← België

Cassatiebeschikking 14780 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.780 Rolnummer: A. 235393/XIV-38920 Zaak: Cassatiebeschikking 14780 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:27 Fiche Beschikking nr 14.780 van 10 maart 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.780 van 10 maart 2022 in de zaak A. 235.393/XIV-38.920 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.875 van 3 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 19 januari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de “aanvullende nota” van de verwerende partij volledig als dusdanig in aanmerking heeft genomen doch verzoekers eigen “aanvullende nota” die geldt als “repliek op de aanvullende nota van de verwerende partij” slechts als dusdanig in aanmerking heeft genomen voor wat XIV-38.920-1/3 de nota 2021/1 van de vzw Nansen over El Salvador betreft en voor het overige “niet als procedurestuk maar enkel ter informatie”. Verzoeker beperkt zich thans tot een louter theoretische kritiek zonder op enigerlei wijze aan te geven welke argumenten uit zijn “aanvullende nota”, in de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze “enkel ter informatie” in aanmerking zou hebben genomen, in het bestreden arrest buiten beschouwing zouden zijn gelaten. Er blijkt dan ook niet dat de voorgehouden onwettigheid de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Verzoeker laat gelden dat tijdens zijn gehoor op het commissariaat- generaal geen tolk aanwezig was en dat de ambtenaar zelf als tolk is opgetreden en het gehoorverslag heeft ondertekend als ambtenaar en als tolk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest dat verzoeker blijft steken in hypothetische overwegingen, zonder concrete elementen aan te brengen om aan te tonen dat de betrokken ambtenaar het Spaans niet of onvoldoende zou beheersen, dat verzoeker bij de dienst Vreemdelingenzaken zijn verklaringen heeft kunnen afleggen, dat verzoeker tijdens dat interview geen melding heeft gemaakt van vertaalproblemen, dat verzoeker geen opmerkingen heeft gemaakt over de inhoud van dat interview, dat verzoeker in het beroepschrift geen concreet element aanvoert waaruit kan blijken dat het gehoor geen getrouwe weergave is van de vragen en antwoorden, dat verzoeker op geen enkele wijze aanduidt waar en hoe er verkeerd zou zijn vertaald of genoteerd en welke invloed dit op de voor de Raad voor Vreemdelingebetwistingen bestreden beslissing kan hebben gehad, dat verzoeker geen concrete of problematische vertaalfouten aanduidt en dat verzoeker nergens concreet aanduidt waarom hij zou zijn benadeeld door het feit dat de ambtenaar bij de dienst Vreemdelingenzaken, tijdens het onderhoud aldaar, rechtstreeks Spaans met hem sprak. Verzoeker beperkt zich thans opnieuw tot een louter theoretische kritiek. Hij gaat voorbij aan de voornoemde motieven van het bestreden arrest. Verzoeker had nochtans de mogelijkheid om eventuele fouten, tekortkomingen of concrete onregel- matigheden in (de weergave van) het kwestieuze interview aan te duiden waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening zou hebben kunnen houden bij de beoordeling XIV-38.920-2/3 van de zaak. Er blijkt dan ook niet dat de voorgehouden onwettigheid de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Om die reden is de voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil en dient zij dus niet te worden gesteld. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 10 maart 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.920-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.780 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.