id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.771 Rolnummer: A. 235286/XIV-38905 Zaak: Cassatiebeschikking 14771 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:22 Fiche Beschikking nr 14.771 van 24 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.771 van 24 februari 2022 in de zaak A. 235.286/XIV-38.905 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 263.793 van 17 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Verzoekster werpt in het opschrift van het middel een schending op van artikel 24.1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie maar komt hier nergens op terug in de uiteenzetting van het middel. Verzoekster werpt in het opschrift van het middel ook “overschrijding van bevoegdheid” en machtsafwending op, doch opnieuw XIV-38.905-1/7 zonder hierbij enige toelichting te geven, daargelaten de vraag in welke mate dit van toepassing kan zijn op het bestreden arrest. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze dat de voor hem bestreden beslissing “er enkel toe strekt de verblijfskaart als familielid van een Belg te weigeren omdat verzoekster wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde”, hetgeen inhoudt dat een verwijdering van het grondgebied niet aan de orde is. Verder wordt, anders dan verzoekster insinueert, in het bestreden arrest niet gesteld dat een onderzoek naar een schending van artikel 3 van het EVRM enkel kan gebeuren in het kader van een verzoek naar internationale bescherming of indien dergelijk verzoek is ingesteld. Wel wordt, wat het door verzoekster voorgehouden gevaar in het geval van een terugkeer naar Nigeria betreft, overwogen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen reeds in zijn arrest nr. 216.488 van 7 februari 2019 heeft opgemerkt dat verzoekster werd gehoord naar aanleiding van de in die zaak bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf doch geen vrees voor besnijdenis van haarzelf of haar dochter in Nigeria heeft geuit, zich heeft beperkt tot blote beweringen over haar vader en “ondanks de voorgehouden vrees geen verzoek om internationale bescherming heeft ingediend” doch zich andermaal “beperkt tot beweringen waar geen enkel begin van bewijs van wordt aangebracht”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest dienaangaande enkel vast dat dit in de beslissing van de verwerende partij wordt herhaald, “waarbij specifiek met betrekking tot het risico op besnijdenis en de vrees voor haar vader wordt opgemerkt dat verzoekster weliswaar een verzoek om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft ingediend, maar geen verzoek om internationale bescherming”. Verzoeksters kritiek berust dan ook op een foutieve lezing van het bestreden arrest. Geen bepaling of beginsel verbiedt het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om rekening te houden met de voormelde omstandigheden bij de beoordeling van het door een verzoeker voorgehouden gevaar. XIV-38.905-2/7 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens dat uit de door verzoekster verstrekte informatie over het bestaan van gewapende conflicten in Nigeria, in het bijzonder in de staat Kanuna, en over de socio-economische toestand in Nigeria niet blijkt dat verzoekster of haar kinderen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zouden ondergaan in Nigeria. Verzoekster herhaalt thans wel haar eigen standpunt over het voorgaande maar maakt daarmee geen gebrekkig onderzoek naar een mogelijke schending van die verdragsbepaling aannemelijk. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter ook niet toe zich zelf uit te spreken over de voorgehouden feitelijke toestand. Uit het voorgaande blijkt dat verzoeksters kinderen wel degelijk in de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden betrokken. Verzoekster toont niet aan dat de motivering van het bestreden arrest in enige mate tekortschiet wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM betreft.
- Het eerste middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Wat de voorgehouden schending van artikel 24.1 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de voorgehouden “overschrijding van bevoegdheid” en machtsafwending betreft, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middel. Het tweede middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onvoldoende gewicht” gegeven aan het hoger belang van de kinderen en “essentiële elementen” buiten beschouwing gelaten, waardoor zij artikel 8 van het EVRM en de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden acht. XIV-38.905-3/7 Verzoeksters kritiek heeft ten dele betrekking op de beoordeling van de veiligheidssituatie in Nigeria, meer bepaald in de staat Kaduna. In die mate kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest met betrekking tot de kinderen dat, “hoewel het dus in beginsel verboden is de verzoekster uit te zetten naar Nigeria aangezien dit zou betekenen dat haar Belgische kinderen voor wie zij de zorg draagt het grondgebied van de Europese Unie zouden moeten verlaten, […] dit evenwel mogelijk [is] in uitzonderlijke gevallen wanneer zij een werkelijke, voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving” en dat “hierbij […] ook de belangen van de betrokken kinderen in aanmerking [moeten] worden genomen. Vervolgens citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motivering van de voor hem bestreden beslissing en hij oordeelt daarover het volgende: “In het middel tracht verzoekster een en ander te relativeren door te verklaren dat de feiten zich 4 à 5 jaar geleden afspeelden, dat zij na augustus 2017 geen nieuwe feiten pleegde en dat de feiten werden gepleegd onder invloed van haar ex-partner. De Raad merkt hierover op dat in de beslissing sprake is van zeer ernstige feiten waarbij verzoekster zich, gedreven door winstbejag, schuldig maakte aan seksuele uitbuiting van drie Nigeriaanse meisjes gedurende ongeveer een jaar, geweld en bedreiging werden daarbij niet geschuwd. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom dit als bijzonder schadelijk voor de slachtoffers wordt beschouwd en waarom dit als een ernstige bedreiging voor de openbare orde wordt beschouwd. Dit wordt door verzoekster op zich niet betwist. Waar verzoekster aanvoert dat de feiten zich 4 à 5 jaar geleden afspeelden en dat zij geen nieuwe feiten pleegde na augustus 2017, doet dit er geen afbreuk aan dat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat uit de feiten een volstrekt normloze ingesteldheid en een fundamenteel gebrek aan respect voor de fysische en psychische integriteit van de slachtoffers blijkt. De bestreden beslissing stelt vast dat verzoekster schaamteloos misbruik maakte van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden om hieruit munt te slaan zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige of verwoestende impact. Zij getuigde aldus van een totaal gebrek aan respect voor de rechtsregels van de Belgische maatschappij en van een gevaarlijke criminele ingesteldheid. Het loutere feit dat sindsdien enkele jaren zijn verstreken, leidt er in het licht van deze vaststellingen niet toe dat ten onrechte werd besloten dat er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Waar verzoekster bovendien beweert dat zij geen feiten meer pleegde na augustus 2017, gaat zij eraan voorbij dat deze stopzetting geenszins spontaan plaatsvond. Verzoekster is immers slechts gestopt naar aanleiding van haar aanhouding. Zij werd vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar waarvan achttien maanden met uitstel. Verzoekster wordt aldus niet bijgetreden waar zij beweert dat zij slechts een beperkte straf kreeg. Bovendien motiveert de bestreden beslissing dat de slachtoffers in het huis van verzoekster verbleven en in het huishouden moesten helpen en voor verzoeksters kinderen moesten zorgen. Aldus blijkt dat verzoekster wel degelijk zeer nauw betrokken was bij de uitbuiting van de meisjes. De loutere bewering dat verzoekster de feiten slechts pleegde onder invloed van haar ex-partner, wordt door verzoekster niet aannemelijk gemaakt. XIV-38.905-4/7 Aldus besluit de Raad dat het oordeel, dat verzoeksters persoonlijke gedrag een zodanig werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, dat de weigering van verblijf ten aanzien van verzoekster tot gevolg heeft dat haar kinderen, van Belgische nationaliteit, beperkt worden in de uitoefening van hun rechten als Unieburger, niet kennelijk onredelijk is.” Wat de vraag betreft of de verschillende belangen in aanmerking werden genomen bij het nemen van de beslissing van de verwerende partij, citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder uit de voor hem bestreden beslissing om vervolgens, na te zijn ingegaan op verzoeksters voorgehouden vrees voor besnijdenis, voor haar vader en voor de veiligheidssituatie in Nigeria (zie eerste middel supra), te overwegen: “Verzoekster verklaart dat zij geen enkel netwerk heeft in Nigeria. Behalve dat zij zich beperkt tot beweringen, werd reeds in het arrest nr. 216 488 vastgesteld dat zij familie had in Nigeria. Zelfs indien wordt aangenomen dat zij niet langer terecht kan bij haar vader, moeder en zussen in Nigeria, verklaarde zij ook nog twee broers te hebben in Nigeria. Er werd in de bestreden beslissing ook vastgesteld dat verzoekster naar school is gegaan in Nigeria en de taal spreekt. Voorts blijkt ook dat het smokkelnetwerk waar verzoekster deel van uitmaakte, werd opgezet vanuit Nigeria, wat kan worden beschouwd als een tegenindicatie. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat zij niet over een netwerk zou beschikken in Nigeria of dit niet opnieuw zou kunnen opbouwen.” Aansluitend overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat een toetsing aan de door verzoekster aangehaalde “Boultif-Üner-criteria” reeds blijkt uit zijn voornoemd arrest nr. 216.488 van 7 februari 2019, waaraan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het volgende toevoegt: “Vooreerst wordt opgemerkt dat in de mate verzoekster dezelfde argumenten aanvoert, dienstig naar deze bespreking kan worden verwezen. Waar verzoekster de feiten relativeert
(1), werd hoger reeds besproken waarom de bedreiging voor de openbare orde als voldoende ernstig, actueel en reëel werd beschouwd. De bewering dat verzoekster ‘slechts’ tot vier jaar gevangenis werd veroordeeld, waarvan achttien maanden met uitstel, doet hier geenszins afbreuk aan. Ook met
(2)de duur van het verblijf werd rekening gehouden. De bestreden beslissing motiveert dat, hoewel verzoekster verklaart sedert 2008 in België te verblijven, zij pas eerst op 17 oktober 2011 een machtiging tot verblijf aanvroeg en op 18 mei 2016 in het bezit werd gesteld van een F-kaart. Dit verblijfsrecht werd wegens de feiten van openbare orde echter weer ingetrokken op 17 augustus 2018 en verzoekster zat een straf uit onder elektronisch toezicht tussen 18 mei 2018 en 23 november 2020. Aldus blijkt dat verzoekster slechts twee jaar en enkele maanden legaal heeft verbleven in België. Waar verzoekster aanvoert dat
(3)de feiten werden gepleegd tussen september 2016 en augustus 2017, merkt de Raad op dat dit niet tot een ander besluit leidt. Het gaat bovendien niet alleen om feiten gedurende bijna een jaar, maar ook de seksuele uitbuiting van drie meisjes. Zij bleek ook tussen 18 mei 2018 en 23 november 2020 onder elektronisch toezicht te staan, hetgeen de verklaring, dat zij geen nieuwe feiten zou hebben gepleegd, sterk relativeert. Ook dat verzoekster aanvoert dat het jongste kind slechts na augustus 2017 werd geboren, wijzigt deze beoordeling niet. Vooreerst XIV-38.905-5/7 heeft de verwerende partij niet gesteld dat de feiten werden gepleegd ondanks dat zij drie kinderen had, maar enkel dat het feit dat zij moeder werd, haar niet gehinderd heeft. Mede gelet op het feit dat zij in augustus 2017, toen de feiten nog volop aan de gang waren, twee kinderen had en zes maanden zwanger was van haar derde kind, blijf dit motief overeind. Ook met
(4)de nationaliteit van de kinderen werd wel degelijk rekening gehouden. De bestreden beslissing stelt echter dat het feit dat zij minderjarige kinderen had in België, haar er niet van heeft weerhouden strafbare feiten te plegen. Zij bracht de slachtoffers onder in haar woning en verplichtte hen om voor haar kinderen te zorgen. De beslissing stelt dat dit niet getuigt van ouderlijke verantwoordelijkheid. Uit verzoeksters houding leidt de verwerende partij af dat zij haar gezinsleven niet belangrijk genoeg achtte om haar activiteiten te staken, zodat niet van de Belgische overheid kan worden verwacht dat haar gezinsleven wordt geplaatst boven de inbreuken op de openbare orde en het gevaar dat van haar uitgaat. De bestreden beslissing wijst erop dat verzoekster een verblijfskaart kreeg en een regulier verblijf met haar kinderen in België kon opbouwen. Zij heeft dit recht verloren door het plegen van de strafbare feiten en alzo het verder uitbouwen van haar gezinsleven in België op de helling heeft gezet. Het doelbewust plegen van zwaarwichtige strafbare feiten wijst erop dat verzoekster niet geïntegreerd is en dit eigenlijk ook niet nastreeft. De Raad kan deze beoordeling niet kennelijk onredelijk of disproportioneel achten. Hoewel de verwerende partij rekening moet houden met de belangen van de kinderen, moet er ook op gewezen worden dat de verantwoordelijkheid voor de kinderen in eerste instantie bij de ouders ligt. In de bestreden beslissing wordt echter duidelijk gesteld dat verzoekster slachtoffers heeft gemaakt en dat de bescherming van de openbare orde in casu primeert. Verzoekster wordt bijgetreden dat de bestreden beslissing ontegensprekelijk een impact heeft op het leven van de kinderen, doch zij toont hiermee niet aan dat de keuze om de openbare orde te beschermen in casu disproportioneel is. De schade aan het gezinsleven is, zoals de bestreden beslissing er terecht op wijst, te wijten aan de keuzes die verzoekster maakte. Zij diende te weten dat zij door haar actieve rol in een netwerk van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ernstige schade kon veroorzaken aan haar gezinsleven. De verklaarde achteruitgang van haar gezinsleven en de belangen van de kinderen is het gevolg van verzoeksters keuzes; met de verwijzing naar de Boultif/Üner-criteria maakt verzoekster niet aannemelijk dat de hinderpalen om naar Nigeria terug te keren van die aard zijn dat de afweging in het voordeel van de motieven van openbare orde disproportioneel zou zijn.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit derhalve “dat verzoekster aan de hand van haar uitgebreide betoog geen overtuigende argumenten aanvoert dat de afweging van de motieven van openbare orde niet evenredig zou zijn ten opzichte van het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het EVRM en het belang van de kinderen om hun gezinsleven in België te kunnen voortzetten”. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of de door artikel 8 van het EVRM vereiste belangenafweging werd gemaakt in de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende XIV-38.905-6/7 partij, rekening gehouden met de gevolgen voor zowel verzoekster zelf als voor haar kinderen en dit in het licht van de toestand van de betrokkenen en van de situatie in Nigeria. In het bestreden arrest wordt ook verzoeksters bewering vermeld dat twee van haar kinderen “een cognitieve beperking” hebben. Uit de verwijzing naar verzoeksters familiaal netwerk en mogelijkheden in Nigeria en vervolgens de afweging tussen onder meer “de belangen van de kinderen” enerzijds en “de bescherming van de openbare orde” anderzijds, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze (overigens niet nader gefundeerde) bewering van verzoekster in zijn beoordeling heeft betrokken. Aldus blijkt geen schending van artikel 8 van het EVRM noch van de jurisdictionele motiveringsplicht. 6. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 24 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.905-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div