id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.298 Rolnummer: A. 237860/VII-41789 Zaak: Arrest 255298 - Niet begeleide minderjarigen - 19/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-22 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 08:03 Fiche Arrest nr 255.298 van 19 december 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.298 van 19 december 2022 in de zaak A. 237.860/VII-41.789 In zake: Chah KUNENG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 23 november 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-41.789-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december 2022, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker komt België binnen en hij dient op 8 november 2022 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Zuid-Soedanese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 4 juni
- Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 21 november 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 21/11/2022 een leeftijd heeft van 21.5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 23 november 2022 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. VII-41.789-2/9 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker zet onder het kopje “uiterst dringende noodzakelijkheid uiteen: “Toegang tot het opvangnetwerk voor verklaarde minderjarigen werd door de Belgische Staat afhankelijk gemaakt van het resultaat van een medische leeftijdstest. Zoals de Dienst Voogdij ondertussen echter zelf aangeeft, dienen verklaarde minderjarigen éérst opvang te genieten vooraleer ze een leeftijdstest kunnen ondergaan […]. Maar niet-begeleide minderjarigen aan wiens leeftijd getwijfeld wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken krijgen slechts toegang tot het opvangnetwerk als hun verklaarde leeftijd wordt bevestigd door een medische leeftijdstest […] Volgens de woordvoerder van de bevoegde staatssecretaris hanteert de Belgische Staat de 'duidelijke werkwijze dat bij flagrant uitziende meerderjarigheid geen opvang kan geboden worden wanneer er onvoldoende plaatsen zijn’ […]. Het blijkt dus duidelijk dat de Dienst Voogdij zelf van oordeel is dat een medische test ondergaan niet kan zolang er geen opvang voorzien is, maar dat opvang slechts kan volgens de bevoegde staatssecretaris indien de minderjarigheid bevestigt wordt door de test. Er wordt met andere woorden aangetoond dat de bestreden beslissing tussen verzoeker en zijn toegang tot opvang staat. VII-41.789-3/9 Ten gevolge van de bestreden beslissing krijgt verzoeker geen toegang tot het opvangnetwerk maar geniet hij ook geen materiële bijstand, i.e. conform art. 2, 6° van de Opvangwet: huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding, de toekenning van een dagvergoeding de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten ais tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer. Verzoeker heeft krijgt ook geen bijstand van een voogd van de dienst Voogdij bij zijn verblijfprocedures en andere administratieve aangelegenheden, Tot slot brengt de bestreden beslissing ook verzoekers recht op onderwijs in het gedrang.” Verder zet verzoeker onder het kopje “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” nog uiteen: “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing berokkent verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoeker krijgt ten gevolge van de bestreden beslissing geen toegang tot het opvangnet, hetgeen een schending van zijn menselijke waardigheid inhoudt en verzoeker in een staat van verregaande materiële deprivatie brengt. Het nemen van de bestreden beslissing terwijl verzoeker geen opvang, geen bijstand van een voogd, geen voedsel, geen medische en psychologische bijstand krijgt van de Belgische Staat, en in staat van verregaande procedurele onzekerheid verkeert maakt een vernederende behandeling uit en schendt zijn hoger belang als kind. Door de bestreden beslissing heeft verzoeker niet het recht om bijgestaan en vertegenwoordigd te worden door een voogd bij zijn verblijfsprocedures en andere administratieve aangelegenheden. Tot slot zal de bestreden beslissing ook verzoekers recht op onderwijs in het gedrang brengen.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. VII-41.789-4/9 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). VII-41.789-5/9
- Uit persberichten met onder meer een standpunt van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie leidt verzoeker af dat enerzijds een voorgehouden niet-begeleide minderjarige vreemdeling eerst opvang moet hebben alvorens kan worden overgegaan tot een leeftijdstest, maar dat anderzijds de voorgehouden niet-begeleide minderjarige aan wiens leeftijd wordt getwijfeld door de dienst Vreemdelingenzaken, slechts toegang krijgt tot het opvangnetwerk als zijn verklaarde leeftijd wordt bevestigd door een medische leeftijdstest. Verzoeker kan zich wat dat betreft niet beroepen op het ondergaan van onherroepelijke zware gevolgen, net omdat in zijn geval wel degelijk een leeftijdstest heeft plaatsgevonden. Het voorgehouden probleem dat verzoeker niet in aanmerking komt voor opvang in afwachting van een leeftijdstest en een beslissing of verzoeker al dan niet ouder dan 18 jaar is, stelt zich dus niet.
- Verzoeker laat gelden dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing geen toegang krijgt tot het opvangnetwerk en ook geen materiële bijstand geniet. Artikel 3 van de wet van 12 januari 2007 ‘betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen’ (hierna: wet van 12 januari 2007) voorziet dat “elke asielzoeker […] recht [heeft] op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”, waarbij onder “opvang” wordt verstaan “de materiële hulp […] die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn”. In artikel 2, 6°, van de wet van 12 januari 2007 wordt “materiële hulp” gedefinieerd als “de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding” en “[…] eveneens de VII-41.789-6/9 toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer”. In de voornoemde bepalingen gaat het om elke verzoeker om internationale bescherming, niet enkel om de niet-begeleide minderjarige. Verzoeker wordt dus niet uitgesloten van de voornoemde opvang en materiële hulp omdat hij als ouder dan 18 jaar wordt beschouwd. Het door verzoeker voorgehouden nadeel is derhalve geen gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing maar wel van het feit dat hem de in de wet van 12 januari 2007 voorziene opvang niet wordt gegeven of dat die opvang niet beschikbaar is. Verzoeker toont niet aan dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hierin verandering zou brengen. Verzoeker bevestigt dit in wezen door een verzoekschrift te hebben ingediend bij de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel om langs die weg de voormelde opvang te verkrijgen.
- Verzoeker verschaft niet de minste toelichting over de aard van het onderwijs dat hij volgde en zou willen verderzetten of dat hij zou willen aanvangen. Hij maakt derhalve niet aannemelijk dat zijn recht op onderwijs in het gedrang zou komen omwille van de tenuitvoerlegging van de bestreden leeftijdsbeslissing.
- Dat verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissing niet het recht heeft te worden bijgestaan door een voogd bij zijn “verblijfsprocedures en andere administratieve aangelegenheden”, is inherent aan die leeftijdsbeslissing en verantwoordt op zich niet de uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoeker beperkt zich hierbij opnieuw tot een algemene stelling, zonder concreet aan te geven om welke procedures of aangelegenheden het zou gaan. Dit klemt des te meer in het licht van de in artikel 2, 6°, van de wet van 12 januari 2007 voorziene toegang tot juridische bijstand en tolkdiensten die, zoals supra reeds aangegeven, geldt voor elke verzoeker om internationale bescherming. VII-41.789-7/9
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aantoont. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Kosten – begroting van de rechtsplegingsvergoeding
- Ingevolge de verwerping van de vordering bij gebrek aan uiterst dringende noodzakelijkheid dient verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd. Op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de rechtsplegingsvergoeding, indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Te dezen blijkt dergelijke situatie niet. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.789-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend tweeëntwintig door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.789-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.298 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div