← België

Cassatiebeschikking 14783 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.783 Rolnummer: A. 235436/XIV-38930 Zaak: Cassatiebeschikking 14783 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-17 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 06:28 Fiche Beschikking nr 14.783 van 15 maart 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.783 van 15 maart 2022 in de zaak A. 235.436/XIV-38.930 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Brecht De Schutter kantoor houdend te 2800 Mechelen Brusselsesteenweg 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 264.879 van 3 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht artikel 22 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden doordat met de overwegingen in het bestreden arrest niet wordt aangetoond dat verzoekers inbreuken op de openbare orde “ernstig” zijn in de zin van de voornoemde bepaling, gelezen in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. XIV-38.930-1/7 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 2.2.6 van het bestreden arrest in op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dienaangaande, op de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet 24 februari 2017 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken’, waarmee de artikelen 22 en 23 van de vreemdelingenwet werden vervangen, en op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 112/2019 van 18 juli 2019 dat betrekking heeft op onder meer deze laatste twee artikelen. Vervolgens oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.7 van het bestreden arrest op omstandig en concreet onderbouwde wijze dat de verwerende partij in haar beslissing zeer uitvoering heeft gemotiveerd waarom er in verzoekers geval “ernstige redenen” van openbare orde zijn, hierbij rekening houdend met het gegeven dat verzoeker is geboren in België en met zijn concrete persoonlijke gedragingen. In punt 2.2.8 van het bestreden arrest toetst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven van de voor hem aangevochten beslissing omstandig en concreet aan de vereiste “van ‘ernstige redenen’ van openbare orde die verder reiken dan en ernstiger zijn dan de ‘normale redenen’ van openbare orde”, waarbij de verwerende partij volgens hem “concreet is ingegaan op de persoonlijke gedragingen van verzoeker en heeft beoordeeld of hieruit een ernstige, werkelijke en actuele bedreiging voor de openbare orde blijkt die de beslissing rechtvaardigt of nodig maakt, rekening houdend met het gegeven dat verzoeker in België is geboren”. Na dit uitgebreid onderzoek besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.9 van het bestreden arrest hierover: “Besluitend stelt de Raad vast dat verweerder er in zijn beslissing tot beëindiging van het verblijf rekening mee heeft gehouden dat verzoeker is geboren in België en hij hier steeds verblijfsgerechtigd was. Hiermee rekening houdend was verweerder van mening dat er evenwel zodanig ernstige redenen van openbare orde spelen die maken dat het gerechtvaardigd en noodzakelijk is om verzoekers verblijf te beëindigen met toepassing van artikel 22 van de Vreemdelingenwet. Verweerder wees erop dat uit verzoekers persoonlijk handelen ‘een volgehouden, voor de maatschappij gevaarlijke criminele ingesteldheid naar voren [komt]’, hij ‘een ernstig, reëel en actueel gevaar vormt voor de samenleving’ en dat ‘er ernstige redenen van openbare orde zijn die een beëindiging van uw verblijf in België rechtvaardigen en zelfs vereisen’. Met zijn uiteenzetting van het middel heeft verzoeker niet aannemelijk kunnen maken dat deze beoordeling steunt op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk is en evenmin dat hierbij een incorrecte toepassing is gemaakt van voormeld wetsartikel.” XIV-38.930-2/7 Uit een eenvoudige lezing van het bestreden arrest blijkt derhalve dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voor hem bestreden beslissing aan de in artikel 22 van de vreemdelingenwet opgenomen voorwaarde van “ernstige redenen van openbare orde” heeft getoetst. Bovendien maakt verzoeker geenszins aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zijn beoordeling een verkeerde invulling zou hebben gegeven aan die voorwaarde, temeer daar in het bestreden arrest duidelijk wordt gewezen op de aard en de ernst van de begane feiten en op de veroordelingen en het gedrag van verzoeker waardoor deze laatste wordt beschouwd als een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Tot slot is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door in de plaats van de eerste rechter zelf na te gaan of de kwestieuze feiten blijk geven van de door artikel 22 van de vreemdelingenwet vereiste zwaarte.
  2. Verzoeker acht artikel 23 van de vreemdelingenwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) geschonden omdat de in deze bepalingen bedoelde evenredigheidstoets “niet op een evenwichtige, zorgvuldige manier is gebeurd in casu, noch in de oorspronkelijke beslissing van verweerder, noch door de RvV in het bestreden arrest”. Volgens artikel 23 van de vreemdelingenwet “wordt bij het nemen van de beslissing rekening gehouden met de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid die [de betrokkene] heeft begaan, of met het gevaar dat van hem uitgaat, en met de duur van zijn verblijf in het Rijk” en “wordt ook rekening gehouden met het bestaan van banden met zijn land van oorsprong, met zijn leeftijd en met de gevolgen voor hem en zijn familieleden”. Zoals in het bestreden arrest wordt aangegeven, dient bij deze afweging rekening te worden gehouden met het gestelde in artikel 8 van het EVRM. Wat “de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde” betreft, kan worden verwezen naar punt 1 supra. Dit geldt eveneens voor “het gevaar dat van [verzoeker] uitgaat”, meer bepaald dat - en waarom - verzoeker “een ernstig, reëel en actueel XIV-38.930-3/7 gevaar vormt voor de samenleving”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier ook uitgebreid en concreet op in in punt 2.2.21 van het bestreden arrest. Wat de overige in artikel 23 van de vreemdelingenwet bedoelde criteria betreft, vat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.20 van het bestreden arrest de motieven samen van de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij. Het gaat hierbij om de duur van verzoekers verblijf in België, zijn arbeidsverleden en zijn integratie in de Belgische samenleving, verzoekers banden met zijn land van herkomst, Marokko, en de aanwezigheid van vrienden en familie in België. In punt 2.2.22 van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf uitgebreid en concreet in op deze criteria. Waar verzoeker een gebrek aan concrete elementen in de beslissing van de verwerende partij aanhaalt over zijn relatie met zijn familie en zijn bindingen met Marokko, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze op “de, niet-betwiste, vaststelling dat verzoeker de mogelijkheid werd geboden om te worden gehoord voorafgaand aan het nemen van deze beslissingen, om zo elementen naar voor te brengen die er zich volgens hem tegen konden verzetten dat deze beslissingen werden genomen en die volgens hem in alle geval in rekening dienden te worden gebracht”, waaraan verzoeker echter “geen gevolg heeft gegeven”. Het bestreden arrest vermocht inderdaad te oordelen dat verzoeker de verwerende partij bezwaarlijk kan verwijten geen rekening te hebben gehouden met elementen die hem uitdrukkelijk werden gevraagd in een vragenlijst doch die hij niet heeft beantwoord en waarover de verwerende partij daardoor niet beschikte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt echter ook dat verzoeker in zijn kritiek “niet verder [komt] dan te stellen dat de vaststellingen hypothetisch en niet pertinent zouden zijn, maar […] na[laat] concreet uiteen te zetten waarom verweerder deze vaststellingen niet kon maken”. Daarenboven stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de verwerende partij wel degelijk heeft aangegeven hoe zij tot haar beslissing is gekomen op grond van de informatie waarover zij beschikte, namelijk dat verzoeker op 4 jaar tijd in de gevangenis slechts tweemaal werd bezocht door zijn moeder een geen enkele keer door zijn vader en dat verzoeker ook is veroordeeld wegens strafrechtelijke feiten gepleegd ten aanzien van zijn zus, dat verzoeker op geen enkele wijze concreet kan aantonen of nog maar tracht aan te tonen dat hij actueel nog goede contacten heeft met zijn ouders of andere familieleden in België, dat verzoeker zelf aangeeft dat contact ook mogelijk is per brief of per telefoon, hetgeen eveneens mogelijk is vanuit Marokko, ook met moderne communicatiemiddelen, of naar zijn vrienden toe. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet het loutere gegeven dat verzoeker hoogbejaarde ouders XIV-38.930-4/7 heeft, geen afbreuk aan het geheel van de gedane vaststellingen. Wat het bestaan van bindingen met het land van herkomst betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw op dat verzoeker niet heeft geantwoord op de vragen naar het bestaan van dergelijke banden en naar redenen die maken dat een terugkeer naar Marokko niet zou kunnen worden verwacht van hem. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt ook vast dat verzoeker zich in het inleidend verzoekschrift beperkt tot louter algemene en niet-onderbouwde beweringen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt in de beslissing van de verwerende partij niet ontkend dat dat een integratie in Marokko moeizaam kan verlopen, gelet op verzoekers langdurig verblijf in België, maar wordt in die beslissing wel vastgesteld dat geen onoverkomelijke obstakels blijken die het onmogelijk maken een leven uit te bouwen in Marokko. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoeker geen concrete elementen aanbrengt die tot een ander oordeel zouden moeten leiden en hij acht het niet onredelijk “om te stellen dat verzoeker, een volwassen man van wie een zekere kennis en vertrouwdheid met de talen en cultuur in Marokko kan worden aangenomen, ook een sociaal netwerk kan uitbouwen in de Marokkaanse samenleving, door financiële steun of door het aanspreken van familieleden en/of kennissen die zij nog hebben in het herkomstland”. In het licht van het voorgaande toont verzoeker niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen of onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de in artikel 23 van de vreemdelingenwet bedoelde elementen of belangen, noch dat het onderzoek naar de evenredigheid van de beslissing van de verwerende partij niet grondig genoeg zou zijn gebeurd. Verder is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en dient hij dus niet zelf de door de eerste rechter gemaakte afweging over te doen.
  3. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.930-5/7
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.930-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 15 maart 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.930-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.