id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.720 Rolnummer: A. 234991/XIV-38861 Zaak: Cassatiebeschikking 14720 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:03 Fiche Beschikking nr 14.720 van 20 januari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.720 van 20 januari 2022 in de zaak A. 234.991/XIV-38.861 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi L. Beeken kantoor houdend te 3390 Tielt-Winge Kraasbeekstraat 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.830 van 7 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is XIV-38.861-1/3 gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Verzoeker richt zich tegen de vermelding in het bestreden arrest dat zijn beroep tegen de beslissing waarmee zijn aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet-ontvankelijk werd verklaard, werd verworpen met het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 281.829, van dezelfde datum als het thans bestreden arrest. Hij oppert dat hij cassatieberoep heeft ingesteld tegen het voornoemde arrest nr. 281.829 en dat de voornoemde vermelding in het bestreden arrest “effenaf onjuist [zal] zijn” indien de Raad van State zou ingaan op het cassatieberoep. De juistheid van de motieven houdt geen verband houdt met een eventuele schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. Bovendien dateert het door verzoeker voorgehouden cassatieberoep noodzakelijkerwijze van na de datum van het thans bestreden arrest, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er hoe dan ook geen rekening mee kon houden. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker heeft voor de eerste rechter geen schending opgeworpen van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’ en hij toont ook niet aan dat hij daartoe niet in de gelegenheid was, temeer daar hij zelf aanhaalt dat reeds naar deze bepaling wordt verwezen in de beschikking van 26 augustus 2021 waarmee de partijen werden opgeroepen voor de terechtzitting. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.861-2/3
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
- De te veel betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan verzoeker. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.861-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div