← België

Cassatiebeschikking 14773 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.773 Rolnummer: A. 235440/XIV-38932 Zaak: Cassatiebeschikking 14773 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:22 Fiche Beschikking nr 14.773 van 24 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.773 van 24 februari 2022 in de zaak A. 235.440/XIV-38.932 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.378 van 13 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.932-1/4 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  2. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het onderzoek van het risico op ernstige schade bedoeld in artikel 48/4, § 2, b, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) er niet mee kon volstaan om te motiveren dat verzoekers verklaringen niet aannemelijk worden gemaakt en dat de motieven van de oorspronkelijk bestreden beslissing van de verwerende partij, waarbij wordt verwezen naar de COI Focus ‘Pakistan – Behandeling van terugkeerders door hun nationale autoriteiten’ van 12 juni 2019, steun vinden in het administratief dossier (overweging 2.3.5.
  3. van het bestreden arrest). Verzoeker heeft immers hij het beroepschrift bepalingen uit het Pakistaanse strafrecht en rapporten van de United States Commission on International Religious Freedom (hierna: USCIRF) gevoegd waaruit blijkt dat de Pakistaanse autoriteiten Ahmadi vervolgen, veroordelen en opsluiten en tolereren dat de Pakistaanse bevolking geweld op Ahmadi pleegt, hetgeen “minstens binnen de definitie van hardheidsdrempeloverschrijdende mishandelingen” – verzoeker doelt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b, van de vreemdelingenwet – valt. Volgens verzoeker wordt de premisse dat het risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b, van de vreemdelingenwet niet verder moet worden onderzocht, tegengesproken door de recentere stukken die hij bij het beroepschrift heeft gevoegd. Verzoeker gaat evenwel eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in overweging 2.3.
  4. van het bestreden arrest op wettige wijze heeft geoordeeld dat verzoeker er niet in slaagt om de vaststelling uit de oorspronkelijk bestreden beslissing dat hij niet aantoont Ahmadi te zijn, te weerleggen of te ontkrachten. De rechter stelt dat aangezien verzoeker niet aantoont dat hij Ahmadi is, zijn betoog dat de Ahmadi in Pakistan worden vervolgd niet dienstig is en dat er ook dan geen geloof kan worden gehecht aan de beweerde vervolgingsfeiten die zich als gevolg van deze bekering in zijn land van herkomst zouden hebben voorgedaan. De algemene landeninformatie en de uittreksels uit het Pakistaanse strafrecht die verzoeker bij het beroepschrift voegt hebben geen betrekking op zijn persoon, noch op de feiten die hij aanvoert, en kunnen dan ook die feiten niet aantonen. Bovendien is die informatie niet dienstig ter staving van de door hem aangevoerde feiten die het gevolg zouden zijn van zijn beweerde bekering tot Ahmadi, aangezien verzoeker niet aantoont dat hij Ahmadi is. XIV-38.932-2/4 De door verzoeker bij het beroepschrift bijgevoegde uittreksels uit het Pakistaanse strafrecht en rapporten van USCIRF waaruit zou blijken dat de Pakistaanse autoriteiten Ahmadi vervolgen, veroordelen en opsluiten en tolereren dat de Pakistaanse bevolking geweld op Ahmadi pleegt, zijn bijgevolg ook niet dienstig om aan te tonen dat verzoeker bij een terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b, van de vreemdelingenwet aangezien hij niet heeft aangetoond Ahmadi te zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoet aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht als hij daaromtrent verwijst naar de eerder in het bestreden arrest gedane vaststellingen waarbij is geconcludeerd dat verzoeker zijn bekering tot Ahmadi en de daaruit voortvloeiende problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts voert verzoeker voor wat het onderzoek naar een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b, van de vreemdelingenwet betreft in het voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen middel geen argumenten aan, noch brengt hij informatie bij, die vermogen afbreuk te doen aan de motieven van de oorspronkelijk bestreden beslissing dienaangaande, inzonderheid de vaststelling uit de COI Focus ‘Pakistan – Behandeling van terugkeerders door hun nationale autoriteiten’ van 12 juni 2019’ dat niet blijkt dat verzoekers om internationale bescherming die terugkeren naar Pakistan een reëel risico lopen om blootgesteld te worden aan foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent dan ook niet de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht waar hij oordeelt dat de geciteerde motieven van de voor hem bestreden beslissing steun vinden in het administratief dossier, pertinent en terecht zijn en door verzoeker volledig ongemoeid worden gelaten zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze motieven tot de zijne kan maken. Zoals supra aangegeven zijn de door verzoeker bijgevoegde uittreksels uit het Pakistaanse strafrecht en rapporten van USCIRF in dit verband niet dienstig aangezien hij niet heeft aangetoond tot Ahmadi te zijn bekeerd. Verzoeker toont geen schending aan van de door artikel 149 van de Grondwet opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht.
  5. Verzoekers kritiek dat “[d]e eerste rechter […] kennelijk een verkeerde juridische kwalificatie en/of onjuiste gevolgtrekking op wettelijk vlak [maakte]”, heeft betrekking op de juistheid van de motieven doch niet op de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. XIV-38.932-3/4
  6. Verzoeker geeft niet anders dan met het voorgaande aan op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden.
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 24 februari 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.932-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.