id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.832 Rolnummer: A. 235591/XIV-38952 Zaak: Cassatiebeschikking 14832 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-06 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 06:38 Fiche Beschikking nr 14.832 van 1 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.832 van 1 april 2022 in de zaak A. 235.591/XIV-38.952 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 januari 2022, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 265.770 van 20 december 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 februari 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is XIV-38.952-1/4 gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en vormen derhalve een gemis aan motivering. Naar luid van artikel 19, § 1, van de vreemdelingenwet heeft een vreemdeling die houder is van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en het land verlaat, gedurende een jaar recht op terugkeer in het Rijk.
- Verzoeker meent een tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest te ontwaren. Hiertoe voert hij aan “dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet tegelijkertijd kan motiveren dat de verzoeker zijn adres hield bij zijn partner tot minstens 08/01/2021 om tegelijkertijd te motiveren dat verzoeker ingevolge de retro-actieve beslissing van de DVZ zijn verblijfsrecht verloor sinds 07/06/2017”. Dienaangaande overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Uit artikel 19, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet blijkt dat een vreemdeling die houder is van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en het land verlaat, gedurende een jaar recht op terugkeer heeft in het Rijk. Verweerder stelt vast dat verzoeker sinds 7 juni 2017 in Nederland verblijft en bijgevolg langer dan een jaar het land heeft verlaten. Verzoeker verblijft aldus ongeveer vier jaar in het buitenland. Verzoeker betwist niet dat hij sinds 7 juni 2017 onafgebroken in Nederland verblijft omwille van detentie. Verzoeker kan aldus bezwaarlijk betwisten dat hij niet sinds een viertal jaren in het buitenland verblijft. Verzoeker meent dat hij niet wordt geacht het land te hebben verlaten, nu hij een adres heeft bij zijn partner in België. In de bestreden beslissing wordt evenwel geduid dat aan de gemeente Zaventem de instructie werd gegeven tot een ambtshalve schrapping van het recht op verblijf op 7 juni 2017 omwille van de vaststelling dat verzoeker reeds langer dan 1 jaar in het buitenland verbleef. Bovendien blijkt uit de stukken van het administratief dossier, met name het verslag van verblijfsonderzoek van 8 januari 2021 dat verzoekers partner evenmin op het opgegeven adres verblijft aangezien het appartement, volgens de vaststellingen van de politie, leeg staat. In weerwil van zijn betoog heeft verzoeker bijgevolg, minstens sinds 8 januari 2021 geen adres bij zijn partner in België.” XIV-38.952-2/4 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is dus wel degelijk van oordeel dat verzoeker al een viertal jaar in het buitenland verblijft, namelijk ingevolge zijn detentie in Nederland sinds 7 juni
- De navolgende motivering is slechts een antwoord op verzoekers argumentatie dat hij nog een adres zou hebben in België. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt die argumentatie niet, net omdat verzoeker al sinds juni 2017 in het buitenland verblijft. Slechts “bovendien” stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoekers partner op 8 januari 2021 evenmin op het opgegeven adres bleek te verblijven zodat verzoeker minstens sedert deze laatste datum geen adres meer heeft bij zijn partner in België. Dit is niet meer dan een antwoord ten overvloede op verzoekers betoog dat hij nog steeds een adres in België zou hebben, hetgeen geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoeker al meer dan vier jaar in het buitenland verblijft (met of zonder adres in België). Verzoekers kritiek berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdige motieven en bijgevolg evenmin van een schending van artikel 19, § 1, van de vreemdelingenwet wat de vaststelling van het verblijf in het buitenland gedurende meer dan een jaar betreft.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.952-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een april tweeduizend tweeëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.952-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ORD.14.832 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div