id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.756 Rolnummer: A. 235284/XIV-38903 Zaak: Cassatiebeschikking 14756 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 06:18 Fiche Beschikking nr 14.756 van 18 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.756 van 18 februari 2022 in de zaak A. 235.284/XIV-38.903 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.550 van 29 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele XIV-38.903-1/3 beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
- Artikel 47/3, § 2, 2°, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat “de documenten die aantonen dat het [in artikel 47/1, 2° van die wet bedoelde] andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst” en dat “bij ontstentenis hiervan, […] het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen [kan] worden met elk passend middel”. Het ten laste zijn is een feitelijke situatie. Waar verzoeker met verwijzing naar zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgebrachte stukken uiteenzet dat hij “voorafgaand aan de visumaanvraag weldegelijk ten laste [was] van zijn schoonzus, de referentiepersoon” en dat “de voorgelegde geldstortingen […] dit aan[tonen]”, vraagt hij in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
- Verzoeker laat gelden dat er ten onrechte van uitgegaan wordt dat hij moet voldoen aan twee voorwaarden, namelijk in het land van herkomst ten laste zijn van de referentiepersoon en in het land van herkomst deel uitmaken van het gezin de referentiepersoon. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest echter dat de aanvrager “één van de twee” situaties dient aan te tonen. Hij XIV-38.903-2/3 stelt vast dat in de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij wordt geconcludeerd dat aan geen van beide voorwaarden is voldaan, dat verzoeker niet betwist dat hij nooit een gezin heeft gevormd met zijn schoonzus, dat verzoeker enkel de beoordeling betwist dat hij niet ten laste zou zijn van zijn schoonzus en dat “bijgevolg […] enkel [dient] te worden onderzocht of de verweerder op deugdelijke en zorgvuldige wijze tot de conclusie is gekomen dat het niet is aangetoond dat de verzoeker ten laste is van de burger van de Unie bij wie hij zich wil voegen”. Verzoekers kritiek als zouden hem de beide voorwaarden worden opgelegd mist dan ook feitelijke grondslag.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 18 februari 2022, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.903-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div