← België

Cassatiebeschikking 14713 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.713 Rolnummer: A. 234973/XIV-38858 Zaak: Cassatiebeschikking 14713 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-21 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 06:02 Fiche Beschikking nr 14.713 van 19 januari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.713 van 19 januari 2022 in de zaak A. 234.973/XIV-38.858 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cynthia Torfs kantoor houdend te 3200 Aarschot Amersstraat 121 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.990 van 11 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 november 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht artikel 22 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden met het bestreden arrest door deze bepaling “zodanig te interpreteren dat het DVZ is toegestaan om het verblijf van een vreemdeling die voor de leeftijd van twaalf jaar is aangekomen op het grondgebied te XIV-38.858-1/9 beëindigen wegens ‘ernstige redenen van openbare orde’, zonder vast te stellen dat die redenen zich beperken tot ‘terrorisme’ of ‘zeer ernstige criminaliteit’”. In de beslissing van de verwerende partij van 20 mei 2021 tot beëindiging van verblijf (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) wordt omstandig de historiek van verzoekers diverse strafrechtelijke vervolgingen en veroordelingen weergegeven en wordt vervolgens ingegaan op de ernst daarvan: “U strafverleden spreekt geenszins in uw voordeel. In uw jeugd kwam u in aanraking met de jeugdrechtbank en u werd ook meermaals veroordeeld door de politierechtbank. Bovendien werd u niet minder dan 5 keer strafrechtelijk veroordeeld voor verschillende feiten: wegens verboden wapendracht, opzettelijke slagen en verwondingen aan uw moeder en zus, valsheid in geschriften, poging oplichting en mensenhandel. U bevindt zich hierdoor in de strafcategorie 10-15 jaar en uw strafeinde is voorzien op 03.07.
  2. Al deze veroordelingen hebben u klaarblijkelijk niet tot betere inzichten gebracht of gesensibiliseerd en hebben geen gedragsverbetering kunnen tewerkstellen. U werd een eerste keer veroordeeld voor verboden wapendracht op 23.06.
  3. Deze veroordeling en de veroordeling d.d. 23.12.2011 voor intrafamiliaal geweld tegenover uw moeder en uw zus blijken geen indruk op u gemaakt te hebben, ze weerhielden u er immers niet van strafbare feiten te blijven plegen. De Correctionele Rechtbank van Antwerpen stelde in haar vonnis d.d. 23.12.2011 dat feiten van intrafamiliaal geweld maatschappelijk onaanvaardbaar zijn en zeer belastend zijn voor de slachtoffers. Er werd rekening gehouden met de geloofwaardige en gelijklopende verklaringen van uw moeder en uw zuster, de vaststellingen van de verbalisanten en de bekentenis van uzelf. Er werd u toen wegens een relatief ‘gunstig’ verleden uitstel verleend. Deze genademaatregel werd u toegestaan om u de kans te geven uw gedrag te verbeteren. Een kans die u duidelijk niet gegrepen heeft. Op 17.11.2015 probeerde u een geldig rijbewijs te bekomen door een andere persoon voor u het theoretisch rijexamen af te laten leggen. U ontkende betrokken te zijn bij de feiten en stelde dat u uw identiteitskaart verloor en hiervan aangifte deed bij de politie. U deed echter pas één dag na de gepleegde feiten aangifte van het verlies van uw identiteitskaart. Deze handelingen wijzen op een frauduleuze, gemakzuchtige ingesteldheid en een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving. Uw handelingen zijn potentieel ook erg gevaarlijk, daar zij ertoe strekken een persoon een voertuig in het verkeer te laten besturen zonder dat deze over de hiertoe noodzakelijke kennis en vaardigheden beschikt. De rechter legde u op 07.03.2018 een straf met uitstel en een geldboete op om u op de ernst van de feiten te wijzen en om er u toe aan te zetten zich in de toekomst te verbeteren. Wederom een kans die u volledig onbenut liet, de gevangenisstraf werd op 07.04.2021 in uitvoer gebracht ten gevolge van uw veroordeling d.d. 19.11.
  4. Nog geen maand later heeft u opnieuw strafbare feiten gepleegd, namelijk in de nacht van 11 op 12 december
  5. U was toen betrokken bij een hevige vechtpartij met een groep Roemenen waarbij verscheidene zwaargewonden en zelfs één dode viel. Verschillende passanten waren getuige van dit straatgeweld. Dergelijk handelen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. U werd op 18.01.2017 veroordeeld voor verboden wapendracht, het dragen van vuurwapen zonder wettige reden, opzettelijke slagen en verwondingen met voorbedachtheid en vereniging van misdadigers om wanbedrijven te plegen. U schrikt er duidelijk niet voor terug om XIV-38.858-2/9 (zwaar) fysiek geweld te gebruiken wat getuigt van een totaal gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van derden en van ernstige normvervaging. Uit het vonnis dd. 18.01.2017 blijkt dat de feiten bijzonder ernstig zijn: ‘Beklaagden {waaronder u) zochten en vonden elkaar in een bijzonder gewelddadige confrontatie in het centrum van het Schipperskwartier. In beide groepen werden zware verwondingen opgelopen. M.I.N., een jongeman van amper 23 jaar liet hierbij zelfs het leven. Beklaagden {waaronder u} dachten het heft in eigen handen te moeten nemen en deinsden niet terug voor zwaar geweld. Zij hadden op geen enkele wijze respect voor elkaars fysieke integriteit en hielden totaal geen rekening met de impact van dergelijke feiten voor de samenleving, zowel wat betreft het onveiligheidsgevoel in de omgeving als wat betreft de capaciteit van politie- en hulpdiensten die massaal dienden uit te rukken.’ Uit het vonnis d.d. 18.01.2017 blijkt ook zeer duidelijk dat er geen sprake is van wettige verdediging: ‘Het is derhalve duidelijk dat [A.] en P. de aanval reeds enkele uren verwachtten en dat [A.] zich bewapende, bescherming zocht bij P. en zich naar plaatsen begaf waar de groep Roemenen kon getroffen worden (Iraans restaurant van [...]) in plaats van zich ook daarvoor te richten tot de politie.’ Extra verontrustend is dat u een vuurwapen bovengehaald heeft en enkele schoten loste, volgens uw verklaringen richtte u naar de grond. Uit het ballistisch verslag bleek dat het door u gehanteerde vuurwapen een afvuurstoornis vertoonde. Vuurwapens leveren in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op. U schoot dan misschien wel in de richting van de grond, toch had het heel anders kunnen aflopen. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst van degenen die ermee geconfronteerd worden, en voedt daardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De aanwezigheid en het gebruik van vuurwapens in de openbare ruimte is een toenemend probleem waardoor het veiligheidsgevoel van heel veel mensen wordt geraakt. Het bezit van vuurwapens leidt vaak tot het daadwerkelijke gebruik daarvan en alle ernstige gevolgen van dien. De laatste feiten waarvoor u veroordeeld werd, gepleegd in de periode tussen 01.09.2018 en 26.02.2019 zijn zeer ernstig en bevestigen nogmaals uw extreem vervaagd normbesef. Uit het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen d.d. 19.11.2020 waarin deze feiten bestraft worden, blijkt: ‘Hij {u} leeft reeds jarenlang als een parasiet die sekswerkers benadert en behandelt als persoonlijke geldmachines, door hen verliefd te laten worden en hen vervolgens genadeloos uit te buiten waarbij geweld niet wordt geschuwd’. U ziet bovendien de ernst van de gepleegde feiten niet in en u toont geen enkel respect voor de vrouwen. U stelt immers dat L.D.B. in uw ogen geen slachtoffer is. U stelt enkel een seksverslaving te hebben waardoor u er meerdere vriendinnen op nahoudt, wat jaloersheid opwekt. Uit het strafdossier blijkt dat u de loverboy-techniek toepast en op een manipulatieve wijze het vertrouwen wint van uw slachtoffers, een relatie met hen begint en met hen gaat samenwonen, waarna de controle en de dominantie en de uitbuiting door u begint. Het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen d.d.19.11.2020 vermeldt ook: ‘Hef Hof benadrukt dat N.D. zeer gedetailleerd uitlegt hoe beklaagde de controle over haar kreeg, door zich als zeer attent en zorgzaam voor te doen en pas nadat ze stapelverliefd op hem was en letterlijk alles voor hem zou doen, haar te overtuigen om alle geld dat ze verdiende door hem te laten beheren waarbij ze enkel geld kreeg om eten te kopen en haar vitrine te betalen, terwijl beklaagde {u} nooit zelf werkt.’ Ook hier schuwde u fysiek geweld niet. U was volgens N.D. zeer gewelddadig waarbij u regelmatig de inboedel kort en klein sloeg. Volgens uw slachtoffer was u onvoorspelbaar en explosief waarbij u haar sloeg en enkele seconden later al wenend uw excuses aanbood. U sloeg haar met de vuist, met de platte hand en stampte haar. U passeerde soms meermaals per nacht haar vitrine en wanneer u haar op haar kruk zag zitten, kwam u binnen om te zeggen dat ze moest rechtstaan om meer klanten te krijgen. Ze moest steeds laten weten waar ze was en mocht haar vitrine niet verlaten zonder uw toestemming. Ook wat L.D.B. betreft, XIV-38.858-3/9 staat vast dat u dezelfde tactiek hanteerde door ervoor te zorgen dat ze erg verliefd op u werd, zodat u haar vervolgens kon uitpersen. U heeft een enorme invloed en u bent zeer manipulatief naar uw slachtoffers. Na de opheffing van het aanhoudingsmandaat op 05.09.2019 heeft u nog geprobeerd om de getuigenis van N.D. te beïnvloeden, door haar onder druk te zetten, zodat ze een nieuwe, doch ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaring aflegde bij de politie. Deze verklaring werd door geen enkel objectief element in het strafdossier gesteund. De feiten zijn bewezen verklaard gelet op voornamelijk de tapgesprekken en de getuigenverklaringen. U slaagde er in de periode na de opheffing van het aanhoudingsmandaat d.d. 05.09.2019 niet in om de opgelegde voorwaarden na te leven. U schond minstens 4 van de opgelegde voorwaarden waardoor u opnieuw onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst. Het Hof van Beroep van Antwerpen wilde u dan ook geen autonome probatiestraf opleggen aangezien u zich niet zou schikken naar de opgelegde voorwaarden, gelet op de flagrante miskenning van de voorwaarden opgelegd door de onderzoeksrechter. U werd ook voor 10 jaar uit uw rechten ontzet en er werd u nog een plaatsverbod opgelegd. Dit om recidivegevaar tegen te gaan. Bovendien werkte u niet mee met het gerechtelijk onderzoek, u weigerde immers de codes van uw Samsung GSM af te geven. Het recidivegevaar en het gevaar voor de openbare veiligheid is volgens het Hof van Beroep van Antwerpen acuut aanwezig. De gepleegde feiten zijn bijzonder zwaarwichtig en gericht op een snelle persoonlijke verrijking. Uit het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen d.d. 14.05.2020 (waarvan folio 4 t.e.m. 9 integraal werd overgenomen door het Hof van Beroep) blijkt dat er een grote discrepantie was tussen de aangegeven inkomsten en de gelden waarover u bleek te beschikken. Uw laatste officieel geregistreerde tewerkstelling bij de Stad Antwerpen was van december 2009 tot en met maart
  6. Uit onderzoek bij Western Union blijkt dat u in de periode 2013-2018 een totaalbedrag van 7.536.11 euro overmaakte naar het buitenland. Tevens ontving u in diezelfde periode 11.242 euro in Roemenië. In de periode 2013-2018 heeft u geen belastbare inkomsten aangegeven. Er is bovendien gebleken dat er een schril contrast was tussen uw totaal gebrek aan legale inkomsten en uw uitgavenpatroon. U heeft al jaren geen enkel legaal inkomen en leeft op de kosten van emotioneel, afhankelijke, kwetsbare prostituees.” Op grond van die vaststellingen wordt verder in deze beslissing het volgende overwogen: “De drang naar gemakkelijk geldgewin primeert overduidelijk op het respect voor de fysieke integriteit van de uitgebuite, kwetsbare slachtoffers. U trekt duidelijk geen lering uit eerdere veroordelingen. Uit uw persoonlijk handelen komt dan ook een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren waardoor het niet uit te sluiten valt dat u dergelijk gedrag in de toekomst zal herhalen. Bovendien getuigt het herhaaldelijk niet respecteren van de strafrechtelijke bepalingen in België expliciet van het niet geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving. Het gegeven dat u tijdens uw detentie opleidingen volgde en u zich bereid toont nog opleidingen te volgen, wijst er niet noodzakelijk op dat u tot inkeer gekomen bent of dat er duidelijk sprake is van een gedragswijziging die afbreuk vermag te doen aan het ernstig, reëel en actueel gevaar dat u vormt voor de openbare orde. Uw gedragingen getuigen van een gebrek aan normbesef, een immorele ingesteldheid en een manifeste afwezigheid voor sociale en morele waarden. De vaststelling dat u meermaals veroordeeld werd door de politierechtbank, onder meer wegens inbreuken XIV-38.858-4/9 op vervallenverklaring van het recht op sturen en tijdens uw jeugd al in aanraking kwam met de jeugdrechtbank, dat u ook in het verleden al deel uitmaakte van een strafdossier rond prostitutie, en reeds meermaals voor gewelddadige feiten veroordeeld werd, wijst er voorts op dat u geen lessen trok uit eerdere veroordelingen. U blijkt de ernst van uw daden niet in te zien, noch schijnt u te begrijpen dat uw gedrag maatschappelijk onaanvaardbaar is. Uit uw persoonlijk handelen komt een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren waardoor het helemaal niet uit te sluiten valt dat u dergelijk gedrag in de toekomst zal herhalen. Overwegende uw gewelddadigheid, uw gevaarlijke persoonlijkheid, het gegeven dat u het gebruik van wapens niet schuwt, uw dorst naar makkelijk verkregen geld en de totale minachting voor andermans persoon die voortvloeit uit uw handelingen, bestaat er een ernstig, reëel en actueel gevaar voor een nieuwe schending op de openbare orde. De maatschappij dient beschermd te worden tegen dergelijke criminele feiten. Het beëindigen van uw verblijfsrecht is dan ook een noodzakelijke maatregel voor de bescherming van de orde en ter preventie van strafbare feiten daar uw gedrag een werkelijke, actuele en ernstige dreiging vormt voor fundamenteel belang van de samenleving, uw persoonlijke belangen wegen niet op tegen het belang van de maatschappij in het algemeen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest wat de in artikel 22, § 1, 3°, van de vreemdelingenwet bedoelde voorwaarde van ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid betreft: “Verweerder heeft in de bestreden beslissing uitvoerig uiteengezet waarom hij oordeelde dat uit het gedrag van verzoeker een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving blijkt en de in deze beslissing aangevoerde feiten vinden steun in de stukken van het administratief dossier. Verzoeker toont door te stellen dat verweerder zich bij zijn beoordeling voornamelijk heeft gebaseerd op elementen uit het strafregister niet aan dat de overwegingen van verweerder incorrect of kennelijk onredelijk zijn. Uit de motivering van de bestreden beslissing en het neergelegde administratief dossier kan worden afgeleid dat verweerder de verschillende door verzoeker gepleegde strafbare feiten, zoals deze blijken uit vonnissen en arresten, in aanmerking heeft genomen. Verweerder heeft rekening gehouden met de precieze aard en ernst van de door verzoeker gepleegde feiten, waaronder woonstschennis, opzettelijke slagen en verwondingen, valsheid in geschrifte, verboden wapendracht en mensenhandel. Verweerder heeft vastgesteld dat verzoeker reeds als minderjarige berispingen kreeg vanwege de jeugdrechter en dat dit geen gedragsverbetering tot gevolg had. Hij heeft daarnaast gewezen op de verschillende veroordelingen die door de politierechter werden uitgesproken en de vijf correctionele veroordelingen die verzoeker opliep. Verweerder heeft, op onderbouwde wijze en met verwijzing naar de precieze feiten die werden gepleegd, geduid dat verzoeker blijk geeft van een frauduleuze, gemakzuchtige ingesteldheid en een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving, dat hij er niet voor terugschrikt om zwaar fysiek geweld te gebruiken, dat hij geen respect toont voor vrouwen, dat hij manipulatief is en dat hij zijn drang naar gemakkelijk geldgewin laat primeren op het respect voor de fysieke integriteit van de door hem uitgebuite kwetsbare slachtoffers. Verder heeft verweerder overwogen dat het hof van beroep te Antwerpen in een arrest stelde dat het recidivegevaar en het gevaar voor de openbare orde acuut aanwezig zijn en opgemerkt dat verzoeker geen lessen trok uit eerdere veroordelingen. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in XIV-38.858-5/9 zijn betoog dat verweerder niet aantoont dat hij een zeer ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde zou vormen en dat het aangevoerde gevaar slechts ‘hypothetisch’ is. De stukken waarover de Raad beschikt laten geenszins toe te besluiten dat verzoeker, die steeds opnieuw strafbare feiten pleegt, zich zou hebben ‘herpakt’ of dat hij ‘heeft afstand genomen van het verleden’. Verzoeker toont met zijn toelichting niet aan dat verweerder verkeerdelijk of op kennelijk onredelijke wijze concludeerde dat hij een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt.” Het Grondwettelijk Hof heeft inderdaad geoordeeld dat de toepassing van artikel 22 van de vreemdelingenwet moet worden beperkt “tot de gevallen van terrorisme of zeer zware criminaliteit” (GwH 18 juli 2019, nr. 112/2019, B.24.10). Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter niet opgeworpen dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet werd getoetst aan het criterium van de “zeer zware criminaliteit”, hij heeft wel uiteengezet dat “het gedrag van de betrokkene […] een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving [moet] zijn”. Uit een eenvoudige lezing van het bestreden arrest (zoals supra geciteerd) blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing aan dit criterium heeft getoetst. Bovendien maakt verzoeker geenszins aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zijn beoordeling als supra geciteerd een verkeerde invulling zou hebben gegeven aan de voorwaarde van “zeer zware criminaliteit”, temeer daar in het bestreden arrest duidelijk wordt gewezen op de aard en de ernst van de begane feiten (waaronder mensenhandel) en op de veroordelingen en het gedrag van verzoeker waardoor deze laatste wordt beschouwd als een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Tot slot is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door in de plaats van de eerste rechter zelf na te gaan of de kwestieuze feiten blijk geven van de door artikel 22 van de vreemdelingenwet vereiste zwaarte.
  7. Verzoeker acht artikel 23 van de vreemdelingenwet geschonden omdat de in deze bepaling voorziene evenredigheidstoets niet zou zijn uitgevoerd. Volgens deze bepaling “wordt bij het nemen van de beslissing rekening gehouden met de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid die [de betrokkene] heeft begaan, of met het gevaar dat van hem uitgaat, en met de duur van zijn verblijf in het Rijk” en “wordt ook rekening gehouden met het bestaan van banden met zijn land van oorsprong, met zijn leeftijd en met de gevolgen voor hem en zijn familieleden”. XIV-38.858-6/9 In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt het standpunt uit de door verzoeker en zijn raadsman op 18 maart 2021 ingevulde vragenlijst betreffende (de gevolgen van) een mogelijke beëindiging van verzoekers verblijfsrecht in België uitgebreid weergegeven en worden de bijkomende stukken vermeld die verzoeker nadien nog heeft ingediend. Vervolgens wordt omstandig ingegaan op verzoekers relationele en familiale banden, op zijn (langdurig) verblijf in België en op het feit dat verzoeker volgens een advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zou mogen worden teruggeleid naar Iran. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat de verwerende partij de door verzoeker aangehaalde gegevens in zijn besluitvorming heeft betrokken en dat verzoeker door deze elementen nogmaals te herhalen niet aantoont dat de verwerende partij zijn persoonlijke situatie, deze van de vrouw die hij omschrijft als zijn partner of deze van zijn familieleden onvoldoende in aanmerking heeft genomen of kennelijk onredelijk is opgetreden. Hierna gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog in op de door verzoeker aangehaalde schending van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
  8. Ondanks de voormelde motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest, geeft verzoeker niet concreet aan met welke door hem aangevoerde of andere in het licht van artikel 23 van de vreemdelingenwet relevante elementen of belangen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden bij zijn beoordeling. A fortiori toont verzoeker dergelijke tekortkoming dan ook niet aan.
  9. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.858-7/9 XIV-38.858-8/9 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien januari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.858-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.713 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.