id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.795 Rolnummer: A. 235525/XIV-38942 Zaak: Cassatiebeschikking 14795 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-21 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:30 Fiche Beschikking nr 14.795 van 17 maart 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.795 van 17 maart 2022 in de zaak A. 235.525/XIV-38.942 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.483 van 14 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.942-1/4 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet geantwoord op het middel dat hij “een vonnis en medisch attest waaruit blijkt dat hij reeds slachtoffer werd van vervolging of ernstige schade” heeft overgelegd waardoor “de verzwaarde bewijslast die door de kwalificatie veilig land van herkomst op de schouders van [verzoeker] rust, wordt omgekeerd”, dit op grond van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Het bestreden arrest bevat echter een ruimere motivering dan de door verzoeker geciteerde alinea, die enkel de conclusie weergeeft dat verzoeker in wezen slechts zijn visie op de zaak geeft en verwijst naar elementen uit zijn verzoekschrift, waarop reeds in de met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking werd geantwoord. Zo overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met verwijzing naar deze laatste beschikking, dat, ofschoon de bewuste aanval met een mes van 1 januari 2019 en verzoekers daarop volgende hospitalisatie inderdaad niet worden betwist, hieruit geen vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op ernstige schade in zijnen hoofde kan worden afgeleid. In navolging van de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze van oordeel dat verzoeker “op 01/01/2019 het slachtoffer werd van spijtige daad van zinloos geweld door een dronkeman, en [hij] hiervoor een week gehospitaliseerd werd”, dat verzoeker op geen enkel moment bescherming heeft gezocht in het kader van dat incident en dat zich nadien geen incidenten meer hebben voorgedaan totdat verzoeker pas in december 2019 Georgië verliet. Verzoeker gaat ook voorbij aan de motivering in het bestreden arrest met betrekking tot “de onterechte beschuldiging en veroordeling waarvan verzoekende partij in 2008 het slachtoffer zou zijn geworden, alsook de latere administratieve boete(s) en de administratieve aanhouding van 10 dagen die haar werden opgelegd”, met name dat, zoals reeds in de beslissing van de verwerende partij wordt aangenomen, verzoeker weinig initiatief heeft genomen om zichzelf van het zogenaamde misdrijf vrij te pleiten en indien nodig beroep aan te tekenen tegen de onterechte veroordeling en dat zijn persoonlijk gedrag niet valt te rijmen met een onterechte veroordeling omwille van een in het vluchtelingenverdrag opgenomen grond. Het is dan ook XIV-38.942-2/4 duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen de in artikel 48/7 van de vreemdelingenwet bedoelde omkering van de bewijslast niet aanvaardt.
- Verzoeker verwijst naar de “COI-Focus. Algemene situatie – Georgië van 24 november 2020 (update)” waaruit zou blijken dat Georgië onvoldoende bescherming in de zin van artikel 48/5, § 2, van de vreemdelingenwet kan bieden. Verzoeker gaat met dergelijke algemene verwijzing voorbij aan de supra weergegeven motivering in het bestreden arrest, waaruit blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker niet “duidelijk en met substantiële redenen [aantoont] dat zijn land van herkomst desondanks in zijn specifieke omstandigheden en in afwijking van de algemene situatie aldaar niet als veilig kan worden beschouwd en dat hij in zijn land van herkomst daadwerkelijk wordt vervolgd of een reëel risico loopt op ernstige schade” zoals vereist door artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest ook naar de omstandigheid dat verzoeker zich pas twee maanden na zijn aankomst in België vluchteling heeft verklaard. Daargelaten de vaststelling dat dit slechts één van de vaststellingen in het bestreden arrest is, gaat het om een feitelijke beoordeling die de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag over te doen. Verzoeker toont alleszins niet aan dat het mede rekening houden met deze omstandigheid op zich onwettig is bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
- In de mate dat verzoeker aanvoert dat de beoordelingen in het bestreden arrest “zoals aangetoond en gedocumenteerd kennelijk onjuist en volkomen onterecht en onredelijk” zijn, vraagt hij een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro. XIV-38.942-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 17 maart 2022, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.942-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div