← België

Cassatiebeschikking 14778 - Varia (onderwijs en cultuur) - 07/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.778 Rolnummer: A. 235653/IX-10004 Zaak: Cassatiebeschikking 14778 - Varia (onderwijs en cultuur) - 07/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-08 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-10 06:25 Fiche Beschikking nr 14.778 van 7 maart 2022 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 14.778 van 7 maart 2022 in de zaak G/A 235.653/IX-10.004 In zake : Jean-Pierre HABIYAMBERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Timmermans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Elzenstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 7161 van de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen van 7 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela- ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 18 fe- bruari
  4. IX-10.004-1/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. De toelaatbaarheid
  6. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest waarbij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een beroep van verzoeker verwerpt, dat is gericht tegen een beslissing van de “interne beroepsinstantie” van de Universiteit Gent van 30 september 2021, waarbij het beroep van verzoeker te- gen de hem toegekende score 10/20 voor het opleidingsonderdeel ‘Masterproef’ ongegrond wordt verklaard. De bodemrechter acht het enige voor hem aangevoerde middel, afgeleid uit “een schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldig- heidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur” ongegrond. 4.
  7. Het eerste middel is geput uit de schending van “de formele mo- tiveringsplicht van artikel 149 van [de] Grondwet” en van de materiëlemotiverings- plicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene be- ginselen van behoorlijk bestuur. Overheen 38 bladzijden voert verzoeker een betoog – geïllu- streerd met foto’s van de proefopstelling van zijn masterproef, met rekenbladuit- treksels van zijn meetresultaten en met screenshots van digitale communicaties – waarin hij zijn studieresultaten bespreekt en kritiek geeft op de beoordeling van zijn masterproef door de beroepscommissie van zijn onderwijsinstelling. Wat verzoeker met dit middel nastreeft, is dan ook een nieuwe beoordeling in hoger beroep van zijn masterproef. De Raad van State neemt als cassatierechter evenwel geen kennis van de feiten, zodat dit middel in die mate kennelijk onontvankelijk is. IX-10.004-2/5 4.
  8. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is geen orgaan van het actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. Het bestreden arrest is geen administratieve rechtshandeling en op het rechtscollege en zijn jurisdictionele beslissingen zijn de algemene beginselen van behoorlijk be- stuur, zoals de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het re- delijkheidsbeginsel, niet van toepassing. Voor zover het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het kenne- lijk naar recht. Voor zover verzoeker evenwel bedoeld heeft aan te geven dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een verkeerde invul- ling heeft gegeven aan de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zoals hij deze beginselen had aangevoerd voor de eer- ste rechter, wordt die mogelijke strekking van het middel niet nader uitgewerkt en is het middel kennelijk onontvankelijk. 4.
  9. Weliswaar noemt verzoeker ook artikel 149 van de Grondwet ge- schonden, maar nergens in de toelichting bij het middel wordt die schending van de jurisdictionele motiveringsplicht toegelicht. Ook in die mate is het middel kennelijk onontvankelijk. 5.
  10. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan “van het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging, zoals onder meer vervat in artikel 6 EVRM”. Verzoeker betoogt dat hij het geannoteerde manuscript van zijn masterproef pas op 30 oktober 2021 “heeft kunnen vinden in het administratief dossier van de verwerende partij”. Hij noemt dit “een procedurefout”. Hij heeft “gereageerd op het geannoteerde manuscript in zijn wederantwoordnota” en dit “was het enige moment dat hij argumenten kon formuleren op het geannoteerde manuscript”. 5.
  11. Zoals verzoeker zelf schrijft, heeft hij in zijn wederantwoordnota IX-10.004-3/5 kunnen reageren op het geannoteerde manuscript. Verzoeker beweert niet dat hij niet in staat was om in zijn weder- antwoordnota de opmerkingen aan de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen voor te leggen die hij nodig achtte. De wederantwoordnota is niet uit het debat geweerd. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft erop geantwoord, in- zonderheid wat het “geannoteerd manuscript” betreft op de bladzijden 53 en 54 van het bestreden arrest. Verzoeker betwist in zijn cassatieberoep dat antwoord inhou- delijk niet. De schending van de rechten van verdediging is kennelijk niet aangetoond. 5.
  12. Het middel is kennelijk ongegrond. 6.
  13. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Het vierde middel is geput uit de schending van het redelijk- heidsbeginsel. Het vijfde middel is ontleend aan de schending van de “objectieve en concrete beoordeling, onpartijdigheid en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Het zesde middel luidt “naleving van de eigen reglementen”. Het zevende middel refe- reert aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. 6.
  14. Verzoeker heeft voor de bodemrechter enkel de schending aan- gevoerd van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het re- delijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, van de “objectieve en concrete beoordeling, onpartijdigheid”, van “naleving van de eigen reglementen” en van het vertrouwensbeginsel is nieuw en, bijgevolg, kennelijk on- ontvankelijk. 6.
  15. Overigens streeft verzoeker blijkens de toelichting bij deze mid- delen nog steeds na dat de Raad van State de zaak aan een nieuw inhoudelijk IX-10.004-4/5 onderzoek zou onderwerpen, waarvoor hij als cassatierechter niet bevoegd is. 6.
  16. Als gezegd, ten slotte, is het bestreden arrest geen administra- tieve rechtshandeling en zijn op het rechtscollege en zijn jurisdictionele beslissin- gen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals de materiëlemotiverings- plicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, niet van toepas- sing. 6.
  17. Het derde tot zevende middel kunnen kennelijk niet tot cassatie leiden.
  18. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet vol- doet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. B E S L I S S I N G:
  19. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  20. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro. Aldus te Brussel verleend, op zeven maart tweeduizend tweeëntwintig, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.004-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.