← België

Arrest 255403 - Tucht (openbaar ambt) - 27/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.403 Rolnummer: A. 236766/IX-10068 Zaak: Arrest 255403 - Tucht (openbaar ambt) - 27/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-09 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 08:08 Fiche Arrest nr 255.403 van 27 december 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 255.403 van 27 december 2022 in de zaak A. 236.766/IX-10.068 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 juli 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Defensie van 10 mei 2022 waarbij XXXX uit zijn ambt wordt ontheven en met definitief verlof wordt geplaatst. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. IX-10.068-1/30 Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij en onderluitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sedert april 2002 beroepsvrijwilliger en sedert 26 juni 2017 als korporaal-chef tewerkgesteld bij het 3de Bataljon Parachutisten te Tielen. 3.
  6. In de nacht van 25 op 26 april 2018 wordt verzoeker tijdens een oefening te Swansea gearresteerd door de lokale politie wegens het toebrengen van slagen aan een ambtenaar van het openbaar gezag en weerspannigheid. Hij test daarbij ook positief op het gebruik van verdovende middelen. 3.
  7. Op 26 april 2018 wordt verzoeker verhoord door officieren van de dienst Gespecialiseerde Gerechtelijke Opdrachten in Militair Milieu van de federale gerechtelijke politie (hierna: de DJMM). Verzoeker wordt ervan in kennis gesteld dat bij hem sporen van cocaïne zijn aangetroffen en daarover verklaart hij “noch voor het vertrek naar Wales, noch tijdens de kampperiode een dergelijk product [te hebben gebruikt]”, maar “dergelijk product ooit eens af en toe een jaar geleden gebruikt [te hebben] tijdens een vermaakuitstap in Antwerpen”. 3.
  8. Op 3 mei 2018 wordt verzoeker naar aanleiding van de feiten te Swansea opgeroepen om voor zijn korpscommandant te verschijnen in het kader van een procedure die het opleggen van een statutaire maatregel tot gevolg zou kunnen hebben. IX-10.068-2/30 3.
  9. Op 1 juni 2018 informeert het hoofd van de sectie ‘tucht’ binnen de algemene directie Human Ressources (hierna: de DGHR), bij de DJMM naar de stand van zaken van het dossier. De DJMM meldt dezelfde dag dat het dossier is doorgestuurd naar het federaal parket. Op 6 juni 2018 informeert het hoofd van de sectie ‘tucht’ bij het federaal parket naar de stand van zaken in het strafdossier en hij vraagt tevens een afschrift van dit dossier. Omdat een antwoord uitblijft, stuurt hij op 25 juli 2018 een herinneringsmail. Hetzelfde gebeurt op 14 augustus
  10. 3.
  11. Op 22 juni 2018 wordt verzoeker door zijn korpscommandant gehoord. 3.
  12. Op 24 juli 2018 stelt de korpscommandant van verzoeker voor om hem een statutaire maatregel op te leggen voor de feiten te Swansea. 3.
  13. Op 4 september 2018 stelt de korpscommandant van verzoeker voor om hem bij ordemaatregel te schorsen. Op 10 januari 2019 wordt verzoeker geschorst bij ordemaatregel voor de duur van drie maanden. Deze schorsing wordt nadien telkens verlengd met drie maanden, bij beslissingen van 24 april 2019, 19 juli 2019, 10 oktober 2019, 21 januari 2020, 20 april 2020, 15 juli 2020, 1 oktober 2020, 11 januari 2021 en 21 april 2021, waarna de schorsing bij ordemaatregel een einde neemt op 22 juli
  14. 3.
  15. Ondertussen blijft het hoofd van de sectie ‘tucht’ op regelmatige tijdstippen bij het federaal parket informeren naar de stand van zaken in het strafdossier over de feiten te Swansea, namelijk op 11 februari 2019, 25 februari 2019, 9 juli 2019, 13 september 2019 en 30 oktober 2019, maar telkens zonder resultaat. IX-10.068-3/30 3.
  16. Op 5 oktober 2018 formuleert de minister van Defensie de intentie om verzoeker voor de feiten te Swansea voor een onderzoeksraad te laten verschijnen. Verzoeker wordt daarvan op 22 oktober 2018 in kennis gesteld. Op 9 november 2018 dient verzoeker een verweerschrift in. Op 21 januari 2019 beslist de minister dat verzoeker voor een onderzoeksraad moet verschijnen. 3.
  17. Verzoeker verschijnt op 27 februari 2019 voor de onderzoeksraad voor de feiten te Swansea. 3.
  18. Op 29 maart 2019 oordeelt de onderzoeksraad dat het advies moet worden uitgesteld tot na het definitieve vonnis in de strafprocedure. Daarna zal de onderzoeksraad “gereactiveerd worden”. 3.
  19. Op 1 april 2020 informeert de nieuwe bureauchef ‘tucht’ bij het federaal parket naar de stand van zaken in het strafdossier inzake de feiten in Swansea. Op 2 april 2020 deelt het federaal parket mee dat het onderzoek is afgerond, dat verzoeker zal worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank voor de feiten te Swansea, maar ook voor andere feiten, namelijk slagen en verwondingen met arbeidsongeschiktheid tot gevolg te Jabbeke op 25 juni
  20. Een afschrift van het strafdossier wordt niet verstrekt. 3.
  21. Op 12 april 2020 gaan verzoeker en zijn partner een gezin te lijf te Stekene. 3.
  22. Op 30 april 2020 vraagt de bureauchef van de sectie ‘tucht’ aan het federaal parket een afschrift van het strafdossier. Omdat een antwoord uitblijft, herhaalt hij deze vraag op 19 juli
  23. IX-10.068-4/30 Op 27 juli 2020 deelt het federaal parket mee dat de zitting voor de correctionele rechtbank is vastgesteld op 22 september
  24. Een afschrift van het strafdossier wordt evenwel niet bezorgd. Nadat de bureauchef van de sectie ‘tucht’ op 29 september 2020 nogmaals informeert naar de stand van zaken, deelt het federaal parket mee dat de zitting is uitgesteld en zal plaatsvinden op 24 november
  25. Op 24 november 2020 vraagt de bureauchef van de sectie ‘tucht’ of de zitting heeft plaatsgevonden, hetgeen door het federaal parket dezelfde dag wordt bevestigd en waarbij wordt meegedeeld dat de uitspraak zal volgen op 22 december
  26. 3.
  27. Op 22 december 2020 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, veroordeeld tot drie autonome probatiestraffen van twee jaar wegens twee gevallen van opzettelijke slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid van minder of gelijk aan vier maanden tot gevolg, opzettelijke slagen aan een ministeriële ambtenaar en agenten die dragers zijn van het openbaar gezag in de uitvoering van hun bediening en ongewapende weerspannigheid (de feiten te Swansea, Jabbeke en Stekene). Verzoeker wordt vrijgesproken voor het bezit van verdovende middelen te Swansea. 3.
  28. De DGHR neemt op 4 januari 2021 kennis van dit vonnis. Op 25 januari 2021 deelt het federaal parket mee dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 22 december
  29. 3.
  30. Op 25 januari 2021 vraagt de bureauchef van de sectie ‘tucht’ een kopie van de verklaring van verzoeker van 26 april 2018 omtrent de feiten te Swansea, om zicht te krijgen op zijn exacte verklaringen met betrekking tot het vermeende gebruik van verdovende middelen. IX-10.068-5/30 Op 4 februari 2021 ontvangt de sectie ‘tucht’ een kopie van die verklaring. 3.
  31. Op 25 februari 2021 beslist de DGHR een nieuwe tuchtprocedure op te starten voor de feiten te Jabbeke en te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen. De chef van de sectie administratieve expertise (hierna: de HRA-E) wordt aangeduid om verzoeker te horen. 3.
  32. Verzoeker wordt op 22 maart 2021 gehoord door de HRA-E aangaande de feiten te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen. Hierbij ontkent verzoeker op 26 april 2018 te hebben verklaard drugs te hebben gebruikt te Antwerpen. 3.
  33. De HRA-E stelt op 29 maart 2021 een aangepast omstandig verslag op naar aanleiding van het verhoor van 22 maart 2021 en hij stelt voor om verzoeker een zeer ernstige statutaire maatregel op te leggen. 3.
  34. Op 5 april 2021 dient verzoeker daartegen een verweerschrift in. 3.
  35. Op 4 juni 2021 drukt de minister van Defensie de intentie uit om verzoeker ook voor de feiten te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen voor een onderzoeksraad te laten verschijnen. Verzoeker neemt hiervan kennis op 10 juni
  36. Op 23 juni 2021 dient verzoeker een verweerschrift. 3.
  37. Op 3 september 2021 beslist de minister om verzoeker ook voor de feiten te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen voor de onderzoeksraad te laten verschijnen. Verzoeker dient hiertegen een verweerschrift in op 30 september
  38. IX-10.068-6/30 3.
  39. Op 12 oktober 2021 wordt verzoeker per aangetekend schrijven ingelicht over de samenstelling van de onderzoeksraad die bevoegd zal zijn om te oordelen over de twee samengevoegde dossiers. Verzoeker neemt deze zending niet in ontvangst en laat tevens na om ze op te halen in het postkantoor. 3.
  40. Op 12 november 2021 dient verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de volledige onderzoeksraad. Dit wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk ratione temporis bevonden. 3.
  41. Op 18 november 2021 verschijnt verzoeker voor de onderzoeksraad voor de feiten te Swansea, Jabbeke, Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen. 3.
  42. De onderzoeksraad oordeelt op 13 december 2021 unaniem dat de feiten, behalve het vermeende druggebruik te Antwerpen, bewezen zijn, dat ze ernstig zijn en dat er bepaalde verzachtende omstandigheden spelen. Vier van de vijf leden achten de feiten onverenigbaar met het ambt van vrijwilliger en de onderzoeksraad stelt unaniem voor verzoeker tijdelijk uit zijn ambt te ontheffen bij tuchtmaatregel. 3.
  43. Op 8 februari 2022 formuleert de minister van Defensie de intentie om verzoeker uit zijn ambt te ontheffen. Aangezien verzoeker op dat moment omwille van gezondheidsredenen niet aanwezig is, wordt de intentie hem bij aangetekende zending bezorgd. Verzoeker neemt er op 3 maart 2022 kennis van. 3.
  44. Op 14 maart 2022 dient verzoeker een verweerschrift in. 3.
  45. Op 10 mei 2022 beslist de minister van Defensie om verzoeker uit zijn ambt te ontheffen en hem met definitief verlof te plaatsen. Dat is de bestreden beslissing. IX-10.068-7/30 IV. Schorsingsvoorwaarden
  46. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Onderzoek van de ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  47. Het eerste middel is genomen uit de schending van de redelijke termijn en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij niet binnen een redelijke termijn het onderzoek heeft gevoerd en een beslissing heeft genomen. Hij ontwikkelt het middel in drie onderdelen met betrekking tot de drie onderscheiden feiten die tot de bestreden beslissing hebben geleid. Het eerste onderdeel van het middel heeft betrekking op de feiten te Swansea. Verzoeker voert aan dat hij op 3 mei 2018 door de korpscommandant is opgeroepen om te verschijnen in het kader van het nemen van een statutaire maatregel, zodat de verwerende partij op die datum kennis had van de feiten. Daarna verstrijken 50 dagen vooraleer verzoeker op 22 juni 2018 door de korpscommandant in kennis wordt gesteld van de intentie om een statutaire maatregel voor te stellen, 82 dagen vooraleer op 24 juli 2018 het voorstel van statutaire maatregel wordt geformuleerd, 155 dagen vooraleer de minister op 5 oktober 2018 de intentie uitdrukt om verzoeker voor een onderzoeksraad te laten verschijnen, 263 dagen vooraleer de minister op 21 januari 2019 beslist dat de feiten moeten worden onderzocht door een onderzoeksraad met het oog op een IX-10.068-8/30 eventuele definitieve ambtsontheffing, 300 dagen vooraleer verzoeker op 27 februari 2019 verschijnt voor de onderzoeksraad en 330 dagen vooraleer de onderzoeksraad op 29 maart 2019 oordeelt dat het resultaat van de strafrechtelijke procedure moet worden afgewacht. Vanaf 29 maart 2019 is de redelijke termijn dan wel geschorst, maar op dat moment was deze al ruim overschreden. Een onderzoekstermijn van bijna een jaar is immers onredelijk. Daarbij moet erop worden gewezen dat het geen complexe feiten betreft die een diepgaande analyse vereisen. De verwerende partij heeft geen onderzoeksdaden gesteld en kan dan ook bezwaarlijk beweren dat het een complex dossier betreft. Evenmin kan het feit dat verzoeker zijn recht van verdediging heeft uitgeoefend en verweer heeft gevoerd als excuus worden ingeroepen voor de onredelijk lange termijn. Nadat de verwerende partij op 4 januari 2021 in kennis is gesteld van het vonnis van de correctionele rechtbank begint de redelijke termijn opnieuw te lopen. Pas op 2 september 2021 beslist de minister dat de feiten te Swansea (opnieuw) moeten worden beoordeeld, zodat er opnieuw 241 dagen zijn verstreken. Daarna verstrijken opnieuw 77 dagen vooraleer verzoeker op 18 november 2021 is gehoord. De bestreden beslissing wordt vervolgens pas op 10 mei 2022 genomen, wat nog eens 148 dagen na het advies van de onderzoeksraad is. In totaal heeft de tuchtprocedure, wat de feiten te Swansea betreft, dus 798 dagen geduurd, zodat de redelijke termijn zowel wat betreft de onderzoeks- en beslissingsfase, als wat betreft het totale verloop van de tuchtprocedure manifest is overschreden. Het tweede onderdeel van het middel heeft betrekking op de feiten te Jabbeke in
  48. Verzoeker voert aan dat hij reeds tijdens de hoorzitting van de onderzoeksraad op 29 maart 2019 deze feiten heeft toegelicht. In de bestreden beslissing wordt dit terzijde geschoven omdat de onderzoeksraad ervan uit zou zijn gegaan dat het over de feiten van 9 maart 2017 te Brasschaat ging. Niet alleen is dit onjuist aangezien de voorzitter van de onderzoeksraad uitdrukkelijk heeft verwezen naar “slagen en verwondingen in september 2017” en dus niet in maart 2017, het is bovendien ook irrelevant aangezien het antwoord van verzoeker duidelijk was en betrekking had op de feiten te Jabbeke. Het is dan ook vanaf 29 maart 2019 dat de verwerende partij kennis heeft van die feiten. Bovendien is de verwerende partij ook op 2 april 2020 in kennis gesteld van de feiten van slagen en verwondingen te Jabbeke in 2017, middels een e-mail van het federaal parket. Pas IX-10.068-9/30 op 25 februari 2021 heeft de directeur-generaal Human Resources beslist tot het opstarten van de procedure statutaire maatregel voor nieuwe feiten, waaronder de feiten te Jabbeke. Sedert 29 maart 2019 zijn er dan 699 dagen verlopen en sedert 2 april 2020 329 dagen. Uiteindelijk wordt de bestreden beslissing pas op 10 mei 2022 genomen, dit is 148 dagen na het advies van de onderzoeksraad. Sedert 29 maart 2019 zijn er dan 1.138 dagen verstreken en vanaf 2 april 2020 768 dagen. Opnieuw is de redelijke termijn manifest overschreden. Dit klemt des te meer daar het opnieuw zeer eenvoudige feiten betreft, die geen aanleiding hebben gegeven tot enig onderzoek door de verwerende partij. Het derde onderdeel van het middel heeft betrekking op de feiten te Stekene in
  49. Verzoeker voert aan dat hij bij vonnis van 22 december 2020 is veroordeeld voor de feiten te Stekene en dat de verwerende partij daarvan op 4 januari 2021 in kennis is gesteld. De bestreden beslissing wordt vervolgens pas op 10 mei 2022 genomen, dit is 148 dagen na het advies van de onderzoeksraad. Sedert 4 januari 2021 zijn er dan 491 dagen verstreken. Ook voor deze feiten geldt dat ze allesbehalve complex zijn en niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enig onderzoek door de verwerende partij. Er moet dan ook worden besloten dat voor de feiten te Stekene, zowel voor wat betreft de onderzoeksfase en de beslissingsfase, als voor het totale verloop van de tuchtprocedure, de redelijke termijn manifest is overschreden. Ter illustratie van de extreem lange duur van de tuchtprocedure verwijst verzoeker nog naar het feit dat het niet meer mogelijk was om hem te schorsen bij wijze van ordemaatregel omdat alle redelijke en wettelijke termijnen waren overschreden. Verzoeker is dan teruggekeerd naar zijn eenheid, waar hij bij wijze van verkapte tuchtsanctie permanent de afwas moest doen en dit ook heeft gedaan. Beoordeling a. Algemeen 6.
  50. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid, IX-10.068-10/30 wanneer – zoals in dit geval – haar in de regelgeving daarvoor geen specifieke termijn is opgelegd, de tuchtprocedure moet afhandelen binnen een redelijke termijn. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokkene ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd en eindigt met het nemen en ter kennis brengen van de tuchtstraf. De redelijkheid van de termijn voor het afhandelen van de tuchtprocedure moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen, houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van de dienst, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. 6.
  51. De vraag of een tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is afgehandeld, moet in de eerste plaats in globo worden onderzocht, rekening houdend met de reglementair voorgeschreven procedurestappen en met de feitelijke stappen tijdens de besluitvorming die noodzakelijk bleken, zoals het stellen van onderzoeksdaden. Een onderzoek van elk van die onderscheiden fasen en de al dan niet gegeven verantwoording voor de duur ervan, kan dan nodig zijn om tot een besluit te komen over het al dan niet redelijk karakter van het volledige tijdsverloop. IX-10.068-11/30 Wanneer het totale tijdsbeslag op zich niet ervan doet blijken dat de redelijketermijneis is geschonden, kan die schending vervolgens toch blijken uit een onverantwoord lang stilzitten van de tuchtoverheid tijdens de ene of andere fase van de tuchtprocedure. Daartoe moet verzoeker evenwel aantonen dat hij wegens dit stilzitten een nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld dat getuigen niet meer (betrouwbaar) ondervraagd konden worden, precies omwille van dit tijdsverloop. Hij moet, met andere woorden, aantonen dat de in die fase opgelopen vertraging niet is goedgemaakt door de afdoend snelle afhandeling van de totale procedure, in haar geheel beschouwd. 6.
  52. De redelijketermijneis geldt niet alleen voor het voeren van de eigenlijke tuchtprocedure vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte is gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd tot de kennisgeving van de finale tuchtbeslissing, maar ook voorafgaand aan die procedure en los daarvan, wanneer de tuchtoverheid feiten heeft vastgesteld of daarvan kennis heeft genomen en zij moet beoordelen en beslissen of op grond van die feiten de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid moet worden ingeleid, althans wanneer de regelgever, zoals te dezen, niet uitdrukkelijk in een verjaringstermijn heeft voorzien. b. Eerste onderdeel 7.
  53. De verwerende partij heeft op 26 april 2018 kennis gekregen van het feit dat verzoeker in de nacht van 25 op 26 april 2018 gearresteerd is door de lokale politie wegens het toebrengen van slagen aan een ambtenaar van het openbaar gezag en weerspannigheid en daarbij positief heeft getest op het gebruik van verdovende middelen. Op 3 mei 2018 heeft zij voor die feiten een tuchtprocedure lastens verzoeker opgestart middels de oproeping van verzoeker om voor zijn korpscommandant te verschijnen in het kader van een procedure die het opleggen van een statutaire maatregel tot gevolg zou kunnen hebben. Er kan bezwaarlijk worden aangenomen dat dit onredelijk lang heeft geduurd. 7.
  54. Op 3 mei 2018 is een tuchtprocedure tegen verzoeker opgestart voor de feiten te Swansea. Die procedure is beëindigd met de bestreden beslissing IX-10.068-12/30 van 10 mei 2022, waarvan verzoeker op 20 mei 2022 kennis heeft genomen. Volgens verzoeker heeft de tuchtprocedure onredelijk lang geduurd. Verzoeker gaat er daarbij evenwel van uit dat de tuchtoverheid op 3 mei 2018 voldoende kennis had van de feiten te Swansea om de tuchtprocedure te kunnen afhandelen. Dat standpunt wordt niet bijgevallen. Op 3 mei 2018 had de tuchtoverheid slechts kennis van een in algemene bewoordingen gestelde omschrijving van de gebeurtenissen te Swansea, namelijk dat verzoeker was gearresteerd wegens het toebrengen van slagen aan een ambtenaar van het openbaar gezag en weerspannigheid en daarbij positief had getest op het gebruik van verdovende middelen. Zij beschikte over geen nauwkeurige informatie en had, onder meer, geen afschrift van verzoekers verklaring van 26 april
  55. Met wat de tuchtoverheid op 3 mei 2018 wist, had zij derhalve geen voldoende nauwkeurige kennis van de feiten om de tuchtprocedure te doorlopen en een beslissing te nemen. Dat is ook de reden waarom de tuchtoverheid vrijwel meteen – op 6 juni 2018 – en vervolgens op geregelde tijdstippen bij het federaal parket heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van het dossier en daarbij ook heeft verzocht om er een afschrift van te krijgen, evenwel zonder dat daaraan gevolg is gegeven. Dat gebrek aan informatie om de tuchtprocedure te kunnen afhandelen is vervolgens ook vastgesteld door de onderzoeksraad, die op 29 maart 2019 heeft beslist om zijn advies uit te stellen tot na het definitieve vonnis in de strafprocedure. Het is pas op 4 januari 2021 – na de kennisname van het vonnis van 22 december 2020 – dat de tuchtoverheid voldoende kennis had van de feiten om de tuchtprocedure te kunnen afhandelen. Op dat moment heeft de tuchtoverheid echter ook kennis gekregen van de precieze toedracht van de feiten te Jabbeke en van de feiten te Stekene, hetgeen mogelijk ook tuchtrechtelijke inbreuken vormen. De tuchtoverheid heeft geoordeeld dat al deze feiten nauw met elkaar verbonden waren op basis van dezelfde onderliggende gezondheidstoestand van verzoeker en dat het daarom aangewezen was om deze nieuwe tuchtfeiten toe te voegen aan de reeds lopende tuchtprocedure voor de feiten te Swansea. Vervolgens is de tuchtprocedure met alle voorgeschreven stappen gevoerd en beëindigd met de bestreden beslissing van 10 mei 2022, waarvan verzoeker op 20 mei 2022 in kennis is gesteld. IX-10.068-13/30 In acht genomen dat de tuchtoverheid pas op 4 januari 2021 voldoende informatie had over de feiten te Swansea om met kennis van zaken de tuchtprocedure af te handelen, het gegeven dat de lopende tuchtprocedure verzwaard werd met nieuwe feiten die samen met de feiten te Swansea moesten worden behandeld en gelet op de reglementair voorgeschreven procedurestappen in de tuchtprocedure, kan de Raad van State niet besluiten dat verzoeker in globo onredelijk lang heeft moeten wachten op de uitkomst van de tuchtzaak. 7.
  56. Verzoeker voert ook aan dat de tuchtoverheid in de periode van 3 mei 2018 tot 29 maart 2019 onverantwoord lang heeft stilgezeten. Verzoeker beweert echter niet dat hij daardoor een bijzonder nadeel heeft geleden, laat staan dat hij dit staaft. Een schending van de redelijketermijneis door het tijdsverloop in die fase van de tuchtprocedure kan dan ook niet worden aangenomen. Geheel ten overvloede wordt ook nog gewezen op hetgeen volgt. In de door verzoeker geviseerde periode van 3 mei 2018 tot 29 maart 2019 had de tuchtoverheid, zoals reeds is uiteengezet, geen voldoende nauwkeurige kennis van de feiten om de tuchtprocedure te kunnen afhandelen en zij heeft daarom op geregelde tijdstippen bij het federaal parket geïnformeerd naar de stand van zaken van het dossier en verzocht om er een afschrift van te krijgen, evenwel zonder resultaat. In zoverre verzoeker daarbij opmerkt dat de tuchtoverheid in die periode zelf geen onderzoeksdaden heeft verricht, moet worden opgemerkt dat zij zulks bezwaarlijk had kunnen doen zonder te interfereren met de lopende strafrechtelijke procedure en zonder verzoekers recht van verdediging en het vermoeden van onschuld in die strafrechtelijke procedure in het gedrang te brengen. In die omstandigheden kan van ongeoorloofd stilzitten in hoofde van de tuchtoverheid geen sprake zijn. 7.
  57. Verzoeker klaagt ook aan dat de tuchtoverheid in de periode van 4 januari 2021 – datum van de kennisname van het vonnis van 22 december 2020 – en 10 mei 2022 – datum van de bestreden beslissing – onverantwoord lang heeft stilgezeten en enkel na 241 dagen op “2 september 2021” heeft beslist dat de feiten (opnieuw) beoordeeld moeten worden door de onderzoeksraad en nog eens 77 dagen later op 18 november 2021 verzoeker heeft gehoord. Andermaal moet IX-10.068-14/30 worden vastgesteld dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet aanvoert dat hij door dit beweerde stilzitten van de tuchtoverheid in deze fase van de tuchtprocedure enig bijzonder nadeel heeft geleden. Er kan dan ook niet worden besloten tot een schending van de redelijke termijn. Geheel ten overvloede wordt nog opgemerkt dat verzoeker ten onrechte beweert dat de tuchtoverheid zich in die fase van de tuchtprocedure heeft beperkt tot een beslissing van de minister van Defensie van 3 september 2021 om hem voor de onderzoeksraad te laten verschijnen en het horen van verzoeker op 18 november
  58. Verzoeker gaat eraan voorbij dat de tuchtoverheid op 4 januari 2021 niet enkel in kennis is gesteld van de precieze toedracht met betrekking tot de feiten te Swansea, maar ook van de precieze toedracht van de feiten te Jabbeke en de feiten te Stekene, hetgeen mogelijk ook tuchtrechtelijke inbreuken vormden. De tuchtoverheid heeft geoordeeld dat al deze feiten nauw met elkaar verbonden waren op basis van dezelfde onderliggende gezondheidstoestand van verzoeker en dat het daarom aangewezen was om deze nieuwe tuchtfeiten toe te voegen aan de reeds lopende tuchtprocedure voor de feiten te Swansea. De tuchtoverheid heeft in de periode van 4 januari 2021 tot 10 mei 2022 dan de volgende stappen ondernomen. De DGHR heeft op 25 februari 2021 voor de nieuwe feiten een nieuwe tuchtprocedure tegen verzoeker opgestart. Verzoeker is op 22 maart 2021 gehoord, waarna op 29 maart 2021 een aangepast omstandig verslag is opgesteld, waartegen verzoeker op 5 april 2021 een verweerschrift heeft ingediend. Op 4 juni 2021 heeft de minister van Defensie de intentie uitgedrukt om verzoeker ook voor de nieuwe feiten voor een onderzoeksraad te laten verschijnen. Verzoeker heeft hiervan kennis genomen op 10 juni 2021 en hij heeft op 23 juni 2021 een verweerschrift ingediend. Op 3 september 2021 heeft de minister dan beslist om verzoeker te laten verschijnen voor een onderzoeksraad, die eensdeels zijn werkzaamheden met betrekking tot de feiten te Swansea diende voort te zetten en anderdeels de mogelijke nieuwe inbreuken diende te onderzoeken. Op 30 september 2021 heeft verzoeker hiertegen een verweerschrift ingediend. Bij aangetekend schrijven van 12 oktober 2021 is verzoeker in kennis gesteld van de samenstelling van de onderzoeksraad. Verzoeker heeft deze zending niet in ontvangst genomen en niet opgehaald, maar hij heeft wel op 12 november 2021 een wrakingsverzoek ingediend tegen de volledige onderzoeksraad, dat IX-10.068-15/30 onontvankelijk ratione temporis is bevonden. Op 18 november 2021 is verzoeker door de onderzoeksraad gehoord en op 13 december 2021 heeft de onderzoeksraad zijn advies verstrekt, waarbij wordt voorgesteld verzoeker tijdelijk uit zijn ambt te ontheffen bij tuchtmaatregel. Op 8 februari 2022 heeft de minister van Defensie de intentie geformuleerd om verzoeker uit zijn ambt te ontzetten. Verzoeker heeft hiertegen op 14 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Op 10 mei 2022 heeft de minister de thans bestreden beslissing genomen, waarvan verzoeker op 20 mei 2022 kennis heeft genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de tuchtoverheid in de periode van 4 januari 2021 tot 10 mei 2022 zich geenszins heeft beperkt tot een beslissing om verzoeker voor de onderzoeksraad te laten verschijnen en het horen van verzoeker. Er kan dan ook geen sprake zijn van ongeoorloofd stilzitten van de tuchtoverheid.
  59. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. c. Tweede onderdeel 9.
  60. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij op 29 maart 2019 kennis had van de feiten te Jabbeke uit 2017 aangezien hij die feiten had toegelicht tijdens de hoorzitting van de onderzoeksraad op die datum. Minstens had de verwerende partij kennis van die feiten op 2 april 2020 aangezien het federaal parket haar op die datum ervan in kennis heeft gesteld. Niettemin heeft de DGHR pas op 25 februari 2021 beslist om voor die feiten een tuchtprocedure te starten. 9.
  61. Verzoekers argumentatie dat de verwerende partij op 29 maart 2019 kennis had van de feiten te Jabbeke uit 2017 kan niet worden bijgevallen. Verzoeker steunt zijn stelling op het feit dat hij op een vraag van de voorzitter van de onderzoeksraad van 29 maart 2019 naar “slagen en verwondingen in september 2017” het volgende heeft geantwoord: “Ik zal die feiten uitleggen als ik mag. 2017, slagen en verwondingen. Ik doe highland games met mijn vrouw. Mijn vrouw werd uitgedaagd. Wij woonden een lange tijd in een caravan. Jullie zijn zigeuners en dit en dat. Die is toen naar mij gekomen. Ik ben naar die vrouw gegaan en ik heb die een duw gegeven. Dat is alles, juist een duw gegeven. Die zijn naar de politie geweest. Die hebben nog de ganse tijd meegedaan met touwtrekken en dit en IX-10.068-16/30 dat. Ik heb dat allemaal opgepakt op video. Ik ben een verklaring moeten gaan afleggen bij de politie. Ik heb die bewijzen meegepakt. Die zaak is geseponeerd.” Verzoeker heeft zich bij het geven van een antwoord vergist en geeft geen toelichting over feiten van september 2017 maar over wat later bekend zal worden als de feiten van 25 juni 2017 te Jabbeke. De onderzoeksraad kon op dat moment echter onmogelijk weten dat verzoeker het had over de feiten te Jabbeke op 25 juni
  62. Bovendien kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de verwerende partij met deze eenzijdige verklaring van verzoeker over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om voor die feiten een tuchtprocedure te kunnen opstarten. Daarbij wordt ook opgemerkt dat verzoeker over die feiten ten onrechte heeft verklaard dat de zaak geseponeerd was en aldus de verwerende partij wat dat punt betreft, verkeerd heeft ingelicht. 29 maart 2019 kan dan ook niet worden beschouwd als de datum waarop de verwerende partij kennis had van de feiten te Jabbeke. 9.
  63. Voorts kan verzoekers stelling dat de verwerende partij op 2 april 2020 kennis had van de feiten te Jabbeke evenmin worden bijgevallen. Op 2 april 2020 heeft het federaal parket aan de verwerende partij meegedeeld dat verzoeker zou worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank voor de feiten te Swansea, maar ook voor andere feiten, namelijk slagen en verwondingen met arbeidsongeschiktheid tot gevolg te Jabbeke op 25 juni
  64. Op 2 april 2020 wist de tuchtoverheid aldus dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan slagen en verwondingen te Jabbeke op 25 juni 2017, maar ook niets meer. Nadere inlichtingen en een afschrift van het strafdossier werden niet verstrekt, ondanks de herhaalde vraag van de verwerende partij. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij op 2 april 2020 reeds voldoende nauwkeurige kennis had van de feiten te Jabbeke om een tuchtprocedure tegen verzoeker te kunnen opstarten. Daarbij wordt andermaal opgemerkt dat de verwerende partij bezwaarlijk zelf onderzoeksdaden had kunnen verrichten zonder te interfereren met de lopende strafrechtelijke procedure en zonder verzoekers recht van verdediging en het vermoeden van onschuld in die strafrechtelijke procedure in het gedrang te brengen. IX-10.068-17/30 9.
  65. De verwerende partij had pas een voldoende kennis van de feiten te Jabbeke na de kennisname van het vonnis van 22 december 2020 op 4 januari
  66. Op 25 februari 2021 heeft de tuchtoverheid voor die feiten een tuchtprocedure opgestart tegen verzoeker. Er kan niet worden aangenomen dat een dergelijk tijdsverloop onredelijk is. 9.
  67. De op 25 februari 2021 opgestarte tuchtprocedure tegen verzoeker is beëindigd met de bestreden beslissing van 10 mei 2022, waarvan verzoeker op 20 mei 2022 kennis heeft genomen. Gelet op het feit dat de tuchtprocedure tegen verzoeker betrekking had op diverse tuchtfeiten en gelet op de reglementair voorgeschreven procedurestappen in de tuchtprocedure, kan de Raad van State niet besluiten dat verzoeker in globo onredelijk lang heeft moeten wachten op de uitkomst van de tuchtzaak. 9.
  68. Verzoeker beweert voorts niet dat de tuchtoverheid tijdens een of andere fase van de tuchtprocedure onverantwoord lang heeft stilgezeten. Hij merkt louter op dat de bestreden beslissing 148 dagen na het advies van de onderzoeksraad is genomen. Voor zover deze opmerking begrepen zou moeten worden als dat de tuchtoverheid in de periode van 13 december 2021 tot 10 mei 2022 onverantwoord lang heeft stilgezeten, wordt opgemerkt hetgeen volgt. Verzoeker voert niet aan dat hij door het beweerde stilzitten van de tuchtoverheid in die fase van de tuchtprocedure een bijzonder nadeel heeft geleden, laat staan dat hij dit aantoont. Een schending van de redelijke termijn kan dan ook niet worden aangenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de tuchtoverheid in de periode van 13 december 2021 tot 10 mei 2022 geenszins heeft stilgezeten. Nadat de onderzoeksraad op 13 december 2021 zijn advies heeft verstrekt, heeft de minister van Defensie op 8 februari 2022 de intentie geformuleerd om verzoeker uit zijn ambt te ontzetten. Verzoeker heeft hiertegen op 14 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Na onderzoek van dit verweer, heeft de minister op IX-10.068-18/30 10 mei 2022 dan de bestreden beslissing genomen. Van een ongeoorloofd stilzitten van de tuchtoverheid is derhalve geen sprake.
  69. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. d. Derde onderdeel 11.
  70. De tuchtoverheid is op 4 januari 2021 in kennis gesteld van de feiten te Stekene. Op 25 februari 2021 heeft de tuchtoverheid voor die feiten een tuchtprocedure opgestart tegen verzoeker. Er kan bezwaarlijk worden aangenomen dat een dergelijk tijdsverloop onredelijk is. 11.
  71. De op 25 februari 2021 opgestarte tuchtprocedure tegen verzoeker is beëindigd met de bestreden beslissing van 10 mei 2022, waarvan verzoeker op 20 mei 2022 kennis heeft genomen. Gelet op het feit dat de tuchtprocedure tegen verzoeker betrekking had op diverse tuchtfeiten en gelet op de reglementair voorgeschreven procedurestappen in de tuchtprocedure, kan de Raad van State niet besluiten dat verzoeker in globo onredelijk lang heeft moeten wachten op de uitkomst van de tuchtzaak. 11.
  72. Verzoeker beweert voorts niet dat de tuchtoverheid tijdens een of andere fase van de tuchtprocedure onverantwoord lang heeft stilgezeten. Hij merkt louter op dat de bestreden beslissing 148 dagen na het advies van de onderzoeksraad is genomen. Voor zover die opmerking begrepen zou moeten worden als dat de tuchtoverheid in de periode van 13 december 2021 tot 10 mei 2022 onverantwoord lang heeft stilgezeten, wordt opgemerkt hetgeen volgt. Verzoeker voert niet aan dat hij door het beweerde stilzitten van de tuchtoverheid in die fase van de tuchtprocedure een bijzonder nadeel heeft geleden, laat staan dat hij dit aantoont. Een schending van de redelijke termijn kan dan ook niet worden aangenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de tuchtoverheid in de periode van 13 december 2021 tot 10 mei 2022 geenszins heeft stilgezeten. Nadat IX-10.068-19/30 de onderzoeksraad op 13 december 2021 zijn advies heeft verstrekt, heeft de minister van Defensie op 8 februari 2022 de intentie geformuleerd om verzoeker uit zijn ambt te ontzetten. Verzoeker heeft hiertegen op 14 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Na onderzoek van dit verweer, heeft de minister op 10 mei 2022 de bestreden beslissing genomen. Van een ongeoorloofd stilzitten van de tuchtoverheid is derhalve geen sprake.
  73. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet ernstig.
  74. Ten slotte kan verzoeker met een loutere verwijzing naar het feit dat het niet meer mogelijk was om hem te schorsen bij wijze van ordemaatregel omdat alle redelijke en wettelijke termijnen waren overschreden, niet aantonen dat de verwerende partij de redelijketermijneis heeft miskend. e. Slotsom
  75. Het eerste middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  76. Het tweede middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het transparantiebeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij voor de te feiten te Swansea op 27 februari 2019 voor de onderzoeksraad is verschenen, die op 29 maart 2019 heeft geoordeeld dat gewacht moest worden op bijkomende informatie uit de gerechtelijke procedure alvorens een advies kon worden verstrekt. Na de kennisname van het vonnis van 22 december 2020 heeft de directeur-generaal Human Ressources op 25 februari 2021 beslist om een nieuwe procedure – die het opleggen van een statutaire maatregel tot gevolg kan hebben – op te starten voor de feiten te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen. De IX-10.068-20/30 feiten te Swansea maken niet het voorwerp uit van deze nieuwe tuchtprocedure en zijn tijdens het verhoor van 22 maart 2021 ook niet besproken. In de beslissing van 2 september 2021 om verzoeker ook voor de feiten te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen voor een onderzoeksraad te laten verschijnen, stelt de minister dat het de bedoeling is dat de reeds in 2019 samengestelde onderzoeksraad eensdeels zijn werkzaamheden zal voortzetten en anderdeels de mogelijke nieuwe inbreuken zal onderzoeken. Indien de nieuwe feiten te Stekene en te Jabbeke daadwerkelijk zijn toegevoegd aan het reeds lopende tuchtonderzoek uit 2019 dat betrekking had op de feiten te Swansea en dat zich in de fase van de onderzoeksraad bevond, diende de onderzoeksraad in 2021 op dezelfde wijze te zijn samengesteld als de onderzoeksraad in
  77. Een onderzoeksraad die een advies verstrekt, moet immers bestaan uit de leden die ook aanwezig waren op het verhoor. In casu is dit niet het geval aangezien geen van de leden van de onderzoeksraad uit 2019 nog zetelde in de onderzoeksraad uit
  78. Dit gebrek aan continuïteit in de samenstelling van de onderzoeksraad is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De onderzoeksraad zelf heeft tijdens het verhoor op 18 november 2021 evenwel te kennen gegeven dat de procedure uit 2019 niet is voortgezet en dat een geheel nieuwe procedure is opgestart, hetgeen in tegenspraak is met de beslissing van de minister. Het is voor verzoeker dan ook niet duidelijk of de procedure uit 2019 is voortgezet, dan wel of een nieuwe procedure is opgestart. Indien een nieuwe procedure is opgestart, maken de feiten te Swansea er geen deel van uit aangezien de beslissing van de directeur-generaal Human Ressources van 25 februari 2021 geen betrekking heeft op die feiten. Er moet dan ook worden aangenomen dat de verwerende partij de tuchtprocedure op een onzorgvuldige en niet-transparante wijze heeft gevoerd, wat verzoeker heeft geschaad in zijn verdediging. Een personeelslid die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure moet immers duidelijk weten voor welke feiten hij wordt vervolgd en ondervraagd en waarover hij verweer moet voeren. Beoordeling
  79. Voor zover verzoeker de schending aanvoert van het transparantiebeginsel, moet worden opgemerkt dat het ‘transparantiebeginsel’ – ter IX-10.068-21/30 controle op de naleving van het gelijkheidsbeginsel bij de gunning van overheidsopdrachten – een beginsel van aanbestedingsrecht is en geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In die mate is het middel niet ontvankelijk. 17.
  80. Verzoeker voert aan dat het niet duidelijk is of de feiten te Stekene en te Jabbeke zijn toegevoegd aan het lopende tuchtonderzoek uit 2019 dat betrekking had op de feiten te Swansea en zich in de fase voor de onderzoeksraad bevond, dan wel of een nieuwe tuchtprocedure is opgestart. In het eerste geval moest de onderzoeksraad die in 2021 advies heeft verstrekt op dezelfde wijze zijn samengesteld als de onderzoeksraad die hem op 29 maart 2019 over de feiten te Swansea heeft gehoord, wat niet het geval is. Indien een nieuwe tuchtprocedure is opgestart, maken de feiten te Swansea er geen deel van uit omdat de beslissing van de DGHR van 25 februari 2021 geen betrekking heeft op die feiten. 17.
  81. De tuchtprocedure voor de feiten te Swansea is opgestart op 3 mei 2018 met de oproeping van verzoeker om voor zijn korpscommandant te verschijnen in het kader van een procedure die het opleggen van een statutaire maatregel tot gevolg kan hebben. Op 21 januari 2019 heeft de minister van Defensie beslist dat verzoeker voor die feiten voor een onderzoeksraad moet verschijnen. Verzoeker is op 27 februari 2019 door de onderzoeksraad gehoord. Op 29 maart 2019 heeft de onderzoeksraad beslist dat het advies moet worden uitgesteld tot na het definitieve vonnis in de strafprocedure, waarna de onderzoeksraad zal worden gereactiveerd. Bij vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 22 december 2020 is verzoeker veroordeeld voor twee gevallen van opzettelijke slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid van minder of gelijk aan vier maanden tot gevolg, opzettelijke slagen aan een ministeriële ambtenaar en agenten die dragers zijn van het openbaar gezag in de uitvoering van hun bediening en ongewapende weerspannigheid – de feiten te Swansea, Jabbeke en Stekene – en vrijgesproken voor het bezit van verdovende middelen te Swansea. Na de kennisname van dat vonnis en van verzoekers verklaring van 26 april 2018, heeft de DGHR op 25 februari 2021 beslist om een nieuwe tuchtprocedure op te starten voor de feiten IX-10.068-22/30 te Jabbeke, te Stekene en het vermeende druggebruik te Antwerpen. Op 3 september 2021 heeft de minister van Defensie beslist dat verzoeker ook voor die feiten voor een onderzoeksraad moet verschijnen. In die beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat het de bedoeling is dat de reeds in 2019 samengestelde onderzoeksraad eensdeels zijn werkzaamheden zal voortzetten en anderdeels de mogelijke nieuwe inbreuken zal onderzoeken. Het is trouwens ook steeds de bedoeling geweest dat na de uitspraak in de strafrechtelijke procedure de tuchtprocedure uit 2019 zou worden voortgezet door het reactiveren van de onderzoeksraad. Vervolgens heeft de onderzoeksraad op 18 november 2021 verzoeker gehoord over alle feiten, dit wil zeggen de feiten te Swansea, te Stekene, te Jabbeke en het vermeend druggebruik te Antwerpen, en op 13 december 2021 over al die feiten een advies verstrekt. 17.
  82. Voor verzoeker kan er dan ook geen twijfel over bestaan dat in 2021 de tuchtprocedure uit 2019 voor de feiten te Swansea – die hangende was voor de onderzoeksraad – is voortgezet en dat aan die lopende tuchtprocedure nieuwe feiten zijn toegevoegd. Verzoeker lijkt dit ook zo begrepen te hebben aangezien hij op 12 november 2021 een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen de volledige tuchtraad, redenerend dat de procedure uit 2019 is voortgezet wat impliceert dat de onderzoeksraad in 2021 identiek moet zijn samengesteld. 17.
  83. Er kan dan ook geen sprake zijn van enige onduidelijkheid waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht van verdediging zou zijn miskend. 17.
  84. Verzoeker stelt terecht dat de onderzoeksraad in 2021 volkomen anders was samengesteld dan de onderzoeksraad die hem op 27 februari 2019 over de feiten te Swansea heeft gehoord. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat die nieuwe samenstelling toe te schrijven is aan eensdeels het feit dat de voorzitter van de onderzoeksraad ondertussen gemuteerd was en niet beschikbaar om de tuchtprocedure te behandelen en anderdeels het feit dat er tijdens het verhoor van verzoeker op 27 februari 2019 geen plaatsvervangers aanwezig waren. De onderzoeksraad die in 2021 een advies diende te verstrekken kon dan ook niet op dezelfde wijze worden samengesteld als de onderzoeksraad die verzoeker op IX-10.068-23/30 27 februari 2019 over de feiten te Swansea heeft gehoord, maar diende opnieuw te worden samengesteld om de tuchtprocedure lastens verzoeker te behandelen. 17.
  85. De in 2021 nieuw samengestelde onderzoeksraad heeft het voornoemde probleem inzake zijn samenstelling geremedieerd door verzoeker tijdens de zitting van 18 november 2021 te horen over de beide (samengevoegde) dossiers, dit wil zeggen de feiten te Swansea, te Stekene, te Jabbeke en het vermeend druggebruik te Antwerpen. Het is om die reden dat de onderzoeksraad tijdens de hoorzitting van 18 november 2021 heeft verklaard dat een nieuwe procedure is opgestart. Verzoeker is immers opnieuw gehoord over de feiten te Swansea. Tijdens de zitting van de onderzoeksraad op 18 november 2021 heeft verzoeker met betrekking tot de feiten te Swansea alles kunnen zeggen en zijn verdediging volledig kunnen voeren. Vervolgens heeft de identiek samengestelde onderzoeksraad op 13 december 2021 een advies verstrekt over alle feiten, dus ook over de feiten te Swansea. Verzoeker heeft dan ook een advies over de feiten te Swansea verkregen van een onderzoeksraad die op identieke wijze was samengesteld als de onderzoeksraad die hem op 18 november 2021 over die feiten heeft gehoord. 17.
  86. De voormelde handelwijze van de verwerende partij getuigt net van zorgvuldigheid. Verzoekers recht van verdediging is op geen enkele wijze miskend.
  87. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  88. Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), het vermoeden van onschuld in tuchtzaken als algemeen rechtsbeginsel, het materieel- motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-10.068-24/30 IX-10.068-25/30 In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat het tuchtonderzoek niet zorgvuldig en niet à décharge is gevoerd. Hij argumenteert dat de verwerende partij – behoudens het horen van verzoeker waartoe zij wettelijk is verplicht – geen enkele onderzoeksdaad (à décharge) heeft gesteld. Zij heeft geen enkele getuige of collega van verzoeker gehoord en geen onderzoek gevoerd naar “de gezondheidstoestand” of naar de omstandigheden waarin de ten laste gelegde feiten zich hebben afgespeeld. De verwerende partij steunt enkel op de strafrechtelijke uitspraak à charge van verzoeker, ondanks het duidelijke verzoek van de onderzoeksraad van 29 maart 2019 om een aantal onderzoeksdaden te stellen gelet op “de onbeschikbaarheid van een aantal sleuteldocumenten”: het verhoor van plaatselijke autoriteiten, getuigenissen van lokale bevolking en collega’s, getuigenissen van de bij het incident betrokken personen, beelden van de bodycams van betrokken agenten en medische verslagen van de betrokkene en vermeende slachtoffers. Het tuchtonderzoek is dan ook exclusief à charge, eenzijdig, onzorgvuldig en zonder respect voor verzoekers recht van verdediging gevoerd. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing steunt op materieel onjuiste gegevens, niet-afdoende motieven en een onzorgvuldige feitenvinding, waardoor het recht van verdediging is geschonden. Verzoeker argumenteert dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt overwogen dat hij geen bewijs heeft bijgebracht van zijn precaire (depressieve) psychologische toestand, waarbij wordt verwezen naar de inventaris bij het verweerschrift van 9 november 2019 waarin wordt vermeld dat het medisch getuigschrift later zal worden toegevoegd. Verzoeker stelt dat hij het getuigschrift wél heeft bezorgd. Hij kan dan wel geen ondertekend afgiftebewijs van de neerlegging van het getuigschrift voorleggen, maar het bestaan van het getuigschrift blijkt volgens verzoeker uit de stukken van het dossier. In alle verhoren is zijn medische toestand immers uitgebreid besproken en de verwerende partij heeft nooit gemeld dat het attest ontbreekt of nog moest worden voorgelegd. Tijdens het verhoor door de onderzoeksraad op 27 februari 2019 heeft verzoeker zelfs expliciet gevraagd of zijn dossier volledig is, waarop de voorzitter van de IX-10.068-26/30 onderzoeksraad geen melding heeft gemaakt van het ontbreken van het getuigschrift van de behandelende geneesheer van verzoeker. Door nooit naar het ontbrekende attest te vragen en voor het eerst in de bestreden beslissing te beweren dat verzoeker geen bewijs heeft bijgebracht van zijn zeer precaire medische toestand, handelt de verwerende partij manifest onzorgvuldig en zelfs te kwader trouw. Daarenboven verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing zelf naar verzoekers gezondheidstoestand om de samenvoeging van de tuchtfeiten in een procedure te verantwoorden en erkent zij het bestaan ervan. Het is dan ook van twee dingen één: ofwel is het attest bijgebracht en heeft de verwerende partij er ten onrechte geen rekening mee gehouden – wat de bestreden beslissing onwettig maakt – ofwel heeft de verwerende partij het onderzoek niet à décharge en zorgvuldig gevoerd door na te laten om dit attest te vragen, hetgeen de bestreden beslissing eveneens onwettig maakt. Ten slotte klaagt verzoeker nog aan dat in de bestreden beslissing de getuigenis à décharge van collega L.Z. ten onrechte wordt afgedaan als ongeloofwaardig omdat het een subjectieve interpretatie zou betreffen, die wordt vertekend door hun persoonlijke relatie. Volgens verzoeker negeert de verwerende partij zonder enige valabele reden de objectieve en onafhankelijke getuigenis van iemand die de feiten heeft meegemaakt. Hierdoor schendt de verwerende partij het recht van verdediging en handelt zij onzorgvuldig, waardoor de bestreden beslissing niet steunt op formeel afdoende motieven. Beoordeling a. Eerste onderdeel
  89. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij geen eigen onderzoeksdaden heeft gesteld en enkel steunt op de strafrechtelijke uitspraak, ondanks het verzoek van de onderzoeksraad van 29 maart 2019 om een aantal onderzoeksdaden te stellen omwille van de onbeschikbaarheid van een aantal sleuteldocumenten. IX-10.068-27/30 Anders dan verzoeker beweert, heeft de onderzoeksraad op 29 maart 2019 niet geoordeeld dat de verwerende partij een aantal onderzoeksdaden moest stellen. De onderzoeksraad heeft omwille van “de onbeschikbaarheid van een aantal sleuteldocumenten” geoordeeld dat hij over onvoldoende inlichtingen beschikt en dat zijn advies daarom moet worden uitgesteld tot na het definitieve vonnis in de strafrechtelijke procedure. Op 22 december 2020 is verzoeker door de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, veroordeeld voor twee gevallen van opzettelijke slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid van minder of gelijk aan vier maanden tot gevolg, opzettelijke slagen aan een ministeriële ambtenaar en agenten die dragers zijn van het openbaar gezag in de uitvoering van hun bediening en ongewapende weerspannigheid (de feiten te Swansea, Jabbeke en Stekene). Verzoeker wordt vrijgesproken van het bezit van verdovende middelen te Swansea. Tegen dat vonnis is geen beroep ingesteld. Het gezag van gewijsde erga omnes van deze definitieve strafrechtelijke uitspraak impliceert dat eenieder – dus ook de tuchtoverheid – gebonden is door de vaststelling van de strafrechter inzake het al dan niet bewezen zijn van de feiten en de schuldbekwaamheid van de betrokkene. Aangezien de tuchtoverheid gebonden is door de vaststelling van de strafrechter dat de voornoemde feiten bewezen zijn en aan verzoeker toerekenbaar – in het vonnis wordt wat dat betreft geen enkel voorbehoud gemaakt – valt niet in te zien welke onderzoeksdaden de tuchtoverheid zelf nog had moeten verrichten en kan zij in ieder geval volstaan met een verwijzing naar de definitieve strafrechtelijke uitspraak ter motivering dat de feiten bewezen zijn en aan verzoeker toerekenbaar.
  90. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet ernstig. b. Tweede onderdeel 22.
  91. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de verwerende partij ten onrechte in de bestreden beslissing beweert dat hij geen bewijs van zijn precaire psychologische toestand heeft bijgebracht. Verzoeker IX-10.068-28/30 beweert dat hij het attest wel heeft bezorgd en dat de verwerende partij er dus onterecht geen rekening mee heeft gehouden of dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door niet eerder in de tuchtprocedure om het attest te vragen en pas in de bestreden beslissing gewag te maken van het ontbreken ervan. Verzoeker heeft geen belang bij deze kritiek. Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het derde middel is uiteengezet, is de tuchtoverheid gebonden door de definitieve strafrechtelijke uitspraak en diende zij aldus aan te nemen dat de feiten aan verzoeker toerekenbaar zijn aangezien in het vonnis van 22 december 2020 wat dat betreft geen enkel voorbehoud wordt gemaakt. Zelfs indien de verwerende partij rekening zou hebben gehouden met het attest waaruit verzoekers precaire psychologische toestand blijkt, had dit geen enkele invloed kunnen hebben op de toerekenbaarheid van de feiten aan verzoeker in de bestreden beslissing. Of de tuchtoverheid terecht dan wel onterecht aanneemt dat verzoeker nooit het bewijs van zijn precaire psychologische toestand heeft bijgebracht, is derhalve niet relevant. 22.
  92. Ten slotte heeft verzoeker evenmin belang bij zijn kritiek dat de verwerende partij geen rekening heeft willen houden met de getuigenis van een collega. Aangezien de tuchtoverheid is gebonden door de vaststelling van de strafrechter dat de feiten bewezen zijn en aan verzoeker toerekenbaar, had de verklaring van verzoekers collega hier niets aan kunnen veranderen. Wat de motivering van het bewijs van de feiten betreft, kon de verwerende partij ermee volstaan te verwijzen naar de definitieve strafrechtelijke uitspraak.
  93. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet ernstig. D. Slotsom
  94. Geen van de aangevoerde middelen is ernstig. IX-10.068-29/30 Er is aldus niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  95. De Raad van State verwerpt de vordering.
  96. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.068-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.403 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.