← België

Cassatiebeschikking 14831 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.831 Rolnummer: A. 235552/XIV-38945 Zaak: Cassatiebeschikking 14831 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-06 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-15 10:06 Fiche Beschikking nr 14.831 van 1 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.831 van 1 april 2022 in de zaak A. 235.552/XIV-38.945 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Shanna Schuerewegen en Thierry L’Allemand kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britse Lei 47-49/5 en 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 266.188 van 23 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker werpt in een eerste middel in drie onderdelen respectievelijk een “abstracte motivatie”, een “ontbrekende motivatie” en “schending motivatie door verwerende partij” op. Voor zover verzoeker met “motivatie” de jurisdictionele motivering bedoelt, zet hij in geen enkel van de drie middelonderdelen concreet uiteen op welk punt de XIV-38.945-1/4 motivering van het bestreden arrest tekort zou schieten. Daarenboven is de verwijzing in het tweede middelonderdeel naar de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het derde middelonderdeel naar het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet dienstig omdat die wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Volgens verzoeker ontbeert het bestreden arrest de “rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Verzoeker staaft zijn bewering niet in het minst concreet, daargelaten de vaststelling dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  3. Volgens verzoeker is het bestreden arrest “kennelijk onredelijk gelet op de feitelijke omstandigheden”. Verzoeker vraagt hiermee opnieuw een beoordeling van de zaak zelf waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is. Het derde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. Verzoeker heeft het over een “misinterpretatie” door de eerste rechter van de bepalingen van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), zonder aan te geven over welke bepalingen het gaat in het licht van de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling van de wettigheid van de beslissing van de verwerende partij. Het enkele feit dat de vreemdelingenwet de mogelijkheid voorziet om in buitengewone omstandigheden een machtiging tot verblijf te vragen terwijl de vreemdeling reeds op het grondgebied van het Rijk verblijft, houdt op zich niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen de beslissing van de verwerende partij houdende bevel om het grondgebied te verlaten had moeten vernietigen. XIV-38.945-2/4 Voor zover verzoeker de door de verwerende partij genomen beslissing viseert, is zijn kritiek niet gericht tegen het bestreden arrest. Voor zover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker “de beginselen inzake redelijkheid en zorgvuldigheid” heeft geschonden, dient te worden herhaald dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest en dat de Raad van State de dienaangaande door de eerste rechter gemaakte beoordeling niet vermag over te doen. Het vierde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  5. Het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel zijn als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij dus niet de beoordeling door de eerste rechter van de zorgvuldigheid en de redelijkheid van de beslissing van de verwerende partij over te doen. Het vijfde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  6. Verzoeker acht “de standpunten van de eerste rechter […] wereldvreemd”. Hij vraagt hiermee in wezen andermaal een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, overigens zonder aan te geven welke bepaling of beginsel hij geschonden acht met het bestreden arrest. Het eerste onderdeel van het zesde middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
  7. Wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, betreft, herhaalt verzoeker in wezen zijn standpunt zoals aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij gaat hierbij niet in op het door de eerste rechter uitgevoerde onderzoek naar de mogelijke schending van de voornoemde verdragsbepaling noch op de motieven van het bestreden arrest doch hij vraagt XIV-38.945-3/4 een nieuwe beoordeling van de door hem aangevoerde elementen. Hiermee vraagt verzoeker andermaal een beoordeling van de zaak zelf. Het tweede onderdeel van het zesde middel is kennelijk niet- ontvankelijk. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.945-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.