id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.295 Rolnummer: A. 236042/XIV-38998 Zaak: Arrest 255295 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 16/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-19 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:02 Fiche Arrest nr 255.295 van 16 december 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.295 van 16 december 2022 in de zaak A. 236.042/XIV-38.998 In zake :
- de NV DM HOLDINGS
- de BV TLALOC II
- de BV LA SILLA
- Leopold DE BACKER
- Jan TOPS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Johan Vande Lanotte kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV NATIONALE BANK VAN BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Fyon, David D’hooghe, Sophie Brenard en Matthias De Groot kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld 12 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het directiecomité van de Nationale Bank van België van 30 maart 2022 “gekend onder referte TB/2022/L.204 verzonden met een mail van de heer Yves BILLIET van 15u21 (met inbegrip van de brief van 30 maart 2022 van de NBB aan de Speciaal Commissaris met referte TB/2022/L.211), tot weigering van de verwerving door Renell Werpapierhandelsbank AG van de aandelen in Merit Capital NV en tot herroeping van de vergunning van Merit Capital NV als beursvennootschap”. XIV-38.998-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 253.563 van 26 april 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België’ De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vande Lanotte die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Matthias De Groot, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenbergen heeft een advies gegeven. XIV-38.998-2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De feiten zijn weergegeven in het arrest nr. 253.563 van 26 april
- Er wordt naar verwezen. 3.
- Aan deze feitelijke uiteenzetting dient nog toegevoegd dat de nv Merit Capital waarvan de verzoekende partijen aandeelhouder zijn, inmiddels bij vonnis van 29 september 2022 van de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, failliet werd verklaard. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Neerleggen van een pleitnota
- Op de terechtzitting legt de raadsman van de verzoekende partijen een nota neer met het verzoek een prejudiciële vraag te stellen, aan het Grondwettelijk Hof. Hij voegt daaraan toe dat dit schriftelijk stuk moet worden aangezien als een pleitnota “ingediend als schriftelijke neerslag van het mondeling pleidooi ter zitting”.
- Het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België’ (hierna: het koninklijk besluit van 15 mei 2003), noch het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) voorzien in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen weliswaar toegestaan om nieuwe XIV-38.998-3/8 feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de vordering, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de verzoekende partijen neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre de verzoekende partijen in hun pleidooi of in de pleitnota “die er de schriftelijke neerslag van vormt” nieuwe middelen of argumenten ontwikkelen waarvan zij niet aantonen dat zij die niet in hun verzoekschrift konden ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en zullen ze uit het debat worden geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep op de versnelde procedure Vooraf: het door de verzoekende partijen ingediende beroep steunt op artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998
- De bestreden maatregelen zijn gesteund op de artikelen 236, §1, 1° en 6° en § 2 en op artikel 585 van de wet van 25 april 2014 ‘op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen’ (voorheen, dit is ten tijde van de bestreden beslissing: de wet van 25 april 2014 ‘op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen’ geheten) (hierna aangehaald als “de Bankwet”).
- In het verzoekschrift stellen de verzoekende partijen in de aanhef ervan weliswaar dat zij het voorliggende (versneld) beroep op 12 april 2022 hebben ingediend “overeenkomstig artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, conform art. 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de NBB en conform het Koninklijk Besluit van 15 mei 2003 tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België”, maar in de XIV-38.998-4/8 rubriek “ontvankelijkheid” stellen zij onmiskenbaar dat zij het beroep hebben ingediend conform artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 en conform het koninklijk besluit van 15 mei 2003 tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België. In het verslag over de zaak stelt het auditoraat dat het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België’ van toepassing is op de voorliggende procedure. Zulks wordt ter terechtzitting niet betwist door de verzoekende partijen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen hun beroep tot nietigverklaring steunen op artikel 36/22 van de wet van 22 februari
- Uiteenzetting van de ambtshalve te onderzoeken exceptie betreffende de hoedanigheid om het in artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 versneld beroep uit te oefenen
- Een verzoekende partij dient bij een beroep tot nietigverklaring te beschikken over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. De vereiste van hoedanigheid – procesbevoegdheid of kwaliteit – heeft betrekking op de band tussen de procespartij en de handeling die zij voor de administratieve rechter bestrijdt. Het komt derhalve aan de verzoekende partijen toe om aan te tonen dat de band tussen henzelf als procespartij en de handeling die zij voor de Raad van State met de versnelde procedure bestrijden, beantwoordt aan de ter zake wettelijk vereiste hoedanigheid. Is zulks niet het geval dan zal, desgevallend ambtshalve, de Raad van State het beroep niet-ontvankelijk verklaren (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406). XIV-38.998-5/8 Deze eis is te onderscheiden van het belang bij het beroep tot nietigverklaring. Niet elke belanghebbende of persoon die doet blijken van een belang heeft aldus noodzakelijk de vereiste hoedanigheid om toegang te hebben tot de versnelde procedure tot nietigverklaring. De Raad van State vermag niet voorbij te gaan aan die eis. Het betreft een bestanddeel van primaire ontvankelijkheid van het beroep dat, desgevallend ambtshalve, in acht moeten worden genomen door de Raad van State. Het op grond van artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 ingediende beroep, betreft een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De wetgever achtte het immers opportuun om een versnelde procedure in te voeren voor de beroepen die mogelijkerwijze bij de Raad van State, “optredende in het kader van het annulatieberoep zouden kunnen worden ingesteld” (Parl. St. Kamer, 2001-02, 50-1842/001 en 50-1843/001, 143). Uit wat volgt, blijkt dat artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 evenwel uitdrukkelijk, per in artikel 36/22 limitatief opgesomde aanvechtbare beslissingen, de belanghebbenden bepaalt die een versneld beroep tot nietigverklaring tegen de erin vermelde beslissingen kunnen inleiden.
- Artikel 36/22, 3°, van de wet van 22 februari 1998 zoals dat van toepassing is op het voorliggende beroep voorziet immers dat bij de Raad van State, volgens een versnelde procedure zoals vastgesteld door de Koning, beroep kan worden ingesteld “door de kredietinstelling en de beursvennootschap, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens, respectievelijk, de artikelen 234, § 2, 1° tot 12°, 236, § 1, 1° tot 6°, en de artikelen 583 en 585, voor zover deze laatste artikelen de voormelde artikelen 234, § 2, 1° tot 12° en 236, § 1, 1° tot 6° van toepassing verklaren op de beursvennootschappen, en tegen gelijkaardige beslissingen genomen krachtens, respectievelijk, de artikelen 328, 329 en 340 en de artikelen 599 en 607 van de voormelde wet van 25 april 2014, voor zover deze laatste artikelen de voormelde artikelen 328, 329 en 340 van toepassing verklaren XIV-38.998-6/8 op de beursvennootschappen. Het beroep schorst de beslissing en haar bekendmaking, tenzij de Bank, bij ernstig gevaar voor de spaarders of de beleggers, haar beslissing uitvoerbaar heeft verklaard niettegenstaande elk beroep”.
- Te dezen is het in artikel 36/22, 3°, van de wet van 22 februari 1998 bedoelde versnelde vernietigingsberoep tegen de aldaar vermelde beslissingen uitdrukkelijk voorbehouden aan specifieke personen, te dezen “de beursvennootschap”. De verzoekende partijen zijn niet de “beursvennootschap” als bedoeld in artikel 36/22, 3°, van de wet van 22 februari
- Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep is bij de Raad van State daarom de vraag gerezen of de verzoekende partijen, in hun hoedanigheid van aandeelhouders van de nv Merit Capital, doen blijken van de vereiste hoedanigheid om het voorliggende beroep tot nietigverklaring gegrond op artikel 36/22, 3°, van de wet van 22 februari 1998 in te dienen. Deze aangelegenheid is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Aangezien het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
- Het debat moet derhalve, wat de voormelde aangelegenheid betreft, worden heropend. XIV-38.998-7/8 BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Aan de partijen wordt na kennisgeving van het onderhavige arrest een termijn van vijftien dagen gegeven om een memorie in te dienen, beperkt tot de in het voorliggende arrest ambtshalve aangehaalde aangelegenheid.
- De zaak wordt vastgesteld op de terechtzitting van 18 januari 2023 om 14.00 uur. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.998-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.295 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.563 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.