← België

Cassatiebeschikking 14759 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.759 Rolnummer: A. 235239/XIV-38896 Zaak: Cassatiebeschikking 14759 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-10 06:18 Fiche Beschikking nr 14.759 van 18 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.759 van 18 februari 2022 in de zaak A. 235.239/XIV-38.896 In zake : XXXXX wonende te 1800 Vilvoorde Hendrik-Lei 234/1/1 alwaar woonplaatskeuze wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.291 van 25 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen XIV-38.896-1/3 schending van deze bepalingen inroepen omdat de motieven van het bestreden arrest niet draagkrachtig genoeg zouden zijn en onevenredig zouden zijn aan het gewicht van het bestreden arrest. Verder heeft kritiek op de motieven van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij geen betrekking op het bestreden arrest.
  2. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij in haar beslissing de redelijkheidsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geen voorwaarde toegevoegd aan en het vormt geen schending van artikel 40ter iuncto artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) door te oordelen “dat [men], om aan te tonen dat men ten laste is in de zin van de voormelde bepaling, het bewijs moet leveren dat men voorafgaand aan de aanvraag en tot op het moment van de aanvraag onvermogend was en financieel en/of materieel ten laste was van de referentiepersoon”. Verzoekers kritiek faalt in dat opzicht naar recht.
  4. Voor het overige herhaalt verzoeker letterlijk zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek op de beslissing van de verwerende partij. Deze kritiek heeft geen betrekking op het bestreden arrest. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij vermag dus evenmin de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte feitelijke beoordeling aangaande het onvermogend zijn, het ten laste zijn of de afhankelijkheid van verzoeker ten opzichte van de referentiepersoon over te doen.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.896-2/3
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 18 februari 2022 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.896-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.759 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.