id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.772 Rolnummer: A. 235290/XIV-38906 Zaak: Cassatiebeschikking 14772 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-25 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:22 Fiche Beschikking nr 14.772 van 24 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.772 van 24 februari 2022 in de zaak A. 235.290/XIV-38.906 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 263.832 van 18 november 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Algemeen
- Verzoekster werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de beide onderdelen van het middel gaat zij slechts in op enkele van deze bepalingen. Verzoeksters kritiek wordt XIV-38.906-1/4 hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen wordt op kennelijk niet-ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Wat het engagement van verzoekster voor de MRD-beweging in België betreft, wordt in het bestreden arrest geen geloof gehecht aan verzoeksters vrees als refugié sur place. Dit wordt omstandig en concreet gemotiveerd in een hele reeks punten, met name dat verzoekster voor haar vertrek uit Djibouti niet politiek was geëngageerd en dus niet was gekend als opposante, dat haar politieke activiteiten bij MJO-Europe en MRD België in de tijd beperkt zijn en niet getuigen van een verstrekkend engagement, dat verzoeksters activiteiten als journaliste ook beperkt en niet actueel waren, waaruit wordt afgeleid dat zij zich een belangrijk politiek-journalistiek profiel trachtte aan te meten dat niet overeenstemt met de werkelijkheid, dat verzoekster uiteenlopende verklaringen over haar contact met O.Y.B. heeft afgelegd, dat verzoekster slechts gedeeltelijk op de hoogte was van het reilen en zeilen van de MRD, dat verzoekster nog geen enkele persoonlijke bedreiging of opmerking omwille van haar politieke of journalistieke activiteiten blijkt te hebben ontvangen en dat verzoeksters verklaringen over bedreigingen van haar familie in Djibouti vaag en ongeloofwaardig zijn. Verzoekster gaat niet in op de voormelde motivering die tal van concrete vaststellingen bevat. Zij maakt met haar algemene kritiek dat deze “summier” is en niet toelaat “te begrijpen waarom de verschillende elementen en uitleggingen gegeven in [haar] verzoekschrift” niet worden aanvaard voor haar engagement en de gevolgen daarvan, dan ook geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht. XIV-38.906-2/4 Verzoekster geeft ook niet aan welke elementen uit haar op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen afgelegde verklaringen verkeerd zouden zijn vertaald in het gehoorverslag. In het bestreden arrest wordt gesteld dat de brief van verzoeksters advocaat dienaangaande geen elementen bevat die de voorgaande motivering kunnen wijzigen. Verder stelt verzoekster wel dat de Belgische asielinstanties in overeenstemming met artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met verzoekster hadden moeten beoordelen, doch zij geeft niet concreet aan in welke mate dit niet zou zijn gebeurd. Overigens behoort de beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet kan uitspreken.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middelonderdeel
- In het citaat van verzoekster uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 238.317 van 9 juli 2020 staat te lezen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “op dit moment slechts kan vaststellen” dat er “blijkbaar” geen twijfel blijkt te zijn over verzoeksters recente politieke activiteiten in België en dat verzoeksters naam via de zoekmachine Google in verband wordt gebracht met MRD of MJO. “Daar blijkens de door verzoekster bijgebrachte informatie blijkt dat politieke opposanten in Djibouti geviseerd worden door de Djiboutiaanse autoriteiten”, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het niet onredelijk dit verder te onderzoeken en verzoekster daaromtrent te horen”. In het door verzoekster geciteerde arrest gaat het derhalve slechts om een voorlopige vaststelling en wordt nader onderzoek nodig geacht. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van een aantal gegevens uit dat verder onderzoek tot de conclusie komt dat verzoekster geen gegronde vrees voor vervolging in XIV-38.906-3/4 vluchtelingenrechtelijke zin aannemelijk maakt, vormt geen schending van het gewijsde van het door verzoekster geciteerde arrest.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 24 februari 2022, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.906-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div