← België

Cassatiebeschikking 14830 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.830 Rolnummer: A. 235397/XIV-38921 Zaak: Cassatiebeschikking 14830 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-06 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:38 Fiche Beschikking nr 14.830 van 1 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.830 van 1 april 2022 in de zaak A. 235.397/XIV-38.921 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.063 van 7 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 2 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending op geworpen van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie noch van artikel 20 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of XIV-38.921-1/4 staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ en zij maken niet aannemelijk dat zij daartoe niet in de mogelijkheid waren. Zij kunnen de schending van deze bepalingen derhalve niet voor het eerst inroepen in de graad van administratieve cassatie.
  4. De verzoekers werpen verder enkel een schending op van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Zij lichten dit concreet toe als volgt: “Nochtans blijven objectieve elementen onbetwist, die belangrijk zijn om de nood aan internationale bescherming van verzoeker te evalueren (o.a. Verzoekster is verantwoordelijk voor de dood van een elfjarige jongen, [R.P.]; [R.P.] is de zoon van de Albanese […], [A.P.] ; Verzoekster werd veroordeeld tot 5 jaren effectieve gevangenisstraf en werd op 27 januari 2017 vrijgelaten; de pers raakte betrokken bij het verhaal van verzoekster en er werden tal van artikelen over haar gepubliceerd; Verzoekster trachtte meerdere keren om de verzoening van de familie [P.] te krijgen maar dit lukte niet ; Verzoeker is verzoeksters zoon ; Vendetta bestaat in Albanië en de Albanese overheden kunnen niet interfereren). Geen motieven van het bestreden arrest betreft verzoeker zelf, zijn specifieke situatie, hoger belang, en de specifieke risico’s die hij loopt.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat verzoekster “niet aannemelijk [maakt] dat zij ten gevolge van dit ongeval, dit na het uitzitten van haar straf, jaren later en tot op heden, nog in de negatieve aandacht zou staan van, zou worden geviseerd door en ernstige problemen zou riskeren met de familie [P.]. Hij overweegt dienaangaande eerst “dat de algehele geloofwaardigheid van verzoeksters verklaringen wordt ondermijnd doordat zij over de kern van haar problemen, met name het auto-ongeval dat hiervoor de aanleiding zou hebben gevormd en de rechtszaak die hieruit volgde, leugenachtige verklaringen aflegde”, hetgeen concreet wordt toegelicht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in navolging van de voor hem bestreden beslissing en op concreet gemotiveerde wijze vast “dat verzoekster geenszins aannemelijk maakt dat zij door toedoen van de familie [P.] zwaarder zou zijn gestraft”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt ook uit de verdere gang van zaken “duidelijk dat verzoekster niet in de negatieve aandacht stond van of ernstig werd geviseerd door de familie [P.]” en hij acht het “niet aannemelijk […] dat, zo verzoekster werkelijk werd geviseerd door de familie [P.] en deze familie er initieel alles aan zou hebben gedaan om haar zo zwaar mogelijk te laten straffen, de familie [P.] vervolgens, en dit ondanks de politieke invloed van XIV-38.921-2/4 de vader van het slachtoffer van het verkeersongeval en diens lidmaatschap van dezelfde partij, niet zou hebben verhinderd dat een lid van de Democratische Partij opdracht zou hebben gegeven tot het verlenen van een amnestieverklaring aan onder meer verzoekster”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht “het weldegelijk een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van verzoeksters vermeende problemen met en vrees ten aanzien van de familie [P.] dat zij na haar vrijlating dermate snel en zonder enig probleem erin slaagde een nieuw rijbewijs te bemachtigen”. Steeds volgens het bestreden arrest, spreekt het voor zich “dat, gezien verzoekster niet aantoont of aannemelijk maakt dat deze familie haar initieel negatief bejegende en gezien haar verklaringen dienaangaande iedere geloofwaardigheid ontberen, evenmin geloof kan worden gehecht aan haar verklaringen omtrent de wraakacties die hiervan de verderzetting zouden hebben gevormd” en wordt “de geloofwaardigheid van deze beweerde wraakacties en verzoeksters voortgezette problemen met en vrees ten aanzien van de (machtige) familie [P.] […] bovendien nog verder ondermijnd door verzoeksters verdere gedragingen, die met haar vermeende vrees ten aanzien van deze familie niet kunnen worden gerijmd”, hetgeen dan andermaal concreet wordt toegelicht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt met betrekking tot verzoekster: “Dat zij van oordeel was dat zij vooraleer zij zwanger was geen nood had aan bescherming, kan ook bezwaarlijk ernstig worden genomen en kan in het geheel niet verklaren waarom zij in weerwil van haar zelfverklaarde problemen met en vrees ten aanzien van een dermate machtige familie nog jarenlang in haar land van herkomst bleef en naar dit land zelfs verschillende keren vrijwillig terugkeerde. Vooreerst is het in dit kader totaal niet aannemelijk dat de familie [P.], zo deze er initieel werkelijk alles aan zou hebben gedaan om verzoekster zo zwaar mogelijk te treffen en zo deze werkelijk op wraak belust was, dermate omslachtig en ondoortastend tewerk zou zijn gegaan, verzoekster niet sneller en rechtstreeks zou hebben getroffen en haar dreigementen en mogelijke wraakacties zou hebben laten afhangen van een eventuele, toekomstige zwangerschap en bevalling, dan nog van een zoon, van verzoekster. Minstens kon verzoekster er, gelet op de door haar geschetste antecedenten en de machtige positie van deze familie, onmogelijk vanuit gaan dat deze familie jegens haar niets anders zou ondernemen. Verzoekster gaf in dit kader blijkens de terecht aangehaalde verklaringen in de bestreden beslissing overigens zelf duidelijk aan dat zij sedert de eerste mislukte verzoeningspoging, in 2017, weldegelijk schrik had van deze familie. Zelfs indien al aangenomen zou kunnen worden dat verzoekster geloofde dat deze familie haar enkel bij een eventuele toekomstige zwangerschap en/of bevalling van een zoon zou willen treffen, quod non, dan nog dient te worden opgemerkt dat het manifest ongeloofwaardig is dat zij niet eerder en preventief zou hebben getracht om haar land definitief te verlaten, dat zij nog meermaals vrijwillig terugkeerde naar dit land en dat zij haar land van herkomst slechts zou hebben verlaten nadat zij reeds een tijdlang zwanger was. Dit geldt nog des temeer nu uit het schrijven van verzoeksters echtgenoot, neergelegd door middel van een aanvullende nota, blijkt dat verzoekster en haar echtgenoot reeds sedert 2017 trachtten een kind te krijgen en nu haar XIV-38.921-3/4 echtgenoot daarbij aangeeft dat zij al die tijd bang waren en zich bedreigd en totaal niet veilig voelden.” Tot slot verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de vaststelling in de beslissing van de verwerende partij dat verzoekster sinds de beweerde (mislukte) verzoeningspoging in 2017 niets meer heeft vernomen van de familie [P.] en dat uit niets blijkt dat deze familie verzoekster of haar zoon heden naar het leven staat.
  5. Uit de voorgaande motieven blijkt aldus waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door de verzoekers voorgehouden problemen met de familie P. in het land van herkomst niet aanvaardt en waarom hij van oordeel is dat geen gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin blijkt in hoofde van zowel eerste verzoekster als tweede verzoeker. De verzoekers maken geen schending aannemelijk van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.921-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.830 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.