← België

Cassatiebeschikking 14760 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.760 Rolnummer: A. 235285/XIV-38904 Zaak: Cassatiebeschikking 14760 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 06:18 Fiche Beschikking nr 14.760 van 18 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.760 van 18 februari 2022 in de zaak A. 235.285/XIV-38.904 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.689 van 30 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele XIV-38.904-1/4 beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing op onzorgvuldige wijze was genomen, niet evenredig was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
  2. Verzoeker voert aan dat in de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij van 19 juli 2021 tot beëindiging van het verblijf ten onrechte wordt verwezen naar artikel 44bis, § 1, van de vreemdelingenwet en dat die beslissing enkel kon worden gesteund op artikel 44bis, § 2, van de vreemdelingenwet “aangezien verzoeker een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen”. Verzoeker laat daartoe gelden dat hij op 18 mei 2018 een aanvraag om duurzaam verblijf had ingediend doch dat deze aanvraag slechts op 7 december 2020, en dus manifest laattijdig, werd geweigerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op wettige wijze vastgesteld dat verzoeker geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de voormelde weigeringsbeslissing van 7 december 2020, dat deze beslissing dus definitief is geworden in het rechtsverkeer en dat de verwerende partij in haar voormelde beslissing van 19 juli 2021 dus terecht is uitgegaan van het feit dat het duurzaam verblijf werd geweigerd aan verzoeker, zodat deze laatste beslissing mocht worden gesteund op artikel 44bis, § 1, van de vreemdelingenwet.
  3. Het Belgische recht kent geen bindende precedentenwerking, zodat verzoeker niet op ontvankelijk wijze een schending van de “eigen rechtspraak” door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan opwerpen. XIV-38.904-2/4
  4. Verzoeker laat in ondergeschikte orde gelden dat ook de voorwaarden voor de toepassing van artikel 44bis, § 1, van de vreemdelingenwet niet zouden zijn vervuld, meer bepaald omdat de verwerende partij haar beslissing van 19 juli 2021 slechts had mogen nemen “na een individueel onderzoek waarin tevens rekening wordt gehouden met de strafrechtelijke veroordelingen” en “de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen […] in het bestreden arrest had moeten vaststellen dat verwerende partij dit niet heeft gedaan”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in punt 2.1.6 van het bestreden arrest op omstandig gemotiveerde wijze dat de kwestieuze beslissing van de verwerende partij niet enkel is gesteund op het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen maar “ingaat op de aard van misdrijven die wel degelijk ernstig zijn, het gevolg voor de samenleving, het karakter van verzoeker, de hardleersheid en het gevaar voor recidive”, dat die beslissing “uitvoerig de concrete, relevante en bewezen handelingen [heeft] onderzocht en […] diep in[gaat] op de wijze waarop de strafrechtelijke inbreuken zijn gepleegd”, dat “een individueel onderzoek […] duidelijk [blijkt]” vermits “de bestreden beslissing […] het ganse verblijf en handelen van verzoeker op[somt], […] rekening [houdt] met diens verblijf in Nederland (waar hij ook strafrechtelijke daden stelde) en als ongewenst is beschouwd”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “is [de bestreden beslissing] zeer concreet gemotiveerd en verzoeker slaagt er niet in de concrete uitvoerige motieven van de bestreden beslissing te weerleggen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat vervolgens ook in op de motieven van de voornoemde beslissing “die aantonen dat verzoeker nog steeds een actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de samenleving”. Hierbij vermeldt hij ook de door verzoeker verstrekte uitleg over een aantal elementen. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus wel degelijk nagegaan of de verwerende partij een individueel onderzoek heeft gevoerd en vastgesteld dat de voor hem aangevochten beslissing niet enkel is gesteund op het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen. Verder vermag de Raad van State zich als cassatierechter niet in de plaats van de feitenrechter te stellen en diens beoordeling van de beslissing van de verwerende partij over te doen. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 44bis, § 1, van de vreemdelingenwet. XIV-38.904-3/4
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 18 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.904-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.