← België

Arrest 255323 - Milieuvergunningen - 20/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.323 Rolnummer: A. 236495/VII-41435 Zaak: Arrest 255323 - Milieuvergunningen - 20/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-05 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:04 Fiche Arrest nr 255.323 van 20 december 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.323 van 20 december 2022 in de zaak A. 236.495/VII-41.435 In zake: de BV AQUA SAUNA PLEZIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:

  1. Christel NOENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de VME RESIDENTIE MELKERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nick Heinen en Heleen Geerts kantoor houdend te 2930 Brasschaat Bredabaan 652 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 15 juli 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 11 mei 2022 “houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit houdende bestuurlijke VII-41.435-1/5 maatregelen van 27 januari 2022 van de toezichthouder van IGEAN opgelegd aan de bvba Aqua Sauna Plezier”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 253.974 van 10 juni 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij hebben een nota ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 september 2022 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes en mede-eigenaar Hans Klomp, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-41.435-2/5 III. Feiten
  7. De feiten werden uiteengezet bij arrest nr. 253.974 van 10 juni 2022 waarbij de vordering van de verzoekende partij tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat niet voldaan was aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te willigen.
  8. De Raad van State heeft in dat arrest besloten dat de drie middelen van de verzoekende partij niet ernstig zijn gebleken. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  9. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Zij betoogt dat de Raad van State de eerste vordering tot schorsing van de bestreden beslissing met voormeld arrest nr. 253.974 heeft verworpen “niet omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aanvaard werd, maar omdat geen van de drie middelen van de verzoekende partij als ernstig aangenomen werd”. Met verwijzing naar artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, besluit zij dat de “ontvankelijkheidsvoorwaarde om een nieuwe vordering tot schorsing in te dienen […] niet vervuld [is]. Het maakt daarbij geen verschil uit dat de verzoekende partij in het huidige verzoekschrift thans gewag maakt van ‘nieuwe elementen en bewijsstukken’ (quod non). Of een navolgende schorsing al dan niet ontvankelijk ingediend kan worden, hangt af van het motief op grond waarvan de eerdere vordering tot schorsing (al dan niet bij UDN) verworpen werd, ongeacht de aangevoerde middelen”.
  10. De verzoekende partij gaat ter terechtzitting voorbij aan deze exceptie. VII-41.435-3/5 Beoordeling
  11. Het voorwerp van de huidige vordering van de verzoekende partij is identiek aan haar eerdere vordering die zij heeft ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en die geleid heeft tot voormeld arrest nr. 253.974 van 10 juni 2022 dat de vordering van de verzoekende partij heeft verworpen omdat was gebleken dat haar drie middelen niet ernstig waren.
  12. Artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd”.
  13. Uit deze bepaling volgt dat een nieuwe vordering tot schorsing slechts mogelijk is wanneer de afdeling bestuursrechtspraak de eerdere vordering tot schorsing heeft verworpen “wegens het gebrek aan spoedeisendheid” en wanneer de nieuwe vordering “steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”.
  14. In onderhavige zaak heeft de afdeling bestuursrechtspraak de eerste vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de verzoekende partij tot schorsing van de thans opnieuw bestreden bestuurlijke maatregel niet afgewezen omdat er geen dringende noodzakelijkheid voorhanden was.
  15. In die omstandigheden laat de aangehaalde bepaling niet toe dat een nieuwe vordering tot schorsing van dezelfde bestuurlijke beslissing kan worden ingediend ook al zou de vordering steunen op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van die nieuwe vordering kunnen rechtvaardigen. VII-41.435-4/5
  16. Bijgevolg kan de nieuwe vordering van de verzoekende partij niet worden toegelaten.
  17. De vordering wordt verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.435-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.323 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.974 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.