgt op het schorsingsarrest nr. 240.191 van 14 december 2017) blijkt immers, na die herberekening, “geen globaal verlies t.o.v. het gemiddelde van de referentiejaren” te vertonen. Het bedrag van 439,73 euro voor de eerdere kostenberekening door de boekhouder blijft gehandhaafd, wat leidt, weliswaar steeds “provisioneel” tot een globaal bedrag van 66.831,32 euro. XIV-38.055-48/57 De verwerende partij weerspreekt een en ander in haar laatste memorie. Zij wijst er onder meer nog op dat de dierenartsenpraktijk van eerste verzoekster sedert 2017 “al in afbouw was”, dat zij op zoek was naar een overnemer en deze prakrijk inmiddels “helemaal [is] opgedoekt” waarbij de vraag rijst of eerste verzoekster geen inkomsten wil vorderen “die zij nooit of te nimmer zou hebben verdiend gelet op de geleidelijke afbouw en sluiting van haar dierenartsenpraktijk”. Zij zijn ook nooit op zoek gegaan naar een vervanger. 53. Zoals hiervóór sub 40 werd opgemerkt, kunnen om de aldaar aangehaalde redenen de schadeposten voor de periode vanaf 1 september 2019 niet worden vergoed. 54. Voor de resterende periode (vanaf januari 2018 tot 31 augustus 2019) verwijst eerste verzoekster ook voor de begroting van deze schadepost naar de “Indicatieve Tabel 2016”. Deze tabel vermeldt op dit punt het volgende: “[h]et verlies aan inkomen moet steeds in concreto worden bewezen. De schadevergoeding strekt ertoe hetzelfde netto-inkomen te verkrijgen als hetgeen het slachtoffer zou hebben verworven zonder het schadeverwekkend feit”. Eerste verzoekster heeft in het auditoraatsverslag, terecht, kunnen lezen dat het met het verzoekschrift bijgebrachte stuk van de boekhouder ter staving van het inkomensverlies in hoofde van eerste verzoekster, niet dienstig is omdat er (onder meer) niet duidelijk naar voren komt wat juist de netto-inkomsten zijn van de dierenartsenpraktijk en wat het specifieke aandeel van eerste verzoekster in die totale netto-inkomsten is, alsook wat het verondersteld netto-inkomstenverlies van eerste verzoekster is geweest. Daarbij diende ook rekening te worden gehouden, wat niet is gebeurd, met vervangingsinkomsten die eerste verzoekster mogelijks voor die periode heeft ontvangen. Het betrokken stuk is niet meer dan “een weinig helder bijeenraapsel van uittreksels uit de boekhouding van de vennootschap waarin de eerste verzoekende partij samen met XIV-38.055-49/57 een andere dierenarts haar beroepsactiviteiten uitoefent”, zonder dat het inzicht biedt in het effectief door eerste verzoekster geleden verlies aan netto-inkomsten voor de betrokken periode. Het stuk kan dan ook niet worden aanvaard als grondslag om een schadevergoeding toe te kennen voor tijdelijke economische ongeschiktheid in de beroepsuitoefening van eerste verzoekster. Eerste verzoekster lijkt dat ook zelf te beseffen, wat haar ertoe heeft gebracht in haar laatste memorie, aan de hand van nieuw bijgebrachte stukken waarover zij reeds beschikte of kon beschikken ten tijde van haar verzoek, tot een volledige herberekening over te gaan, en waarbij zij, niettegenstaande het niet-dienstig karakter ervan, nog steeds het factuurbedrag van de door de boekhouder gepresteerde diensten terugvordert bij wijze van “herstel”, wat niet kan worden toegekend. De Raad van State dient dan ook vast te stellen dat eerste verzoekster zich in het verzoekschrift niet heeft ingespannen, desnoods met de bijstand van een deskundig financieel-fiscaal expert die zij daartoe opdracht had kunnen geven, om de gevorderde bedragen inzake het persoonlijk inkomensverlies van eerste verzoekster, te onderscheiden van die van de rechtspersoon en de andere vennoten, bij de uitoefening van haar dierenartsenpraktijk te verantwoorden. Zij doet dat overigens ook in de laatste memorie niet. Zij blijft in gebreke de door haar persoonlijk misgelopen netto-inkomsten te begroten en houdt het bij vaagheden zoals dat “de uitkeringen aan de bedrijfsleiders van de BVBA […] doorheen de jaren onregelmatig [was]” en “erg beperkt werd gehouden om allerlei redenen” hoewel het loutere bruto omzetverlies van de bvba niet determinerend noch nuttig is om de schadevergoeding van misgelopen persoonlijke netto-inkomsten te dezen te begroten. Het blijft zodoende geheel onduidelijk welk bedrag aan netto-inkomsten eerste verzoekster persoonlijk effectief heeft misgelopen. Nochtans valt de bewijslast van het bestaan van de schade bij de verzoekende partij: de benadeelde eiser moet zijn vordering staven met concrete, XIV-38.055-50/57 verifieerbare elementen die de Raad van State toelaten de schade en desgevallend de omvang ervan, vast te stellen. Dat geldt des te meer nu het beweerd geleden inkomensverlies bij de beroepsuitoefening van de zelfstandige dierenartsenpraktijk voor de in aanmerking te nemen periode (beperkt tot 1 september 2019) niet met de vereiste zekerheid toe te schrijven valt aan eerste verzoeksters mentale gezondheid. Er zijn immers vele factoren denkbaar die kunnen hebben geleid of mede hebben kunnen leiden tot een verminderd inkomensverlies, zonder dat die in causaal verband staan tot de vernietigde onwettige beslissing, waaronder, doch niet daartoe beperkt, een verminderde beschikbaarheid op zich door het (weder)opnemen sedert januari 2018 van verantwoordelijkheden en de ermee gepaard gaande inzet in de hoogste organen van de publiekrechtelijke beroepsorganisatie zelf. Op het voorstel, zij het “ondergeschikt”, van de verwerende partij op dit punt tot aanstelling van een financieel-deskundige wordt niet ingegaan. De verzoekers hebben ruim de kans gehad om ondubbelzinnig klaarheid te scheppen. Het komt immers toe aan degene die een schadevergoeding vordert om aan te tonen welk specifiek nadeel hij of zij lijdt, niet aan de rechter om met behulp van een deskundige op zoek te gaan naar het concrete nadeel. Een deskundige aanstellen zou er in deze omstandigheden overigens op neerkomen dat aan die deskundige geen gerichte, technische vragen gesteld moeten worden, maar dat deze in de plaats van de verzoekers de vordering zou opstellen wat het door eerste verzoekster persoonlijk geleden nadeel betreft bij de uitoefening van haar beroep als zelfstandig dierenarts. 55. Om de hiervoor uiteengezette redenen dient het gevorderde bedrag op dit punt in zijn geheel te worden verworpen. XIV-38.055-51/57 D.2. Het geleden gezondheidsnadeel in hoofde van tweede verzoeker 56. In het verzoekschrift wordt wat tweede verzoeker betreft aangevoerd dat de vernietigde beslissing “een ernstige impact [heeft] gehad op [zijn] gezondheid. Zij heeft geleid tot slapeloosheid, stress, familiaal onaangenaam gedrag, enz.”. Ingevolge deze gezondheidsproblemen heeft verzoeker “afstand moeten doen van zijn functie als secretaris”, wat werd meegedeeld aan de zitting van de NGROD op 4 mei 2018. Hij heeft “al zijn energie moeten steken in het zich verdedigen tegen valselijke beschuldigingen en hij heeft zijn taak als raadslid-secretaris van de NGROD daardoor niet kunnen uitvoeren zoals hij van plan was”. Door zijn ontslag als secretaris kreeg hij een forfaitaire vergoeding als raadslid van vijf uur per maand in de plaats van een forfaitaire vergoeding van tien uur als secretaris. Hij verloor derhalve vijf uur per maand gedurende 18 maanden, wat voor de periode van 4 mei 2018 tot en met oktober 2019 (normaal eindpunt van zijn driejarige mandaat) een materieel nadeel inhoudt van 4.608 euro (18 maanden x 256 euro). Volgens tweede verzoeker heeft hij hierdoor “tegelijk” ook een moreel nadeel geleden door het imago- en reputatieverlies ingevolge zijn ontslag als secretaris, wat hij forfaitair begroot op 2.500 euro. Tot staving van het gezondheidsnadeel van tweede verzoeker wordt bij het verzoekschrift een medisch attest van zijn behandelende geneesheer-specialist dr. A.G. gevoegd waaruit blijkt dat voor tweede verzoeker een begeleiding werd opgestart op 25 april 2018. Tevens wordt een medische verklaring van diezelfde arts van 8 mei 2018 bijgebracht waarin is gesteld dat “[tweede verzoeker] verklaarde al maanden last te hebben van stress, slapeloosheid, familiaal onaangenaam gedrag” waarbij “[p]atiënt [tevens] verklaarde dat de oorzaak zijns inziens te zoeken is in ernstige conflicten binnen de Orde van dierenartsen, waar hij deel van uitmaakt”. De arts voegt daaraan toe dat medische begeleiding werd opgestart en de patiënt werd aangeraden “de oorzaak van zijn medisch probleem aan te pakken”, dat tweede verzoeker opnieuw op consultatie kwam op 8 mei 2018 en dat deze “verklaarde de oorzaak van het probleem te hebben aangepakt” en, tot slot, dat de medische begeleiding werd verder gezet. Voorts wordt nog het verslag van de vergadering van de NGROD van XIV-38.055-52/57 4 mei 2018 bijgebracht waaruit blijkt dat tweede verzoeker aan de zitting van de Raad op 4 mei 2018 meedeelt op doktersadvies “tijdelijk en voor onbepaalde tijd” zijn functie als secretaris van het bureau van de NGROD neer te leggen. 57. In zoverre de verzoekers argumenteren dat tweede verzoeker mentale gezondheidsnadelen lijdt door de begane onwettigheid waardoor zijn professioneel handelen nog wordt beïnvloed in de periode van 4 mei 2018 tot oktober 2019, dit is na het vernietigingsarrest waarbij hij “in het gelijk” werd gesteld, kunnen zij niet worden bijgevallen. Het causaal verband tussen de onwettige beslissing en het hier aangevoerde nadeel wordt niet met de vereiste zekerheid aangetoond. De Raad van State merkt op dat de medische verklaring van dr. A.G. zich beperkt tot een weergave van de verklaringen van tweede verzoeker zonder daarin standpunt in te nemen. Dat tweede verzoeker ontslag “moest” nemen op doktersadvies kan daaruit evenmin met de vereiste zekerheid worden afgeleid. Dat het ontslag uit de functie van secretaris van het bureau van de NGROD een vereiste was om “de oorzaak van zijn medisch probleem aan te pakken” met het oog op het herstel van zijn mentale gezondheidstoestand, is een interpretatie van tweede verzoeker. In ieder geval is hij ondanks het ontstane conflict andere functies (zoals raadslid) binnen de Orde blijven waarnemen zodat het ontslag als secretaris in mei 2018 een eigen keuze lijkt te zijn. In ieder geval moest die keuze niet worden gemaakt omwille van de begane onwettigheid gelet op de inmiddels tussengekomen schorsing van de onwettige beslissing. 58. Een schadevergoeding tot herstel omwille van het beweerde materieel nadeel als gevolg van het mentaal gezondheidsnadeel kan niet worden toegekend. 59. In zoverre tweede verzoeker een bedrag van 2.500 euro toegekend wil zien omwille van het moreel nadeel dat hij heeft geleden door “het imago- en statusverlies als secretaris van de NGROD”, kan hij evenmin worden bijgevallen. XIV-38.055-53/57 Er wordt vooreerst verwezen naar hetgeen reeds sub 27 tot 30 is uiteengezet, met name dat er geen redenen zijn om te besluiten dat het moreel nadeel dat de onwettige beslissing heeft veroorzaakt niet geheel zou zijn hersteld door de kracht van het vernietigingsarrest zelf. Voorts wordt geenszins aannemelijk gemaakt dat tweede verzoeker daadwerkelijk imago- en statusverlies zou hebben geleden in de ogen van derden omwille van zijn voortijdig ontslag. Dat, zoals in de laatste memorie wordt gesteld, een “voortijdig ontslag steeds als negatief gepercipieerd [wordt]” omwille van een gedachte dat “waar rook is, ook wel vuur [zal] zijn”, is een eigen appreciatie van tweede verzoeker die evenwel geen oorzaak vindt in de onwettige en inmiddels vernietigde beslissing, wat des te meer geldt nu die beslissing in de tenuitvoerlegging ervan werd geschorst. Het is integendeel niet uit te sluiten dat derden, gelet op het aanslepende conflict waar de tweede verzoeker in verwikkeld was geraakt, zelfs in aanzienlijke mate begrip aan de dag zouden leggen voor zijn beslissing om ontslag te nemen. 60. De gevorderde bedragen van 4.608 euro (materieel nadeel) en 2.500 euro (moreel nadeel) ten gevolge van een gezondheidsnadeel, worden verworpen. E. Interesten 61. De verzoekers vragen in hun verzoekschrift om, wat eerste verzoekster betreft, de schadevergoeding (lees: de toegekende schadevergoeding) te vermeerderen met (1.) de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet (a.) vanaf 3 mei 2017, dit is de dag van het ontstaan van de schade veroorzaakt door de (vernietigde) beslissing tot aan de datum van het uit te spreken arrest wat de medische kosten betreft; (b.) vanaf 2 juli 2017 (gemiddelde datum) wat de tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid en de tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid betreft, en (c.) vanaf 1 september 2017 (gemiddelde datum) wat de gemiste vergoedingen en zitpenningen betreft, alsook, (2.) vanaf de datum van dit XIV-38.055-54/57 arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van de toegekende schadevergoeding en de vergoedende interesten. Wat tweede verzoeker betreft, vragen zij eveneens de schadevergoeding (lees: de toegekende schadevergoeding) te vermeerderen met (1.) de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 september 2017 (gemiddelde datum) wat de gemiste vergoedingen en zitpenningen betreft tot aan de datum van het uit te spreken arrest alsook, (2.) vanaf de datum van dit arrest, met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van de toegekende schadevergoeding en de vergoedende interesten. 62. De verwerende partij formuleert geen standpunt noch bezwaar. 63. De vergoedende interesten hebben betrekking op de periode tussen het ontstaan van de schade en het moment waarop de rechter het bedrag van de schadevergoeding vaststelt. De verwijlinteresten zijn verschuldigd vanaf de rechterlijke beslissing tot aan de volledige betaling. De verzoekers hebben bijgevolg recht op de vergoedende interesten wat de door dit arrest aan hen toegekende vergoedingen betre

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.