← België

Arrest 255364 - Voedselveiligheid (FAVV) - 22/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.364 Rolnummer: A. 232037/VII-40937 Zaak: Arrest 255364 - Voedselveiligheid (FAVV) - 22/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-05 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:07 Fiche Arrest nr 255.364 van 22 december 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.364 van 22 december 2022 in de zaak A. 232.037/VII-40.937 In zake : Lieven VANDECASTEELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Doutreluingne en Arnold Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing van de Directeur-Generaal van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, DG Controle, Nationale Opsporingseenheid dd. 20.08.2020 strekkende tot het opleggen van een versterkte controle met de code H07 op het bedrijf van de heer Lieven Vandecasteele in toepassing van artikel 7 §3 van het Koninklijk Besluit dd. 27.02.2013”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.937-1/16 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 20 december 2021 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 november 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij , is gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker baat een eenmanszaak uit gelegen te 8554 Zwevegem, Heynholwegel 1, met als activiteiten het fokken van runderen en ondersteunende activiteiten in verband met de veeteelt en de teelt van gewassen. Op 22 juni 2020 neemt het FAVV 234 dieren die worden vetgemest en behoren tot de uitbating van verzoeker, voorlopig in beslag met het oog op het nemen van monsters. De aanleiding voor dit optreden is dat eerder in het slachthuis te Anderlecht een monster met nummer 2307/19/0104 was genomen van een ter slachting aangeboden dier dat aan verzoeker toebehoorde, dat niet-conform werd bevonden op residuen van exogeen testosteron of een precursor hiervan. VII-40.937-2/16 3.2. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat de monsters met nummers 2473/20/0020 en 2473/20/0021, genomen naar aanleiding van het voorlopige beslag, niet conform zijn op dexamethasonefosfaat. Er wordt overgegaan tot de definitieve inbeslagname van de voorlopig in beslag genomen dieren. 3.3. Op 17 augustus 2020 meldt de directeur-generaal van het FAVV zijn voornemen om aan het bedrijf van verzoeker de H-code toe te kennen en het onder versterkte controle te plaatsen. 3.4. Nadat verzoeker meldt dat hij verzaakt aan zijn recht om bezwaren te uiten tegen het voornemen, beslist de directeur-generaal op 20 augustus 2020 dat het bedrijf wordt onderworpen aan de versterkte controle met de code H07. Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd: “Op 17 augustus 2020 werd u bij aangetekende brief, gewone post en e-mail, alsook uw advocaat Arnold GITS per mail (bijlage 1), op de hoogte gebracht van de intentie van het FAVV om uw bedrijf gelegen te Heynholwegel 1, 8554 Sint-Denijs (Beslag: BE 310-16442) te onderwerpen aan een versterkte controle omdat op uw bedrijf het gebruik van testosteron of een analoge substantie (bijvb. een precursor) werd aangetoond. Op 18 augustus 2020 gaf uw advocaat GITS Arnold d.m.v. een brief (bijlage 2) die ons op 18/08/2020 per mail bereikte aan dat u wenst te verzaken aan de termijn van 15 kalenderdagen om uw bezwaren op de versterkte controle uit te oefenen. Aangezien u uitdrukkelijk afstand doet van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen deze intentie en om gehoord te worden door de evaluatiecommissie deel ik u mee dat in toepassing van art. 7 §3 van het Koninklijk Besluit van 27 februari 2013 uw bedrijf onderworpen wordt aan deze versterkte controle met de code H07 die opgelegd werd. De 2 cijfers geven weer welke stof aanleiding heeft gegeven voor de toekenning van deze code. Gelieve grondig kennis te nemen van onderstaande maatregelen die op uw bedrijf worden opgelegd: - De versterkte controlemaatregelen zijn van kracht gedurende 52 weken - De dieren zijn uitsluitend bestemd voor een slachthuis gelegen op het nationaal grondgebied. - Monsterneming in het slachthuis op runderen wordt uitgevoerd door 1 monster per 10 geslachte dieren of fractie van 10 dieren die deel uitmaken van eenzelfde lot. VII-40.937-3/16 - Monsternemingen op het bedrijf worden tweemaal in deze periode van 52 weken uitgevoerd. - Bedrijfsinspecties worden tweemaal in deze periode van 52 weken uitgevoerd. - Alle behandelingen uitgevoerd op de runderen moeten verplicht geregistreerd worden gedurende deze 52 weken. De identificatiedocumenten van alle dieren waar u momenteel beslagverantwoordelijke van bent met name op het adres Heynholwegel 1 - 8554 Sint-Denijs zullen door het FAVV gemerkt worden met de code H07 op uw kosten. Geen enkel dier dat alzo gemerkt is, mag het beslag verlaten, tenzij het rechtstreeks naar een binnenlands slachthuis gebracht wordt. Het verhandelen van kalveren geboren op uw bedrijf en jonger dan 30 dagen is niet onderworpen aan deze beperkingsmaatregelen onder voorbehoud dat de dieren niet bestemd zijn voor de slacht binnen 2 maanden. Tenslotte wijs ik erop dat alle kosten door u moeten betaald worden alvorens de identificatiedocumenten kunnen herdrukt worden: - de kosten verbonden aan de versterkte controle, met inbegrip van de kosten voor het herdrukken van de individuele identificatiedocumenten. - alle kosten verbonden aan de enquête, de monsterafname en de analyses”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie wegens het niet hebben uitgeput van het administratief beroep Standpunt van de verwerende partij 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de volgende exceptie op: “[Om] op ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring in te stellen dient [verzoeker] aan te tonen dat men op regelmatige wijze het voorgeschreven administratief beroep heeft uitgeput. Verwerende partij moet vaststellen dat verzoekende partij afstand heeft gedaan van zijn per artikel 13 § 2 van het KB van 27.02.2013 betreffende de controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten voorziene mogelijkheid om bezwaren en beroep aan te tekenen tegen het voornemen tot het onder versterkte controle plaatsen. Dit niet regelmatig uitputten van het beroep heeft de niet ontvankelijkheid van huidig annulatieberoep tot gevolg”. Beoordeling VII-40.937-4/16 5. Met “voorgeschreven administratief beroep” en haar betoog doelt de verwerende partij op het georganiseerd administratief beroep. Dit beroep is door een reglementaire bepaling georganiseerd en brengt voor de overheid de verplichting mee om er gevolg aan te geven. Het georganiseerd administratief beroep garandeert de burger dat de beslissing die hem niet voldoet, door een andere overheid wordt onderzocht en dat er een nieuwe beslissing op volgt. Omdat het georganiseerd beroep de burger in de gelegenheid stelt reeds op het administratieve niveau genoegdoening te krijgen, geldt het regelmatig uitputten van het administratief beroep als een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het indienen van een annulatieberoep bij de Raad van State. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 ‘betreffende de controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten’ (hierna: koninklijk besluit van 27 februari 2013), waaraan de directeur-generaal refereert in zijn brief van 17 augustus 2020, luidt: “§ 1. De directeur-generaal van Controle van het Agentschap deelt het voornemen tot het onder versterkte controle plaatsen evenals de beoogde maatregelen, de periode en de wijze van toepassing mee aan de houder of de eigenaar bedoeld in de artikelen 7, § 3, tweede lid, 8, § 3, tweede lid en 9, § 2, tweede lid. § 2. De houder of de eigenaar, bedoeld in de artikelen 7, § 3, tweede lid, 8, § 3, tweede lid en 9, § 2, tweede lid, beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zijn bezwaren aan het Agentschap te laten kennen. Daartoe zendt hij een met redenen omkleed verzoek aan de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap en voegt er de bewijsstukken aan toe. Hij kan vragen om gehoord te worden door de evaluatiecommissie. § 3. Het verzoek wordt behandeld door een evaluatiecommissie, ingesteld bij het Agentschap. Deze commissie is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de dienst van de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap, een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Controlebeleid van het Agentschap, een vertegenwoordiger van de juridische dienst van het Agentschap en een lid van het Wetenschappelijk Comite en/of een wetenschappelijk expert in het domein. De evaluatiecommissie onderzoekt het met redenen omkleed verzoek, de bijgevoegde bewijsstukken en het verslag van de enquête en zij hoort een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Controle van het Agentschap. Indien daarom verzocht werd, hoort de commissie de houder, VII-40.937-5/16 of de eigenaar bedoeld in de artikelen 7, § 3, tweede lid, 8, § 3, tweede lid en 9, § 2, tweede lid. Deze mag zich laten bijstaan door een raadsman. De evaluatiecommissie kan beslissen een sneladvies van het Wetenschappelijk Comité te vragen. De evaluatiecommissie beschikt over dertig kalenderdagen om een advies te geven vanaf de datum van ontvangst van het met redenen omkleed verzoek van de houder, of de eigenaar bedoeld in de artikelen 7, § 3, tweede lid, 8, § 3, tweede lid en 9, § 2, tweede lid. Indien evenwel het sneladvies van het Wetenschappelijk Comité is gevraagd, wordt de termijn van dertig kalenderdagen opgeschort totdat het advies van het Wetenschappelijk Comité is bekomen”. Vervolgens bepaalt artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013: “§ 1. Bij afwezigheid van overeenkomstig artikel 13, § 2 meegedeelde bezwaren, gaat de versterkte controle in op de eerste dag volgend op de termijn van vijftien kalenderdagen bedoeld in artikel 13, § 2. § 2. Ingeval overeenkomstig artikel 13, § 2 tijdig bezwaren werden meegedeeld, beschikt de directeur-generaal van Controle van het Agentschap over 15 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de evaluatiecommissie om zijn beslissing mee te delen aan degene(

  1. n)die het bezwaar heeft (hebben) ingediend. Indien zijn beslissing het opleggen van een versterkte controle inhoudt, gaat deze in van zodra kennis is gegeven van de beslissing”. Uit de voorgaande bepalingen volgt dat de mogelijkheid om bezwaren te uiten tegen “het voornemen” tot het onder versterkte controle plaatsen, niet kan worden opgevat als een georganiseerd administratief beroep. Het voornemen waarvan sprake in artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, is geen beslissing die door een andere overheid kan worden onderzocht waarna de beslissing van de beroepsinstantie in de plaats komt. Derhalve is de bezwaarmogelijkheid omschreven in artikel 13, § 2, van voormeld koninklijk besluit, geen georganiseerd administratief beroep dat regelmatig dient te worden uitgeput vooraleer zich te kunnen wenden tot de Raad van State. De exceptie wordt verworpen. VII-40.937-6/16 B. Exceptie inzake het belang 6. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op: “Minstens en bovendien stelt zich de vraag naar het belang van verzoekende partij bij de vordering tot nietigverklaring van de beslissing van 20.08.20. Dewelke aldus in wezen een loutere bevestiging inhoudt van het eerdere voornemen bij aangetekend schrijven van 17.08.20. Doch, bij eventuele vernietiging van de beslissing van 20.08.20 blijft nog steeds het voornemen van 17.08.20 bestaan, dewelke niet het voorwerp van beroep uitmaakt en waartegen ook niet op ontvankelijke wijze bezwaren werden ingediend… En waardoor aldus tevens de verscherpte controle volgt bij gebreke aan bezwaren… Verzoekende partij heeft aldus geen belang bij het annulatieberoep waar deze eventuele vernietiging hem geen enkel voordeel kan verlenen”. Beoordeling 7. Voor zover de opwerping van de verwerende partij als een exceptie kan worden beschouwd, stelt de Raad van State vast dat het de bestreden beslissing is die het bedrijf van verzoeker onder versterkte controle plaatst en de daarbij horende maatregelen oplegt. Verzoeker heeft er ontegensprekelijk belang bij dat die beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt. Het eerdere voornemen waartegen verzoeker geen bezwaren conform artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 heeft geuit, is niet meer dan een intentie die pas in concrete vorm werd gebracht met de bestreden beslissing. De “exceptie” wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunten van de partijen 8. In zijn enige middel voert verzoeker de schending aan van artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit ‘betreffende de controlemaatregelen ten VII-40.937-7/16 aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten’. Hij licht het middel als volgt toe: “Uit de beslissing dd. 20.08.2020 blijkt dat het FAVV heeft beslist om ‘in toepassing van artikel 7 §3 van het Koninklijk Besluit van 27 februari 2013 het bedrijf van de heer Vandecasteele te onderwerpen aan de versterkte controle met de code H07 die opgelegd werd’. […] Uit artikel 7 §3 KB dd. 27.02.2013 blijkt aldus dat - om over te kunnen gaan tot het opleggen van de versterkte controle (en de H-code) - de enquête het gebruik of de gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling moet bevestigen. Opdat er aldus toepassing kan worden gemaakt van de versterkte controle moet er sprake zijn van een ‘illegale behandeling’. Dit betreft een absolute voorwaarde om te kunnen besluiten tot het opleggen van een versterkte controle. Het FAVV slaagt er in casu echter op geen enkele manier in om aan te tonen dat er een illegale behandeling heeft plaatsgevonden, zodat de door het FAVV genomen beslissing totaal onrechtmatig voorkomt. Verzoeker verduidelijkt in dit verband dat naar aanleiding van de enquête op zijn bedrijf zowel dierlijke als materiële monsters genomen werden. De dierlijke monsters waren allen conform […], terwijl twee van de materiële monsters uiteindelijk niet conform waren […]. Inzonderheid ging het enerzijds om het monsternummer 2473/20/0020 (plastic spuit met naald) die niet conform bleek te zijn op dexamethasonefosfaat, en anderzijds om het monsternummer 2473/20/0021 (spuit met opschrift ‘Geniaplex’ met naald) die eveneens niet conform bleek te zijn op dexamethasonefosfaat. Het gegeven dat er niet-toegestane stoffen werden gevonden, geeft aan het FAVV nog geen vrijgeleide om lukraak over te gaan tot het opleggen van de versterkte controle. Immers dient zij nog het bewijs te leveren dat de niet-toegestane stoffen gebruikt werden voor een ‘illegale behandeling’. Het staat vast dat het FAVV hierin faalt. Verzoeker herhaalt dat zowel hijzelf als bedrijfsdierenarts Mylle naar aanleiding van hun verhoor dd. 22.07.2020 bevestigd hebben dat de hierboven omschreven spuiten toebehoorden aan de behandelende dierenarts. Daarenboven heeft de bedrijfsdierenarts formeel bevestigd dat hij in het kader van een ademhalingsproblematiek bij de runderen van verzoeker in de periode oktober-november 2019 dexamethasone heeft toegediend. Er is echter nog meer! Op 10.08.2020 werd bedrijfsdierenarts Mylle nogmaals verhoord […]. Alsdan werden aan hem een aantal vragen gesteld nopens de materiële monsters die niet conform waren bevonden. VII-40.937-8/16 Verzoeker acht het aangewezen om de fragmenten m.b.t. de niet-conforme monsters met nummers 2473/20/0020 en 2473/20/0021 integraal te citeren […]: ‘Vraag: welk product en wanneer hebt u het laatst geïnjecteerd met monster 2473/20/0021 spuit Geniaplex met naald? Antwoord: dat is die spuit van mij die ik heb gebruikt om te spuiten tijdens de griepproblemen. Deze werd bewaard, vroeger melkhuisje (afgebroken) en nu in de medicamentenstock: bij binnenkomen links. Ik heb deze achtergelaten vanaf okt. 2019 bij de uitbraak van de IBR omdat ik schrik had om de IBR mee te nemen naar mijn andere klanten. Het was toen ik ze achterliet al een oude spuit VANDECASTEELE Lieven heeft ze nooit teruggegeven. Ze was oorspronkelijk van mij. Vraag: welk product en wanneer hebt u het laatst geïnjecteerd met monster 2473/20/0020: plastiek spuit met naald? Antwoord : dat is ook één van mij, die achtergebleven is. U stelt vast dat dergelijke spuit werd aangekocht bij INOVET op factuur nr. 18004131. Ik voeg mijn facturen als bijlage I aan mijn verhoor.’ Voormelde verklaring is van wezenlijk belang in dit dossier. Het staat immers vast dat in een specifieke context - waarbij producten worden toegediend onder begeleiding van een veearts teneinde te verhelpen aan gezondheidsproblemen van de runderen - men bezwaarlijk kan spreken van een ‘illegale behandeling’. Rekening houdend hiermee is allerminst voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7 §3 KB dd. 27.02.2013”. 9. De verwerende partij antwoordt: “Volgens verzoekende partij is er geen sprake van een illegale behandeling en dit waar uit de enquête zou gebleken dat er enkel twee materiële monsters niet conform waren op de aanwezigheid van dexamethasonefosfaat… Dit zou niet het bewijs zijn van een ‘illegale behandeling’… Verzoekende partij ‘vergeet’ echter kennelijk het niet conforme urinemonster genomen op het rund afkomstig van het veebeslag van verzoekende partij op 13.12.19 in het slachthuis te ANDERLECHT… Inderdaad, deze was niet conform op de aanwezigheid van testosteron of een analoge substantie. Conform het artikel 3 § 1 en 3 § 2 van de Hormonenwet van 15.07.1985 is dit een strikt verboden product in gelijk welke omstandigheden. […] Inderdaad en bovendien, zelfs binnen het kader van een therapeutische behandeling door een dierenarts is dit niet toegelaten !! Het product mag dan ook onder geen enkele omstandigheid toegediend worden noch aangetroffen worden bij een fysieke controle/monstername bij een rund. Dat dit product ook niet endogeen / zelve door het rund aangemaakt kan worden zodat de toediening van het verboden product vaststaat. […] Dit betreft aldus een niet- toegestane stof waarvan de aanwezigheid is aangetoond. (zie artikel 1 en 7 KB 27.02.2013) VII-40.937-9/16 En waarvan tevens de ‘illegale behandeling’ vaststaat waar het aangetroffen product een strikt verboden product betreft dewelke niet zelve/endogeen kan aangemaakt worden. Ook de illegale toediening/behandeling staat aldus vast. Dienvolgens werd door het FAVV een onderzoek/enquête ingesteld naar de oorzaak van deze aanwezigheid van het verboden product. (zie artikel 7 § 1 KB 27.02.2013) Dat echter dit onderzoek geen feiten aan het licht bracht dewelke de verboden aanwezigheid van het product konden rechtvaardigen. Dat dan ook de enquête het gebruik en zeer zeker de gegronde verdenking tot het gebruik / toediening van het verboden product bevestigde zodat het artikel 7 § 3 van het KB en aldus de verscherpte controle terecht werd toegepast. Het is overigens opvallend dat verzoekende partij in zijn verzoekschrift met geen woord dienaangaande rept, laat staan nog probeert om enige vorm van rechtvaardiging te verschaffen aangaande het feit van de aanwezigheid van dit verboden product. Ook zijn dierenarts kon geen enkele verantwoording verschaffen…(zie eerder) De ganse uiteenzetting vanwege verzoekende partij, verwijzend naar de vaststellingen per materiële monsters, zijn dan ook niet relevant. De illegale behandeling, zijnde het toedienen van een strikt verboden niet toegestane stof, staat immers wel degelijk vast en blijkt uit de niet conforme analyse waaruit de aanwezigheid van testosteron of een analoge substantie”. 10. Verzoeker wederantwoordt: “[…] Het staat vast dat de argumentatie van verwerende partij niet steekhoudend is. Verwerende partij dient de bepaling van artikel 7 § 3 KB dd. 27.02.2013 immers juist te lezen en correct te interpreteren. Uit de tekst van artikel 7 KB dd. 27.02.2013 blijkt genoegzaam dat tot de enquête wordt overgegaan nadat de aanwezigheid van één of meerdere niet-toegestane stoffen werd aangetoond. In casu werd tot de enquête overgegaan nadat de aanwezigheid van testosteron gedetecteerd was in een rund dat voordien behoord had tot het veebeslag van verzoeker. Slechts indien de in artikel 7 § 1, 1° bedoelde enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt, wordt het bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. In voorliggend geval heeft de enquête echter geenszins bevestigd dat verzoeker niet-toegestane stoffen zou gebruiken voor een illegale behandeling, wel integendeel! Verzoeker herhaalt ten overvloede dat naar aanleiding van de enquête zowel dierlijke als materiële monsters genomen werden, en dat uit de resultaten ervan blijkt dat niets erop wijst dat er op het bedrijf van VII-40.937-10/16 verzoeker een illegale behandeling d.m.v. niet-toegestane stoffen zou gebeuren. […] Verwerende partij is zich hier eveneens terdege van bewust, doch tracht haar beslissing alsnog te verantwoorden door te stellen dat de enquête ‘geen feiten aan het licht bracht dewelke de verboden aanwezigheid van het product konden rechtvaardigen’, zodat dit volgens haar het gebruik van niet-toegestane stoffen op het bedrijf van concluant bevestigt in de zin van artikel 7 van het KB dd. 27.02.2013. Deze redenering gaat uiteraard niet op en vormt noch min noch meer een krampachtige poging van verwerende partij om haar volstrekt illegale beslissing te verantwoorden. De resultaten van het onderzoek hebben geenszins bevestigd dat er op het bedrijf van verzoeker niet-toegestane stoffen zouden worden toegediend met het oog op een illegale behandeling […]. […] Het stuit verzoeker bijzonder tegen de borst dat verwerende partij in haar memorie van antwoord laat uitschijnen dat zij ‘een onderzoek/enquête heeft ingesteld naar de oorzaak van de aanwezigheid van het verboden product’ en dat ‘dit onderzoek geen feiten aan het licht bracht dewelke de verboden aanwezigheid van het product konden rechtvaardigen’. Verzoeker merkt op dat verwerende partij - in tegenstelling tot wat zij voor de behoeften van haar dossier voorhoudt - dit onderzoek niet gevoerd heeft, minstens dat dit onderzoek geen enkel resultaat heeft opgeleverd. Verwerende partij heeft er zich vervolgens toe beperkt om in het kader van de enquête dierlijke en materiële monsters te nemen, waaruit vervolgens genoegzaam is gebleken dat er op het bedrijf van verzoeker geen ongeoorloofde handelingen worden gesteld. Verzoeker benadrukt met klem dat (
  2. a)hij geen exogeen testosteron of een precursor ervan heeft toegediend, (
  3. b)hij er een onberispelijke reputatie op nahoudt, en (
  4. c)het kwestieuze rund slechts gedurende een korte overgangsperiode in zijn bezit is geweest, en dit met het oog op de vetmesting ervan en de doorverkoop. Verzoeker verduidelijkt dat hij het betreffende rund op 30.08.2019 heeft aangekocht van Wim Muermans uit Alken, van wie hij wekelijks runderen aankoopt op de veemarkt te Ciney. De heer Wim Muermans had het rund in kwestie voorafgaandelijk aangekocht bij zijn buren Herman en Peter Jeuris, alwaar het dier ook was geboren. Bovendien heeft verzoeker het rund reeds op 10.12.2019 verkocht aan de heer Jos Hanselaer (BV Havian) op de veemarkt LAR te Rekkem (Menen), terwijl het dier pas op 13.12.2019 werd geslacht in het slachthuis te Anderlecht. Op het ogenblik dat het monster op voormeld rund werd genomen, was verzoeker er aldus zelfs geen eigenaar meer van! Verzoeker wordt echter om onbegrijpelijke redenen als enige geviseerd, en dit terwijl zelfs geen begin van bewijs voorligt dat hij niet-toegestane stoffen zou hebben toegediend, laat staan dat het onderzoek dit uiteindelijk zou hebben bevestigd”. VII-40.937-11/16 11. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat de verwerende partij haar beslissing om het bedrijf van verzoeker te onderwerpen aan de versterkte controle niet gesteund heeft op het bezit van dexamethasonefosfaat, maar louter op het motief dat “op het bedrijf het gebruik van testosteron of een analoge substantie (bijvb. een precursor) werd aangetoond”. In de bestreden beslissing wordt niet gerept over de twee materiële monsters die niet conform bleken te zijn. De verwerende partij heeft zich volgens verzoeker louter gebaseerd op het zogenaamd “niet conform” urinemonster dat op 13 december 2019 was genomen van het vrouwelijk rund met oormerknummer BE 11896171 in het slachthuis ABATAN te Anderlecht. Verzoeker acht de verwijzing naar de beoordeling van de correctionele rechtbank te Ieper aangaande het bezit van dexamethasonefosfaat in een vonnis van 13 september 2021 niet relevant in het kader van dit dossier. Verzoeker betoogt dat men conform artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 slechts kan overgaan tot het opleggen van de versterkte controle indien de “in paragraaf 1, 1e bedoelde enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt”. De vaststelling van de aanwezigheid van testosteron of residuen ervan bij het geslacht dier, die de aanleiding vormde om over te gaan tot de enquête, was al gebeurd vóór de enquête, maar om over te gaan tot de versterkte controle moet de enquête zelf het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigen, hetgeen volgens hem niet het geval is. Hij vervolgt dat de enquête nergens heeft aangetoond dat er sprake zou zijn van het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van de niet-toegestane stof testosteron of een analoge substantie ervan. Bovendien heeft het genoemde vonnis van de correctionele rechtbank te Ieper verzoeker vrijgesproken voor wat betreft de tenlastelegging A, het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking. VII-40.937-12/16 Wat betreft het kwestieuze rund met oormerknummer BE 11896171 heeft de correctionele rechtbank na een analyse van de feiten geoordeeld dat de conclusie van niet-conformiteit bij het tegenonderzoek nog geen definitieve conclusie van het labo was. Zij heeft besloten dat de niet-conformiteit van het staal niet onomstotelijk vaststaat. Aldus staat volgens verzoeker vast dat niet kan worden aangenomen dat het monster van het geslacht rund met oormerknummer BE 11896171 definitief niet-conform was bevonden op testosteron of een analoge substantie (precursor). 12. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie toe dat verzoeker, ook al is het vonnis van de correctionele rechtbank te Ieper van 13 september 2021 een stuk dat evident pas tot stand is gekomen nadat de voorliggende procedure werd opgestart, al eerder in de procedure had kunnen opwerpen dat de bestreden beslissing enkel gebaseerd is op het niet-conform resultaat van monsternummer 2307/19/0104 en dat gelet op de motivering van de bestreden beslissing geen rekening mag worden gehouden met de niet-conforme resultaten van de overige twee monsters. Door te stellen dat, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, enkel rekening mag worden gehouden met het feit dat uit de enquête geen illegale behandeling met testosteron is gebleken, geeft verzoeker volgens de verwerende partij aan het middel een andere draagwijdte dan in het verzoekschrift. Hij blijkt hiermee volgens haar een schending van de formelemotiveringsplicht op te werpen. Beoordeling 13. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 luidt: “§ 1. Wanneer de aanwezigheid van één of meerdere niet-toegestane stoffen wordt aangetoond, gaat het Agentschap over tot : 1° een enquête om de oorzaak van de aanwezigheid van deze niet-toegestane stof of stoffen en de bron(nen) ervan te bepalen alsook elke andere enquête die het nodig acht; 2° de afname van een statistisch representatief aantal monsters, gebaseerd op de richtsnoeren van de Codex alimentarius, te raadplegen op de website van het Agentschap, op de levende dieren die op het betrokken bedrijf worden gehouden en/of op hun dierlijke producten, teneinde te zoeken naar de aanwezigheid van residuen. VII-40.937-13/16 In afwijking op het eerste lid, 2°, wordt geen enkel monster afgenomen indien het onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 1° de afwezigheid van het gebruik of de afwezigheid van een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt. § 2. Geen van de op het bedrijf gehouden dieren en geen van hun dierlijke producten mogen verhandeld worden voordat de resultaten van de analyses van de in paragraaf 1, 2° bedoelde monsters meegedeeld zijn. § 3. In het geval dat de in paragraaf 1, 1° bedoelde enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt, wordt het bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. Op basis van de resultaten van de enquête als bedoeld in paragraaf 1, 1° worden ook alle andere bedrijven van dezelfde eigenaar als het betrokken bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. § 4. Indien de analyse van ten minste één van de monsters als bedoeld in paragraaf 1, 2°, de aanwezigheid van niet-toegestane stoffen aantoont, gaat het Agentschap over tot de afname van monsters op alle verdachte dieren, gehouden in het betrokken bedrijf of de betrokken bedrijven. § 5. De in paragraaf 1, 2° en in paragraaf 4 bedoelde maatregelen zijn evenwel niet van toepassing indien de houder ervoor kiest al de verdachte dieren te laten afmaken en te vernietigen op zijn kosten”. Uit deze bepaling volgt dat wanneer: - de aanwezigheid van één of meerdere niet-toegestane stoffen wordt aangetoond, het Agentschap overgaat tot een enquête om de oorzaak en de bronnen ervan te bepalen; - deze enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van deze niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt, het bedrijf aan een versterkte controle wordt onderworpen. Te dezen is het Agentschap overgegaan tot een enquête nadat een urinemonster op een dier van verzoeker volgens de bestreden beslissing “het gebruik van testosteron of een analoge substantie (bijvb. een precursor)” heeft aangetoond. Uit deze enquête bleken twee monsters niet conform te zijn op dexamethasonefosfaat. De bestreden beslissing onderwerpt het bedrijf van verzoeker vervolgens aan de versterkte controle met de code H07 louter op grond van de overweging dat op het bedrijf “het gebruik van testosteron of een analoge substantie (bijvb. een precursor) werd aangetoond” en dat verzoeker heeft verzaakt om zijn bezwaren tegen de voorgenomen versterkte controle te formuleren. VII-40.937-14/16 Uit de enquête die gevoerd werd omdat het gebruik van testosteron of een analoge substantie werd aangetoond, blijkt niet dat de oorzaak van de aanwezigheid van deze stof(fen) en de bron ervan werd bepaald. De enquête heeft aldus het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van deze stof(fen) voor een illegale behandeling niet bevestigd. Dat is nochtans vereist in artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, om het bedrijf van verzoeker te onderwerpen aan een versterkte controle. Verzoeker voert aldus terecht aan dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gevoerde enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van testosteron of een analoge substantie voor een illegale behandeling bevestigt. De bestreden beslissing schendt aldus de in het middel aangevoerde bepaling. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de “beslissing van de Directeur-Generaal van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, DG Controle, Nationale Opsporingseenheid dd. 20.08.2020 strekkende tot het opleggen van een versterkte controle met de code H07 op het bedrijf van de heer Lieven Vandecasteele in toepassing van artikel 7 §3 van het Koninklijk Besluit dd. 27.02.2013”. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. VII-40.937-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.937-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.