← België

Cassatiebeschikking 14784 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.784 Rolnummer: A. 235438/XIV-38931 Zaak: Cassatiebeschikking 14784 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-17 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 06:28 Fiche Beschikking nr 14.784 van 15 maart 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.784 van 15 maart 2022 in de zaak A. 235.438/XIV-38.931 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jana Schellemans kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.020 van 7 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Wat zijn Griekse verblijfsvergunning betreft, heeft verzoeker in zijn beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel aangevoerd dat deze in mei 2020 werd gestolen, dat uit de beschikbare landeninformatie belangrijke vertragingen blijken bij de vernieuwing of verlenging van verblijfsvergunningen in Griekenland, dat XIV-38.931-1/8 verzoeker daardoor tot zes maanden lang niet dezelfde (reeds beperkte) rechten zal kunnen laten gelden als andere personen die er internationale bescherming genieten en dat deze situatie een bijzondere kwetsbaarheid inhoudt voor verzoeker die minstens in de periode na zijn aankomst in Griekenland geen beroep zal kunnen doen op enige hulp van de overheid. In zijn aanvullende nota van 5 november 2021 heeft verzoeker, met verwijzing naar bepaalde landeninformatie, gespecificeerd dat men pas na het verkrijgen van een nieuwe verblijfsvergunning een Tax Identification Number (“AFM”) kan aanvragen, hetgeen nodig is om onder meer een huurcontract af te sluiten of te mogen werken, dat men een AFM slechts kan krijgen wanneer men een bewijs van woonst, elektriciteitsrekeningen of een huurovereenkomst voorlegt, dat het verkrijgen van een AFM daardoor uitgesloten is voor de meeste begunstigden van internationale bescherming en dat het zonder AFM ook niet mogelijk is een AMKA aan te vragen, dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van medische zorgen.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat verzoeker ter terechtzitting liet gelden dat zijn Griekse verblijfskaart vervallen is terwijl hij voordien had verklaard dat hij een verblijfsvergunning had gekregen op 16 januari 2020 en dat deze drie jaar geldig was doch gestolen werd zodat hij ze niet meer kon voorleggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens dat verzoeker, die niet betwist te beschikken over een status van internationale bescherming, niet kan worden gevolgd waar hij stelt stappen te hebben ondernomen om zijn verblijfskaart opnieuw aan te vragen, dat uit verzoekers interview blijkt dat hij niet wou wachten omdat de politie hem vroeger niet had geholpen, dat verzoeker dus zelf stelt geen poging te hebben ondernomen, louter wegens een andere situatie met de politie, dat verzoeker zich beperkt tot algemene verwijzingen naar mogelijke praktische en administratieve moeilijkheden zonder deze concreet aan te tonen, dat het daarbij bovendien gaat om mogelijke vertragingen en dat verzoeker niet aantoont dat hij zijn verblijfsvergunning niet zou kunnen hernieuwen indien hij een aantal stappen zet. Hierna merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat verzoeker verwijst naar allerhande informatie uit zijn aanvullende nota van 5 november 2021 maar nalaat een concreet bewijs te leveren betreffende zijn persoonlijke situatie. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen brengt verzoeker “namelijk geen elementen aan waaruit blijkt dat [h]ij niet naar Griekenland zou kunnen terugkeren en dat [h]ij niet opnieuw in het bezit zou kunnen worden gesteld van Griekse, aan [zijn] internationale beschermingsstatus verbonden documenten zoals [zijn] verblijfspapieren, die blijkens [zijn] XIV-38.931-2/8 verklaringen nog enkele jaren geldig zou zijn, en dat [h]ij deze bij het verstrijken van de geldigheid ervan in de toekomst, niet zou kunnen verlengen/vernieuwen”. Besluitend hierover, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekers aanvullende informatie en argumentatie over de ernstige vertragingen bij het verlengen van de verblijfstitel in Griekenland te dezen niet dienst of nuttig is, “gelet op het feit dat blijkens [verzoekers] verklaringen [zijn] Griekse verblijfsdocumenten nog tot begin 2023 geldig zouden zijn, en [h]ij niet concreet aantoont dat [h]ij vanwege de Griekse autoriteiten bij aangifte van het verlies/de diefstal ervan, hier niet opnieuw van in het bezit zou kunnen worden gesteld” en dat in casu verzoekers verblijfskaart immers niet vervallen is en het hier niet gaat om een verlenging ervan.
  4. Met de voorgaande overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk aan waarom hij verzoekers argumentatie, gesteund op de bij verzoekers aanvullende nota van 5 november 2021 gevoegde informatie over de moeilijkheden bij het vernieuwen van een verblijfsvergunning, niet volgt. In die mate blijkt geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. Daarenboven houdt een voorgehouden gebrek in de jurisdictionele motivering alleszins geen verband met het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt.
  5. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  6. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet is ingegaan op de door verzoeker bijgebrachte informatie waaruit “een grimmig beeld” zou blijken van de situatie voor internationaal beschermden in Griekenland en op de rechtspraak van de Nederlandse Raad van State. Verzoeker had gewezen op de slechte behandeling van internationaal beschermden in Griekenland en de noodzaak van een individuele toetsing aan artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). XIV-38.931-3/8
  7. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt in het bestreden arrest op de voormelde argumentatie: “Waar in de aanvullende nota naar rechtspraak van de Nederlandse Raad van State wordt verwezen, wijst de Raad erop dat precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgische recht. Rechterlijke beslissingen hebben in de continentale rechtstraditie geen bindende precedentwaarde (cf. RvS 18 december 2008, nr. 3679 (c)). Elk verzoek om internationale bescherming dient op individuele basis en aan de hand van de hiertoe in concreto aangevoerde elementen onderzocht te worden, zoals te dezen geschiedt. De loutere, algemene verwijzing naar enkele arresten van de Nederlandse Raad van State van 28 juli 2021 volstaat op zich hoe dan ook niet om zonder meer te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die in Griekenland internationale bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn of dat elke internationaal beschermde die in het land verblijft er een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zou lopen. Uit de door verzoekende partij bijgebrachte informatie blijkt dat ofschoon de Griekse autoriteiten, hierin ondersteund door verschillende ngo’s, niet onverschillig staan tegenover de situatie van begunstigden van internationale bescherming, in de praktijk soms niet kan worden voorkomen dat statushouders in Griekenland in een situatie terechtkomen waarin zij niet, dan slechts (zeer) moeilijk kunnen voorzien in basisbehoeftes, zoals wonen, eten en zich wassen. De druk op de beschikbare voorzieningen voor statushouders in Griekenland is erg groot, waardoor o.a. het risico op dakloosheid erg hoog is. Gelet op de politieke situatie (wetswijzigingen die de hulp aan statushouders inperken en beperken) en socio-economische situatie in Griekenland, wordt voor statushouders – waaronder zij die terugkeren vanuit een andere lidstaat en niet (meer) in het bezit zijn van verblijfsdocumenten – de toegang tot o.a. huisvesting, sociale voorzieningen, (gezondheids)zorg en de arbeidsmarkt erg bemoeilijkt. Die onzekere en weinig rooskleurige situatie in Griekenland maakt dat het voor statushouders moeilijk(er) kan zijn om zelfstandig hun rechten te effectueren en om te voorzien in de meest fundamentele behoeften zoals eten, onderdak en stromend water. Rekening houdende met die informatie kan niet worden ontkend dat begunstigden van internationale bescherming in Griekenland, zoals verzoekende partij, zich er in erg moeilijke en soms schrijnende levensomstandigheden kunnen bevinden en dat zij worden geconfronteerd met belemmeringen inzake de toegang tot o.a. socio-economische en medische hulp voor erkende vluchtelingen. Ofschoon blijkens voormelde informatie de situatie voor verzoekers om en begunstigden van internationale bescherming in Griekenland weinig rooskleurig en erg onzeker is, volstaat de loutere, algemene verwijzing naar de precaire situatie aldaar op zich evenwel niet om aan te tonen dat verzoekende partij haar persoonlijke situatie kan worden aangemerkt als een situatie van uitzonderlijke aard zoals geduid door het Europees Hof van Justitie in zijn Ibrahim – rechtspraak (HvJ 19 maart 2019, C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, Ibrahim e.a./Duitsland), waardoor verzoekende partij haar situatie (bij terugkeer) in Griekenland zou kunnen worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Een dergelijke situatie/dergelijk bewijs dient immers in navolging van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie op individuele wijze in concreto te worden aangetoond. Verzoekende partij blijft hier echter in gebreke, zoals eerder in de beschikking van 26 februari 2021 en in de bestreden beslissing werd vastgesteld. Verzoekende partij ontkracht noch weerlegt de verschillende vaststellingen die alzo doen besluiten. De Raad beklemtoont dat een algemene verwijzing naar de situatie in/de soms moeilijke (levens)omstandigheden voor verzoekers om en begunstigden XIV-38.931-4/8 van internationale bescherming in Griekenland niet volstaat om aan te tonen dat verzoekende partij als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland buiten haar wil en haar persoonlijke keuzes om in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie verkeerde dan wel bij een terugkeer dreigt terecht te komen. Dit dient op concrete en overtuigende wijze te worden aangetoond, waar verzoekende partij dus evenwel in gebreke blijft. Ze beperkt zich tot hypotheses en algemene landeninformatie zonder dat zij in concreto aantoont dat zij in een situatie zou belanden die beschouwd kan worden als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM.” Met die overwegingen antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op de verwijzing naar Nederlandse rechtspraak en naar de situatie in Griekenland voor internationaal beschermden. Hij geeft ook aan op welke wijze die situatie moet worden getoetst aan artikel 3 van het EVRM en in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verzoeker, die zich dienaangaande in dit onderdeel van het cassatiemiddel beperkt tot algemene kritiek, geeft niet aan in welke mate - en maakt bijgevolg niet aannemelijk dat - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onvoldoende rekening heeft gehouden met verzoekers individuele situatie. In die mate blijkt derhalve geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  8. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., gesteld dat “in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel [moet] worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM”, dat “toch […] niet [kan] worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt” en dat, “wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet- ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico bestaat, […] deze rechter dan ook ertoe [is] gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde XIV-38.931-5/8 groepen van personen raken”. Het Hof benadrukt in dat verband dat de voormelde tekortkomingen “alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen […] wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak”. Het Hof overweegt dat “deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid” en dat “die drempel […] dus niet [wordt] bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling”. Het Hof stelt nog dat een bepaalde omstandigheid in de andere lidstaat “alleen dan [kan] leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie”. Uit het voormelde arrest blijkt dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van de zaak om te oordelen of de tekortkomingen in een andere lidstaat een dermate hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken dat de betrokkene, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Door met verwijzing naar de concrete omstandigheden van de zaak en verzoekers eigen verklaringen te dezen aan te nemen dat de bijgebrachte algemene landeninformatie niet volstaat om te besluiten dat verzoeker concreet in de voornoemde toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zou terechtkomen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet de door verzoeker aangehaalde XIV-38.931-6/8 bepalingen geschonden. Als administratieve cassatierechter komt het Raad van State niet toe om de dienaangaande door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen. XIV-38.931-7/8
  9. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 15 maart 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.931-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.