← België

Arrest 255404 - Kind & Gezin - 27/12/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.404 Rolnummer: A. 237950/VII-41814 Zaak: Arrest 255404 - Kind & Gezin - 27/12/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-29 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-14 03:01 Fiche Arrest nr 255.404 van 27 december 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.404 van 27 december 2022 in de zaak A. 237.950/VII-41.814 In zake: Agnes WILLEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffrey Steenbergen kantoor houdend te 3560 Lummen Pastorijstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het intern verzelfstandigd agentschap OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van Opgroeien Regie (hierna: het agentschap) van 9 december 2022 tot schorsing bij dringende noodzakelijkheid van de vergunning van de kinderopvanglocatie aan de Schoterweg 114 te Tessenderlo, met ingang van 12 december
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.814-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 december 2022, om 11 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alper Darici, die loco advocaat Geoffrey Steenbergen verschijnt voor verzoekster en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Juridisch kader
  4. Het decreet van 20 april 2014 ‘houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters’ (hierna: decreet Kinderopvang) voorziet in het kader van de kinderopvang in een vergunningsstelsel met vergunningsplichten en vergunningsvoorwaarden en de handhaving ervan. Luidens: - artikel 2, 1° van het decreet Kinderopvang is het agentschap het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 ‘tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie’; - artikel 2, 4° van het decreet Kinderopvang is de organisator de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert; VII-41.814-2/13 Artikel 30 van het Besluit van 22 november 2013 van de Vlaamse regering ‘houdende de vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid voor gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters’ (hierna: Vergunningsbesluit) bepaalt: “Overeenkomstig artikel 6, § 1, 3°, a) en b), van het decreet van 20 april 2012, voldoet de organisator voor zijn kinderopvanglocatie minstens aan alle voorwaarden met betrekking tot de omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens het respecteren van de fysieke en psychische integriteit van elk kind en het niet discrimineren van kinderen en gezinnen”. Artikel 31, § 1 en 2 van het Vergunningsbesluit luidt: “§
  5. De organisator realiseert een pedagogisch beleid met het oog op : 1° het stimuleren van de ontwikkeling van de kinderen op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak; 2° het bevorderen van het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen. In het eerste lid wordt verstaan onder welbevinden : kunnen genieten, spontaan en zichzelf kunnen zijn, ontspannen zijn, zich open opstellen, levenslust uitstralen, zelfvertrouwen hebben, weerbaar en assertief zijn en in contact zijn met zijn gevoelens. In het eerste lid wordt verstaan onder betrokkenheid : geconcentreerd en tijdvergeten bezig zijn, gemotiveerd bezig zijn, een open houding hebben voor wat de omgeving te bieden heeft, intens mentaal actief zijn, exploratiedrang hebben en zich bewegen aan de grens van de eigen mogelijkheden. De organisator houdt bij de realisatie van het pedagogisch beleid, vermeld in het eerste lid, rekening met het aantal, het ontwikkelingsniveau, het ritme, de interesses, de behoeften en de eigenheid van de kinderen. §
  6. Het pedagogisch beleid, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende aspecten : 1° het wennen; 2° een gevarieerd aanbod aan spelmateriaal, bewegings- en andere activiteiten, zowel voor binnen als voor buiten; 3° regelmaat in de dagindeling; 4° een methode om het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen na te gaan; 5° een taalbeleid dat de Nederlandse taalverwerving van elk kind stimuleert, met daarnaast positieve aandacht voor de taal die het kind in zijn thuismilieu spreekt; 6° het bevorderen van een onderling respectvolle houding; 7° de continuïteit in de begeleiding van de kinderen, zodat een relatie opgebouwd kan worden tussen de kinderen en de kinderbegeleiders; VII-41.814-3/13 8° een actief, auditief en visueel toezicht, ook tijdens de slaapsituatie, en een permanente begeleiding van de kinderen.”. Artikel 18 van het Decreet Kinderopvang bepaalt: “Als wordt vastgesteld dat een organisator de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft, of het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert, wordt de organisator schriftelijk aangemaand door het agentschap. Die aanmaning vermeldt een termijn waarbinnen de organisator moet voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen of aan de vereisten betreffende het toezicht en kan specifieke voorwaarden bevatten om te voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen. Bij dringende noodzakelijkheid kan die aanmaning achterwege gelaten worden en worden onmiddellijk bestuurlijke maatregelen genomen zoals vermeld in afdeling
  7. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels”. Artikel 5 van het Besluit van 11 december 2015 van de Vlaamse regering ‘houdende de maatregelen in het kader van de handhaving van de voorwaarden voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters (hierna: Handhavingsbesluit) bepaalt: “Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de vergunning te schorsen : 1° als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden op korte termijn weggewerkt kan worden; 2° uit voorzorg, als er ernstige indicaties zijn dat er een inbreuk is op de vergunningsvoorwaarden en dat daardoor de veiligheid en gezondheid van de kinderen in het gedrang komen; 3° als de organisator het toezicht op de vergunningsvoorwaarden verhindert”. Artikel 19 van het decreet Kinderopvang bepaalt: “Het agentschap kan de vergunning wijzigen, schorsen of opheffen als de organisator : 1° de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft; 2° ... De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die volgt op de datum van de kennisgeving van de beslissing tot schorsing, tot het moment VII-41.814-4/13 waarop de organisator weer voldoet aan de bepalingen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen”. Artikel 21 van het Handhavingsbesluit bepaalt: “De organisator kan uiterlijk dertig kalenderdagen na de kennisgeving tegen de beslissing om een bestuurlijke maatregel op te leggen, bij het agentschap bezwaar aantekenen met een aangetekende brief. De termijn van dertig kalenderdagen gaat in vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop het agentschap de beslissing met een aangetekende brief aan de postdiensten overhandigd heeft, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. De aangetekende brief bevat minstens de volgende gegevens : 1° de gegevens, vermeld in artikel 14; 2° de motivering van het bezwaar; 3° de vermelding of de organisator gehoord wil worden; 4° de datum en een handtekening vanwege de organisator”. Artikel 26 van het Handhavingsbesluit bepaalt: “Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing, tenzij de beslissing bij dringende noodzakelijkheid genomen werd, zoals vermeld in artikel 18, tweede lid van het decreet van 20 april 2012”. IV. Feiten
  8. Het agentschap heeft met ingang van 1 april 2014 aan de VZW Felies een vergunning kinderopvang voor baby’s en kleuters “gezinsopvang” verleend, voor de opvanglocatie “Willems Agnes”. De VZW Felies is organisator van kinderopvang die overeenkomsten sluit met onthaalouders, waaronder verzoekster.
  9. Op 8 december 2022 meldt de VZW Felies dat zij na een interne evaluatie de samenwerking met verzoekster stopzet met ingang van 26 december VII-41.814-5/13
  10. Het daartoe voorziene formulier “Melden van het stopzetten van een kinderopvanglocatie” werd voor ondertekening opgemaakt op 19 december
  11. Het agentschap neemt op vrijdag 9 december 2022 de beslissing tot schorsing bij dringende noodzaak van voormelde vergunning van de kinderopvanglocatie Willems Agnes. De schorsing gaat in vanaf maandag 12 december 2022 en geldt tot het moment waarop het agentschap vaststelt dat de organisator, VZW Felies, opnieuw voldoet aan de vereisten gesteld door of krachtens het decreet Kinderopvang. De beslissing is genomen op grond van artikel 19 van het decreet Kinderopvang, artikel 30 en 31, § 1 en 2, 6° van het Vergunningsbesluit en artikel 5, 2° van het Handhavingsbesluit. De beslissing wordt op dezelfde dag meegedeeld aan de organisator, VZW Felies die het meteen meedeelt aan verzoekster. Dit is de bestreden beslissing.
  12. Verzoekster dient op 15 december 2022 bezwaar in bij het agentschap tegen de bestreden beslissing. Op 16 december 2022 deelt het agentschap aan verzoekster mee dat zij niet ingaat op haar verzoek om de dringende noodzakelijkheid op te heffen. Het agentschap besluit op 21 december 2022 tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van verzoekster.
  13. De vzw Felies deelt op 16 december 2022 mee dat zij geen bezwaar indient tegen de bestreden beslissing. VII-41.814-6/13 V. Ontvankelijkheid
  14. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering.
  15. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  17. Verzoekster stelt aangaande de vereiste van uiterst dringende noodzakelijkheid wat volgt: “IV. Feiten en gegevens die het bevelen van de voorlopige schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden Dat de uiterst dringende noodzakelijkheid waarom dit verzoek tot schorsing wordt ingediend, te vinden is in het feit dat verzoekster geconfronteerd wordt met een beslissing waardoor zij haar job gaat kwijtspelen. Verzoeker vordert de schorsing van de bestreden beslissing hoger vernoemd in uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve van de beslissing tot schorsing vergunning van een kinderopvanglocatie Agnes Willems 910018943, Schoterweg 114, 3980 Tessenderlo. Dat deze beslissing door de verwerende partij ter kennis gebracht middels email aan de organisator Felies vzw dewelke op haar beurt verzoekster de beslissing heeft overgemaakt en zulks op vrijdag 09.12.
  18. Dat er in repliek op het door verzoekster ingediende bezwaar er ondermeer toe strekkende minstens de ‘dringende noodzakelijkheid’ op te heffen een VII-41.814-7/13 antwoord van de dienst door verzoekster werd ontvangen op vrijdag 16.12.2022 en waarin gesteld werd dat hierop niet kon worden ingegaan. De bestreden beslissing vermeldt dat om de veiligheid en de gezondheid van de opgevangen kinderen te waarborgen het Agentschap Opgroeien overgaat tot een schorsing bij dringende noodzakelijkheid. De bestreden beslissing argumenteert uitdrukkelijk dat deze is gebaseerd op de klacht van 30.11.2022 die door haar als ‘ernstig’ wordt beschreven. Voor het overige refereert men naar een interne evaluatie van de organisator van augustus 2022 en een eerdere klacht (nota bene van dezelfde buur) van 23.06.
  19. Dat het alleszins zo is dat enkel de vermelde klacht van 30.11.2022 een grond kan zijn voor het realiseren van een beslissing bij dringende noodzakelijkheid. Bezwaarlijk kan men stellen dat een eerdere klacht van juni 2022, noch een bezoek van de organisator van 07.07.2022 en 05.08.2022 thans kan worden aangegrepen om te oordelen tot het bestaan van dringende noodzaak. Na het bezoek van
  20. 08.2022 werden trouwens alle werkpunten aangepakt en verholpen, doch volgde er geen aanvullende controle. Aangezien de bestreden beslissing bij dringende noodzakelijkheid is gewezen, kan verzoekster haar job niet meer uitoefenen. Een verzoek om de dringende noodzakelijkheid op te heffen werd afgewezen. Dat de voorliggende schorsing, derhalve in afwachting van het onderzoek van de door een derde geformuleerde klacht, van aard is verzoekster in een situatie te brengen die op geen enkele manier kan worden hersteld dan behoudens door het met onmiddellijk ingang schorsen van de bestreden beslissing. Dat men toch bezwaarlijk kan toestaan dat er op basis van een niet gefundeerde klacht van een derde, om reden eigen aan deze persoon een dergelijk drastische beslissing wordt genomen zonder dienaangaande eerst de klacht te onderzoeken en betrokkenen minstens te horen. Er was dan ook geen reden om de beslissing tot schorsing van de vergunning bij dringende noodzakelijkheid te nemen. Op die manier had een door verzoekster ingediend bezwaar schorsende werking en kon ook ten gronde de klacht worden onderzocht naar rechtmatigheid. Men heeft zich die moeite niet getroost. De beslissing is niet gefundeerd op objectieve gegevens en onomstotelijke feiten dewelke het een en ander aantonen. Er werd zelfs niet de moeite genomen om voorafgaandelijk deze klacht af te toetsen aan de bevindingen van de ouders, overige buren, de onthaalouders, enz,,... Het zal ten deze opvallen dat alle ouders ten deze als een front achter hun onthaalouder staan en zulks ook opzichtens de organisator en de dienst Kind en Gezin hebben geuit. In weerwil van de feitelijke gegevens, zijnde het gegeven dat verzoekster al jaren als onthaalmoeder werkt en nooit enige klacht van de ouders van de kinderen heeft ontvangen, in tegendeel zelfs, zijnde het gegeven dat verzoekster op immense steun van de ouders van de kinderen kan rekenen, is men overgegaan tot de schorsing van de vergunning van verzoekster en dan nog in het kader van een ‘dringende noodzakelijkheid’ VII-41.814-8/13 Verzoekster verwijst ook naar haar stuk 3 waar duidelijk uit blijkt dat de ouders verzoekster steunen en altijd tevreden zijn geweest. De ouders die hun kind(eren) toevertrouwen aan verzoekster hebben het volste vertrouwen in verzoekster, waaromtrent tal van brieven/emailberichten werden geschreven. Een bloemlezing uit deze brieven: ‘in onze ogen bestaat er geen zorgzamere en betere opvangmoeder’ ‘een veilige haven waar ik met 100% vertrouwen ons kind bracht, ieder kind maakte deel uit van hun warme gezin’ ‘zij en Wil hebben ons en de kinderen telkens met open armen ontvangen, het was als thuiskomen...’ ‘we zijn altijd tevreden geweest over Agnes.’ ‘Ik ben hun heel dankbaar voor alles wat ze Ian geleerd hebben’ ‘Mijn dochter heeft zich daar altijd goed gevoeld en ging met alle plezier naar de opvang’ Dat ten deze een volkomen geïsoleerde en niet gefundeerde klacht, geuit door een derde die al jaren in onmin leeft met verzoekster niet aan de grondslag kan liggen van een dergelijke ingrijpende beslissing zonder dat dienaangaande deze klacht is geverifieerd, minstens bijgetreden van een directe betrokkene. Dat de gevolgen van de bestreden beslissing dermate drastisch en onomkeerbaar zijn dat de enkele een bij hoogdringendheid opgelegde schorsing soelaas kan bieden. Dat er sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid waarbij verzoekster met de nodige spoed heeft gehandeld. VI. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat verzoekster niet langer als onthaalmoeder kan werken, haar opvanglocatie kan uitbaten en dat zij haar activiteiten moet staken in afwachting van een beslissing ten gronde. Met andere woorden houdt deze beslissing een algemeen beroepsverbod in voor verzoekster. Verzoekster lijdt ongetwijfeld schade ingevolge de beslissing gezien haar leeftijd van 58 jaar en aangezien zij al 8 jaar haar werk met passie uitoefent. Dat verzoekster ingevolge deze beslissing zonder wedde is gevallen en er is sprake van een ernstig nadeel. Er is tevens sprake van een ernstige vermindering van haar levensstandaard. Dat louter op basis van een klacht zonder meer verzoekende partij door het Agentschap Opgroeien totaal ongeschikt wordt aangemerkt om nog kinderen op te vangen. In de bestreden beslissing is te lezen dat verzoekster niet zou beschikken over voldoende pedagogische kwaliteit en dat hierdoor de fysieke en psychische veiligheid van de kinderen niet kunnen worden gewaarborgd. Deze stelling is te betreuren en is in elk geval te beschouwen als een moreel nadeel doordat er sprake is van een afkeuring en minachting naar verzoekende partij toe. Het moreel nadeel is te vinden in het feit dat er een persoonlijk verwijt wordt geuit naar verzoekster toe dewelke in elk geval niet gestaafd is, VII-41.814-9/13 Verder wordt in de bestreden beslissing geenszins gesproken over het vermoeden van onschuld, zijnde dat aan verzoekster ook de kans zou worden gegeven om haar onschuld aan te tonen. De bestreden beslissing vermeldt weliswaar een standaardformule, zijnde: ‘zijn de tekorten uiterlijk 12 maart 2023 niet weggewerkt, dan zal de vergunning worden opgeheven.’ Nergens worden de tekorten ter kennis van verzoekster gebracht. Het Agentschap uit beweringen die niet gestaafd zijn, waaromtrent verzoekster geen standpunt kan innemen. Er wordt geenszins beargumenteerd waarom verzoekster niet over de voldoende pedagogische kwaliteit zou beschikken. Er wordt ook niet weergegeven wat de klacht inhoudt. Dit brengt met zich mee dat verzoekster zich niet kan verweren en in elk geval wordt dit onmogelijk gemaakt. Dit heeft ook als gevolg dat verzoekster de beweerde tekorten, quod certe non, uiterlijk 12 maart 2023 niet kan wegwerken nu verzoekster niet weet wat er in deze klachtbrief staat te lezen. Het is derhalve zo dat het Agentschap opgroeien als het ware blindelings voortgaat op een loutere bewering van de klachtindiener. Er is met andere woorden voldaan aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.” Beoordeling
  21. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
  22. Daaruit volgt de vaststelling dat de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde vormt die niet kan worden gelijkgesteld met en in beginsel niet volgt uit de ernst van de middelen die verzoekster aanvoert.
  23. Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete VII-41.814-10/13 feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekster toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen gedragen worden gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door verzoekster worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
  24. Samengevat begrijpt de Raad van State dat verzoekster de Raad van State wil doen aannemen dat aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan omdat de bestreden beslissing: - belet haar job nog uit te oefenen te meer omdat het agentschap niet is ingegaan op haar verzoek na ontvangst van de bestreden beslissing om de ingeroepen dringende noodzakelijkheid op te heffen, het verlies van haar job meebrengt, en een “algemeen beroepsverbod” inhoudt voor verzoekster waardoor zij zonder inkomen valt, haar levensstandaard ernstig vermindert, zij een moreel nadeel lijdt, - steunt op klachten en een bezoek/interne evaluatie van de organisator die geen grond kunnen vormen voor de bestreden beslissing zonder voorafgaand onderzoek ten gronde en gegeven de tevredenheid van de ouders van de kinderen die zij opvangt, - steunt op tekorten waarvan zij geen kennis heeft en derhalve ook niet kan wegwerken.
  25. In zoverre verzoekster met haar vordering beoogt om de schorsing van de vergunning van de organisator met ingang van 12 december 2022 te voorkomen, wordt vastgesteld dat met de inwilliging van haar vordering die zij VII-41.814-11/13 eerst op 19 december 2022 heeft ingediend, dat beoogde doel door het tijdsverloop niet langer kan bereikt worden.
  26. Voorts roept verzoekster ook vergeefs in dat zij door de bestreden beslissing zonder werk komt te vallen of aankijkt tegen een algemeen beroepsverbod waardoor zij inkomensverlies lijdt, haar levensstandaard zou verminderen en zij moreel nadeel zou lijden. Immers blijkt uit het administratief dossier, wat verzoekster in haar verzoekschrift ten andere bevestigt, dat de organisator, VZW Felies, reeds op 8 december 2022 heeft beslist om de samenwerking met haar stop te zetten met ingang van 26 december 2022 en dat de organisator, VZW Felies uitdrukkelijk heeft afgezien van het indienen van een bezwaar tegen de bestreden beslissing die tegen haar is genomen. De door verzoekster nagestreefde schorsing van de bestreden beslissing kan deze beweerde gevolgen dan ook niet beletten, laat staan voorkomen. Een door de Raad van State bevolen schorsing kan bovendien enkel uitwerking hebben voor de toekomst. Het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing, zou in de door verzoekster bevestigde omstandigheden, niets veranderen aan het feit dat de organisator, VZW Felies, de samenwerking met verzoekster heeft stopgezet met ingang van 26 december
  27. In zoverre verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing steunt op beweerde tekorten waarvan zij geen kennis heeft, of op klachten van derden en/of vaststellingen van de organisator waartegen zij zich niet heeft kunnen verdedigen en die zij thans betwist, verwart zij de schorsingsvoorwaarde van het voorhanden zijn van de uiterst dringende noodzakelijkheid met de afzonderlijke schorsingsvoorwaarde van een ernstig middel. Louter met deze gebeurlijke onwettigheden die verzoekster aanvoert, toont zij nog niet aan dat haar vordering ook aan de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou voldoen. VII-41.814-12/13 Conclusie
  28. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig december tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-41.814-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.