id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.757 Rolnummer: A. 235382/XIV-38918 Zaak: Cassatiebeschikking 14757 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-14 02:41 Fiche Beschikking nr 14.757 van 18 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.757 van 18 februari 2022 in de zaak A. 235.382/XIV-38.918 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Heyvaert kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.487 van 29 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 januari 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.918-1/3 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Wat het door verzoeker met een aanvullende nota ter terechtzitting overgelegde document “Emergency Alien’s Travel Document” betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest eerst “dat dit een kleurenkopie betreft” en “dat aan fotokopieën geen enkele bewijswaarde kan worden toegekend daar deze gemakkelijk door knip- en plakwerk te fabriceren zijn”. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en waarom hij het kwestieuze stuk niet in aanmerking neemt. Daarmee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Het wordt niet betwist dat het door verzoeker bedoelde stuk niet authentiek is en geen bijzondere bewijswaarde heeft. Bijgevolg behoort de beoordeling van de bewijswaarde van dat stuk tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter.
- Verzoeker werpt in dit verband nog een schending op van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Naast de vaststelling dat het bestreden arrest geen verwijderingsmaatregel inhoudt, dient te worden vastgesteld dat het al dan niet aanvaarden van de bewijswaarde van een bepaald stuk geen verband houdt met een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM. Een schending van artikel 13 van het EVRM kan slechts op ontvankelijke wijze worden opgeworpen indien ze samen met de schending van een ander door het EVRM beschermd recht wordt opgeworpen. Dit is echter niet het geval nu verzoeker geen schending opwerpt van dergelijk ander recht behalve het niet-ontvankelijk inroepen van artikel 3 van het EVRM.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: XIV-38.918-2/3
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 18 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.918-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div