← België

Cassatiebeschikking 14723 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.723 Rolnummer: A. 235071/XIV-38880 Zaak: Cassatiebeschikking 14723 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:07 Fiche Beschikking nr 14.723 van 26 januari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.723 van 26 januari 2022 in de zaak A. 235.071/XIV-38.880 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 262.605 van 19 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Naar luid van artikel 55/3/1, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt de XIV-38.880-1/5 vluchtelingenstatus ingetrokken “ten aanzien van de vreemdeling wiens status werd erkend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de status […]”.
  3. In antwoord op verzoekers kritiek dat hij niet op de hoogte is welke van zijn verklaringen valse verklaringen zijn of welke valse documenten hij zou hebben voorgelegd, die doorslaggevend zijn voor de erkenning van zijn status, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in het bestreden arrest op dat verzoekers verklaringen oorspronkelijk de enige waren waarover de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beschikte en dat er daarna verklaringen van verzoekers ouders zijn bijgekomen over dezelfde gebeurtenissen die verschillen van verzoekers verklaringen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft de concrete vaststellingen weer uit de voor hem aangevochten beslissing van de commissaris-generaal tot intrekking van de vluchtelingenstatus en stelt vast “dat de commissaris-generaal besluit dat hierdoor aan de bedreigingen die verzoeker in Venezuela ontving en aan zijn arrestatie geen enkel geloof meer kan gehecht worden, verzoeker maakt bijgevolg zijn vluchtmotieven niet aannemelijk en door het afleggen van bedrieglijke verklaringen heeft hij bewust de asielmotieven op basis waarvan hij de vluchtelingenstatus heeft verkregen, verkeerd voorgesteld”. Vervolgens oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de correcte en pertinente motieven van de voor hem aangevochten beslissing steun vinden in het administratief dossier en dat “verzoeker […] dus [weet] op grond van welke feiten die hij verkeerd heeft weergegeven en welke valse verklaringen die doorslaggevend waren, zijn vluchtelingenstatus wordt ingetrokken” en dat verzoeker in het kader van zijn beroepschrift “de kans [had] om deze tegenstrijdigheden en inconsistenties uit te klaren, wat hij echter nalaat te doen”.
  4. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker als vluchteling werd erkend op basis van zijn verklaringen, de enige waarover de commissaris-generaal op dat ogenblik beschikte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt deze verklaringen als doorslaggevend voor verzoekers erkenning als vluchteling en volgt de beslissing van de commissaris- generaal dat geen enkel geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen over bedreigingen in Venezuela en over zijn arrestatie zodat verzoeker bewust de asielmotieven op basis waarvan hij de vluchtelingenstatus heeft verkregen, verkeerd heeft voorgesteld. In XIV-38.880-2/5 het bestreden arrest worden dus de als doorslaggevend beschouwde gronden aangegeven voor verzoekers erkenning als vluchteling en de redenen waarom wordt besloten tot valsheid van verzoekers desbetreffende verklaringen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de beslissing waarmee verzoeker werd erkend als vluchteling zelf niet nader is gemotiveerd.
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit uit een concrete vergelijking van verzoekers verklaringen met die van zijn ouders dat ook verzoekers verklaringen vals zijn. Verzoeker vindt deze beoordeling “wel erg kort door de bocht” en hij betwist op algemene wijze dat (ook) zijn verklaringen vals zijn, doch de Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Uit een volgens verzoeker wat dat betreft verkeerde beoordeling kan derhalve geen schending van artikel 55/3/3 van de vreemdelingenwet worden afgeleid.
  6. Verzoeker richt nog kritiek tegen het gebruik van landeninformatie betreffende Venezuela die zou dateren van na zijn erkenning als vluchteling en daarom niet zou mogen worden gebruikt om tot de intrekking van die erkenning te besluiten. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter zelf aangevoerd dat hij zijn lidmaatschap van de partij Un Nievo Tempo en zijn deelname aan manifestaties heeft bewezen. In antwoord daarop heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van de tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen en die van zijn ouders dat lidmaatschap niet bewezen geacht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verder geoordeeld dat de deelname aan manifestaties niet volstaat om een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken, doch uit het bestreden arrest blijkt niet dat hij daarbij een beoordeling van de situatie na verzoekers erkenning als vluchteling voor ogen had. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat enkel in op de actuele situatie in Venezuela en verwijst enkel naar landeninformatie uit 2020 en 2021 voor de beoordeling van de vraag of verzoeker, na de intrekking van de vluchtelingenstatus, in aanmerking komt voor de subsidiaire beschermingsstatus. Hij vermocht zich hiervoor te steunen op actuele informatie, zodat in dit opzicht geen schending blijkt van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet.
  7. Met het bestreden arrest wordt enkel uitspraak gedaan over de intrekking van de vluchtelingenstatus en de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker kan bijgevolg niet dienstig een schending van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet inroepen. XIV-38.880-3/5
  8. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  9. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker tweemaal werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud door de commissaris-generaal doch dat hij telkens een medisch attest heeft ingediend. Verzoeker houdt voor dat de mogelijkheid van een schriftelijke reactie niet volstond omdat uit de oproepingen met een algemene verwijzing naar zijn “ongeloofwaardige verklaringen […] aangaande elementen die doorslaggevend waren bij de toekenning van uw status” die tot de intrekking van zijn vluchtelingenstatus zouden kunnen leiden, niet bleek wat hem precies ten laste werd gelegd. Verzoeker heeft echter na de beslissing van de commissaris-generaal tot intrekking van de vluchtelingenstatus een beroep kunnen indienen en effectief ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid. Verzoeker wist dus welke concrete elementen in aanmerking werden genomen en hij heeft de kans gehad alle nuttige elementen aan te voeren die hij dienstig achtte. Bovendien wordt in het bestreden arrest vastgesteld dat verzoeker aldus “de kans [had] om deze tegenstrijdigheden en inconsistenties uit te klaren, wat hij echter nalaat te doen”. Derhalve blijkt niet dat een eventuele schending van de thans in het middel aangevoerde bepalingen de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed.
  10. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.880-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.880-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.