← België

Arrest 255297 - Overheidsopdrachten - 19/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.297 Rolnummer: A. 237760/XII-9288 Zaak: Arrest 255297 - Overheidsopdrachten - 19/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-28 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 08:03 Fiche Arrest nr 255.297 van 19 december 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 255.297 van 19 december 2022 in de zaak A. 237.760/XII-9288 In zake: de BV ADEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Verhaegen kantoor houdend te 9040 Sint-Amandsberg Victor Braeckmanlaan 121 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c, 113b bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV AANNEMINGEN M. EN J. BRAET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 november 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van 28 oktober 2022, waarbij in het kader van de overheidsopdracht ‘Opsporen en ruimen van conventionele en toxische explosieven langs de stranden van de Vlaamse Kust’ (bestek nr. 16EH/21/33) de offerte van de bv Adede onregelmatig wordt bevonden XII-9288-1/15 en geweerd, en waarbij de opdracht wordt gegund aan de nv Aannemingen M. en J. Braet. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 5 december 2022 heeft de nv Aannemingen M. en J. Braet gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
  3. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Verhaegen, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Matthias Castelein, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “Opsporen en ruimen van conventionele en toxische explosieven langs de stranden van de Vlaamse Kust”. XII-9288-2/15 De opdracht wordt op 20 mei 2022 aangekondigd in het Bulletin der Aanbestedingen. De aankondiging vermeldt dat de opdracht wordt gegund bij wijze van openbare procedure. 3.
  6. Het bestek met nummer 16EH/21/33 is van toepassing. Volgens het bestek omvatten de werken “het vrijmaken van de stranden van [conventionele en toxische explosieven, hierna: CTE’s] (mijnen, granaten, tellermijnen, projectielen en bommen, …) en desgevallend archeologisch waardevolle objecten tot op een diepte van minimum 2 m onder het strandpeil op het ogenblik van de uitvoering”. De uit te voeren handelingen omvatten hoofdzakelijk het opsporen van ferromagnetische anomalieën op het droog strand, getijdenstrand en onder de laagwaterlijn; het vrijgraven van de verdachte anomalieën en het bepalen van de aard van de eventueel gevonden CTE’s; het verlenen van de nodige bijstand bij het verwijderen of ter plaatse vernietigen van CTE’s door de dienst voor Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen (DOVO) en bij de opzoekingswerken uitgevoerd door de archeologische diensten; het uitgraven en afvoeren van anomalieën die geen CTE zijn. 3.
  7. Vier inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de nv Aannemingen M. en J. Braet en de bv Adede. 3.
  8. Het agentschap vraagt een prijsverantwoording aan de nv Aannemingen M. en J. Braet en aan de bv Adede. Wat deze laatste betreft, vraagt het agentschap op 18 augustus 2022 een prijsverantwoording voor vier posten “waarbij inzicht gegeven wordt in de samenstelling van de eenheidsprijzen en/of de totaalprijs, zodat de aanbestedende overheid kan nagaan dat de kosten redelijk zijn ingeschat”. De te dezen relevante posten zijn post 6 (‘Detecteren van CTE op het water’), en post 13 (‘[Mobilisatie en demobilisatie] bij ad hoc interventie’). XII-9288-3/15 De bv Adede antwoordt op 26 augustus
  9. Wat post 6 betreft, geeft zij de volgende verantwoording: “Opgegeven prijs ADEDE: 20.000 m2 voor [x] EUR. Hier aangenomen is een vaarsnelheid van 3 knopen, gedurende 4 uur (tijdens een gunstig getijvenster), met een lijnspatiëring van 4 à 6 m. Een waterbodem van 8 Ha kan worden ingemeten per meetdag. Rekening houdend met het te water laten van de surveyvlet, het opstellen van de meetconfiguratie, het varen van een testlijn, is het inmeten van 2 Ha op één meetdag realistisch ingeschat. Prijsopbouw dagprijs [hier volgt een opsomming van een aantal componenten, elk met zijn eigen prijs; het totaal voor die componenten is het hiervoor genoemde bedrag van x EUR]. Overeenkomstig een dagprijs van [x] EUR waarbij een oppervlakte van 20.000 m2 kan worden ingemeten. Er wordt een detectiedag gekozen met gunstig getijvenster en gunstige golf- en weercondities zodat verlet buiten beschouwing kan worden gelaten. […].” 3.
  10. De offertes worden onderworpen aan een onderzoek waarvan de neerslag is terug te vinden in het gunningsverslag. Uit dit verslag blijkt dat de vier inschrijvers geselecteerd worden. Twee van de offertes, waaronder die van de nv Aannemingen M. en J. Braet, worden bovendien regelmatig bevonden; de twee andere offertes, waaronder die van de bv Adede, worden daarentegen substantieel onregelmatig bevonden en om die reden nietig verklaard. Wat de offerte van de bv Adede betreft, steunt de onregelmatigverklaring op drie gronden: - de bv Adede heeft een voorbehoud gemaakt in verband met het inzetten van de vereiste 25-ton kranen; - de prijsverantwoording voor post 6 wordt niet aanvaard: “In zijn verantwoording van de post 6 (detecteren van CTE op het water) stelt de inschrijver dat het inmeten van de waterbodem (2ha) op één werkdag realistisch is en bouwt [hij] hiermee een dagprijs op Een prijsvergelijking met recente eenheidsprijzen voor gelijkaardige opdrachten (door meerdere marktpartijen) alsook een vergelijking van de aangeboden eenheidsprijs ten aanzien van de overige en gemiddelde inschrijvingsprijzen doen evenwel besluiten dat een abnormaal lage eenheidsprijs wordt gehanteerd met een mogelijk speculatief karakter. De aangeboden eenheidsprijs ligt immers significant lager en is niet aangepast XII-9288-4/15 aan het detecteren van CTE in mariene offshore condities, De onrealistische eenheidsprijs biedt geen garantie op een kwalitatieve uitvoering van de ferromagnetische detectie op het water, onder de basislijn of in de havens De prijsverantwoording voor de post 6 wordt derhalve niet aanvaard”; - de prijsverantwoording voor post 13 wordt niet aanvaard, omdat daarin verkeerdelijk wordt uitgegaan van een mobilisatie en een demobilisatie van een CTE-team met enkel detectiemateriaal, terwijl ook materieel voor benaderingswerken (d.w.z. een graafkraan) nodig is. Er ontbreekt dus een essentieel onderdeel in de prijsvorming, waardoor een correcte vergelijking van de offertes niet mogelijk is. 3.
  11. Op 28 oktober 2022 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust om de offertes van onder meer de bv Adede onregelmatig te verklaren en om de opdracht te gunnen aan de nv Aannemingen M. en J. Braet. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
  12. De nv Aannemingen M. en J. Braet blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  13. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van belang in hoofde van de verzoekende partij. Volgens de verwerende partij maakt de verzoekende partij geen enkele kans om de opdracht toegewezen te krijgen, ook niet als de drie middelen gegrond verklaard zouden worden. De verwerende partij verwijst hierbij naar een vertrouwelijk intern stuk, dat een beoordeling bevat van de offerte van de verzoekende partij op basis van de vijf gunningscriteria. Volgens de verwerende partij blijkt hieruit dat de kloof tussen de totaalscores van de tussenkomende partij XII-9288-5/15 en de verzoekende partij dermate groot is dat ze in principe niet overbrugd kan worden.
  14. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Zoals hierna zal blijken, is dat echter niet het geval. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  15. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
  16. De verzoekende partij voert drie middelen aan. In een eerste middel betwist zij de beoordeling van de verwerende partij dat zij een voorbehoud maakt in haar plan van aanpak wat de inzet van de 25-tonkranen betreft. In een tweede middel vecht zij de afwijzing aan van haar prijsverantwoording voor post 6, ‘detecteren van CTE op het water’. In een derde middel vecht zij de afwijzing aan van haar prijsverantwoording voor post 13, ‘Mob en demob bij ad hoc interventie’. Hierna volgt eerst de beoordeling van het tweede middel. XII-9288-6/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), het beginsel patere legem quam ipse fecisti, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Het tweede middel is, zoals gezegd, gericht tegen het oordeel van de verwerende partij dat de verzoekende partij een abnormaal lage eenheidsprijs hanteert voor post 6, ‘detecteren van CTE op het water’. De verzoekende partij voert in de eerste plaats aan dat zij, in antwoord op de prijsbevraging door de verwerende partij, een technische verantwoording heeft gegeven om te besluiten dat de detectie van een oppervlakte van 20.000 m2 per dag realistisch is, en vervolgens de kostprijs voor één dag heeft gegeven. Die technische verantwoording steunde op de snelheid van het vaartuig dat voor de survey gebruikt wordt, het aantal uren dat er op een dag gedetecteerd kan worden, de tijd voor het opstarten van de survey en het testen, en de reikwijdte van het meettoestel. In het gunningsverslag wordt die technische verantwoording niet ontkracht. De verwerende partij beperkt zich daarin tot het louter “verwijzen naar bepaalde prijsinformatie waarover [zij] stelt te beschikken”. Aldus heeft de verwerende partij de bevraging van de inschrijver, bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, als een loutere formaliteit afgehandeld. Door enkel te verwijzen naar bepaalde prijsinformatie, zonder in te gaan op de door de verzoekende partij verstrekte technische verantwoording, heeft de verwerende partij nagelaten de ontvangen verantwoording te beoordelen (schending van artikel 36, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017), is zij tekortgekomen aan de zorgvuldigheidsplicht, heeft zij onredelijk gehandeld en heeft zij haar beslissing niet afdoende gemotiveerd. XII-9288-7/15 Voorts stelt de verzoekende partij vast dat de verwerende partij haar beslissing steunt op inlichtingen die niet van haar (de verzoekende partij) afkomstig zijn, “met name recente eenheidsprijzen voor gelijkaardige opdrachten door meerdere marktpartijen en prijzen van andere inschrijvers”. Deze inlichtingen zijn niet aan haar voorgelegd “teneinde [haar] de kans te geven hierop te reageren”. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij aldus artikel 36, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 geschonden. Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat de verwijzing in het gunningsverslag naar “mariene offshore detecties” geen steek houdt, aangezien de opdracht in kwestie betrekking heeft op de detectie van CTE langs de stranden van de Vlaamse kust, welke geenszins te vergelijken valt met offshoredetecties. Volgens het bestek omvat de opdracht onder meer “[h]et opsporen van ferromagnetische anomalieën op het droog strand, getijdenstrand en onder de laagwaterlijn”. Het gaat dus om een nearshoreopdracht, en geenszins om een offshoreopdracht. Voor offshoreactiviteiten “wordt ander materieel en apparatuur ingezet (grotere boten, ander detectiemateriaal, enz.), met andere prijzen”. Door de prijs die de verzoekende partij heeft aangeboden te vergelijken met prijzen die gelden voor offshoreactiviteiten, heeft de verwerende partij de eigen bestekbepalingen miskend (schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti), is zij haar beoordelingsplicht niet nagekomen en heeft zij onzorgvuldig en onredelijk gehandeld. Beoordeling
  18. Artikel 36, §§ 1 tot 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt wat volgt: “§
  19. Indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, voert de aanbestedende overheid een bevraging van deze laatste uit. […] §
  20. Bij de prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte prijs of kost te verstrekken binnen een termijn van twaalf dagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn XII-9288-8/15 bepaalt. […] […] §
  21. De aanbestedende overheid beoordeelt de ontvangen verantwoordingen en : 1° stelt ofwel vast dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 2° ofwel, stelt vast dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 3° ofwel, motiveert in de gunningsbeslissing dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont. […] In het kader van beoordeling kan de aanbestedende overheid ook rekening houden met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver. Deze gegevens worden voorgelegd aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren. […].”
  22. Bij de toepassing van artikel 36, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit beschikt de aanbestedende overheid in beginsel over een beoordelingsruimte om de gegeven prijsverantwoording al dan niet te aanvaarden. De Raad van State mag zich, gesteld voor de toetsing van een dergelijke beoordeling, niet in de plaats stellen van het bestuur en zelf de beoordeling van de prijsverantwoording overdoen. Het komt hem enkel toe om desgevraagd de beoordeling op haar rechtmatigheid te toetsen. Aldus kan hij nagaan of de beoordeling door de overheid berust op voldoende veruitwendigde en in feite en in rechte draagkrachtige motieven, of die motieven na een zorgvuldig onderzoek van het dossier tot stand zijn gekomen, en of de overheid de perken van haar beoordelingsruimte niet te buiten is gegaan. Hierbij herinnert de Raad eraan dat een vraag tot prijsverantwoording een ernstige aangelegenheid is en dat een om prijsverantwoording gevraagde inschrijver op een overheidsopdracht dient te weten dat hij het risico loopt dat zijn offerte onregelmatig wordt verklaard. Hij mag zich niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient zijn abnormaal laag of hoog lijkende prijs specifiek, concreet onderbouwd en zo volledig mogelijk gestaafd te verantwoorden. XII-9288-9/15
  23. De verwerende partij heeft aan de verzoekende partij een vraag tot prijsverantwoording gesteld voor onder meer post 6 ‘detecteren van CTE op het water’. Zij vermeldde hierbij uitdrukkelijk dat de prijsverantwoording inzicht moest geven “in de samenstelling van de eenheidsprijzen en/of de totaalprijs, zodat de aanbestedende overheid kan nagaan dat de kosten redelijk zijn ingeschat”. In haar prijsverantwoording stelt de verzoekende partij, met verwijzing naar een aantal kenmerken van de uit te voeren detectie (vaarsnelheid, duurtijd, lijnspatiëring, tijd benodigd voor het te water laten van het surveyvaartuig, het opstellen van de meetconfiguratie en het varen van een testlijn), dat het inmeten van 2 hectare op één meetdag realistisch is. Vervolgens geeft zij de prijsopbouw voor een dagprijs, met vermelding van de prijs voor elk van de prijscomponenten. Ten slotte herhaalt zij dat de opgegeven dagprijs geldt voor het inmeten van een oppervlakte van 20.000 m2, zijnde de vermoedelijke hoeveelheid die in de opdrachtdocumenten is opgegeven. In het gunningsverslag aanvaardt de verwerende partij deze prijsverantwoording niet. Zij stelt dat “[e]en prijsvergelijking met recente eenheidsprijzen voor gelijkaardige opdrachten (door meerdere marktpartijen) alsook een vergelijking van de aangeboden eenheidsprijs ten aanzien van de overige en gemiddelde inschrijvingsprijzen doen […] besluiten dat een abnormaal lage eenheidsprijs wordt gehanteerd met een mogelijk speculatief karakter. De aangeboden eenheidsprijs ligt immers significant lager en is niet aangepast aan het detecteren van CTE in mariene offshore condities. De onrealistische eenheidsprijs biedt geen garantie op een kwalitatieve uitvoering van de ferromagnetische detectie op het water, onder de basislijn of in de havens”.
  24. Voor zover de verzoekende partij vooreerst aanvoert dat de gegeven prijsverantwoording niet concreet wordt weerlegd, kan te dezen worden vastgesteld dat de prijsverantwoording die de verzoekende partij voor post 6 heeft gegeven eerder summier is, minstens wat betreft de prijscomponenten, en dat die verantwoording ook niet concreet verwijst naar stukken tot staving van de componenten van de voorgestelde prijs. XII-9288-10/15 Voorts blijkt uit het gunningsverslag, op het eerste gezicht, dat de prijs niet als realistisch wordt aanvaard, gelet op de volgende elementen: ‐ een prijsvergelijking met recente eenheidsprijzen voor gelijkaardige opdrachten, ‐ een vergelijking met de overige en gemiddelde inschrijvingsprijzen van deze opdracht, ‐ het niet aangepast zijn van de eenheidsprijs aan het detecteren van CTE in mariene offshorecondities, ‐ het gebrek aan garantie op een kwalitatieve uitvoering van de ferromagnetische detectie op het water, onder de basislijn of in de havens. Aldus lijkt de verwerende partij tegenover de elementen die de verzoekende partij aanhaalt, andere elementen te stellen die de eerstgenoemde elementen tegenspreken. Voorshands is de Raad van State van oordeel dat die werkwijze niet impliceert dat de verwerende partij geen oog heeft gehad voor de zogenaamde “technische verantwoording” die de verzoekende partij heeft gegeven. Voorshands neemt de Raad van State ook aan dat de verwerende partij niet onzorgvuldig gehandeld heeft door het onrealistisch karakter van de voorgestelde eenheidsprijs af te leiden uit (onder meer) de “significante” afwijking van die prijs ten opzichte van de overige bij de vergelijking betrokken prijzen. Voor het overige lijkt de verwerende partij niet buiten de haar toekomende beoordelingsruimte te zijn getreden.
  25. Voor zover de verzoekende partij voorts aanvoert dat de verwerende partij bij het prijsonderzoek inlichtingen heeft betrokken die niet afkomstig zijn van de inschrijver zelf, zonder die inlichtingen aan de verzoekende partij voor te leggen en zonder haar de kans te geven om hierop te reageren, moet vastgesteld worden dat artikel 36, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat de aanbestedende overheid rekening kan houden “met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver” en dat “deze gegevens worden voorgelegd aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren”. XII-9288-11/15 De verplichting om de bedoelde gegevens voor te leggen aan de inschrijver “vloeit voort uit artikel 69.3 van richtlijn 2014/24/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG], waarin is bepaald dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling in overleg moet treden met de inschrijver” (verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit plaatsing 2017, BS 9 mei 2017, p. 55356). Die verplichting kan evenwel niet los gezien worden van de andere bepalingen van de wetgeving en reglementering inzake overheidsopdrachten. In dit verband moet rekening gehouden worden met artikel 13, § 2, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’, naar luid waarvan, “onverminderd de verplichtingen inzake de bekendmaking van gegunde overheidsopdrachten en de informatieverstrekking aan kandidaten, deelnemers en inschrijvers, […] de aanbesteder de informatie die hem door een ondernemer als vertrouwelijk is verstrekt, met inbegrip van eventuele fabrieks- of bedrijfsgeheimen en de vertrouwelijke aspecten van de offerte, niet bekend [maakt]”. Nu de inlichtingen die vanwege derden zijn verkregen in het bijzonder bestaan uit – zoals door de verzoekende partij zelf omschreven – “recente eenheidsprijzen voor gelijkaardige opdrachten door meerdere marktpartijen en prijzen van andere inschrijvers”, lijken zij onder de toepassing van de voornoemde wetsbepaling te vallen. Voorshands gaat de Raad van State ervan uit dat de verwerende partij die inlichtingen terecht niet heeft meegedeeld aan de verzoekende partij. Voor zoveel als nodig merkt de Raad van State nog op dat in het administratief dossier wel degelijk een vertrouwelijk stuk voorkomt, dat een tabel bevat met een vergelijking tussen recente eenheidsprijzen voor analoge activiteiten.
  26. Voor zover de verzoekende partij ten slotte nog het motief bekritiseert dat haar eenheidsprijs “niet aangepast [is] aan het detecteren van CTE in mariene offshore condities”, in de zin dat het uitgangspunt van offshore niet juist is, lijkt met de verwerende partij en de tussenkomende partij te kunnen worden vastgesteld dat de verzoekende partij een onderscheid tussen offshore en nearshore XII-9288-12/15 maakt dat niet relevant is. In het gunningsverslag wordt niet gesteld dat het detecteren van CTE “offshore” moet gebeuren, waarbij offshore dan begrepen zou moeten worden in tegenstelling tot nearshore. Het lijkt er eerder op dat met de woorden “mariene offshore condities” verwezen wordt naar het feit dat het bij post 6 gaat om het detecteren van CTE “op het water”. Met de tussenkomende partij kan voorshands worden aangenomen dat post 6, die betrekking heeft op de detectie “van de kust weg”, hiermee impliciet afgezet wordt tegen andere posten, in het bijzonder posten 4 en 5, die betrekking hebben op de detectie van CTE “op het strand of het land”.
  27. Gelet op het voorgaande, slaagt de verzoekende partij er niet in aan te tonen dat de verwerende partij op een onrechtmatige wijze zou hebben besloten dat de prijsverantwoording van de verzoekende partij voor haar abnormaal laag lijkende eenheidsprijs voor post 6 onvoldoende was om de schijn van abnormaliteit weg te nemen. Het tweede middel is bijgevolg niet ernstig. C. Eerste en derde middel
  28. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een exceptie van onontvankelijkheid van het eerste en het derde middel op, in de hypothese dat het tweede middel niet ernstig is bevonden. Zij voeren aan dat het eerste en het derde middel in die hypothese onontvankelijk zijn bij gebrek aan belang.
  29. Zoals hiervoor uiteengezet, wordt de offerte van de verzoekende partij op drie onderscheiden gronden als substantieel onregelmatig beschouwd (zie overweging 3.5, hiervoor). Het motief betreffende de abnormaal lage prijs voor post 6 volstaat evenwel op zich om de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig te verklaren. Nu het daartegen gerichte middel (tweede middel) niet ernstig is bevonden, is het niet meer nodig om in te gaan op de kritiek die de verzoekende XII-9288-13/15 partij in het eerste en het derde middel doet gelden. Die kritiek heeft betrekking op respectievelijk een voorbehoud in verband met de inzet van 25-tonkranen en de niet-aanvaarding van de prijsverantwoording voor post
  30. De verzoekende partij heeft immers geen belang bij die kritiek nu deze, zelfs indien het ene of het andere middel, of zelfs beide middelen ernstig zouden zijn, niet meer tot de vaststelling kan leiden dat haar offerte ten onrechte substantieel onregelmatig is bevonden.
  31. De exceptie is dan ook ernstig. VIII. Besluit
  32. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  33. Het verzoek van de nv Aannemingen M. en J. Braet tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  34. De Raad van State verwerpt de vordering.
  35. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-9288-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9288-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.