id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.734 Rolnummer: A. 234168/XIV-38774 Zaak: Cassatiebeschikking 14734 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-07 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:11 Fiche Beschikking nr 14.734 van 3 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.734 van 3 februari 2022 in de zaak A. 234.168/XIV-38.774 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Fadili kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 256.809 van 18 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd met het administratief dossier ten onrechte dat niet zou zijn voldaan aan de in artikel 42quater, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bedoelde voorwaarde van een geregistreerd partnerschap dat bij de beëindiging ervan ten minste drie jaar heeft geduurd waarvan minstens één jaar in het Rijk. XIV-38.774-1/6 Daargelaten de vraag welke bepaling of welk beginsel verzoeker daarmee geschonden acht, mist deze kritiek kennelijk feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in punt 3.1.7 van het bestreden arrest immers vast “dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij voldoet aan de uitzonderingsgrond van artikel 42quater, § 4, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet”.
- Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar artikel 42quater, § 4, eerste lid, 2° en 3°, van de vreemdelingenwet, die respectievelijk betrekking hebben op de gevallen van een aan de partner, die geen burger van de Unie is, toegekend recht van bewaring of een aan die partner toegekend omgangsrecht over een minderjarig kind dat moet worden uitgeoefend in het Rijk. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest, waarin deze problematiek overigens niet aan de orde is.
- Het recht om te worden gehoord beoogt te verzekeren dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Dit beginsel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. Het staat aan de rechter om aan de hand van de specifieke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of de aantasting van het hoorrecht van aard is dat een andere beslissing zou zijn getroffen indien de betrokkene de gelegenheid had gekregen elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt aan te voeren. Om een miskenning van het hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen worden genomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de voor hem bestreden beslissing is gesteund op het motief dat uit het dossier niet blijkt dat verzoeker voldoet aan de in artikel 42quater, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet opgenomen voorwaarde dat “betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die XIV-38.774-2/6 alle risico’s in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet”. Wat de vraag betreft of verzoeker dienaangaande werd gehoord, dit is de kans kreeg op nuttige wijze zijn standpunt uiteen te zetten, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Hierbij merkt de Raad nog op dat de brief van 2 oktober 2019, waarnaar de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst, en die aan de verzoekende partij op 5 september 2020 werd betekend in het kader van de hoorplicht zich in het administratief dossier bevindt en vermeldt, zoals blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing, dat indien de verzoekende partij meent te voldoen aan een van de uitzonderingsvoorwaarden van artikel 42quater, §4 van de Vreemdelingenwet, zij dient te voldoen aan artikel 42quater, §4, vijfde (lees: tweede) lid van de Vreemdelingenwet, waarbij de verwerende partij verduidelijkt dat deze bepaling luidt als volgt: ‘en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.’, en recente bewijzen dient voor te leggen die de verwerende partij in staat stellen om bovenstaande elementen te beoordelen. De verwerende partij wijst er in voornoemd schrijven tevens op dat de verzoekende partij, voor zover er nog geen uitsluitsel werd gegeven met betrekking tot het onderzoek met betrekking tot haar verblijfsrecht volgens artikel 42quater, §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet, haar zo spoedig mogelijk op de hoogte dient te brengen van alle relevante wijzigingen van haar situatie, dat de verzoekende partij haar dossier dient te actualiseren tot aan de ontvangst van het resultaat van bovenstaand onderzoek of tot aan de ontvangst van de F+kaart. Aldus wist de verzoekende partij dat zij verwacht werd haar aanvraag te actualiseren. Het is in die zin dan ook niet kennelijk onredelijk van de verwerende partij om in de bestreden beslissing vast te stellen dat de verzoekende partij naliet over de beëindiging van haar tewerkstelling en haar bestaansmiddelen in die periode en over een eventueel vervangingsinkomen of uitkering te berichten, een vaststelling die de verzoekende partij overigens geenszins betwist.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vaststelt dat de verwerende partij verzoeker per brief van 2 oktober 2019 (volgens de niet betwiste gegevens van de zaak door verzoeker ontvangen op 5 september 2020) heeft gewezen op de inhoud van artikel 42quater, § 1, eerste lid, 4° van de vreemdelingenwet en aan verzoeker heeft gevraagd “alle recente bewijzen” voor te leggen ter beoordeling van de in die bepaling vermelde elementen, “alle relevante wijzigingen” mee te delen en haar dossier “te actualiseren tot aan de ontvangst van bovenstaand onderzoek”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het verder “niet foutief, noch kennelijk onredelijk [geacht] om gelet op het beëindigen van de tewerkstelling op 18 september 2020 en het niet voorhanden zijn van informatie over het hebben van bestaansmiddelen na deze beëindiging, terwijl uitdrukkelijk om deze informatie werd XIV-38.774-3/6 gevraagd door de verwerende partij, te oordelen dat niet blijkt dat de verzoekende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing werknemer of zelfstandige is in België of voor zichzelf en haar familieleden over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorkomen ten laste te vallen van de sociale bijstand, waardoor aldus de voorwaarde van artikel 42quater, § 4, tweede lid van de Vreemdelingenwet om te genieten van de uitzondering niet vervuld is”. Met verwijzing naar “het schrijven van 2 oktober 2019 dat op 5 september 2020 aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht” is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook van oordeel dat verzoeker “ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om voor het nemen van de bestreden beslissing nuttig voor [zijn] belangen op te komen en alle relevante bewijsstukken aan de bevoegde diensten van de verwerende partij over te maken teneinde aan te tonen dat er elementen zijn die zich verzetten tegen het beëindigen van haar verblijfsrecht van meer dan drie maanden in toepassing van artikel 42quater, § 1 en § 4 van de vreemdelingenwet” en dat verzoeker, “gelet op de uitnodiging van de verwerende partij om schriftelijk haar standpunt kenbaar te maken, […] niet dienstig [kan] laten uitschijnen dat er in casu enkel sprake zou zijn geweest van een kans spontaan [zijn] argumenten aan de verwerende partij over te maken”. Dit alles heeft niet enkel betrekking op de kwestie of verzoeker in België werknemer of zelfstandige is, maar ook of hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen in de zin van de voornoemde bepaling. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzocht of aan de vereisten van het hoorrecht was voldaan. Net omdat hij daarbij heeft vastgesteld dat de verwerende partij aan verzoeker de relevante informatie had gevraagd, evenals eventuele wijzigingen totdat een beslissing zou worden genomen, blijkt niet dat de inhoud van het recht om te worden gehoord is geschonden met het bestreden arrest. Verder is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en in de plaats van de annulatierechter te oordelen of verzoeker op nuttige wijze werd gehoord.
- De beoordeling of verzoeker omwille van een langere periode van tewerkstelling in het verleden en een voorgehouden recht op werkloosheidsuitkeringen over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij ten laste van de sociale bijstand zou vallen, behoort tot de grond van de zaak en kan derhalve evenmin worden overgedaan door de Raad van State als administratieve cassatierechter. Dat verzoeker wat die beoordeling betreft een ander standpunt verdedigt, kan dan ook niet leiden tot de vaststelling XIV-38.774-4/6 van een schending van artikel 42quater, § 4, eerste lid, 1°, iuncto tweede lid, van de vreemdelingenwet.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Waar verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte” deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden heeft geacht, dient te worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en de door de annulatierechter gemaakte beoordeling niet vermag over te doen.
- Anders dan verzoeker suggereert, dient hijzelf wel degelijk de voor de toepassing van artikel 42quater, § 4, tweede lid van de vreemdelingenwet relevante inlichtingen te verschaffen. Deze bepaling vermeldt immers letterlijk dat de betrokkenen aantonen aan de daarin gestelde voorwaarden te voldoen. Zoals uit punt 3 supra blijkt, heeft de verwerende partij deze vraag uitdrukkelijk aan verzoeker gesteld.
- In antwoord op verzoekers verwijzing naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 208.513 van 30 augustus 2018 wordt in het bestreden arrest overwogen: “Waar de verzoekende partij, onder verwijzing naar een arrest van de Raad, stelt dat artikel 42quater van de Vreemdelingenwet niet enkel bepaalt dat de verwerende partij dient te onderzoeken of de verzoekende partij een stabiele tewerkstelling bij eenzelfde werkgever of een stabiele bron van inkomsten heeft, doch wel of deze tevens over stabiele inkomsten beschikt en in casu niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat de verzoekende partij heeft aangetoond dat zij er via arbeidsovereenkomsten in slaagt op standvastige wijze een inkomen te verwerven en economisch geïntegreerd te zijn, gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat haar niet wordt tegengeworpen dat haar inkomsten niet stabiel waren, doch wel dat zij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet over inkomsten of bestaansmiddelen beschikt, minstens dit niet heeft aangetoond. Nog daargelaten de vaststelling dat de arresten van de Raad geen precedentenwerking hebben, blijkt niet dat de feitelijke en de juridische elementen die aan de grondslag lagen van het arrest nr. 208 513 van 30 augustus 2018 van de Raad kunnen vergeleken worden met de feiten die onderhavige zaak kenmerken.” Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom de door verzoeker bijgebrachte arbeidsovereenkomsten niet volstaan en waarom de in het door verzoeker aangehaalde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen XIV-38.774-5/6 gemaakte beoordeling niet wordt gevolgd. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie februari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.774-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div