id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.739 Rolnummer: A. 234886/XIV-38848 Zaak: Cassatiebeschikking 14739 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:13 Fiche Beschikking nr 14.739 van 9 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.739 van 9 februari 2022 in de zaak A. 234.886/XIV-38.848 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Louise Diagre kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 oktober 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.154 van 27 september 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.848-1/4
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist niet dat de bijlage 19ter van 2 september 2019 op naam van huidige verweerder in het Nederlands is opgesteld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt enkel op grond van een aantal concrete elementen vast dat verweerder zich voor zijn aanvraag heeft bediend van het Frans en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de bewuste bijlage 19ter vermits deze laatste werd opgesteld door de gemeente Grimbergen die, als een plaatselijke dienst waarvan de werking niet méér dan één gemeente bestrijkt, ertoe was gehouden het Nederlands te gebruiken. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis gegeven aan de voornoemde bijlage 19ter die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Derhalve blijkt geen schending van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 8.17, 8.18 en 8.25 van het Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”, zoals aangevoerd door de verzoekende partij.
- De verzoekende partij wijst erop dat de bijlage 19ter de eigenlijke verblijfsaanvraag vormt, dat deze in het Nederlands is opgesteld en dat de beslissing van de verzoekende partij die tot het bestreden arrest heeft geleid dus terecht in het Nederlands is opgesteld. Artikel 41, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet), waarvan niet wordt betwist dat het te dezen van toepassing is, bepaalt dat de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruikmaken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast “dat de verzoeker [thans verweerder] zich in het kader van de voorliggende verblijfsaanvraag ten aanzien van het bevoegde bestuur steeds en consequent van het Frans heeft bediend” en hij verwijst naar en citeert daartoe uit de stukken die uitgaan van of zijn bijgebracht door huidige verweerder en die uitsluitend in het Frans zijn opgesteld. Geen bepaling of beginsel verplicht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ertoe zich te beperken tot enkel de bijlage 19ter om te bepalen van welke taal de aanvrager zich heeft bediend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dus ook rekening te houden met de in het kader van de aanvraag door verzoeker gebruikte brieven, stukken en e-mails. XIV-38.848-2/4 Zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vaststelt, is de bijlage 19ter een formulier dat in casu werd opgesteld door de gemeente Grimbergen, is deze laatste als een plaatselijke dienst waarvan de werkkring niet meer dan één gemeente bestrijkt ertoe gehouden de taal van het gebied te hanteren en moest de gemeente Grimbergen de bijlage 19ter dus in het Nederlands opmaken. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bijlage 19ter geen stuk is dat zonder meer uitgaat van verweerder als aanvrager maar dat ze hem ter hand wordt gesteld door de gemeente. Al gaat het om een “aanvraag tot verblijf”, de bijlage 19ter vermeldt bijvoorbeeld dat “de betrokkene [d.i. de aanvrager] wordt verzocht om binnen de drie maanden […] de volgende documenten neer te leggen”, hetgeen uiteraard niet uitgaat van de aanvrager. Net omdat de bijlage 19ter door de gemeente ter hand wordt gesteld van de aanvrager en de gemeente dit te dezen in het Nederlands moest doen, volgt enkel uit het gebruik van het Nederlands in die bijlage 19ter niet dat het Nederlands de taal is waarvan de aanvrager zich heeft bediend in de zin van artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet, noch dat de verwerende partij ook het Nederlands dient te gebruiken voor haar beslissing. Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich bij de beoordeling van de vraag van welke taal de vreemdeling zich heeft bediend in het licht van artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet niet moest beperken tot de taal van de bijlage 19ter, zoals de verzoekende partij nochtans voorhoudt.
- Dat de gemeente Grimbergen op grond van artikel 12 van de bestuurstaalwet het Nederlands moest gebruiken voor verweerders bijlage 19ter, doet niets af aan het voorgaande nu deze bepaling wel betrekking heeft op de gemeente doch niet op verweerder als particulier noch op de verwerende partij. Artikel 42 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ heeft geen betrekking op het taalgebruik door de verwerende partij. Ook artikel 52, § 1, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ heeft geen betrekking op het taalgebruik door de verwerende partij, daargelaten de vaststelling dat deze lagere norm geen afbreuk kan doen aan het bepaalde in artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet. XIV-38.848-3/4
- Het enige middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.848-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div