id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.736 Rolnummer: A. 235030/XIV-38872 Zaak: Cassatiebeschikking 14736 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:11 Fiche Beschikking nr 14.736 van 3 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.736 van 3 februari 2022 in de zaak A. 235.030/XIV-38.872 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Staes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.988 van 11 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker verwijst in het opschrift van het enige middel naar de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, doch hij zet niet uiteen op welke wijze deze verdragsbepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. XIV-38.872-1/6 Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker werpt in een eerste middelonderdeel een schending op van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “Waar verzoeker in een eerste onderdeel van zijn eerste middel in wezen voorhoudt dat de door verweerder aangebrachte gegevens niet toelaten te besluiten dat er in casu dwingende redenen van nationale veiligheid voorhanden zijn die toelaten de bestreden beslissingen te nemen, moet de Raad vaststellen dat verweerder er in deze beslissingen op heeft gewezen dat verzoeker in een nota van de Staatsveiligheid (hierna: de VSSE) wordt aangeduid als lid en verantwoordelijke van de Turkse Hezbollah. Er wordt toegelicht dat verzoeker in 2003 werd geregistreerd als een van de stichtende leden van de moskee El Gazalli, het eerste en belangrijkste centrum van de Turkse Hezbollah in België en dat hij er de functie van voorzitter en secretaris opnam. Verweerder heeft ook opgemerkt dat verzoeker de eigenaar is van twee handelszaken en dat uit inlichtingen waarover de VSSE beschikt blijkt dat via deze handelszaken activiteiten van de Turkse Hezbollah en van de moskee El Gazalli worden gefinancierd. Hij heeft tevens aangegeven dat werd vastgesteld dat (Belgisch-)Turkse leden van deze beweging in voormelde handelszaken zijn tewerkgesteld. Verweerder heeft gesteld dat in de nota van de VSSE wordt aangegeven dat verzoeker ook functies op internationaal niveau uitoefent binnen de Turkse Hezbollah en dat hij zetelt in verschillende organen die de strategie van deze beweging bepalen. Verweerder heeft verder gesteld dat de VSSE heeft geconcludeerd dat verzoeker moet worden beschouwd als een organisator en een vooraanstaande verantwoordelijke van de Turkse Hezbollah, zowel in België als op internationaal vlak. Verweerder heeft de actualiteit van de in de nota van 8 september 2020 gedane vaststellingen geverifieerd en in de bestreden beslissingen gesteld dat de VSSE op 12 maart 2021 heeft bevestigd dat verzoeker nog altijd wordt aanzien als een verantwoordelijke van Turkse Hezbollah op het Belgisch grondgebied. Wat de Turkse Hezbollah betreft, heeft verweerder gewezen op een nota van de VSSE van 3 november 2020 waarin wordt uiteengezet dat deze beweging – waarvan in voormelde nota nader wordt toegelicht dat ze gelet op de aard van haar activiteiten duidelijk is te beschouwen als een terroristische groep – de neiging heeft de ernstige criminele feiten (moorden, ontvoeringen, folteringen) waarvoor haar leden werden veroordeeld te minimaliseren en zelfs geheel te ontkennen, dat deze beweging nooit het geweld heeft afgezworen dat ze in het verleden heeft gebruikt en dat evenzo in Turkije de gewelddaden die vandaag de dag worden gepleegd in naam van de Huda-Par of door leden van andere entiteiten die zijn gelieerd aan de beweging (Mustazaf-Der, Ihya-Der) worden voorgesteld als daden van verzet tegen de militanten van de HDP (Democratische Partij van de Volkeren in Turkije). Daarbij wordt erop gewezen dat in België de beweging zich volledig aansluit bij de opvattingen van deze entiteiten, en ze in verschillende omstandigheden een oorlogsretoriek blijft gebruiken en dat ter gelegenheid van bepaalde gebeurtenissen binnen de gebedsruimte van de beweging XIV-38.872-2/6 werd opgeroepen tot de jihad. Verweerder heeft verder gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan de verspreiding van deze propaganda via de activiteiten die worden georganiseerd voor de jongeren van de beweging (Koranschool voor kinderen, zomerkampen, toezicht door de belangrijkste leiders van de beweging en hun families) – wat in voormelde nota wordt omschreven als verwant aan georganiseerde indoctrinatie – en dat bovendien de Turkse Hezbollah in februari 2020 in de moskee El Gazalli een evenement heeft georganiseerd ter ere van de martelaren dat ‘Sehidleri Anma’ werd genoemd. Uit de nota van de VSSE blijkt dat op foto’s gelieerd aan dit evenement, naast leden van de Turkse Hezbollah, die werden gedood tijdens gevechten met de PKK, onder meer Chamil Bassaiev, een Tsjetsjeens leider, Hassan Benna en Sayed Qutb, de ideologen van de Moslimbroederschap, drie Palestijnse terroristen van Hamas, onder wie Sheikh Ahmed Yassin, Adbul Quader Molla, een leider van Jammat-i-Islami en Alija Izetbegovic, voormalig Bosnisch president en ideoloog van het panislamisme, staan afgebeeld. Verweerder heeft benadrukt dat de VSSE duidelijk aangaf dat de ideologie van deze beweging nog steeds gericht is op de begrippen ‘jihad’ en ‘sharia’, en deze noodzakelijk worden geacht voor de vestiging van een echte Islamitische Staat in Turkije, wat het ultieme doel is van deze groepering. Verzoeker ontkent een lid van of een verantwoordelijke of organisator bij de Turkse Hezbollah te zijn, doch betwist niet een stichtend lid te zijn van de moskee El Gazalli en er belangrijke functies te hebben opgenomen. Verzoeker betoogt dat de vzw El Gazalli een zuiver socio-culturele vereniging is waar de Koran maar ook de Nederlandse taal wordt onderricht en waar wordt voorzien in huiswerkbegeleiding. Gelet op het feit dat hij duidelijk nauw betrokken is bij de werking van een moskee die het voornaamste centrum van de Turkse Hezbollah – een organisatie die, gezien de bevindingen van de VSSE, vaak opereert via verenigingen die er respectabel uitzien – in België vormt, hij in zijn handelszaken personen tewerkstelt die, volgens de bevindingen van de VSSE, behoren tot de Turkse Hezbollah en de VSSE formeel stelt dat hij op internationaal niveau functies binnen de Turkse Hezbollah uitoefent en mee het beleid van deze beweging bepaalt, kan verzoeker niet worden gevolgd waar hij stelt dat niet blijkt dat hij tot de Turkse Hezbollah behoort. Nu uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat de Turkse Hezbollah eerder door haar leden gepleegde gewelddaden niet in vraag stelt en deze daarentegen minimaliseert en zelfs verheerlijkt of vergoelijkt, dat in de centra en bij de evenementen van deze groepering meermaals sprake was van geweldprediking en oproepen tot de ‘jihad’, dat recent nog een activiteit werd georganiseerd in de El Gazalli moskee om personen die betrokken waren bij geweldplegingen te verheerlijken en dat werd vastgesteld dat, onder het mom van onderricht, zomerkampen en omkadering, activiteiten worden georganiseerd die zijn gericht op de indoctrinatie van een jong publiek, kan verzoeker bezwaarlijk voorhouden dat niet zou blijken waarom hij een bedreiging zou uitmaken voor de nationale veiligheid of waarom deze bedreiging een actueel karakter zou hebben. In de bestreden beslissingen wordt duidelijk verwezen naar de ideologie van de Turkse Hezbollah, naar de door deze beweging georganiseerde activiteiten en naar de risico’s verbonden aan de gevoerde propaganda. Verzoekers bemerking dat hij niet met naam wordt vermeld in de nota van de VSSE van 3 november 2020, waarin wordt toegelicht waarom de Turkse Hezbollah een gevaarlijke groepering is, doet geen afbreuk aan het feit dat uit de nota van 8 september 2020 van deze dienst blijkt dat werd vastgesteld dat hij behoort tot de Turkse Hezbollah en dat de bevindingen uit de nota van 3 november 2020 derhalve nuttig zijn en toelaten te oordelen dat van verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid uitgaat. De VSSE heeft ook duidelijk geconcludeerd dat verzoeker een organisator is bij de Turkse Hezbollah. Hij kan dan ook niet worden gevolgd waar hij XIV-38.872-3/6 stelt dat hem niets ten laste kan worden gelegd. Verzoekers bewering dat hij een transparante en tolerante houding heeft is moeilijk verenigbaar met de vaststelling dat hij, internationaal, een rol opneemt binnen een organisatie waarvan werd vastgesteld dat zij andere waarden propageert. Voorts gaat verzoeker ook uit van een incorrecte lezing van de bestreden beslissingen waar hij stelt dat enkel wordt verwezen naar één van de activiteiten van de vzw El Gazalli. Verweerder hield rekening met het feit dat de El Gazalli moskee het voornaamste centrum voor leden van de Turkse Hezbollah is en verzoeker er, als stichtend lid, aan gelieerd is. Hij verwees slechts naar een specifieke activiteit van de vzw El Gazalli om te duiden dat er heden nog steeds een bepaalde ideologie wordt aangehangen die een bedreiging inhoudt. Het feit dat deze activiteit ‘helder en openbaar was’ doet geen afbreuk aan het feit dat deze aansluit bij een bepaalde ideologie. Verzoekers bemerking dat de VSSE in de nota van 8 september 2020 zelf niet heeft gesteld dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid leidt niet tot het besluit dat verweerder, op grond van een gezamenlijke lezing van de verschillende inlichtingen die deze veiligheidsdienst verstrekte, onterecht tot het besluit kwam dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Het gegeven dat verzoeker niet werd vervolgd of veroordeeld omwille van zijn betrokkenheid bij de Turkse Hezbollah, op grond van zijn vennootschapsrechtelijke activiteiten of zijn rol binnen de vzw El Gazalli impliceert niet dat verweerder niet op basis van de inlichtingen die hem werden meegedeeld door een Belgische veiligheidsdienst zou kunnen oordelen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het gegeven dat zich in het administratief dossier geen nota van het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (hierna: het OCAD) bevindt laat evenmin toe te oordelen dat verweerder de bestreden beslissingen niet vermocht te nemen op grond van inlichtingen die werden verstrekt door de VSSE. Nergens blijkt dat verweerder steeds het advies van het OCAD moet inwinnen alvorens te kunnen oordelen of een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verzoeker kan gelet op de vaststellingen van de VSSE niet worden gevolgd in zijn betoog dat niet zou blijken dat hij een bepaalde overtuiging is toegedaan of dat hij enige rol speelt binnen de Turkse Hezbollah. Er werd, zoals reeds gesteld, opgemerkt dat hij een stichtend lid is van de El Gazalli moskee – het voornaamste centrum van de Turkse Hezbollah in België –, dat hij er belangrijke functies opnam, dat hij leden van de Turkse Hezbollah tewerkstelt en dat hij op internationaal niveau functies heeft bij deze beweging en mee de strategie bepaalt. Het is in deze omstandigheden niet kennelijk onredelijk om te besluiten dat hij nauwe banden heeft met de Turkse Hezbollah en de ideologie van deze groepering aanhangt. Verweerder heeft verder ook duidelijk de rol van verzoeker weergegeven door aan te geven dat de VSSE vaststelde dat hij een organisator is – waarmee, volgens de toelichting die de VSSE verstrekt, wordt bedoeld dat hij ondersteuning biedt aan extremistische activiteiten – voor de Turkse Hezbollah. De vaststelling dat verzoeker reeds sedert 2003 gekend is bij de VSSE houdt op zich niet in dat verweerder heden, op basis van de inlichtingen die de afgelopen jaren door deze veiligheidsdienst werden verzameld, en waarvan verweerder blijkbaar pas recent op de hoogte werd gesteld, niet zou vermogen te oordelen dat kan worden besloten dat uit verzoekers gedrag, meer specifiek zijn optreden als organisator voor de Turkse Hezbollah, een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving voortvloeit.” Met de voorgaande motieven beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek dat zijn naam niet voorkomt in de nota van de XIV-38.872-4/6 VSSE van 3 november
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt daarin ook dat verzoekers kritiek dat hij in de nota van de VSSE van 8 september 2020 niet uitdrukkelijk een gevaar voor de openbare orde wordt genoemd, niet leidt tot het besluit dat de verwerende partij op grond van een gezamenlijke lezing van de verschillende inlichtingen van de VSSE onterecht tot het besluit kwam dat verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. De vraag of de vaststellingen van de VSSE voldoende konden worden bevonden als motivering voor de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissingen in hoofde van verzoeker, betreft de bewijswaarde van deze stukken en derhalve de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet kan uitspreken. In de supra geciteerde motivering van het bestreden arrest geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom hij het niet onredelijk vond dat de verwerende partij op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft besloten dat verzoeker nauwe banden heeft met de Turkse Hezbollah en er een belangrijke rol in blijft spelen. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest verzoekers kritiek heeft beantwoord, met dien verstande dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich als annulatierechter dient te beperken tot een marginale toetsing van de motieven van de voor hem bestreden beslissingen, zonder de door de verwerende partij gemaakte beoordeling volledig over te doen. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker werpt in een tweede middelonderdeel de schending op van de artikelen 44bis, § 3, 1°, en 45, § 2, van de vreemdelingenwet. Verzoeker voert aan dat niet blijkt dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zou vormen, dat de bewijslast in het administratief dossier niet toereikend is en dat “het niet correct bevonden [kan] worden dat de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] oordeelt dat het niet onredelijk is van verwerende partij om zich te baseren op inlichtingen van de VSSE om zo redenen van nationale veiligheid te weerhouden”. Hiermee vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde of minstens een beoordeling over de bewijswaarde van XIV-38.872-5/6 de stukken waarop het bestreden arrest en de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissingen zijn gesteund. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Waar verzoeker net de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling en de motieven ervan betwist, dient te worden opgemerkt dat deze kritiek geen verband houdt met het in fine van het middel vermelde recht op tegenspraak en het recht van verdediging. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie februari tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.872-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.736 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div