id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.740 Rolnummer: A. 235010/XIV-38864 Zaak: Cassatiebeschikking 14740 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:13 Fiche Beschikking nr 14.740 van 9 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.740 van 9 februari 2022 in de zaak A. 235.010/XIV-38.864 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Flamme kantoor houdend te 9000 Gent Franklin Rooseveltlaan 112 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 261.982 van 11 oktober 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Met het bestreden arrest wordt verzoekers beroep tot nietigverklaring verworpen “op grond van de vaststelling dat geen rechtsgeldige synthesememorie werd voorgelegd”. Uit de behandeling van de middelen hierna zal blijken XIV-38.864-1/8 dat verzoekers kritiek tegen het voormelde dragend motief niet kan leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. Verzoeker kan bijgevolg niet dienstig aanvoeren dat met het bestreden arrest niet wordt geantwoord op zijn middel betreffende de taal van de beslissing van de verwerende partij die tot het bestreden arrest heeft geleid. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) vallen. (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België). Bijgevolg kan verzoeker niet dienstig een schending van deze verdragsbepaling opwerpen. Verzoeker acht artikel 14.1 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend op 1 december 1966, (hierna: het IVBPR) geschonden en voert daartoe aan “dat de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] partijdig was door op voorhand te hebben geoordeeld dat de vordering niet ontvankelijk was, zonder de verdediging hiertoe te hebben gehoord. Deze kritiek mist feitelijke grondslag. Met een met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) genomen beschikking deelt de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de partijen mee dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In die beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de voorzitter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden, namelijk “dat geen wetsconforme synthesememorie werd neergelegd” door verzoeker. Verzoeker heeft vervolgens een verzoek tot horen ingediend, de terechtzitting werd bepaald XIV-38.864-2/8 op 27 september 2021 en verzoekers raadsman heeft alsdan standpunt kunnen innemen betreffende de rechtsgeldigheid van de door hem ingediende synthesememorie, alvorens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarover uitspraak heeft gedaan met het bestreden arrest. Er is dus niet op voorhand geoordeeld dat verzoekers beroep niet-ontvankelijk was, doch enkel dat een schriftelijke procedure kon volstaan tenzij één van de partijen zou vragen om te worden gehoord, hetgeen vervolgens effectief is gebeurd. Verzoeker wijst erop dat geen tolk aanwezig was ter terechtzitting was. Hij voert echter geen enkel element aan waaruit kan blijken dat zijn belangen daardoor zouden zijn geschaad in de zin dat, indien hij persoonlijk zou zijn gehoord in aanwezigheid van een tolk, dit tot een andere strekking van het bestreden arrest zou hebben kunnen leiden. Er blijkt immers niet dat verzoekers vertegenwoordiging door zijn raadsman niet zou hebben volstaan wat de vraag betreft naar de rechtsgeldigheid van verzoekers synthesememorie en de gevolgen daarvan, hetgeen tot het bestreden arrest heeft geleid. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest nergens geoordeeld dat zijn raadsman een bezoldigde betrekking of werkzaamheid in strijd met artikel 437, eerste lid, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek zou moeten uitoefenen, meer bepaald als tolk voor verzoeker. Er wordt enkel vastgesteld dat “de terechtzitting erop is gericht een juridisch-technische kwestie te behandelen” en dat verzoeker “hiervoor een beroep doet op een advocaat die de proceduretaal machtig is”. Verzoeker ontkracht deze vaststellingen niet. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- In de mate dat verzoeker in de drie middelonderdelen telkens een schending opwerpt van artikel 6 van het EVRM, is het tweede middel om de supra uiteengezette redenen kennelijk niet-ontvankelijk.
- Artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet omschrijft de synthesememorie als een processtuk “waarin alle aangevoerde middelen worden samengevat”. Het begrip “samenvatten” kan worden gedefinieerd als het in het kort XIV-38.864-3/8 weergeven of herhalen. Het loutere hernemen van de middelen, zonder meer, kan daarentegen niet als het samenvatten ervan in de zin van de voornoemde bepaling worden beschouwd. In de verantwoording voor amendement nr. 8 bij het wetsontwerp dat tot artikel 2 van de wet van 31 december 2012 ‘houdende diverse bepalingen, inzonderheid betreffende justitie’ (waarmee artikel 39/81 van de vreemdelingenwet in de voormelde zin werd aangepast) aanleiding heeft gegeven, wordt er betreffende de meerwaarde van een synthesememorie op gewezen dat “het de verzoekende partij toelaat om bepaalde middelen niet meer aan te houden en het haar de mogelijkheid geeft te repliceren op het verweer tegen de middelen die zij wel wenst aan te houden zodat zij de middelen samenvat om de taak van de vreemdelingenrechter in complexe zaken te verlichten”. De meerwaarde van een samenvatting werd dus uitdrukkelijk aangehaald. In die verantwoording wordt verder beklemtoond dat de voorgestelde aanpassing “opnieuw bijdraagt tot de verkorting van de asiel- en migratieprocedure” (Parl. St. Kamer, 2012-13, nr. 53-2572/002, 6-7). Aldus wordt de bedoeling van de wetswijziging van 29 december 2010 herhaald, namelijk de annulatieprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te vereenvoudigen en te versnellen. In dit verband kan ook worden gewezen op het verschil met artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet in zijn vroegere vorm. De eerdere wijziging door de wet van 4 mei 2007 ‘tot wijziging van de artikelen 39/20, 39/79 en 39/81 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ voorzag enkel in een “repliekmemorie”, doch er was geen sprake van een synthese of een samenvatting. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 29 december 2010 ‘houdende diverse bepalingen (II)’ blijkt dat de middelen uit het verzoekschrift meestal louter werden gekopieerd in de repliekmemorie, zodat deze laatste in vele gevallen een overtollig procedurestuk was geworden dat de rechtspleging nodeloos vertraagde en zowel voor de partijen als voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor een administratieve overlast zorgde (Parl. St. Kamer, 2010-11, nr. 53-0772/001, 22-23). Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 39/81 van de vreemdelingenwet en de sedert de wetswijziging van 31 december 2012 uitdrukkelijk gestelde vereiste van een samenvatting van de middelen, blijkt aldus dat een loutere herhaling van of een verwijzing naar de oorspronkelijke middelen niet volstaat in de synthesememorie. XIV-38.864-4/8 De door verzoeker gemaakte vergelijking met de in artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde syntheseconclusie is niet dienstig. Deze bepaling is immers niet van toepassing op de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, temeer daar artikel 39/81 van de vreemdelingenwet wat de synthesememorie betreft een duidelijke eigen regeling bevat. Indien een verwerende partij geen nota met opmerkingen heeft ingediend en bijgevolg geen verweer voert waarop een verzoeker eventueel schriftelijk zou kunnen repliceren en indien een verzoeker niet voornemens is bepaalde middelen of onderdelen uit het verzoekschrift te laten vallen, kan hij volstaan met de mededeling binnen de acht dagen na de kennisgeving door de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de neerlegging van het administratief dossier dat hij geen synthesememorie wenst in te dienen. Indien een verzoeker in die omstandigheden toch vraagt om een synthesememorie in te dienen en hij zich vervolgens in die synthesememorie beperkt tot het loutere herhalen van de middelen uit het verzoekschrift, handelt hij dilatoir. Op die wijze verlengt hij immers nodeloos de behandelingsduur van zijn zaak en vergroot hij de administratieve last voor de partijen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Indien een verzoeker daarentegen zijn middel of middelen wenst aan te houden en hij wel degelijk wenst te repliceren op het verweer dat in de nota met opmerkingen tegen dat middel of die middelen wordt gevoerd, kan hij binnen de in de wet gestelde termijnen vragen om een synthesememorie in te dienen en daarin zijn middel of middelen te hernemen, al dan niet in verkorte vorm, en aangevuld met de gewenste repliek. Ook indien hij zijn middel of middelen letterlijk herhaalt en ze met een werkelijke repliek aanvult, komt hij immers tegemoet aan de hierboven aangehaalde bekommernis in de verantwoording bij het amendement dat tot de laatste wijzing van artikel 39/81 van de vreemdelingenwet heeft geleid om hem toe te laten “te repliceren op het verweer tegen de middelen die [hij] wel wenst aan te houden zodat [hij] de middelen samenvat”. Te dezen wordt in de met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking, die in het bestreden arrest is overgenomen, gesteld “dat verzoeker in de synthesememorie zijn middelen zoals uiteengezet in het inleidende verzoekschrift niet samenvat, doch deze – weze het met de vertaling van een aantal citaten en de toevoeging van een bijzin – zonder meer integraal herneemt”. Waar verzoeker aanvoert dat zijn synthesememorie wel voldoet aan de wettelijke voorwaarden, dient te XIV-38.864-5/8 worden opgemerkt dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt in de plaats van de feitenrechter te oordelen of een bepaalde memorie een samenvatting, laat staan een voldoende samenvatting, vormt, noch of de toevoeging van bepaalde opmerkingen als een werkelijke repliek kan worden beschouwd. De Raad van State kan desgevraagd wel vaststellen dat die memorie, waarvan de eerste rechter stelt dat het gaat om een loutere herneming van de middelen uit het inleidend verzoekschrift, niet aan artikel 39/81, vijfde lid van de vreemdelingenwet beantwoordt, net omdat ze geen samenvatting van het middel of een werkelijke repliek op de nota van de verwerende partij of een werkelijke aanvulling bevat. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze kon besluiten dat het, met enkel het toevoegen van de vertaling van een aantal citaten en één enkele bijzin, slechts gaat om het integraal hernemen van de middelen zodat de door de verzoekers als synthesememorie ingediende akte niet aan de definitie van artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet voldoet. Het eerste onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- De sanctie van het verlies van het vereiste belang op grond van artikel 39/81, zesde lid, van de vreemdelingenwet, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, geldt indien een verzoeker niet tijdig een synthesememorie indient wanneer hij het voornemen daartoe heeft uitgedrukt of, uiteraard, wanneer hij niet tijdig heeft geantwoord of hij al dan niet een synthesememorie wenst neer te leggen. Deze sanctie geldt echter niet indien een verzoeker tijdig een memorie indient die niet beantwoordt aan de definitie van een synthesememorie omdat ze beperkt is tot het integraal hernemen van de middelen uit het inleidend verzoekschrift. Hoewel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking overweegt dat het indienen van een niet- wetsconforme synthesememorie “volstaat om te besluiten dat het beroep onontvankelijk is”, zou hij derhalve niet het ontbreken van het vereiste belang in hoofde van verzoeker kunnen vaststellen op grond van de vaststelling dat verzoekers synthesememorie geen samenvatting van de middelen bevat. Te dezen blijkt in de eerste plaats dat verzoekers beroep tot nietigverklaring met het bestreden arrest wordt verworpen op grond van de vaststelling dat geen rechtsgeldige synthesememorie werd ingediend, zonder dat het beroep echter niet- XIV-38.864-6/8 ontvankelijk wordt verklaard. Verzoekers kritiek mist wat dat betreft feitelijke grondslag. In de tweede plaats blijkt dat, al zou verzoekers kritiek wat dat betreft gegrond zijn, de cassatie van het bestreden arrest op die grond verzoeker geen voordeel kan opleveren. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel wat de draagwijdte van de synthesememorie betreft, blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zeker en op wettige wijze heeft vastgesteld dat verzoekers memorie niet aan de in artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet gegeven definitie van een synthesememorie voldoet. Hieruit volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na gebeurlijke cassatie van het bestreden arrest, op grond van die vaststelling het beroep van verzoekster opnieuw zou moeten verwerpen, evenwel zonder te verwijzen naar het ontbreken van het vereiste belang. In die omstandigheden zou verzoeker geen belang hebben bij zijn kritiek tegen het niet- ontvankelijk verklaren van zijn beroep tot nietigverklaring. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Uit de behandeling van het tweede middelonderdeel blijkt dat verzoekers kritiek als zou zijn beroep tot nietigverklaring met het bestreden arrest niet- ontvankelijk zijn verklaard, feitelijke grondslag mist en dat hij bovendien in voorkomend geval geen belang zou hebben bij een gebeurlijke cassatie op die grond. Het derde onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker acht het “gezag van gewijsde van de beslissing dd 13 [lees: 12] februari 2021” geschonden, waarmee hij de beslissing van de verwerende partij van die datum tot weigering van de verlenging van de machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9ter van de vreemdelingenwet blijkt te bedoelen. Dit is echter geen jurisdictionele beslissing doch een administratieve beslissing die derhalve niet bekleed is met gezag van gewijsde. Verzoeker gaat er alleszins aan voorbij dat zijn beroep tot nietigverklaring op wettige wijze werd verworpen omdat hij geen rechtsgeldige synthesememorie heeft ingediend. Bijgevolg diende Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op verzoekers middelen te antwoorden. XIV-38.864-7/8 Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker gaat in op de grond van de zaak, met name de kritiek die hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de beslissing van de verwerende partij van 12 februari 2021 en die niet zou zijn beantwoord in het bestreden arrest. Opnieuw gaat verzoeker eraan voorbij dat zijn beroep tot nietigverklaring op wettige wijze werd verworpen omdat hij geen rechtsgeldige synthesememorie heeft ingediend. Bijgevolg diende Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op verzoekers middelen te antwoorden. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.864-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div