id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.368 Rolnummer: A. 237242/XIV-39071 Zaak: Arrest 255368 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 22/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-14 02:59 Fiche Arrest nr 255.368 van 22 december 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.368 van 22 december 2022 in de zaak A. 237.242/XIV-39.071 In zake: Philippe MAQUESTIAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE
(5341)BRUSSEL-ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 september 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 18 augustus 2022 van de korpschef van de politiezone Brussel-Zuid tot herplaatsing van verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-39.071-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is adviseur bij de politiezone
(5341)Brussel-Zuid. Hij oefent tot aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, de betrekking van diensthoofd Financiën uit. 3.
- Op 27 juni 2022 verklaart de politieraad de betrekking van diensthoofd financiën (adviseur klasse A3) vacant (hierna: de beslissing van 27 juni 2022). 3.
- Op 18 augustus 2022 beslist de korpschef om verzoeker met ingang van 1 september 2022 te herplaatsen naar de dienst Organisatiebeheersing. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “Binnen de dienst organisatiebeheersing is er nood aan een adviseur – medewerker met kennis van o.a. subsidiedossiers. Gezien uw expertise terzake, bent u dan ook XIV-39.071-2/9 de geschikte persoon om de dienst organisatiebeheersing te versterken.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Verzoeker dient op 12 september 2022 een beroep tot nietigverklaring en tot schorsing in van de beslissing van 27 juni 2022 (G/A 237.240/XIV-39.072). De politieraad trekt op 24 oktober 2022 de beslissing van 27 juni 2022 in. De Raad van State verwerpt bij arrest nr. 255.287 van 15 december 2022 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 27 juni
- IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert aan dat hij is herplaatst van een gezagsfunctie – diensthoofd – naar een ondergeschikte functie waar hij moet functioneren onder een ander diensthoofd en in een functie met een lagere loonschaal waardoor hij niet meer kan evolueren in de loonschaal A
- Verzoeker stelt herplaatst te zijn onder een drogreden, wat volgens hem reeds blijkt uit het gegeven dat zijn herplaatsing XIV-39.071-3/9 bijna twee maanden na de vacantverklaring van zijn betrekking volgt. Hij is volgens hem ook totaal in het ongewisse gelaten over die vacantverklaring, hetgeen hij detailleert. Zo is, voor zover dat redelijkerwijze al zou kunnen worden vereist, verzoeker de kans ontnomen om te kandideren voor zijn eigen functie, hoe absurd dit ook is, waarbij finaal iemand anders in de functie van diensthoofd financiën zal worden benoemd. Volgens verzoeker is het voor hem moreel ondraaglijk om op een dergelijke manier, zonder dat hem iets kan worden verweten omtrent de uitoefening van zijn functie of zonder dat om welke reden dan ook het dienstbelang ermee geschaad is dat hij deze functie verder uitoefent, niet langer de functie diensthoofd financiën te kunnen uitoefenen. Dit moreel lijden verstaat zich niet met de te verwachten duur van de vernietigingsprocedure, alvorens tot herstel kan worden gekomen, en dit moreel lijden is nog versterkt door het gegeven dat verzoeker door de beslissing tot herplaatsing financieel niet meer in de loonschaal A3 kan evolueren. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. XIV-39.071-4/9 Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Het komt er voor een verzoeker, die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt om aan zijn zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. XIV-39.071-5/9
- Te dezen verantwoordt verzoeker het spoedeisend karakter in essentie op grond van het feit dat het voor hem moreel ondraaglijk is om, gelet op de wijze waarop hij werd overgeplaatst, niet langer de betrekking van diensthoofd Financiën uit te oefenen, zonder dat hem iets kan worden verweten of zonder dat om welke redenen dan ook het dienstbelang is geschaad met zijn verdere uitoefening van die leidinggevende functie. Dit moreel nadeel wordt volgens verzoeker nog versterkt door het gegeven dat hij niet meer in de loonschaal A3 kan evolueren. De bestreden beslissing is een herplaatsing op grond van artikel VI.II.85, 8° RPPol., die uit zijn aard de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. Dat een dergelijke herplaatsing aan verzoeker morele schade berokkent of kan berokkenen doordat verzoeker niet langer zijn oorspronkelijke betrekking mag uitoefenen, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en in afwachting van een uitspraak die ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing, zoals een herplaatsing gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de herplaatsing immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en zal het vereiste rechtsherstel moeten volgen. De genoegdoening van een annulatiearest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
- Verzoeker toont dergelijke bijzondere omstandigheden niet aan. In zoverre verzoeker het ondraaglijke karakter van zijn moreel nadeel afleidt uit de wijze waarop hij werd herplaatst en is “verdreven van de functie diensthoofd Financiën,” gaat hij uit van een eigen beoordeling en perceptie XIV-39.071-6/9 van de omstandigheden waarop de procedure tot herplaatsing is verlopen en van de wijze waarop hij van zijn betrekking als diensthoofd is “verdreven”. Aldus doet verzoeker mogelijks blijken van een moreel nadeel gesteund op deze eigen beoordeling of perceptie van de wijze waarop hij werd herplaatst, maar bij gebrek aan bijgebrachte eigen, specifieke gegevens toont zulks evenwel op zich niet in concreto aan waarom dat moreel nadeel niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. In de mate dat dit aangevoerde moreel nadeel overigens betrekking heeft op de wettigheid van het verloop van de (procedure tot) herplaatsing, kan de onwettigheid ervan niettemin op zich niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter is immers een op zich staande voorwaarde die moet zijn vervuld, los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Om dezelfde redenen doet verzoekers eigen beoordeling dat hij werd herplaatst, ondanks dat hem niets kan worden verweten inzake de uitoefening van zijn betrekking of dat het dienstbelang niet ermee geschaad is dat hij die betrekking verder uitoefent, mogelijks blijken van een moreel nadeel volgend uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, maar, bij gebrek aan bijgebrachte eigen specifieke gegevens, toont zulks evenmin op zich in concreto aan waarom dat moreel nadeel niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Aldus doet dit moreel nadeel evenmin op zich blijken van bijzondere omstandigheden die maken dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Leidt evenmin tot dat besluit, het argument dat het aangevoerde moreel nadeel nog is versterkt doordat verzoeker, naar hij betoogt, niet meer in de loonschaal A3 kan evolueren. Op grond van artikel VII.IV.5, tweede lid, RPPol behoudt verzoeker immers het voordeel van de wedde, zoals bedoeld in XIV-39.071-7/9 artikel XI.I.3, 1°, RPPol, die hij voor deze herplaatsing effectief genoot. Bij het sluiten van het debat staat aldus vast dat verzoeker geen loonverlies lijdt, wat op zich niet wordt betwist. Dat hij, naar hij betoogt, in die loonschaal niet meer zal kunnen evolueren ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, lijkt te dezen in de huidige stand van het geding een (mogelijks) toekomstig financieel nadeel. In acht genomen het feit dat een vordering tot schorsing “op elk moment” kan worden ingediend, maakt verzoeker niet aannemelijk dat het aldus “versterken” van het moreel lijden, thans in concreto inhoudt dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, zonder dat hij zich daardoor in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet overtuigt dat het aangevoerde moreel nadeel veroorzaakt door de bestreden beslissing, al dan niet versterkt met het aangevoerde financieel nadeel, van die aard is dat het inhoudt dat hij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Kosten
- Over de vraag van verzoeker en van de verwerende partij om de kosten, met inbegrip van een gevorderde rechtsplegingsvergoeding, te laste te XIV-39.071-8/9 leggen van de andere partij, wordt uitspraak gedaan in het arrest over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.071-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.368 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div