← België

Arrest 255310 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 20/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.310 Rolnummer: A. 235138/IX-9980 Zaak: Arrest 255310 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 20/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-20 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 08:04 Fiche Arrest nr 255.310 van 20 december 2022 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.310 van 20 december 2022 in de zaak A. 235.138/IX-9980 In zake : Raphaël VANTHEMSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vallery Declercq kantoor houdend te 8570 Anzegem Kerkstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 4 november 2021 waarbij aan Raphaël Vanthemsche een hulp van 10.000 euro wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 maart 2022. IX-9980-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2022. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Staelens, die loco advocaat Vallery Declercq verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Valeriya Lauwers, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 6 september 2011 is verzoeker het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door N.M. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, zetelend in strafzaken, van 14 december 2015 wordt N.M. voor de hiervóór vermelde feiten veroordeeld. IX-9980-2/11 Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 11 januari 2017 wordt dat vonnis bevestigd en wordt de zaak terug naar de eerste rechter verwezen voor de verdere afhandeling van de burgerlijke belangen. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, zetelend in strafzaken, van 31 januari 2018 wordt N.M. veroordeeld tot het betalen aan verzoeker van de som van 73.985,12 euro te vermeerderen met de intresten. Bij de uitvoering van dit vonnis blijkt N.M. onvermogend te zijn. 3.2. Verzoeker ontvangt bij wege van tussenkomst van zijn persoonlijke ongevallenverzekeraar (KBC) een eenmalige vergoeding van 10.356,84 euro. 3.3. Op 3 juli 2018 dient verzoeker als slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad een verzoek om financiële hulp in bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: de commissie). Hij vraagt om de toekenning van een hulp van 64.828,28 euro, samengesteld als volgt: - hoofdsom conform vonnis van 31 januari 2018 73.985,12 euro - tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid 6.016,00 euro - blijvende persoonlijke ongeschiktheid (30 %) 67.969,12 euro - uitkering KBC -10.356,84 euro - rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 euro 3.4. Op 4 november 2021 kent de commissie “in billijkheid” aan verzoeker een totale hulp toe van 10.000 euro. De relevante overwegingen van deze beslissing luiden als volgt: “De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel IX-9980-3/11 bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden. Bij de beoordeling van het voorliggend hulpverzoek houdt de Commissie rekening met de volgende elementen: - het eigen gedrag van verzoeker (‘het gedrag van de verzoeker of van het slachtoffer indien dit gedrag rechtstreeks of onrechtstreeks heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan’, zoals geformuleerd in artikel 33, §1, van voornoemde wet); - de richtbedragen, zoals weergegeven in de indicatieve tabel opgesteld door het Nationaal verbond van magistraten van eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters; - de door verzoeker ontvangen vergoedingen vanwege KBC; - het gegeven dat er geen financiële hulp wordt toegekend voor de rechtsplegingsvergoeding. Immers, de rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Deze kosten en erelonen worden in principe betaald door de rechtsbijstandsverzekeraar. Indien deze kosten door de Commissie zouden worden uitgekeerd, zou dit bedrag niet ten goede komen aan verzoeker, maar dient hij dit bedrag door te storten aan de maatschappij. Gelet op het bovenstaande kent de Commissie in billijkheid een globale hulp toe van € 10.000.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. In zijn memorie van wederantwoord werpt verzoeker op dat het afschrift van de memorie van antwoord van de verwerende partij niet ondertekend is. Verzoeker stelt dat overeenkomstig artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ elk processtuk ondertekend dient te zijn en dat er zes voor eensluidend verklaarde kopieën gevoegd dienen te zijn. Volgens verzoeker lijkt IX-9980-4/11 niet aan deze vereiste te zijn voldaan, zodat de memorie van antwoord uit de debatten dient te worden geweerd. 5. De verwerende partij heeft in het kader van deze zaak gekozen voor de elektronische procesvoering. Overeenkomstig artikel 42 van het voormelde koninklijk besluit van 30 november 2006 is artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van toepassing op de cassatieprocedure. De memorie van antwoord werd elektronisch ingediend. Overeenkomstig artikel 85bis, § 5, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wordt deze geacht ondertekend te zijn door de registratiehouder die ze neerlegde. Er is dan ook geen reden om de memorie van antwoord uit het debat te weren. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6.1. In het enige middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de Grondwet. Volgens verzoeker heeft de commissie niet duidelijk en ondubbelzinnig de redenen weergegeven die haar ertoe hebben gebracht de bestreden beslissing te nemen en de door de partijen aangevoerde middelen te aanvaarden of te verwerpen. 6.2. Verzoeker betoogt dat de commissie zich ertoe heeft beperkt het theoretisch kader te schetsen waarbinnen er geoordeeld zou worden. Hij stelt te IX-9980-5/11 weten dat de commissie steeds rekening houdt met een eventueel eigen gedrag van de aanvrager, met de richtbedragen zoals bepaald in de indicatieve tabel, met eventuele tussenkomsten van de verzekeringen en met het feit dat er specifieke regels zijn voor wat betreft de al dan niet toekenning van hulp voor de rechtsplegingsvergoeding. 6.3. Volgens verzoeker heeft de commissie voornoemde “principes” echter niet in concreto toegepast. De commissie verwijst naar verschillende elementen waarmee rekening gehouden zou zijn om tot de bestreden beslissing te komen, maar het is voor verzoeker onmogelijk te achterhalen welke elementen welke impact op die beslissing hebben gehad. Zo is het voor verzoeker onduidelijk of er rekening werd gehouden met zijn eigen gedrag en – in bevestigend geval – over welk gedrag dit dan wel zou gaan en in welke mate dit dan effectief een invloed heeft gehad op de bestreden beslissing. Ook refereert de commissie aan de richtbedragen bepaald in de “indicatieve tabel”, maar volgens verzoeker verduidelijkt zij niet welke concrete gevolgen dit voor zijn dossier zou hebben gehad. Verzoeker meent zijn schade correct begroot te hebben overeenkomstig de “indicatieve tabel”, doch de commissie laat in het midden of zij hetzelfde oordeel was toegedaan, waardoor hij niet weet hoe hij de beslissing van de commissie kan inschatten. Ten slotte wijst verzoeker erop dat de commissie in de bestreden beslissing melding maakt van “de door verzoeker ontvangen vergoedingen vanwege KBC”, wat wijst op meerdere tegemoetkomingen, terwijl hij slechts één tegemoetkoming van de nv KBC Verzekeringen heeft ontvangen. Het is voor hem dan ook volstrekt onduidelijk welke vergoeding(

  1. en)de commissie in acht heeft genomen. IX-9980-6/11 7. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij herhaaldelijk heeft aangegeven nimmer risicovol gedrag vertoond te hebben. Dit vormt volgens hem een duidelijk afgelijnd middel waarop de commissie nimmer gereageerd heeft. Waar de commissie in haar beslissing stelt dat zij onder meer “[b]ij de beoordeling van het voorliggend hulpverzoek […] rekening [houdt] met […] het eigen gedrag van verzoeker”, liet de commissie aldus in het midden of hij dergelijk gedrag zou hebben gesteld. Er wordt al zeker niet aangeduid welk gedrag verzoeker zou hebben vertoond en op welke wijze dit dan eventueel zou hebben bijgedragen tot het ontstaan of de toename van schade, zodat dit geen “duidelijke en/of ondubbelzinnige redengeving” vormt. Beoordeling 8. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de commissie. De bij de voormelde grondwetsbepaling opgelegde verplichting voor de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een juiste dan wel een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde IX-9980-7/11 gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt wel in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State in de mogelijkheid stellen zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk heeft geantwoord. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan dan ook slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet overtuigend weerlegt. 9.1. In een eerste onderdeel stelt verzoeker dat het “voor [hem] onduidelijk [is] of er rekening gehouden werd met een eigen gedrag van verzoeker en – in het bevestigende geval – over welk gedrag dit dan wel zou gaan en in welke mate dit dan effectief een invloed gehad heeft op de eindbeslissing van de Commissie”. 9.2. In de bestreden beslissing heeft de commissie erop gewezen dat zij bij de beoordeling van het “voorliggend hulpverzoek” onder meer rekening heeft gehouden met “het eigen gedrag van verzoeker” dat “rechtstreeks of onrechtstreeks heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan”. In de bestreden beslissing citeert de commissie het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 januari 2017 waarin wordt gesteld dat “de beklaagde IX-9980-8/11 [lees: N.M.] de burgerlijke partij [lees: verzoeker] eerst vast nam bij de neus, gevolgd door de burgerlijke partij [lees: verzoeker] die aan de beklaagde [lees: N.M.] een lichte slag heeft toegebracht, waarna de beklaagde [lees: N.M.] dat op zijn beurt liet volgen door het toebrengen van een aantal onevenredig zware slagen aan de burgerlijke partij [lees: verzoeker]”. Hieruit leidt de commissie af dat “het eigen gedrag van verzoeker […] heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan”. Uit wat voorafgaat volgt dat de commissie hiermee heeft voldaan aan de haar opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht. 9.3. Het onderdeel faalt naar recht. 10.1. In een tweede onderdeel stelt verzoeker dat de commissie refereert aan de richtbedragen bepaald in de “indicatieve tabel”, maar niet verduidelijkt welke concrete gevolgen dit voor zijn dossier zou hebben gehad. 10.2. Luidens artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door artikel 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoeker geleden schade. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat “[b]ij de beoordeling van het voorliggend hulpverzoek” onder meer rekening werd gehouden met “de richtbedragen, zoals weergegeven in de indicatieve tabel opgesteld door het Nationaal verbond van magistraten van eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters”. Hiermee heeft de commissie voldaan aan de haar opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht. IX-9980-9/11 10.3. Het onderdeel faalt naar recht. 11.1. In een derde onderdeel wijst verzoeker erop dat de commissie in de bestreden beslissing melding maakt van “de door verzoeker ontvangen vergoedingen vanwege KBC”, wat wijst op meerdere tegemoetkomingen, terwijl hij slechts één tegemoetkoming van de nv KBC Verzekeringen heeft ontvangen. Het is voor hem dan ook volstrekt onduidelijk welke vergoeding(
  2. en)de commissie in acht heeft genomen. 11.2. Uit het administratief dossier – dat bij de bestreden beslissing is gevoegd – blijkt dat verzoeker op 22 mei 2020 aan de commissie heeft meegedeeld dat hij van de nv KBC Verzekeringen reeds een bedrag van 24.789,35 euro heeft ontvangen. In acht genomen dat bij de begroting van zijn hulpverzoek verzoeker aanvankelijk slechts melding heeft gemaakt van een uitkering van de nv KBC Verzekeringen van 10.356,84 euro, heeft de commissie dan ook in de bestreden beslissing terecht gewag gemaakt van “vergoedingen”. 11.3. Het onderdeel faalt naar recht. 12. Het enige middel faalt naar recht. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9980-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9980-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.