← België

Arrest 255372 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.372 Rolnummer: A. 232744/IX-9832 Zaak: Arrest 255372 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-10 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 08:08 Fiche Arrest nr 255.372 van 23 december 2022 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.372 van 23 december 2022 in de zaak A. 232.744/IX-9832 In zake: Dirk LOYENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van (

  1. i)het koninklijk besluit van 30 september 2020 waarbij twintig benoemingen plaatsvinden van kapitein-commandant in de graad van majoor in de vakrichting ‘inwerkingstelling van grondwapensystemen’ en van (
  2. ii)het koninklijk besluit van 30 september 2020 tot bevordering van twee kapitein- commandanten tot majoor in de vakrichting ‘algemene steun’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-9832-1/19 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2022. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en onderluitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is beroepsofficier met de graad van kapitein- commandant, ingeschreven in de vakrichting ‘inwerkingstelling van grondwapensystemen’. 3.2. Verzoeker stelt zich in het kader van het bevorderingscomité 2018 kandidaat voor bevordering tot majoor. Hij wordt door het bevorderingscomité niet aanbevolen voor benoeming. Hij stelt tegen het koninklijk besluit van 6 december 2018 waarbij de twintig wel aanbevolen kandidaten tot majoor benoemd worden een beroep tot nietigverklaring in. Dat beroep wordt verworpen bij arrest nr. 252.540 van 23 december 2021. IX-9832-2/19 3.3. Verzoeker stelt zich in het kader van het bevorderingscomité 2019 opnieuw kandidaat voor bevordering tot majoor. Op 30 juli 2019 ontvangt hij in het kader van zijn bevorderingsvoordracht van zijn korpscommandant – de eerste beoordelaar – een gunstig advies, met de quotering ‘zeer goed’ voor alle te adviseren criteria. Op 20 september 2019 ontvangt hij van de commandant van het ‘Special Operations Regiment’ eveneens een gunstig advies, met de quotering ‘zeer goed’ voor alle criteria. 3.4. Op 13 januari 2020 muteert verzoeker naar het stafdepartement Operaties & Training, divisie Planning in Evere. 3.5. Op 9 september 2020 komt het bevorderingscomité hoofdofficieren ‘Landmacht GP VR OFFR 2 (GS)’ samen en beveelt het in de vakrichting ‘inwerkingstelling van grondwapensystemen’ twintig kapitein- commandanten aan voor bevordering in de graad van majoor, wat overeenkomt met het aantal opengestelde plaatsen in deze vakrichting. Verzoeker wordt als 36e gerangschikt en hij wordt dus niet aanbevolen. Hij behaalt een totaalscore van 676,5/1000 – de twintigste aanbevolen kandidaat behaalt een score van 695,6/1000. Op 10 september 2020 wordt via de nieuwsbrief News@Defense de lijst van de kandidaten die door het bevorderingscomité aan de minister zijn aanbevolen bekendgemaakt. Dezelfde dag wordt verzoeker via een notificatie individueel in kennis gesteld van het eindadvies van het bevorderingscomité. Deze notificatie vermeldt, wat verzoeker betreft, in essentie dat het bevorderingscomité hem “niet batig heeft gerangschikt”, zodat hij “niet voor de hogere graad aanbevolen [wordt]”. Voorts wordt vermeld dat contact kan worden opgenomen met de inspecteur voor een “post-comité gesprek” om meer informatie te verkrijgen. IX-9832-3/19 3.6. Bij koninklijk besluit nr. 3236 van 30 september 2020 benoemt de Koning de twintig door het bevorderingscomité in de vakrichting ‘inwerkingstelling van grondwapensystemen’ aanbevolen kandidaten in de hogere graad van majoor. Dat is het eerste bestreden besluit. 3.7. Dezelfde dag benoemt de Koning bij koninklijk besluit nr. 3243 twee majoors in de vakrichting ‘algemene steun’. Dat is het tweede bestreden besluit. IV. Afstand 4. In zijn laatste memorie doet verzoeker afstand van het beroep, in zoverre het is gericht tegen het tweede bestreden besluit (koninklijk besluit nr. 3243). Hierna wordt met het bestreden besluit dan ook het eerste en enige nog bestreden besluit bedoeld (koninklijk besluit nr. 3236). V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In het eerste middel voert verzoeker aan dat het bestreden besluit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ schendt. IX-9832-4/19 Hij adstrueert: “III.1.2. Bij de bij uittreksel gepubliceerde KB’s valt er geen formele motivering terug te vinden. Er is verzoeker ook geen individueel document overgemaakt waar een formele motivering valt terug te vinden. In de stukken die verzoeker heeft ontvangen, kan hij niet nagaan waarom een ander primeert boven hem. Er is dus niet voldaan aan de formele motiveringswet. III.1.3. Waar verzoeker werkelijk niet weet om welke redenen anderen boven hem verkozen worden, is niet voldaan aan de plicht, bij wet ingestelde plicht, tot formele motivering. Er kan van een bestuur desgevallend niet gevorderd worden dat zij allerlei bijkomende motieven die persoonlijk zijn [moet] formuleren, maar een bestuur moet wel duidelijk maken aan een kandidaat voor een functie waarom een ander bevorderd wordt en niet die kandidaat. Verzoeker zou dan kunnen oordelen of er werkelijk anderen zijn die steeds en steeds maar over hem heen mogen springen, en of daar een objectieve, draagkrachtige reden voor bestaat. Maar dit kan verzoeker eigenlijk niet omdat de verzoeker daaromtrent niets wordt meegedeeld door de verwerende partij. Er is dus niet voldaan aan de wettelijke motiveringsplicht. III.1.4. Verzoeker is er uiteraard van overtuigd dat om andere redenen dan redenen eigen aan de kwaliteiten en verdiensten van de kandidaten, hij anderen steeds maar moet laten passeren. Dit belet niet dat verzoeker recht heeft op een formele motivering. Want het verstrekken van een formele motivering sluit een kandidaat er natuurlijk niet van uit om de materiële motivering daarvan onder de loupe te nemen en te betwisten. Neen, integendeel, de ratio legis van de formele motiveringswet was ondermeer dat het een rechtzoekende duidelijk en makkelijk moet gemaakt worden om de materiële draagkracht van een motief te onderzoeken.” 6. Verzoeker merkt in de memorie van wederantwoord op dat de verwerende partij niet inziet dat de formelemotiveringsplicht vereist dat hij op het ogenblik dat hij kennisneemt van het besluit dat hij niet bevorderd wordt, moet weten waarom anderen primeren – en niet bijvoorbeeld wanneer hij kennis krijgt van het administratief dossier. Verzoeker betoogt dat zelfs met een “realistische interpretatie van de draagwijdte” van de formelemotiveringsplicht, zoals de verwerende partij die bepleit, en rekening houdend met de mogelijkheid te motiveren door IX-9832-5/19 verwijzing, hij ten laatste samen met het besluit volgende informatie moet ontvangen over “wie waarom welke punten” kreeg: - de wijze waarop onderzocht en gequoteerd wordt, namelijk het zogenaamde Vade-mecum Inspecteur supérieur; de stelling dat verzoeker die methodologie heeft gekregen in het kader van een andere procedure gaat niet op want dat was het vademecum versie maart 2019; - een overzicht van de quoteringen, wat verzoeker in staat stelt effectief na te gaan “of dit allemaal klopt en of zijn verdiensten op een correcte wijze zijn afgewogen ten aanzien van de andere”; daarbij zal het niet volstaan dat er pure cijfers worden meegedeeld, er zal een motivering per cijfer per kandidaat moeten worden gegeven al kan dit “op een beknopte en heldere wijze”; - ten slotte zal bij de besluitvorming minimaal moeten worden aangegeven dat de puntentoekenning wordt bijgevallen door de benoemende overheid. 7. In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat bij bevorderingen, zoals “bij het toekennen van erkenningen die door verschillenden gevraagd worden, bijvoorbeeld vergunningen inzake radiozenders”, het evident is dat de kandidaat weet hoe er afgewogen wordt tussen de gegadigden en waarom hij niet primeert. Het volstaat dan niet enkel de eigen evaluatiefiche te geven, want het gaat om een vergelijking tussen verschillende kandidaten. Als niet duidelijk is hoe de anderen geëvalueerd zijn, valt niet na te gaan of men zelf correct is geëvalueerd. Beoordeling 8.1. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de in het middel aangevoerde formelemotiveringswet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct beoordeeld heeft, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar IX-9832-6/19 beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 8.2. Van het principe dat de akte zelf de motieven moet bevatten, mag worden afgeweken wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken, mits is voldaan aan een aantal voorwaarden. De inhoud van die andere stukken waarnaar wordt verwezen moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht, ze moeten zelf afdoende gemotiveerd zijn en ze moeten worden gevolgd in de uiteindelijke beslissing. 8.3. De formelemotiveringsplicht is een doelnorm. Ze strekt ertoe de betrokkene toe te laten om met kennis van zaken zijn kansen af te wegen en zijn rechtsmiddelen voor te bereiden. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een ándere wijze dan door de formele motivering en langs andere wegen de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. Een schending van de formelemotiveringswet kan dan bij gebrek aan belangenschade niet tot nietigverklaring leiden. 9. In het kader van een benoemingsbeslissing vereist de formelemotiveringsplicht dat de afgewezen kandidaten kennis kunnen krijgen van de redenen die de overheid ertoe hebben gebracht de voorkeur te geven aan de benoemde kandidaat – hier: benoemde kandidaten – boven de andere kandidaten. 10. Het bestreden koninklijk besluit wordt gemotiveerd door de volgende overweging: “Overwegende dat het bevorderingscomité van 9 september 2020 Ons de volgende officier[en] gunstig heeft aanbevolen voor benoeming tot de hogere graad en dat deze aan de vereiste bevorderingsvoorwaarden voldoe[n].” IX-9832-7/19 De voormelde overweging in de aanhef van het bestreden besluit is beslist ongelukkig geformuleerd, maar hieruit afleiden dat de Koning geen eigen beoordeling heeft gemaakt gaat een brug te ver. Die overweging moet veeleer zo worden begrepen dat de Koning zich wenst aan te sluiten bij de aanbeveling en de rangschikking van het bevorderingscomité van 9 september 2020 – de (eerste) twintig kandidaten die zijn voorgedragen worden benoemd – en bij de vaststelling dat de aanbevolen kandidaten voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden. De Koning wordt aldus geacht de motieven van het bevorderingscomité bij te vallen. De Raad van State valt verzoeker niet bij, als hij in de memorie van wederantwoord stelt te mogen verwachten dat de Koning dit bijvallen van de voordracht expliciet onder woorden brengt. In die mate is het middel niet gegrond. 11. In het verslag van het bevorderingscomité van 9 september 2020 – dat aan verzoeker is meegedeeld – wordt de rangorde van de aanbevelenswaardige kandidaten als volgt verantwoord: “4. De rangorde van de aanbevelenswaardige kandidaten […] a. De leden van het comité hebben kennis kunnen nemen van de voorgestelde criteria en gewichten (zie Bijl D) en de laatste aanvullingen aan de persoonlijke dossiers. De OBVK stelt nu de eindrangschikking voor. […] b. Het voorstel van rangschikking wordt voorgelegd aan het comité. […] c. De rangschikking (zie Bijl E) wordt bij handopsteken goedgekeurd. […]” Aangezien er maximum twintig plaatsen mogen worden toegekend, beveelt het bevorderingscomité op grond van de hem voorgelegde rangschikking waarbij het zich aansluit, de eerste twintig gerangschikte kandidaten aan voor de bevordering. IX-9832-8/19 12. Verzoeker is in het bezit gesteld, als bijlage D bij het advies van 9 september 2020, van de “criteria voor de comités hoofdofficier 09 sep 20”. Die bijlage leert verzoeker de methodologie die wordt gevolgd: de OBVK (officier belast met de voordracht der kandidaturen) dient aan alle kandidaten punten toe te kennen op een totaal van 1000 punten, voor drie onderscheiden domeinen: ‘kennis’, ‘vaardigheden’ en ‘houding’. Om te komen tot een score in elk van die domeinen, worden tien beoordelingscriteria toegepast: ‘vorming’, ‘beroepservaring’, ‘karakteriële vaardigheden’, ‘fysieke vaardigheden’, ‘professionele vaardigheden’, ‘persoonlijke inzet’, ‘groepsgedrag’, ‘visie en analyse’, ‘werkorganisatie’, en ‘resultaatgerichtheid’. Op hun beurt worden de tien criteria beschreven en onderverdeeld in subcriteria, “die éénvormig worden toegepast door de individuele evaluatoren”. Wat die eenvormige toepassing betreft, specificeert de verwerende partij in de memorie van antwoord: “Opdat de OBVK de punten voor alle criteria in deze drie domeinen op een objectieve manier zou kunnen toekennen, is er een Inspectiegids ‘Vade-mecum Inspecteur supérieur’ opgesteld geweest dat voor elk criterium uitlegt hoe de puntentoekenning dient te gebeuren […]. Deze gids is een leidraad voor de OBVK en maakt het dus mogelijk om voor elke kandidaat alle relevant[e] elementen van diens curriculum vitae te kwantificeren om zo tot een rangschikking te komen.” Verzoeker is door het neerleggen van het administratief dossier in het kader van de procedures bekend onder de rolnummers A. 227.892/IX-9529 en A. 227.102/IX-9486 in het bezit gesteld van het ‘Vade-mecum Inspecteur supérieur’ en in huidige procedure heeft verzoeker zelf zijn individuele puntenfiche voor het bevorderingscomité 2019 als stuk neergelegd. Verzoeker beweert dat het vademecum regelmatig wordt gewijzigd, maar hij toont niet aan dat het vademecum dat voor het bevorderingscomité 2019 is toegepast – stuk 28 van het administratief dossier – fundamenteel verschilt van het vademecum in zijn bezit, waardoor dat laatste IX-9832-9/19 niet meer zou volstaan, minstens als inlichting, om nuttig de beoordelingsmethodologie te begrijpen. 13. Verzoeker weet uit het geheel van deze documenten welke werkwijze door de verwerende partij bij de beoordeling van de kandidaturen is gevolgd en hij kan deze methodologie aan kritiek onderwerpen. Hij weet voorts hoe hij zelf heeft gescoord en hij kan zich daartegen dus verweren. Weliswaar kent hij niet de exacte scores van zijn concurrenten, maar uit zijn plaats in de rangschikking weet hij dat er minstens twintig anderen beter hebben gescoord dan hijzelf. In de omstandigheden van deze zaak volstaat dat. De verwerende partij heeft immers gekozen voor het hiervóór beschreven model van een vergelijkende toets van de aanvraagdossiers. De inhoudelijke beoordeling van elke kandidaat gebeurt autonoom, kandidaat per kandidaat, in functie van hun dossier in het licht van elk criterium. Een vademecum moet waarborgen dat alle kandidaten op eenvormige en gelijke wijze aan de vooropgestelde beoordelingsmaatstaf worden onderworpen. Die beoordeling van elke kandidaat resulteert in een score voor de kandidaat per criterium. Die scores leiden tot een totaalscore voor de kandidaat en dat totaal bepaalt uiteindelijk de rangschikking. De onderlinge vergelijking is dus weerspiegeld in het resultaat van de som van de individuele toetsen, namelijk in de rangschikking. Anders gezegd: er wordt geen rechtstreekse vergelijking gemaakt tussen dossiers, maar elk dossier wordt individueel afgetoetst en gemotiveerd tegenover de criteria. De vergelijking die verzoeker in zijn laatste memorie maakt met de zogenaamde beauty contest voor de toekenning van radiolicenties is passend. Ook daar worden de merites van elk aanvraagdossier alleenstaand onderzocht en gewaardeerd door middel van gelijke criteria en een eenvormige methodologie. Een andere vergelijking biedt het procedé van selectie door middel van een vergelijkend kennisexamen: elke kandidaat wordt individueel gequoteerd IX-9832-10/19 voor zijn of haar prestatie en de toegekende punten bepalen de rangschikking. Uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht is de niet gunstig geplaatste kandidaat die de eigen examenkopij heeft, het verbeterschema en de hem toegekende punten kent, alsook zijn plaats in de rangschikking, niets wijzer met de kennis van de exacte punten van de beter geplaatste concurrenten. Het normdoel van de formelemotiveringswet is aldus bereikt. In die mate heeft verzoeker geen belang bij het middel en is het onontvankelijk. 14. Een andere vraag is het, te weten of die andere kandidaten effectief op gelijke manier aan de vooropgestelde maatstaven zijn getoetst, of hun personeelsdossiers de vereiste feitelijke grondslag bevatten voor de hun toegekende scores en of de verwerende partij binnen haar beoordelingsruimte terecht de bedoelde scores mocht toekennen, gelet op de haar voorgelegde gegevens. De formelemotiveringswet reikt evenwel niet zo ver dat dit ook in de beslissing zelf moet zijn terug te vinden, want het zou betekenen dat het bestuur ook een verantwoording van zijn motieven moet geven. Hiervoor is immers vereist dat verzoeker beschikt over de dossiers van de andere kandidaten en hun evaluatiefiches. Dat is bijgevolg geen zaak meer van formele- maar van materiëlemotiveringsplicht. Om die reden ook, heeft verzoeker in het kader van de formelemotiveringsplicht die hem moet leren of het zinvol is het besluit in rechte te bestrijden, geen extra baat bij het kennen van de exacte scores van zijn concurrenten. Voor zover het middel uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt het naar recht. Ook de vraag of de aan verzoeker voor elk van de criteria toegekende deelscore in rechte verantwoord is, is een vraag van materiële motivering. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur voert verzoeker evenwel niet aan. IX-9832-11/19 15. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. Het tweede middel is geput uit de schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker verwijst naar de wantoestanden in Marche-les- Dames die hij als klokkenluider heeft aangekaart, wat hem niet in dank is afgenomen en hem een “soort verhulde strafmutatie” heeft opgeleverd naar Evere in een functie die zo goed als geen inhoud heeft. Vanuit deze in het kader van een rechtsstaat onaanvaardbare optiek wordt er gehandeld: er wordt voortgebouwd op de evaluaties van zijn vorige korpscommandant, die het vervelend vond dat verzoeker klacht had ingediend. Verzoeker stelt ook met een aantal moeilijkheden geconfronteerd te worden om het tweede middel te formuleren. Niet dat hij niet perfect weet wat er speelt als hij elk jaar bij elke bevorderingsronde anderen over hem heen ziet springen, maar als hem geen concrete motieven worden meegedeeld, wordt het voor hem “des te moeilijker om met precisie de vinger te leggen op het functioneren van de partijdigheid”, of – zo vraagt verzoeker zich af – is dit net de bedoeling van de verwerende partij door de wettelijke plicht tot formele motivering naast zich neer te leggen? En aldus valt het zelfs op dat alle opmerkingen van verzoeker tijdens de procedure met betrekking tot de door hem gepercipieerde partijdigheid niet eens behandeld worden op gemotiveerde wijze. 17. In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie bespreekt verzoeker vooral zijn inschatting van de hem opgelegde mutatie. IX-9832-12/19 Beoordeling 18. Zoals blijkt uit de verwerping van het tweede middel in de zaak bekend onder rolnummer A. 227.892 bij arrest nr. 252.540 van 23 december 2021, heeft verzoeker de Raad van State niet ervan kunnen overtuigen dat het conflict met de korpscommandant heeft geleid tot een partijdige evaluatie bij de vorige bevorderingsronde. 19. Wat verzoeker thans uiteenzet kan de Raad van State niet ertoe brengen voor de huidige bevorderingsronde wél een schending van het aangevoerde beginsel vast te stellen. In de huidige bevorderingsronde heeft verzoeker van zijn eerste en zijn tweede beoordelaar een gunstig advies voor bevordering gekregen, met de quotering ‘zeer goed’ voor alle criteria. Een nóg betere beoordeling was bijgevolg niet mogelijk. Het valt niet goed in te zien hoe in deze beoordelingen steun kan worden gevonden voor de stelling dat de evaluaties voortbouwen op de vermeende vooringenomenheid van zijn vorige korpscommandant. Deze beoordelingen benadelen verzoeker in ieder geval op geen enkele manier. Dit argument van verzoeker kan de beweerde partijdigheid niet aantonen. 20. In zoverre verzoeker de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert ter ondersteuning van het tweede middel, volstaat het om vast te stellen dat die beweerde schending ingevolge de verwerping van het eerste middel niet is bijgevallen. In zoverre verzoeker inzonderheid opmerkt dat hem geen concrete motieven worden meegedeeld waardoor hij niet precies de vinger kan leggen op de beweerde partijdigheid, erkent hij zelf dat hij geen precieze feiten of IX-9832-13/19 concrete aanwijzingen kan bijbrengen die de aangevoerde partijdigheid aantonen, terwijl de bewijslast daartoe nu precies bij verzoeker rust. 21. Wat verzoeker opmerkt over zijn mutatie is niet dienstig; deze beslissing is geen voorwerp van huidig beroep, ze is niet door verzoeker aangevochten en ze kan evenmin de partijdigheid van zijn evaluatoren aantonen. 22. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, van de materiëlemotiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker meent dat deze grondwettelijke bepalingen en deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn doordat de verdiensten van de kandidaten niet naar behoren zijn vergeleken. Er wordt een pseudo-wetenschappelijk afwegingssysteem gehanteerd dat langs geen kanten klopt. Alle kandidaten van welke taalrol ook, worden samen vergeleken en als bij wonder wordt elk jaar met een zogenaamde objectieve vergelijking het taalevenwicht bereikt, hetgeen statistisch onmogelijk is. Er wordt gewerkt met een interne nota ‘nieuw bevorderingssysteem’ van generaal-majoor N, waarin gesproken wordt over ‘hocus pocus berekeningen’. Specifiek onderstreept verzoeker dat hij perfect tweetalig is. Waarom dit niet doorslaggevend is, is eigenlijk niet te begrijpen. Op de lijst van 47 kandidaten wordt achtmaal ‘N/F’ vermeld en tweemaal ‘F/N’. Waarom verzoeker dan niet gepromoveerd wordt, is onbegrijpelijk. Kandidaat P, die de functie S3 en tweede commandant van verzoeker heeft overgenomen, die voor IX-9832-14/19 het eerst deelneemt en Franstalig is (niet tweetalig) wordt onmiddellijk bevorderd, terwijl verzoeker reeds in 2013 een eerste keer kandideerde. Kandidaat D is tweetalig en bekleedt de functie S2 regiment, functie die verzoeker bekleed heeft tussen 2011 en 2015. Andere officieren die na verzoeker en vóór kandidaat D die functie bekleed hebben, worden of werden bevorderd. Enkel verzoeker valt daar tussenuit. Dit toont aan dat de vergelijkingen geen steek houden. Dat er niet op een redelijke en materieel draagkrachtige wijze wordt gewerkt, blijkt ook uit het feit dat er eerst sprake is van 46 kandidaten, maar dat er dan plots een 47e opduikt bij de bekendmaking van de beslissingen. Onbegrijpelijk en verzoeker kan daar bij gebrek aan elke formele motivering niet dieper op ingaan. De beoordeling van verzoeker steunt onder meer op een evaluatienota van 2017 die nog opgesteld is door zijn voormalige korpscommandant en die betwist werd, maar die gewoon hernomen werd met het jaartal 2018. Die evaluatienota die oudbakken is en die opgesteld is door iemand die onmogelijk onpartijdig is ten aanzien van verzoeker kan de beoordeling van verzoeker niet deugdelijk in rechte schragen en beantwoordt niet aan de vereisten van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet. Ten slotte valt het op dat verzoeker erop achteruitgaat: in de bevorderingsronde 2018 was hij 30e op 51 kandidaten, nu is hij 36e op 47, waarbij er eveneens twintig kandidaten bevorderd werden. Beoordeling 24. In het auditoraatsverslag kon verzoeker de volgende bespreking lezen van dit middel: IX-9832-15/19 “3.3.1 In dit middel voert de verzoeker in essentie aan dat niet de bekwaamste kandidaten bevorderd werden doordat er geen deugdelijke en redelijke vergelijking van de titels en verdiensten is gebeurd aangezien een pseudo-wetenschappelijk afwegingssysteem werd gehanteerd dat langs geen kanten klopt. De verzoeker voert een aantal vaststellingen aan die dit moeten aantonen. 3.3.2 Alvorens hierop in te gaan wordt vastgesteld dat de verzoeker, die kennis had van zijn dossier, en aldus van de hem toegekende scores en de motivering ervan, geen enkele kritiek ten aanzien van die scores en de motivering ervan aanvoert. De verzoeker toont aldus in ieder geval niet aan dat de hem toegekende scores, die uiteindelijk tot het totaal van 676,5/1000 hebben geleid, voor betwisting vatbaar of niet correct zouden zijn. 3.3.3 Een eerste argument dat de ondeugdelijkheid van het pseudo- wetenschappelijk vergelijkingssysteem moet aantonen betreft het gegeven dat verzoeker tweetalig is zodat het onbegrijpelijk is dat hij niet bevorderd wordt, waarbij hij de vergelijking maakt met twee kandidaten die wel bevorderd werden. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij in essentie

(1)dat inzoverre verzoeker meent dat tweetaligheid doorslaggevend zou moeten zijn, dit loutere opportuniteitskritiek is,
(2)dat verzoeker voor het criterium tweetaligheid overeenkomstig de inspectiegids de hoogste score
(10)heeft gekregen, en
(3)dat de eentalige kandidaat [P] (F), waarmee verzoeker de vergelijking maakt, voor dit criterium een score van 3,5 heeft gekregen. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker met de mededeling te volharden in het middel. Hij stelt verder dat het niet naleven van de formele motiveringsplicht het hem moeilijk maakt aan te tonen waar de fout precies ligt en meent dat zijn argument op geen enkele wijze wordt weerlegd in de memorie van antwoord. De verzoeker kan hierin niet bijgevallen worden. De verwerende partij staaft haar repliek aan de hand van de inspectiegids en de voordrachtsfiche van kandidaat [P] die zij in het administratief dossier bijbrengt. Dat verzoeker niet in staat zou zijn door gebrek aan gekende motieven aan te duiden waar de fout precies ligt kan derhalve ten aanzien van het criterium tweetaligheid en de concrete vergelijking met kandidaat [P] niet aangenomen worden. De verwerende partij weerlegt aldus wel degelijk het argument van verzoeker, waarbij zij terecht de stelling dat tweetaligheid doorslaggevend zou moeten zijn kwalificeert als opportuniteitskritiek. 3.3.4 Een tweede argument betreft een vergelijking op basis van in het verleden uitgeoefende functies, waarbij verzoeker de concrete vergelijking maakt met de wel bevorderde kandidaat [D]. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij in essentie
(1)dat voor zowel verzoeker als kandidaat [D] het uitoefenen van dezelfde functie (S2) voor het criterium professionele ervaring in aan- merking genomen werd, en
(2)dat de voorsprong van kandidaat [D] ten IX-9832-16/19 aanzien van verzoeker verantwoord wordt door diens veel hogere score voor het criterium ‘vorming’. Zoals gesteld repliceert verzoeker in zijn memorie van wederantwoord slechts dat hij volhardt, dat hij bij gebrek aan gekende motieven de fout niet precies kan aantonen en dat verwerende partij zijn argument niet weerlegt. De verzoeker kan hierin niet gevolgd worden nu verwerende partij het argument van verzoeker aan de hand van stavingsstukken die in het administratief dossier worden opgenomen wel degelijk weerlegt. Verzoeker laat na terzake inhoudelijk enige repliek te bieden. In zoverre dit argument ook zo zou moeten begrepen worden dat uitgeoefende functies doorslaggevend zouden moeten zijn, is ook dit louter opportuniteitskritiek. 3.3.5 Een derde argument betreft de wijziging in het aantal kandidaten: eerst waren er slechts 46, terwijl er uiteindelijk 47 waren, zonder dat duidelijk is hoe dit te verklaren is. In haar memorie van antwoord erkent [de verwerende partij] dat in de oorspronkelijke nota van DGHR slechts 46 kandidaten vermeld werden, en dat bij vergissing [een] kandidaat […] niet vermeld werd. Deze kandidaat werd uiteindelijk als 42ste gerangschikt. Verzoeker heeft aldus geen enkel belang bij dit argument nu deze kandidaat na verzoeker gerangschikt werd. Zoals gesteld repliceert verzoeker in zijn memorie van wederantwoord slechts dat hij volhardt, dat hij bij gebrek aan gekende motieven de fout niet precies kan aantonen en dat verwerende partij zijn argument niet weerlegt. Dat er oorspronkelijk slechts 46 kandidaten vermeld werden kan als een onzorgvuldigheid beschouwd worden. Het valt evenwel niet goed in te zien hoe deze kleine vergissing de ondeugdelijkheid en onredelijkheid van het vergelijkingssysteem zou kunnen aantonen. Hoe dan ook is de verzoeker door deze onzorgvuldigheid niet benadeeld aangezien [de bedoelde] kandidaat […] na hem gerangschikt werd. 3.3.6 Een vierde argument betreft de stelling dat de beoordeling van verzoeker nog voortbouwt op een evaluatienota van 2017, nog opgemaakt door de voormalige korpscommandant met wie verzoeker in onmin leeft zodat de beoordeling niet onpartijdig is, en derhalve ook niet deugdelijk, zodat de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet geschonden zijn. Ten aanzien van dit argument kan [verwezen] worden [naar] wat reeds bij de beoordeling van het tweede middel onder punt 2.3.3 werd gesteld: […] 3.3.7 Een vijfde argument betreft de vaststelling dat verzoeker er in vergelijking met het vorig bevorderingscomité op achteruitgaat (van 30e op 51, naar 36° op 47). Het valt niet meteen in te zien hoe deze vaststelling de ondeugdelijkheid en onredelijkheid van het vergelijkingssysteem zou kunnen aantonen. Nu er geen regel is die voorschrijft dat een kandidaat in een volgende bevorderingsronde er niet op achteruit mag gaan, is deze achteruitgang slechts het gevolg van de vergelijking van de deelnemende IX-9832-17/19 kandidaten (waarbij het deelnemersveld telkens verschilt). Weze overigens opgemerkt dat verzoeker er in vergelijking met de vorige bevorderingsronde (zaak 227.892/IX-9529) qua score niet op achteruitgaat, maar zelfs licht vooruitgaat (van 675,6/1000 naar 676,5/1000). 3.3.8 Het derde middel is ongegrond.”
  1. Het weerwoord van verzoeker in zijn laatste memorie is bijzonder kort en herneemt louter de al even nietszeggende repliek uit de memorie van wederantwoord: aangezien er niet naar behoren is gemotiveerd, is het zo goed als ondoenbaar om ook de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan te tonen. Verzoeker volhardt in zijn kritiek op de “schijnmotieven”, “en dit wordt in het auditoraatsverslag niet weerlegd”.
  2. Naar het oordeel van de Raad van State is de met stukken van het administratief dossier gestaafde beoordeling in het auditoraatsverslag van elk argument van verzoeker overtuigend en weerlegt die beoordeling terecht ook elk punt van kritiek. De Raad valt die beoordeling volledig bij.
  3. De Raad valt ook bij dat verzoeker met de hem op dat ogenblik ter beschikking staande informatie geacht moet worden in staat te zijn om in zijn verzoekschrift de hem toegekende scores aan kritiek te onderwerpen, indien hij meent dat de beoordelingsmaatstaf niet pertinent is of dat hij niet correct op hem is toegepast. Wat de andere kandidaten betreft wier kandidaatstelling hij op dat ogenblik nog niet kent, moest hij daartoe in staat zijn na inzage van het administratief dossier, dat desnoods daartoe had moeten worden aangevuld, zoals wordt geïllustreerd in arrest nr. 253.390 van 29 maart 2022 in een zaak waarin een met deze benoemingsprocedure vergelijkbare bevorderingsmethode is gevolgd en de verzoekende partij wél in staat was om, eensdeels, de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan te voeren en, anderdeels, de aanvulling van het onvolledige administratief dossier te vorderen. Verzoeker heeft evenwel het ene niet gedaan en het andere niet gevraagd.
  4. Het middel is ongegrond. IX-9832-18/19 BESLISSING
  5. De Raad van State verleent akte van de afstand van het beroep, wat betreft het koninklijk besluit nr. 3243 van 30 september
  6. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  7. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9832-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.