← België

Cassatiebeschikking 14735 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.735 Rolnummer: A. 235013/XIV-38865 Zaak: Cassatiebeschikking 14735 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:11 Fiche Beschikking nr 14.735 van 3 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.735 van 3 februari 2022 in de zaak A. 235.013/XIV-38.865 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nuray Demir kantoor houdend te 2610 Antwerpen Hoge-Aardstraat 22 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.989 van 11 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker voert niet aan dat de Raad XIV-38.865-1/9 voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de voormelde beginselen zou hebben geschonden met het bestreden arrest. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en derhalve niet de door de eerste rechter uitgevoerde toetsing aan die beginselen overdoet. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar artikel 27 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’. Hij komt hier nergens op terug in de uiteenzetting van het middel en hij geeft derhalve niet aan op welke wijze deze richtlijnbepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  3. Verzoeker verwijst naar de in artikel 45, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalde voorwaarde dat het gedrag van de betrokkene “een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving” moet vormen. Verzoeker voert aan en zet uiteen dat “uit het administratief dossier en uit de voorgelegde stukken voor de RvV […] geen enkel concreet en zichtbaar bewijs [blijkt] lastens het gedrag van verzoeker dat een actueel, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging is voor het fundamenteel belang van de samenleving” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de nota’s van de Veiligheid van de Staat (hierna: de VSSE) “een onlogische, inconsequente, onwettige interpretatie en bewijswaarde en betekenis [geeft] om dan te oordelen dat het gedrag van verzoeker een actueel en voldoende ernstige bedreiging is voor het fundamenteel belang van de samenleving, de openbare orde en de nationale veiligheid”. Volgens verzoeker worden uit de nota’s van de VSSE slechts algemene beschuldigingen afgeleid “wat er dus op neerkomt het beschuldigen van andere personen en instanties en door verzoeker te vereenzelvigen met deze andere beschuldigde instanties en personen, om zo verzoeker rechtstreeks te beschuldigen”. XIV-38.865-2/9 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “Waar verzoeker in een eerste onderdeel van zijn eerste middel in wezen voorhoudt dat de door verweerder aangebrachte gegevens niet toelaten te besluiten dat er in casu dwingende redenen van nationale veiligheid voorhanden zijn die toelaten de bestreden beslissingen te nemen, moet de Raad vaststellen dat verweerder er in deze beslissingen op heeft gewezen dat verzoeker in een nota van de Staatsveiligheid (hierna: de VSSE) wordt aangeduid als lid en verantwoordelijke van de Turkse Hezbollah. Er wordt toegelicht dat verzoeker in 2006 werd geregistreerd als een van de leden van de moskee El Gazalli, het eerste en belangrijkste centrum van de Turkse Hezbollah in België en dat hij er een aantal verantwoordelijkheden heeft. Verweerder heeft ook opgemerkt dat de twee personen met wie verzoeker de bvba A. heeft opgericht eveneens goed gekend zijn bij de VSSE omdat zij behoren tot de Turkse Hezbollah en deze personen ook verantwoordelijkheden uitoefenen binnen de Belgische tak van de groepering. Verweerder heeft in dit verband nog nader aangegeven dat één van verzoekers vennoten de huidige voorzitter is van het centrum El Gazalli en de andere er meerdere jaren beheerder is geweest. Hij heeft tevens geduid dat bovendien werd opgemerkt dat verzoeker regelmatig naar Turkije reist. Verweerder heeft verder gesteld dat de VSSE heeft geconcludeerd dat verzoeker moet worden beschouwd als een organisator van de Turkse Hezbollah in België, vooral op financieel vlak. Verweerder heeft de actualiteit van de in de nota van 8 september 2020 gedane vaststellingen geverifieerd en in de bestreden beslissingen gesteld dat de VSSE op 12 maart 2021 heeft bevestigd dat verzoeker nog altijd wordt aanzien als een verantwoordelijke van de Turkse Hezbollah op het Belgisch grondgebied. Wat de Turkse Hezbollah betreft, heeft verweerder gewezen op een nota van de VSSE van 3 november 2020 waarin wordt uiteengezet dat deze beweging – waarvan in voormelde nota nader wordt toegelicht dat ze, gelet op de aard van haar activiteiten, duidelijk is te beschouwen als een terroristische groep – de neiging heeft de ernstige criminele feiten (moorden, ontvoeringen, folteringen) waarvoor haar leden werden veroordeeld te minimaliseren en zelfs geheel te ontkennen, dat deze beweging nooit het geweld heeft afgezworen dat ze in het verleden heeft gebruikt en dat evenzo in Turkije de gewelddaden die vandaag de dag worden gepleegd in naam van de Huda- Par of door leden van andere entiteiten die gelieerd zijn aan de beweging (Mustazaf- Der, Ihya-Der) worden voorgesteld als daden van verzet tegen de militanten van de HDP (Democratische Partij van de Volkeren in Turkije). Daarbij wordt erop gewezen dat in België de beweging zich volledig aansluit bij de opvattingen van deze entiteiten, en ze in verschillende omstandigheden een oorlogsretoriek blijft gebruiken en dat ter gelegenheid van bepaalde gebeurtenissen binnen de gebedsruimte van de beweging werd opgeroepen tot de jihad. Verweerder heeft verder gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan de verspreiding van deze propaganda via de activiteiten die worden georganiseerd voor de jongeren van de beweging (Koranschool voor kinderen, zomerkampen, toezicht door de belangrijkste leiders van de beweging en hun families) – wat in voormelde nota wordt omschreven als verwant aan georganiseerde indoctrinatie – en geduid dat bovendien de Turkse Hezbollah in februari 2020 in de moskee El Gazalli een evenement heeft georganiseerd ter ere van de martelaren dat ‘Sehidleri Anma’ werd genoemd. Uit de nota van de VSSE blijkt dat op foto’s gelieerd aan dit evenement, naast leden van de Turkse Hezbollah, die werden gedood tijdens gevechten met de PKK, onder meer Chamil Bassaiev, een Tsjetsjeens leider, Hassan Benna en Sayed Qutb, de ideologen van de Moslimbroederschap, drie Palestijnse terroristen van Hamas, waaronder Sheikh Ahmed Yassin, Adbul Quader XIV-38.865-3/9 Molla, een leider van Jammat-i-Islami en Alija Izetbegovic, voormalig Bosnisch president en ideoloog van het panislamisme, staan afgebeeld. Verweerder heeft benadrukt dat de VSSE duidelijk aangaf dat de ideologie van deze beweging nog steeds is gericht op de begrippen ‘jihad’ en ‘sharia’, en deze noodzakelijk worden geacht voor de vestiging van een echte Islamitische Staat in Turkije, wat het ultieme doel is van deze groepering. Verzoeker ontkent een lid van of een verantwoordelijke of organisator bij de Turkse Hezbollah te zijn, doch betwist niet te zijn geregistreerd als één van de leden van de moskee El Gazalli, noch dat hij er actief is en een aantal verantwoordelijkheden uitoefent. Verzoeker betoogt dat de vzw El Gazalli een zuiver socio-culturele vereniging is waar de Koran maar ook de Nederlandse taal wordt onderricht en waar wordt voorzien in huiswerkbegeleiding. Gelet op het feit dat hij duidelijk nauw betrokken is bij de activiteiten van een moskee die het voornaamste centrum van de Turkse Hezbollah – een organisatie die, gezien de bevindingen van de VSSE, vaak opereert via verenigingen die er respectabel uitzien – in België vormt en dat hij een vennootschap oprichtte met twee personen die, volgens de bevindingen van de VSSE, behoren tot de Turkse Hezbollah kan verzoeker niet worden gevolgd waar hij stelt dat niet blijkt dat hij tot de Turkse Hezbollah in België behoort. Nu uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat de Turkse Hezbollah eerder door haar leden gepleegde gewelddaden niet in vraag stelt en deze daarentegen minimaliseert en zelfs verheerlijkt of vergoelijkt, dat in de centra en bij de evenementen van deze groepering meermaals sprake was van geweldprediking en oproepen tot de ‘jihad’, dat recent nog een activiteit werd georganiseerd in de El Gazalli moskee om personen die betrokken waren bij geweldplegingen te verheerlijken en dat werd vastgesteld dat, onder het mom van onderricht, zomerkampen en omkadering, activiteiten worden georganiseerd die zijn gericht op de indoctrinatie van een jong publiek kan verzoeker bezwaarlijk voorhouden dat niet zou blijken waarom hij een bedreiging zou uitmaken voor de nationale veiligheid of waarom deze bedreiging een actueel karakter zou hebben. In de bestreden beslissingen wordt duidelijk verwezen naar de ideologie van de Turkse Hezbollah, naar de door deze beweging georganiseerde activiteiten en naar de risico’s verbonden aan de gevoerde propaganda. Verzoekers bemerking dat hij niet met naam wordt vermeld in de nota van de VSSE van 3 november 2020, waarin wordt toegelicht waarom de Turkse Hezbollah een gevaarlijke groepering is, doet geen afbreuk aan het feit dat uit de nota van 8 september 2020 van deze dienst blijkt dat werd vastgesteld dat hij behoort tot de Turkse Hezbollah en dat de bevindingen uit de nota van 3 november 2020 derhalve nuttig zijn en toelaten te oordelen dat van verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid uitgaat. De VSSE heeft ook duidelijk geconcludeerd dat verzoeker een organisator, vooral op financieel vlak, is bij de Turkse Hezbollah. Hij kan dan ook niet worden gevolgd waar hij stelt dat hem niets ten laste kan worden gelegd. Verzoekers bewering dat hij een transparante en tolerante houding heeft is moeilijk verenigbaar met de vaststelling dat hij een rol opneemt binnen een organisatie waarvan werd vastgesteld dat zij andere waarden propageert. Voorts gaat verzoeker ook uit van een incorrecte lezing van de bestreden beslissingen waar hij stelt dat enkel wordt verwezen naar één van de activiteiten van de vzw El Gazalli. Verweerder hield rekening met het feit dat de El Gazalli moskee het voornaamste centrum voor leden van de Turkse Hezbollah is en verzoeker er actief is. Hij verwees slechts naar een specifieke activiteit van de vzw El Gazalli om te duiden dat er heden nog steeds een bepaalde ideologie wordt aangehangen die een bedreiging inhoudt. Het feit dat deze activiteit ‘helder en openbaar was’ doet geen afbreuk aan het feit dat ze aansluit bij een bepaalde ideologie. XIV-38.865-4/9 Verzoekers bemerking dat de VSSE in de nota van 8 september 2020 zelf niet heeft gesteld dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid leidt niet tot het besluit dat verweerder, op grond van een gezamenlijke lezing van de verschillende inlichtingen die deze veiligheidsdienst verstrekte, onterecht tot het besluit kwam dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Het gegeven dat verzoeker niet werd vervolgd of veroordeeld omwille van zijn betrokkenheid bij de Turkse Hezbollah, op grond van zijn vennootschapsrechtelijke activiteiten of zijn rol binnen de vzw El Gazalli impliceert niet dat verweerder niet op basis van de inlichtingen die hem werden meegedeeld door een Belgische veiligheidsdienst zou kunnen oordelen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het gegeven dat zich in het administratief dossier geen nota van het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (hierna: het OCAD) bevindt laat evenmin toe te oordelen dat verweerder de bestreden beslissingen niet vermocht te nemen op grond van inlichtingen die werden verstrekt door de VSSE. Nergens blijkt dat verweerder steeds het advies van het OCAD moet inwinnen alvorens te kunnen oordelen of een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verzoeker kan gelet op de vaststellingen van de VSSE niet worden gevolgd in zijn betoog dat niet zou blijken dat hij een bepaalde overtuiging is toegedaan of dat hij enige rol speelt binnen de Turkse Hezbollah in België. Er werd, zoals reeds gesteld, opgemerkt dat hij actief is binnen de El Gazalli moskee – het voornaamste centrum van de Turkse Hezbollah in België – en hij er verantwoordelijkheden opneemt en dat hij, voor het opstarten van zijn professionele activiteiten, een beroep deed op de steun van twee personen van wie de VSSE vaststelde dat zij ook verantwoordelijkheden hebben binnen de Belgische tak van de Turkse Hezbollah. Het is in deze omstandigheden niet kennelijk onredelijk om te besluiten dat verzoeker nauwe banden heeft met de Turkse Hezbollah en de ideologie van deze groepering aanhangt. Verweerder heeft verder ook duidelijk de rol van verzoeker weergegeven door aan te geven dat de VSSE vaststelde dat hij, voornamelijk op financieel vlak, een organisator is – waarmee, volgens de toelichting die de VSSE verstrekt, wordt bedoeld dat hij ondersteuning biedt aan extremistische activiteiten – voor de Turkse Hezbollah in België. De vaststelling dat verzoeker reeds sedert minstens 2006 gekend is bij de VSSE houdt op zich niet in dat verweerder heden, op basis van de inlichtingen die de afgelopen jaren door deze veiligheidsdienst werden verzameld, en waarvan verweerder blijkbaar pas recent op de hoogte werd gesteld, niet zou vermogen te oordelen dat kan worden besloten dat uit verzoekers gedrag, meer specifiek zijn optreden als organisator voor de Turkse Hezbollah, een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving voortvloeit. Gelet op het voorgaande kan verzoeker niet worden gevolgd waar hij meent dat het onredelijk is van verweerder om zich te baseren op inlichtingen van de VSSE en waar hij stelt dat verweerder onterecht redenen van nationale veiligheid heeft weerhouden. Gezien de verslagen van de VSSE, waarvan de actualiteit nogmaals werd bevestigd op 12 maart 2021, kan verzoeker niet stellen dat niet aannemelijk werd gemaakt dat hij een actueel en reëel gevaar vormt voor de nationale veiligheid.” Met de voorgaande motieven beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek dat zijn naam niet voorkomt in de nota van de VSSE van 3 november
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt daarin ook dat verzoekers kritiek dat hij in de nota van de VSSE van 8 september 2020 niet uitdrukkelijk een gevaar voor de openbare orde wordt genoemd, niet leidt tot het besluit dat XIV-38.865-5/9 de verwerende partij op grond van een gezamenlijke lezing van de verschillende inlichtingen van de VSSE onterecht tot het besluit kwam dat verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. De vraag of de vaststellingen van de VSSE voldoende konden worden bevonden als motivering voor de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissingen in hoofde van verzoeker, betreft de bewijswaarde van deze stukken en derhalve de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet kan uitspreken. In de supra geciteerde motivering van het bestreden arrest geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom hij het niet onredelijk vond dat de verwerende partij op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft besloten dat verzoeker nauwe banden heeft met de Turkse Hezbollah en er een (voornamelijk financiële) organisator van is. Verzoeker merkt nog op dat de twee andere oprichters van de bvba Aynato de Belgische nationaliteit hebben en dat dit ook geldt voor de huidige voorzitter van de vzw El Gazalli, doch er blijkt niet dat hij dit heeft aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch hoe dit gegeven de strekking van het bestreden arrest zou hebben kunnen beïnvloed. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest verzoekers kritiek heeft beantwoord, met dien verstande dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich als annulatierechter dient te beperken tot een marginale toetsing van de motieven van de voor hem bestreden beslissingen, zonder de door de verwerende partij gemaakte beoordeling volledig over te doen. Uit het feit dat het bestreden arrest volgens verzoeker bij een kleine minderheid in België enige nervositeit en zelf schrik zou hebben veroorzaakt kan evenmin een onwettigheid in dat arrest worden afgeleid. Dit geldt eveneens voor verzoekers stelling dat hij geen gevaar vormt doch dat de Belgische Staat, indien zij verzoeker beschouwt als een nationaal gevaar en een radicaal persoon, Turkije zou moeten “contacteren en op een behoorlijke manier en zoals het hoort, deze globale kwestie op[…]lossen”. Verzoeker vraagt hiermee overigens opnieuw een beoordeling van de grond van de zaak, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Het eerste middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.865-6/9 Tweede middel
  5. Verzoeker verwijst in het opschrift van het tweede middel naar artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, doch hij zet niet uiteen op welke wijze deze verdragsbepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. De algemene opmerking in de uiteenzetting van het middel dat “het tegen de wet is om een oordeel te vellen zonder zelfs maar de noodzaak van hoorrecht in acht te nemen, hetgeen ook in strijd [is] met de fundamentele mensenrechten, volstaat in dat opzicht alleszins niet.
  6. Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is niet gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. Verzoeker kan er bijgevolg geen recht aan ontlenen om te worden gehoord in de procedure die heeft geleid tot de beslissingen die op hun beurt tot het bestreden arrest hebben geleid. Wel maakt het recht om te worden gehoord integraal deel uitmaakt van het recht van verdediging, dat een algemeen beginsel van Unierecht is. Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. De schending van het recht om te worden gehoord leidt naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Hieruit volgt dat niet elk verzuim van het recht om te worden gehoord stelselmatig leidt tot de onrechtmatigheid van het genomen besluit. Teneinde een dergelijke onrechtmatigheid te constateren, staat het immers aan de nationale rechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of, wanneer hij van oordeel is dat sprake is van een onregelmatigheid die het recht om te worden gehoord aantast, de administratieve procedure in kwestie een andere afloop had kunnen hebben, omdat de betrokkene elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt had kunnen aanvoeren. Om een miskenning van het XIV-38.865-7/9 hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen worden genomen. Verzoeker stelt zich in het cassatiemiddel in wezen enkel de vraag hoe de antwoorden op de algemene vragenlijst het hoorrecht en het recht van verdediging kunnen vervangen wat de belangrijke beschuldiging jegens hem betreft. Verzoeker toont daarmee echter niet de onwettigheid aan van de motieven in het bestreden arrest dat hij “evenwel niet aan[toont] dat hij nog echt nuttige bijkomende gegevens had kunnen verstrekken die verweerder ervan hadden kunnen weerhouden de bestreden beslissingen te nemen”, dat verzoeker nalaat aan te tonen dat hij bij een verder gehoor “had kunnen bewijzen” dat hij geen deel uitmaakte van een beweging die zich richt op de jihad en de sharia en hij de Turkse Hezbollah niet financieel steunde en dat hij geen enkel stuk overlegt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vaststellingen van de VSSE incorrect zouden zijn of genuanceerd zouden moeten worden. Verzoeker geeft dus in het cassatiemiddel niet aan welke nuttige elementen hij had kunnen aanvoeren die tot een andere beoordeling van de voorgehouden schending van het hoorrecht hadden moeten leiden.
  7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.865-8/9 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie februari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.865-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.