id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.732 Rolnummer: A. 234639/XIV-38818 Zaak: Cassatiebeschikking 14732 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:09 Fiche Beschikking nr 14.732 van 1 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.732 van 1 februari 2022 in de zaak A. 234.639/XIV-38.818 In zake : XXXXX wonende te 2140 Borgerhout Stenenbrug 98 bus 1 alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 september 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 259.555 van 25 augustus 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen’ is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het XIV-38.818-1/4 bestreden arrest. Verzoeker voert niet aan dat de inhoud van die wet zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Verzoeker voert “wat het opleggen van het inreisverbod betreft” aan dat hij, anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geoordeeld, op basis van zijn nieuwe aanvraag tot gezinshereniging van 25 september 2020 een tijdelijk en precair verblijfsrecht heeft verworven zodat bezwaarlijk een inreisverbod met toepassing van artikel 74/11, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kon worden opgelegd omwille van het feit dat hij de vorige beslissing tot verwijdering, het bevel om het grondgebied te verlaten van 14 juli 2020, niet had uitgevoerd. Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen verzoeker niet betwist, dat hij op grond van het bevel om het grondgebied te verlaten van 14 juli 2020 uiterlijk op 21 augustus 2020 het grondgebied van het Rijk moest verlaten, dat hij geen beroep tegen dit bevel om het grondgebied te verlaten heeft ingediend en dat hij pas op 25 september 2020 een (tweede) aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend. Verzoeker moest dus reeds het grondgebied hebben verlaten op 25 september
- Verzoeker gaat voorbij aan de verwijzing in het bestreden arrest naar artikel 1/3 van de vreemdelingenwet op grond waarvan de indiening van een verblijfsaanvraag door verzoeker, die reeds het voorwerp is van een maatregel tot verwijdering, het bestaan van deze maatregel niet aantast doch enkel de uitvoerbaarheid ervan. Verzoeker gaat eveneens voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat zijn verblijfsaanvraag van 25 september 2020 is verworpen op 3 maart 2021 en dat pas dan de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod werd genomen. In het licht van het voorgaande maakt verzoeker geen schending aannemelijk van artikel 74/11, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van de vreemdelingenwet en is het enige middel in die mate kennelijk ongegrond.
- Verzoeker voert “wat de duur van het inreisverbod betreft” aan dat met de beslissing die tot het bestreden arrest heeft geleid “een inreisverbod wordt opgelegd voor de maximumtermijn van drie jaar zonder enig onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod”. Volgens hem stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onterecht vast dat er weldegelijk op een zeer XIV-38.818-2/4 uitgebreide wijze en aan de hand van concrete omstandigheden van verzoekers geval, wordt gemotiveerd waarom de gemachtigde het nodig achtte een inreisverbod voor een duur van drie jaar op te leggen” en zijn daardoor artikel 74/11 van de vreemdelingenwet en de materiëlemotiveringsplicht geschonden. De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker voert niet aan en maakt a fortiori niet aannemelijk dat de inhoud van dat beginsel zou zijn geschonden met het bestreden arrest, al is hij het dan niet eens met de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in het bestreden arrest aan waarom hij van oordeel is dat de motivering van de voor hem bestreden beslissing wel degelijk voldoet wat de duur van het inreisverbod betreft. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij vermag dan ook niet de beoordeling door de eerste rechter over te doen met betrekking tot de vraag of de in de beslissing van de verwerende partij opgenomen omstandigheden volstaan als motieven voor de duur van het inreisverbod.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.818-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één februari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.818-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div